Er bestaat geene vertrouwbare kaart, waarop men de veranderingen
in den loop van den Rijn, sedert de middeleeuwen tot op onzen tijd,
zou kunnen nagaan. Eene kaart van den ridder Beaurain, in Frankrijk
vervaardigd om daarop de veldtochten van Turenne langs den Rijn,
in de jaren 1674 en 1675, aan te wijzen, toont ons de rivier bezaaid
met een groot aantal boschrijke eilandjes, door meer of minder breede
armen gescheiden; zoo zelfs, dat eene militaire brug tusschen het dorp
Plobsheim en het fort Altenheim gelegd, over acht armen van de rivier
moest gaan om Baden met den Elzas te verbinden. Schönau, Rheinau,
Drusenheim, Schattmatten en Seltz, tegenwoordig een à twee kilometers
van den Rijn verwijderd, lagen toen vlak aan den oever. Vrij breede
riviertakken vloeiden langs Wanzenau en Gambsheim, terwijl Dalhunden
op den rechter oever lag. Voor den aanleg van het kanaal van de Ill
naar den Rijn, dat in 1838 voltooid werd, was Straatsburg door drie
dwarskanalen met den hoofdstroom verbonden. De normaliseringswerken,
in de jongste tijden door de regeeringen der oeverstaten naar een
vast plan uitgevoerd, hebben der rivier eene regelmatige en minder
wisselvallige bedding aangewezen.
Dadelijk nadat de Rijn, bij Bazel, de breede kloof tusschen
de uitloopers van den Jura en het Schwarzwald verlaten heeft,
raakt hij de grens van den Elzas. Op de Alpengletschers geboren
en gevoed door talrijke beken en stroomen, die aan alle zijden
van den Sint-Gothard, het centraalpunt der zwitsersche Alpenketen,
afdalen, richt de prachtige rivier haar loop naar het meer Constanz,
waarin zij zich tijdelijk verliest en als het ware de eerste
periode van haar leven afsluit. Het schilderachtige zwabische meer
verlatende, stroomt de Rijn naar het groote keerpunt bij Bazel,
na vooraf de Limmatt en de Reuss, onder den naam van Aar tot
eene belangrijke rivier vereenigd, te hebben opgenomen. De lengte
van den Rijn, van zijn oorsprong in Grauwbunderland tot aan zijn
uitloop in de Noordzee, bedraagt dertienhonderd-zes-en-twintig
kilometers, waarvan vierhonderd-veertig tot de kromming bij Bazel
en tweehonderd langs do grenzen van den Elzas. Bij het Tomameer in
Grauwbunderland, dartelt de pas geboren rivier op eene hoogte van
tweeduizend-driehonderd-vier-en-veertig meter boven de zee; in het
meer van Constanz bedraagt die hoogte driehonderd-vier-en-tachtig
meter; bij de brug te Bazel, tweehonderd-zes-en-twintig meter;
bij de brug te Kehl, honderd-vijf-en-dertig meter, en te Lauterburg
honderd meter: alles berekend naar het nulpunt van het amsterdamsche
peil.--Het vermogen der rivier bedraagt tegenwoordig ter hoogte van
Bazel, gemiddeld achthonderd kubiek meter, maar wisselt tusschen de
tweehonderd en twaalfhonderd kubiek meters en meer. Bij sterken was
heeft men, in het einde van December 1882, te Kehl een afvoer gehad
van vijf- tot zesduizend kubiek meter per sekonde.
Men kan eigenlijk niet zeggen dat de Rijn eene natuurlijke grens
is, want in de eeuwen der volksverhuizing zijn stam bij stam de
rivier overgetrokken; maar toch is de Rijn, sedert den aanvang der
historische tijden in Midden-Europa, eene grens geweest, welker bezit
de machtigste rijken elkander bij herhaling hebben betwist. Welk
eene reeks van groote en gewichtige gebeurtenissen hebben, sedert
de verschijning der Romeinen, zijne oevers niet aanschouwd! Hoe veel
bloed heeft er niet gestroomd om het bezit van het schoone, gezegende
land, waardoor hij zijne blonde wateren stuwt, zijne blonde wateren,
waarin wijd beroemde steden zich spiegelen! En ook, welk een bron van
zegen en welvaart was hij, de eeuwen door, voor de bevolking langs
zijn zoom! Geene andere rivier misschien werd zoo vaak bezongen;
voor geene andere klopt het hart van den Duitscher zoo warm als voor
_Vater Rhein_, geëerd en gevierd als ware hij de schepper des lands.
