Wij hebben lang in het museum van Colmar getoefd, misschien wel
te lang naar de meening van sommigen onder onze lezers, die van
niets zoozeer overtuigd zijn als van de waarheid, dat de mensch van
kunstgenot alleen niet leven kan. Daarom, hoe gaarne wij ook verder
de zeer ingewikkelde vraag zouden wenschen te bespreken, van welken
meester de voornaamste schilderijen in de galerij van Unterlinden
zijn, wij mogen hier niet langer toeven. Maar toch zou ik achten,
aan mijn plicht te kort te hebben gedaan, indien ik mijn lezers
niet op de hoogte bracht van het weinige, dat ons omtrent het leven
van den beroemden schilder-graveur Martin Schöngauer, het hoofd der
school van Colmar, bekend is. Tot dusver zijn de geleerden het ten
eenemale oneens, zoowel omtrent den tijd waarin hij geleefd heeft,
als omtrent den juisten vorm van zijn naam en omtrent de waarde
van zijne kunstwerken.--Over zijne werken hebben wij reeds in alle
bescheidenheid onze meening gezegd. Ten aanzien van zijn sterfdag
houden wij ons aan eene geschreven aanteekening in het register
der jaargetijden, die in de parochiale kerk van Sint-Maarten waren
gesticht. Dit register, door den heer Hugot ontdekt, wordt in het
stedelijk archief bewaard. Op bladz. 29 van dit register leest men de
volgende aanteekening in het latijn: "Martin Schöngauer, de roem der
schilders, vermaakte vijf stuivers voor zijn jaargetijde en voegde
er negentien stuivers en zeven penningen bij voor het jaargetijde van
zijn vader, waarvoor hij verkreeg een jaargetijde zonder vigiliën. Hij
stierf op Maria-Zuivering, in het jaar 1488."--Een opschrift op het
portret van Schöngauer in de Pinakotheek van Munchen, afkomstig van
de hand van Hans Burgkmaier, noemt den tweeden Februari 1499 als den
sterfdag van den ouden meester. "_Mayster Martin Schongawer, Maler,
genent Hipsch Martin von wegen seiner Kunst, geboren zu Kolmar,
aber von seinen Aeltern ein Augsburger Bu(rger) des Geschlechts vo
Her Casparn, und is (gest)orben zu Kolmar anno 1499 auf den 2t(en
tag) Hornings, dem Got Genad.--Ich sein Junger Hans Burgkmair im
Jar 1488_".--Deze twee aanteekeningen, waaruit in ieder geval blijkt
dat Martin Schöngauer of Schöngouwer te Colmar werd geboren en in de
laatste jaren der vijftiende eeuw aldaar is gestorven, zijn eigenlijk
alles wat wij omtrent den kunstenaar weten: de bijzonderheden van
zijn leven zijn ons onbekend.
De plaatselijke overleveringen maken melding van het huis _Zum
Schwanen_, in de kleine Augustijnerstraat, achter de Sint-Maartenskerk,
als zijnde het eigendom van Schöngauer. Door hetgeen nog van de
voormalige versiering van deuren en vensters over is, geeft dit huis
ons nog een staaltje van de burgerlijke bouwkunst der vijftiende eeuw
te Colmar; ongelukkig is ook dit huis misvormd en geschonden, om aan
de eischen van den modernen smaak te voldoen. Te oordeelen naar zijn
portret in de Pinakotheek van Munchen, dat het jaartal 1453 draagt,
was Schöngauer toen een man van ongeveer dertig jaar; hij zou dus
omstreeks het jaar 1420 geboren zijn. Albrecht Dürer, die in 1492 te
Colmar kwam om in het atelier van Schöngauer te studeeren, vond hem,
volgens de verklaring van Christian Scheurl in zijn _Vita Antonie
Kressen_, in 1515 gedrukt, niet meer in leven. Schöngauer zelf was een
leerling van Rogier Van der Weyde. Met Albrecht Dürer een der scheppers
van de duitsche kunst, heeft hij door zijne talrijke leerlingen
en navolgers de beginselen en de techniek der vlaamsche school in
Duitschland ingevoerd en bekend gemaakt. Geen enkel duitsch schilder
voor hem heeft in dezelfde mate het talent bezeten om de schoonheid
van het menschelijk gelaat weer te geven. Zijne schilderijen, vooral
in de steden langs den Boven-Rijn verspreid, vonden grooten aftrek in
Italië en Frankrijk, in Engeland en Spanje. Onder de werken, die aan
hem worden toegeschreven, zag ik er een in het museum te Madrid: een
altaarstuk, door gothische bogen in drie vakken of nissen verdeeld,
voorstellende den Zaligmaker, de Madonna en Sint-Jan; in de galerij
van het paleis Sciarra Colonna te Rome, de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe;
in de Pinakotheek te Munchen, de Intocht van David in Jerusalem met
het hoofd van Goliath; in de National Gallery te Londen, nogmaals
de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe, van veel kleiner afmetingen dan onze
schilderijen te Colmar, maar met eene fijnheid van uitdrukking, een
diepte van gevoel en een meesterschap van bewerking, die Schöngauer
anders slechts in zijne gravuren toont te bezitten.