Bazel is gebouwd op een kiezelbank, bestaande uit keien gelijk
aan die welke de Rijn medevoert, en waarvan het hoogste punt op
vijf-en-zestig meters boven den tegenwoordigen middelbaren waterstand
ligt. Deze kiezelbank verdeelt zich in en bij de stad in terrassen,
die amphitheatersgewijze, soms met vrij steile hellingen, naar de
rivier afdalen, en zich op regelmatige afstanden langs de beide oevers
uitstrekken, tot ongeveer op de hoogte van Alt-Breisach.
Boven de oude kiezel van deze terrassen vindt men, over groote
uitgestrektheden, maar in zeer ongelijke dikte, de slib of
klei, waaruit de vruchtbaarste velden in de vlakte van den Elzas
bestaan. Deze slib, geheel verschillende van de mergelhoudende slib
welke de rivier thans achterlaat, is vermoedelijk aangevoerd door
het water, dat uit den ouden Rijngletscher stroomde, toen deze
zich nog tot in de omstreken van Bazel uitstrekte. De Rijn moet
destijds een veel vermogender rivier zijn geweest dan tegenwoordig:
anders had hij onmogelijk tot op zoo verren afstand die massa's slib
kunnen medevoeren, waarvan de dikte op sommige punten vijftig meters
bedraagt. Nog heden is de stroom ter hoogte van Bazel zoo sterk,
dat de rivier keisteenen ter zwaarte van vijf-en-twintig pond en
meer medevoert.
Tusschen de beide natuurlijke terrassen of hooge gronden, die zich
beneden Bazel langs de rivier uitstrekken, begrenzen de wederzijdsche
bandijken eene vlakte van drie tot zes kilometers breed, die bij
hoog water nog wordt overstroomd, en waardoor de Rijn vroeger zijn
loop nam in eene telkens wisselende, door tallooze kanalen doorsneden
bedding. Van afstand tot afstand ziet men nog, twee of drie mijlen van
den tegenwoordigen thalweg verwijderd, kommen en killen, overblijfselen
van oude riviertakken, voor het meerendeel thans van den hoofdstroom
afgesloten: zij vormen de thans oneigenlijk zoo genoemde eilanden van
den Rijn. Bosschen en kreupelhout, akkers en weilanden, onder den
naam van _ried_ en _grün_ bekend, volgen hier in bonte afwisseling
op elkander: een waar paradijs voor de jagers. Zonder de kunstmatige
normalisering van het rivierbed en de daarmede in verband staande
bedijking, zou men ook nu nog kunnen zien gebeuren, wat vroeger
herhaaldelijk plaats greep, dat de rivier bij overstrooming hare
bedding verlegde. Zoo werd in 1570 het dorp Neuburg, bij Germersheim,
van den rechter- naar den linkeroever verplaatst; zoo werd nog in het
begin dezer eeuw het riviertje de Moder, bij Hagenau, gedwongen om
zijn loop met omstreeks twintig mijlen te verlengen, ten einde den
Rijn, nabij Fort-Louis, te bereiken. Hieruit blijkt, hoe moeilijk
in den romeinschen tijd en in de middeleeuwen vaak de toegang tot
de rivier was, en hoeveel strategisch gewicht werd gehecht aan die
punten, waar het water van den Rijn in eene scherp begrensde bedding
vloeide en dus de overtocht gemakkelijk viel.
Daar waar de dus genoemde thalweg--dat is, de lijn van de grootste
diepte--den oever raakt, bedraagt de diepte thans, gedurende het
geheele jaar, minstens zes el beneden het nulpunt der peilschaal,
overeenkomende met middelbaren waterstand. Op de ondiepten tusschen de
kiezelbanken staat niet meer dan een el water en vaak nog minder. De
pontons van de schipbruggen te Kehl en te Breisach rusten des winters
dikwijls op de kiezel, in plaats van te drijven. Telken jare worden
door de ingenieurs, met de werken van den Rijn belast, die banken
opgenomen en de ondiepten gepeild. Deze ondiepten zijn eene zeer
wezenlijke belemmering voor de scheepvaart, die zich niet ontwikkelen
kan, zoolang het bed der rivier niet zal zijn gezuiverd en de banken
en ondiepten weggeruimd.
In de maand Februari begint de rivier te wassen. Deze aanvankelijk
zeer geringe was houdt weder op in Maart, welke maand in onze streken
doorgaans zeer droog is; te beginnen met April gaat de was echter
sneller, om haar toppunt te bereiken in Juni. In Juli begint het
water weder te zakken; de sterkste daling heeft plaats in de maand
September. Natuurlijk komen er in de verschillende jaren meer of minder
sterke afwijkingen voor, naar gelang het jaar droger of regenachtiger
is.--Zoo als ik reeds zeide, nemen de ingenieurs telken jare de
ligging en de gesteldheid der kiezelbanken op, die het bed van den Rijn
versperren. Bij hoog water worden die banken of platen overstroomd;
als het water zakt, komen zij weer boven. Tusschen Lauterburg en
Straatsburg telt men niet minder dan drie-en-zestig van zulke platen;
boven Straatsburg tot Bazel is haar aantal vooral niet minder. Ten
gevolge van de verplaatsing van de kiezel bij hoog opperwater en
sterken stroom, ondergaan die platen gedurige verandering, waarmede
de schippers op den Rijn rekening hebben te houden.
Deze kiezelplaten in den Rijn, die ook voor de zalmvisscherij benuttigd
worden, verschaffen mede bezigheid aan de goudzoekers. Een charter van
het jaar 667, door een hertog van den Elzas, Etichon genoemd, verleend,
geeft reeds aan een klooster het recht om goud te wasschen. Nog
in de laatste tijden leverden de goudzoekers uit den Elzas en uit
Baden jaarlijks aan de munt te Karlsruhe voor de waarde van veertig
à vijftigduizend francs van het kostbare metaal. Men vindt dit goud
vooral op de kiezelplaten, met zand vermengd. Maar de arme lieden,
die het zoeken, verdienen zoo weinig met dien arbeid, dat zij daartoe
alleen hunne toevlucht nemen als zij niets anders te doen hebben. Het
goud komt niet voor in de gedaante van groote of kleine korrels, maar
van zeer dunne loovertjes, die ter nauwernood een millimeter groot
zijn. Doorgaans bevatten tienduizend pond kiezel niet meer dan zes
grammen goud. Een hoop kiezel van tien kubiek meters levert bij de
wassching niet meer op dan twee en een half gram goud. Gedurende de
beste jaren ontving de munt te Karlsruhe van twaalf tot vijftien pond,
vertegenwoordigende vier vijfden van de geheele produktie langs den
loop der rivier van Bazel tot Philipsburg. Wanneer men nu in aanmerking
neemt, dat een goudzoeker nog geen twee francs per dag verdient, dan
zal men lichtelijk begrijpen dat een zoo weinig winstgevend bedrijf
al meer en meer verwaarloosd wordt. Het is veel voordeeliger zich als
dijkwerker te verhuren of in de fabrieken te arbeiden, dan langs den
Rijn goud te zoeken.