En nu, na dit kunstpraatje, begeven wij ons tot lager sfeer en dalen
wij af naar de keuken, van welke het niet valt tegen te spreken,
dat zij in ons leven nog meer plaats inneemt dan de schilder- of
beeldhouwkunst. En door dit te erkennen, willen wij allerminst geacht
worden, de materieele behoeften en begeerten te verheffen boven de
geestelijke goederen en den smaak voor het schoone; noch ook op eenige
wijze afbreuk te doen aan de rechten der gedachte en van het ideaal
op de leiding en het bestuur des levens. Maar, wat ik u bidden mag,
deftige heeren, ernstige lieden uit elken stand, gij die hoegenaamd
geen prijs stelt op een goed diner, die uitsluitend leeft in hoogere,
ideale sfeer en nimmer bezweken zijt voor do verlokkingen van een
keurige tafel;--wat ik u bidden mag, weest niet te haastig met uw
anathema! Vergunt mij, aan mijne vrienden, die belang stellen in
alles wat ons mooi en goed vaderland, onzen Elzas, betreft, ook eens
te vertellen, hoe en wat men er alzoo eet. Toen ik mij voorstelde
als uw gids, om u al het merkwaardige en belangwekkende, al het
schoone en loffelijke van ons land te toonen, heb ik mij zelven de
dure verplichting opgelegd om niets dan de waarheid te zeggen. En nu
is het eene onbetwistbare waarheid, dat de wijze van voeding altijd
eene vrij belangrijke rol heeft gespeeld in de zeden en gewoonten,
in de geheele manier van leven ook der Elzassers van vroeger en later
tijd. Arbeidzaam, verstandig, moedig als het noodig is, trouw in
zijne liefde, gehecht aan zijne voorvaderlijke godsdienst, bereid tot
ieder offer ten behoeve van zijn geloof, zijn vaderland en zijne eer,
is het goede volk van den Elzas ook gansch niet onverschillig voor
de genietingen en voorrechten van hetgeen men een goed leven noemt.
Bij een vrij zacht klimaat laat de grond van den Elzas de kultuur toe
van alle planten der gematigde luchtstreek. Zijne rijke golvende
korenakkers zijn sinds ouden tijd beroemd; zijn moestuinen en
boomgaarden zijn de rijkste en schoonste van geheel Duitschland
geweest; zijn bekende wijnbergen hebben het edele druivensap geleverd,
dat tot in de best voorziene kelders van Engeland en Zweden wordt
bewaard. Reeds de oude schrijvers prijzen om strijd de aangenaamheden
en voorrechten van deze gezegende streek, die zij den wijnkelder,
de korenschuur, de voorraadkamer der omliggende landen noemen,
en waarvan zij de vruchtbaarheid met die van Touraine en Lombardije
vergelijken. Weinig landen, zegt de _Géographie française_ van Duval,
leveren zoo veel gemakken en aangenaamheden voor het leven op. Wild
en visch van allerlei soort dragen rijkelijk bij tot de voeding der
menschen.--Het is geen wonder, dat Duitschland nooit heeft opgehouden,
naar de herovering van dit door de natuur zoo rijk gezegende land
te trachten.