Voor de uitoefening van dat bedrijf heeft de goudzoeker overigens niet
veel gereedschap noodig. Het goudwasschen geschiedt tegenwoordig op
vrij wel dezelfde manier, die Heberer, in 1582, te Seltz in praktijk
zag brengen. Met een ijzeren schop voorzien, schept de goudzoeker
eenige ponden kiezel op en schudt die in het water heen en weer,
ze tevens oppervlakkig onderzoekende. Na de groote keien verwijderd
te hebben, maakt hij eene beweging met de schop, zoodat het lichte
zand door het water wordt medegespoeld. Vervolgens worden ook de
kleine steentjes verwijderd. Na nog eenige bewegingen met de schop,
houdt hij niets over dan zwart zand, dat eene groote hoeveelheid met
titanium verbonden ijzer bevat, en waarin een geoefend oog al spoedig
de verborgen goudloovertjes ontdekt. Als hij met iedere schop meer
dan een dozijn loovertjes verkrijgt, heeft hij kans meer dan een
franc per dag te verdienen. Na aldus eene zekere hoeveelheid zand
verzameld te hebben, begint de operatie van het wasschen. Daartoe
gebruikt hij eene twee el lange en een el breede schuine plank, die met
een stuk grove wollen stof is bekleed, en aan welker boveneinde een
soort van teenen horde is aangebracht, waarvan de traliën twee duim
tusschenruimte hebben. Het kiezel wordt nu tegen die horde gelegd en
vervolgens met water begoten: het zand en de nog overgebleven kleine
steentjes worden door het afstroomende water medegevoerd, terwijl de
goudloovertjes en het fijne zand in de wol blijven vastzitten. Het
wollen kleed wordt nu van tijd tot tijd in eene tobbe uitgespoeld;
en het op den bodem achtergebleven zand naar huis medegenomen om daar
eene laatste zuivering te ondergaan. Ge ziet, het kost moeite genoeg,
een weinig goud machtig te worden.
Twee malen ben ik, te beginnen van Bazel, den Rijn afgevaren: eens met
de ingenieurs, aan wie de uitvoering der rivierwerken is opgedragen,
en eens in gezelschap van de leden van onzen provincialen landdag,
die zich door eigen aanschouwing van den stand der werken wenschten
te vergewissen.
Bij den laatsten tocht was het bij uitnemendheid mooi weer met
prachtigen zonneschijn. En de tocht was inderdaad een soort van
triomftocht: overal werden wij met gejuich, met kanon- en geweerschoten
ontvangen; steden en dorpen waren met vlaggen en groen versierd;
overal werd ons de eerewijn aangeboden, en de heeren zelven waren in
de beste en vroolijkste stemming. De vergadering was bijna kompleet,
evenzoo als de regeeringscommissarissen. Slechts enkelen ontbraken,
die tegen zulk eene vaart, met het oog op hunne gezondheid of hun
gestel, meenden bezwaar te moeten maken. Daar gaat op den Rijn, zoo
als men weet, een zeer snelle en sterke, bij wijlen zelfs een zeer
hevige stroom; en al is iemand volksvertegenwoordiger, kan het hem
toch overkomen, dat hij zich op het water minder op zijn gemak gevoelt.
Maar liever dan u een officieel proces-verbaal aan te bieden van de
stroombevaring door de leden van den landdag, wil ik u eenvoudig het
verhaal doen van mijn eerste tochtje op de rivier met de ingenieurs. Op
dien dag--het was Vrijdag, 28 September 1882--was het weer veel
minder mooi: de hemel was grauw en donker en het regende hard. De
hoog gezwollen wateren kookten en bruisten onder de oude brug te
Bazel. Vader Rijn was blijkbaar niet in zijn humeur en scheen ons
toe te roepen: "Vandaag niet! Komt mij een anderen dag bezoeken:
ik ben nu niet te spreken." Te spreken of niet, wij zijn in het
schuitje en kunnen niet meer terug. Vader Rijn moet het nu maar voor
lief nemen. In woeste snelle vaart voeren de voortgejaagde golven
ons mede: eer wij het weten, varen wij onder de brug van Huningen
door. Bazel verdwijnt welhaast uit het gezicht, met zijne torens en
hooge oevers. Beneden de stad verheffen zich langs de rivier eenige
fabrieken van chemische stoffen, met haar leelijke schoorsteenen,
die ons hun rook en roet nazenden: even onaangenaam voor den reuk
als het vuile water en de verwerkte stoffen dier fabrieken, die in
den Rijn uitstroomen, verderfelijk zijn voor de zalmteelt.