De uitbreiding van den landbouw, de ontwikkeling der industrie, in
het algemeen de voortgang der beschaving is van nadeeligen invloed
geweest op den wildstand en op de vischrijkheid der wateren. Wij zullen
nader gelegenheid hebben om van de uitgestorven soorten te spreken
en de nog levende te bestudeeren. Daarentegen was het land nooit zoo
rijk als tegenwoordig aan huisdieren, noch bezat het immer daarvan
zoo voortreffelijke exemplaren.--De meeste groenten, die wij nog
heden, naargelang der verschillende jaargetijden, op de spijskaarten
vermeld vinden, worden reeds in de capitulariën van Karel den Groote
genoemd. Als nu, bracht toen de lente spinazie, bieten, bernagie,
ossetong, boerekool, zuring, chicorei, berenklauw, paardebloemen
(molsla), waarvan de bladeren, evenals die van de papaver en de
winterbonen, gegeten werden. Een in de middeleeuwen zeer geliefde
spijs, die bij ons in onbruik is geraakt, leverden de bladeren van
de maartsche viooltjes, vermengd met jonge brandnetels, wilde latuw
en de eerste uitspruitsels van wilde hop, die echter minder hoog
stonden aangeschreven dan rapousjes en sperges. Met den zomer kwamen
pieterselie, worteltjes, suikerwortels, radijs, peulen, doperwten,
snijbonen, rogge en spelt, waarvan men de onrijpe korrels als groente
at. De herfst bracht op zijn beurt witte kool, bonen, komkommers,
pompoenen, waarbij zich sedert het laatst der zeventiende eeuw de
aardappel voegde, die het brood der armen geworden is; vervolgens
bloemkool, artisjokken, tomaten en meloenen. De winter voorzag nog de
tafel van ingemaakte groenten, zoo als erwten, snijbonen, linzen en
andere, de onvermijdelijke zuurkool vooral niet te vergeten. Behoudens
enkele uitzonderingen, maken al deze groenten ook tegenwoordig nog
deel uit van de volksvoeding. Sommige grovere soorten zijn in onbruik
geraakt, andere fijnere groenten vallen thans binnen ieders bereik.
Vraag eens het oordeel van onze lekkerbekken in den Elzas en
Lotharingen. De fijnste kenners, zij die door het gansche land
aan de beste tafels hebben aangezeten, zullen u dan wel, in
vertrouwen, enkele bevoorrechte plekjes noemen, beroemd hetzij
door de voortreffelijkheid der keuken in het algemeen, hetzij
door de ongeëvenaarde wijze, waarop men sommige schotels weet te
bereiden. Ondanks het stelsel van verplicht onderwijs, ondanks de
algemeene bekendheid der recepten van den _Bon Cuisinier français_,
ondanks de sneltreinen, die ons de weelde vergunnen, gebakken schol
uit de Noordzee of ingelegde groenten uit Amerika op onze tafel te
zien verschijnen; ondanks dat alles, kennen wij toch, hier en daar
verspreid, sommige huizen, waar zekere uitgezochte spijzen beter
dan ergens elders worden toebereid en beter smaken ook. Niet zonder
innige ontroering gewagen onze gastronomen van de wonderen van Vader
Jundt, in zijn restaurant de _Poêle-des-Vignerons_ te Straatsburg,
en van de weleer, ten tijde van Rieffenach, zoo beroemde _Deux-Clefs_
te Colmar. In deze beide huizen, waar de moderne weelde geen toegang
had en nieuwigheden niet spoedig werden ingevoerd, wijdde de meester
in eigen persoon al zijne zorg en aandacht aan de keuken en wist men
van de nieuwere ontdekkingen partij te trekken, zonder met de goede
oude traditie te breken. Nergens at men zoo goed, nergens vond men
eene zoo keurige tafel en zoo voortreffelijken wijn; nergens voelde
men zich zoo volkomen op zijn gemak. Tijdens de restauratie, vóór
het noodlottige jaar 1830, was het _Hotel des Deux-Clefs_ te Colmar,
juist om zijne uitmuntende tafel, een van de vereenigingspunten der
elzasser oppositie. De generaal Foy, Benjamin Constant, Marcel Barthe,
Voyer d'Argenson, als gasten van den toekomstigen pair van Frankrijk
Hartmann, hebben daar mede de vierschaar gespannen van het fransche
liberalisme. Ach, waarom hebben zij niet liever al hunne aandacht
gewijd aan de pasteitjes van ganzelever en aan de uitgelezen merken
der elzasser wijnen, in plaats van Frankrijk te helpen storten in de
roekelooze omwenteling van Juli 1830! Hoe geheel anders zou de loop
der geschiedenis voor het ongelukkige land zijn geweest, hadde men
deze onvergefelijke domheid niet begaan.... Maar wij zouden vergeten,
dat wij nog aan tafel zitten.
Wanneer ik u de spijskaart van de table d'hôte in de _Deux-Clefs_
voorlegde, dan zoudt ge moeten toestemmen, dat men daar, voor den
in het minst niet buitensporigen prijs van twee marken en tachtig
pfenningen, een uitmuntend diner kan krijgen, met inbegrip van
een halve flesch wijn. In de herberg van het Stubengeselschaft van
Schlettstadt, overeenkomende met den Waagkeller te Colmar, betaalden
de klanten, in 1520, zeven of acht penningen voor een goeden maaltijd,
met inbegrip van wijn. Dit verhaalt ons de eerzame kroniekschrijver
Hieronymus Gebweiler, die er bijvoegt dat de wijn voortreffelijk,
en de spijzen overvloedig en heerlijk klaar gemaakt waren; hij
deelt ons echter het menu niet mede. Ten gevalle van liefhebbers van
oude menus, nemen wij er een over uit de _Edelsassische Chronick_,
in het jaar 1592 door Herzog te Straatsburg gedrukt. Het geldt de
beschrijving van een feestmaal, op dinsdag vóór Sint-Valentijn,
in 1439 gegeven, ter gelegenheid van de blijde inkomste van den
bisschop Robrecht van Beieren. Het feestmaal, waaraan meer dan
driehonderd geestelijken deelnamen, bestond uit drie reeksen van
gerechten, ieder van vijf schotels. _Eerste gerecht_: 1º kool; 2º
gekookt ossevleesch; 3º ragout van kippen met zoete amandelen; 4º
visch in zwarte gelei; 5º vlapastei. _Tweede gerecht_: 1º ragout van
wilde zwijnevleesch; 2º hertepastei; 3º gruttepap met gerstsuiker;
4º gebak; 5º blanc-manger. _Derde gerecht_: 1º rijst met suiker; 2º
kapoenen, kippen en gebraden speenvarkentjes; 3º gelei van gevogelte
en kalfsvleesch met saus; 4º gebak in den vorm van peren; 5º compote
van pruimen. Onder de versierde schotels, die op de tafel van den
bisschop werden geplaatst, wordt een kasteel genoemd van fijn gebak,
waaruit een zwerm levende vogeltjes fladderde, met een vijvertje
waarin kleine vischjes zwommen. Nog twee andere prachtschotels
verdienen vermelding: een gebraden speenvarkentje, aan de eene
zijde verguld en aan de andere verzilverd, en een gebraden pauw in
zijn vollen vederdos.--Van een diner, den 19 November 1705, op het
stadhuis van Mülhausen gegeven door een dertigtal burgers, aan wie
pas het stedelijk burgerrecht was toegekend, is ons het volgende menu
bewaard gebleven: 1º kippesoep, gekookt rundvleesch, kippenpastei, een
kalkoen, niet genoemde groente, bloemkool; 2º gebraden kalfsschijf,
gebraden haas, ragout van hertevleesch, kapoen, duiven, snippen,
zwaluwen, ganzen, eenden, compote van peren en pruimen; 3º twee
schotels met beignets, taarten, gebak, confituren, enz. Aan dezen
maaltijd namen vijf-en-zestig gasten deel; de nieuw opgenomen burgers,
die de kosten betaalden, hadden met den waard van den _Wildeman_
eene overeenkomst gesloten tegen acht pfundstäbler--zegge, tien pond
veertig stuivers--per hoofd, waaronder veertig pfundstäbler voor wijn.