Dicht bij de schipbrug van Huningen verbindt een ijzeren brug de
badensche spoorwegen met het spoorwegnet van Elzas-Lotharingen;
deze verbinding heeft voornamelijk een strategisch doel: zij moet
namelijk de beweging mogelijk maken van troepen, die uit Zwaben en
Wurtemberg komen, zonder het neutrale grondgebied van Zwitserland te
schenden. Dicht bij de brug ziet men ook den mond van het kanaal,
dat den Rijn met de Rhône verbindt; vlotvoerders zijn bezig met
houtvlotten, uit Zwitserland en het Schwarzwald afkomstig, binnen
het kanaal te sturen. De pontons van de schipbrug zijn gedeeltelijk
van hout, gedeeltelijk van zink; maar deze laatsten, die moeilijk
te herstellen zijn, verdienen geene aanbeveling. Naast de brug staat
een magazijn, waarin de noodige materialen voor herstellingen worden
geborgen. Ten einde in geval van snellen was of hoog opperwater
tijdig te kunnen waarschuwen, heeft men eene telegraaflijn aangelegd,
waardoor de bureaux van de ingenieurs te Colmar en te Straatsburg
in rechtstreeksche verbinding staan met de brug- en dijkwachters,
die onderling telefonisch verbonden zijn. Minder goed geregeld is
de dijkverdediging door de oeverbewoners, wanneer er gevaar is voor
doorbraak; het ware zeer wenschelijk, dat de regeering zich die
zaak aantrok en eene behoorlijke organisatie met een vast personeel
invoerde.
Een paalregel, uit houten en ijzeren palen samengesteld en die in
schuine lijn, van het midden der schipbrug, in de richting van den
linker oever loopt, beschermt de pontons tegen het geweld van den
stroom, wanneer bij hoog water de brug moet worden weggenomen. Ook de
houtvlotten zoeken vaak in deze soort van haven eene wijkplaats. Hier
verlaten wij het bootje, waarmede wij van Bazel zijn gekomen, om over
te gaan in de gouvernementsboot voor den dienst der rivierwerken. Deze
boot, die met vier roeiers is bemand, heeft in het midden een overdekte
kajuit, waar wij althans voor regen en zonneschijn veilig zijn. De
regen heeft trouwens voor het oogenblik opgehouden, maar de lucht
blijft betrokken. Veel liever hadden wij helder en warm weer gehad:
doch daar is niets aan te doen, en pruttelen maakt de zaak niet beter.
Terwijl de boot met groote snelheid door het water glijdt, hooren
wij in onze onmiddellijke nabijheid een zonderling geluid, het best
te vergelijken bij het kletteren van hagel tegen de ruiten. Een der
ingenieurs deelde mij mede, dat dit geluid werd veroorzaakt door de
beweging der steenen op de kiezelbanken. Voor het oogenblik is geen
van deze platen zichtbaar: bij zulk een hoogen waterstand zijn zij
allen overstroomd. Eerst later, als het water zakt, komen zij weer
voor den dag, maar dan op andere plaatsen dan waar zij zich vóór
den was bevonden. Die platen zijn dus in beweging, en die beweging
is sneller, naarmate in den Rijn sterker stroom gaat. De wrijving en
schuring van die kiezel veroorzaakt het slib, dat het water troebel
maakt. Op sommige plaatsen worden de kiezelsteenen, door de kracht
van den stroom, over de lage kribben en dammen heengeworpen, hoewel
die minstens een el boven de kiezelplaten reiken. De normaallijnen,
die een kunstmatig bed bij middelbaren rivierstand moeten vormen,
zijn aangewezen door rijswerk en steenglooiingen; deze kunstmatige
bedding doorsnijdt op verschillende punten den ouden thalweg. Langs
de afgesneden rivierarmen zien wij bootslieden, die hunne schuiten
voorttrekken; visschers maken daar, vooral bij regenachtig weer,
hunne beste vangst, want dan zwemmen de visschen, door de openingen
in de oeverwerken, de zijtakken in, waar zij in menigte gevangen
worden. Het rijsbeslagwerk is bijna overal langs de normaallijnen
aangebracht en met steen bestort; de oude zijtakken zijn op die
wijze voor het meerendeel afgedamd; bij hooge waterstanden stroomt
het water over die dammen heen en ontlast zich in de afgesneden killen.