Vreemde gasten en bezoekers zoowel als inheemsche schrijvers en
moralisten zijn eenstemmig in hunne getuigenis omtrent den sterk
ontwikkelden zin voor gezelligheid en feesten, onder alle klassen der
bevolking in den Elzas. In vroeger tijd, meer nog dan tegenwoordig,
werd de aangeboren smaak voor tafelgenot voortdurend geprikkeld
en onderhouden, vooral ook omdat men ruimschoots over de middelen
kon beschikken om aan die begeerte te voldoen. Elke eenigszins
merkwaardige omstandigheid in het huiselijk leven, elk feest, hetzij
van kerkelijken, burgerlijken of militairen aard, dat de menschen met
elkaar in aanraking brengt, werd en wordt nog steeds onveranderlijk
gevierd met een overvloedigen maaltijd. Wordt een kind ten doop
gedragen, dan mag het vroolijke doopmaal, de welkomstgroete van
den jonggeborene in het leven, niet achterblijven. Ter gelegenheid
van een huwelijk is een enkel feestmaal natuurlijk niet voldoende:
de beide familiën, vrienden en bekenden geven een reeks van feesten
ter eere van het jeugdige paar. Maar ook bij het overlijden van een
bloedverwant of vriend wordt nog steeds de overoude gewoonte van
het begrafenismaal in eere gehouden. Geen congres of vergadering van
welken kring ook is denkbaar zonder een banket--dat niet zelden het
beste is van al wat er gedaan wordt. Wanneer een hooggeplaatst persoon,
een bisschop of een prefect, eene stad bezoekt, wordt hem een maaltijd
aangeboden. Doet een nieuwe pastoor of een nieuwe dominé zijn intrede,
dan moet de gemeente hem toch behoorlijk ontvangen; aanvaardt een
nieuwe burgemeester het bestuur, dan vraagt hij de leden van den raad
en andere notabelen ten eten, om op de aangenaamste wijze kennis met
hen te maken. Vandaag is het de dag van den patroon der plaats, morgen
is het schuttersfeest; nu moet er een nieuwe klok worden gedoopt of
een nieuw orgel ingewijd; dan weer moet de gemeentelijke rekening
worden opgenomen, of wordt eene publieke verkooping gehouden, of is
er een gouden of een zilveren bruiloft, of wel worden de maaiers
onthaald, of het einde van den wijnoogst gevierd. Dat alles kan
niet naar eisch geschieden, zonder dat er bij gegeten en gedronken
wordt. Maar wij zijn nog niet aan het einde: vergeet Sint-Maarten
niet met zijn gans, en den heerlijken Kerstboom, en Sint-Sylvester,
en Drie-Koningen met zijn taart, en Vastenavond, en den Meidag, en
Sint-Jan met zijn vuur, en de maaltijden bij vischpartijtjes, en de
drukke slacht in de sombere Novemberdagen: al die gelegenheden geven
van zelf aanleiding tot partijtjes en maaltijden, waarvan boeren en
burgers evenzeer houden, waarbij kapitaal gegeten en flink gedronken,
luid gelachen en met volle borst gezongen wordt, en waarbij het ook
aan vroolijke, hartige, soms wel wat gepeperde scherts niet ontbreekt.
Een satiricus van de zestiende eeuw, Johann Fischart, de
straatsburgsche Rabelais, die eene soort van duitschen of elzasser
Gargantua geteekend heeft, geeft ons eene opsomming van de huiselijke
en openbare feesten, die met maaltijden werden gevierd. Het in zijn
boek geschetste tafereel vertoont ons een zeer sprekend beeld van
de zeden en gebruiken des lands in zijn tijd. Hij telt niet minder
dan drie-en-vijftig verschillende gelegenheden op, die voor onze
feestlievende vaderen aanleiding gaven tot pret maken. Gérard neemt
de lange lijst van Fischart over en voegt er zijne scherpe, bijtende
aanmerkingen bij.--Was het om aan wezenlijke of voorgewende misbruiken
een einde te maken, dan wel om het heilzaam onderscheid tusschen
de standen te bewaren, gedachtig aan de wijze spreuk der oudheid:
_Quod licet Jovi, non licet bovi_;--was het daarom dat wettelijke
bepalingen tegen weelde en overdaad in het leven werden geroepen? De
verzameling der politieverordeningen of keuren van de oude vrije
rijkssteden in den Elzas geeft ons in ieder geval een aardig kijkje
op de buitensporigheden van den vroegeren tijd en getuigt ook van
den oprechten ijver om die misbruiken tegen te gaan. Te Straatsburg
werd in 1628, onder de regeering van den stadtmeister Böckling
von Böcklingshausen, bij keur verboden om ter gelegenheid van een
bruiloft meer dan twintig personen, behalve de familieleden, uit te
noodigen. "Om de misbruiken te weren van de verderfelijke weelde en
overdaad, die overal is doorgedrongen en zelfs bij lieden van lagen
stand," was het aan personen uit de burgerklasse verboden om meer
dan acht schotels op tafel te doen brengen; ook mochten de feesten
niet langer dan twee dagen duren.