Wij varen onder de brug van Rheinau door en roeien voort, nu met de zon
vlak in het gezicht. Gelukkig! want bij zulk eene vaart op den Rijn is
mooi weer eigenlijk een vereischte. Zonder eenige inspanning bereiken
wij omstreeks vier uren in den namiddag de uitmonding van de Kraft,
eigenlijk een tak van de Ill, die zich bij Erstein van deze rivier
afscheidt. Twee mijlen verder ligt de fraaie hoeve Altenheimer Hof
schilderachtig tusschen het geboomte. Troepen soldaten oefenen zich
in het zeilen en sturen, in de nabijheid van een fort, dat onlangs
aan den oever der rivier is gemaakt en waarvan niets zichtbaar is dan
de met gras begroeide taluds. Slechts de punthelmen der schildwachten
op den wal verkondigen u, dat wat ge daar ziet, een fort is. Niet ver
van daar, op den badenschen oever, ligt een tweede fort: beiden maken
deel uit van de lijn van defensie der stelling Straatsburg. Rondom
het fort Altenheim sluiten bosschen den horizon af, maar de Rijn zelf
opent heerlijke gezichtspunten. De rivier heeft hier eene breedte
van tweehonderd-vijftig el; de kalme watervlakte wordt door geen
enkele bank of plaat gebroken. De stroom is hier veel minder snel;
bij wijlen schijnt de koninklijke stroom een effen meer. Eene kleine
boot, vol heeren en dames, steekt vlug en licht, vlak langs ons heen,
de rivier over. In de verte beurt de kathedraal van Straatsburg haar
fijne torenspits in de nu helder blauwe lucht. Welk eene afwisseling
van gezichten en landschappen, bij iedere kromming van de rivier! Toch
valt het niet tegen te spreken, dat de rivierverbetering, hoe nuttig
ook onder andere opzichten, niet aan het schilderachtige bevorderlijk
is geweest: trouwens de ingenieurs-wetenschap heeft niets te maken
met schoonheid. Haar ideaal is eene zooveel mogelijk rechte rivier,
tusschen regelmatige, rechtlijnige oevers ingesloten; en dit ideaal
is gewis een geheel ander dan dat van dichters en kunstenaars, ja
ook van hen, voor wie de schoonheid der levende natuur zeer, zeer
veel meer waard is dan de mooiste mathematische figuur. Zoo was dan
ook, vóór de normaliseering, de Rijn onbetwistbaar veel schooner
en pittoresker. Toen vormden, bij hoog water, de verschillende
vertakkingen van de rivier een majestueusen, uitgestrekten waterplas,
die op sommige plaatsen eene breedte had van ettelijke mijlen. Ook
nu nog biedt de rivier juist daar de schoonste gezichtspunten,
waar de nog niet afgedamde zijtakken diep landwaarts indringen, te
midden der statige, eeuwenheugende bosschen. Welke prachtexemplaren
van eiken en ahornen vindt men nog op de voormalige eilanden, voor
het meerendeel begroeid met schier ondoordringbaar kreupelhout,
de geliefkoosde verblijfplaats van wilde zwijnen en fazanten. In de
lagere gedeelten betwisten riet en biezen en gras de plaats aan het
kreupelhout, tenzij een warnet van doornstruiken en wilde moerbeziën
het geheele terrein inneme. Hier en daar vindt men, op de dichtst
begroeide eilanden, nog enkele bevers, maar zij worden van jaar tot
jaar zeldzamer. In het museum van natuurlijke historie te Mainz zag ik
een grooten opgezetten bever, die aan den oever van Rijn gevangen was.
Omstreeks vijf uren in den namiddag varen wij onder de brug van den
spoorweg van Straatsburg naar Kehl, en komen even daarna aan den mond
van den zoogenoemden Kleinen-Rijn, waar wij aan land gaan. Wij zijn
te Straatsburg.