Het uitvaardigen van verbodsbepalingen tegen overmatige tafelweelde is
op zichzelve nog geen bewijs, dat de geheele bevolking des lands in
overvloed leeft of van alle goederen der aarde genieten kan. Tijdens
den bouw der kerk van Sint-Legerius te Gebweiler, ontvingen de
werklieden als voedsel gedurende de geheele week "knoflook en brood
zoo veel zij verlangden; maar des zondags hadden zij vleesch en alle
andere zaken in overvloed." Knoflook met roggebrood, gedurende de
geheele week--dat mocht in waarheid geen overvloed heeten, vooral
niet in een tijd, dien de kroniekschrijver van het jaar 1182,
bij uitnemendheid een goeden tijd noemt. Nog in de achttiende eeuw
aten de bergbewoners van Ban-de-la-Roche brood van boekweit, en was
roggebrood voor hen eene lekkernij, waarvan de arbeiders slechts
nu en dan konden genieten. Op het platteland eten de arbeiders
thans voor het minst masteluinbrood, de werklieden in de stad,
wit tarwebrood. Bij beider middagmaal ontbreekt maar zelden rund-
of varkensvleesch. Een elzasser boer gebruikt geregeld per dag zijn
vier maaltijden in den zomer en drie in den winter: ontbijt ten zeven
uren 's morgens, middagmaal tusschen elf en twaalf uur, vesperbrood
ten vier uren, en avondmaal na zeven uren. Het middagmaal ten elf
of twaalf uur is meestal de voornaamste maaltijd van den dag. Op de
tafel der burgers verschijnen elke week, in regelmatige volgorde,
ongeveer dezelfde spijzen, verschillend naar gelang van de saizoenen,
en natuurlijk behoudens afwijkingen naar smaak of goedvinden. Voor
de invoering van de aardappelen, at men te Straatsburg, 's maandags,
schnitze; dinsdags, koolrapen; woensdags, erwten of bonen; donderdags,
rijst of gerst; vrijdags, spinazie of snijboonen; zaterdags, linzen;
zondags zuurkool. Nog voor korten tijd was het te Colmar algemeen
gebruik, 's maandags aardappelen te eten; dinsdags zuurkool; woendags,
peen, rapen of kool; donderdags, ingemaakte groente, rijst of gerst;
vrijdags, meelspijs; zaterdags koolrapen; zondags zuurkool, waarvan
het overschot dinsdags weer op tafel verscheen.
Nu zijt ge vrij wel op de hoogte, hoe men in den Elzas eet. Ter wille
der volledigheid zou ik nu nog het een en ander moeten zeggen over
sommige spijzen, die meer bepaald aan het land eigen zijn. Maar wie
kent niet, bij ervaring of bij gerucht, de zuurkool, de noedels
en meelspijzen, de schnitze van gedroogde appelen of peren, de
verschillende soorten van pannekoeken, de rijstenbrij en gortepap, de
brij van ingemaakte groenten, de ganzeleverpasteitjes, de leberknöpfle
of balletjes van kalfslever, de karpfenkröplin of balletjes van
karpers, de velerhande gebakjes, taarten en koeken? Reeds in de
vijftiende eeuw heeft Anna Keller, huisvrouw van Wecker, geneesheer te
Colmar, een boek over de kookkunst uitgegeven, dat aan de prinses van
Oranje was opgedragen en waarin de beste wijze werd omschreven voor het
toebereiden der meest gebruikelijke spijzen. Een ander gastronomisch
handboek, in 1671 te Molsheim verschenen onder den titel van _Kochbuch
so für geistliche als auch weltliche Haushaltungen_, heeft niemand
minder tot schrijver dan Bernardijn Buchinger, bij zijn leven abt
van Lützel, kerkelijk ridder in den souvereinen raad van den Elzas,
een geleerd en ernstig man, die het toch niet beneden zich achtte,
een kookboek te schrijven voor geestelijke en wereldlijke keukens.
En nu genoeg van de keuken en hetgeen daarmede in verband staat. Wij
eindigen met den hartelijken wensch, dat de aloude zin voor
gezelligheid in deze verre van opwekkende, aangename tijden niet
moge verkoelen; dat de lange reeks der voorvaderlijke feestdagen,
dagen van maaltijden en van hartelijke verkwikkende vroolijkheid,
niet worde ingekrompen, hetzij dan omdat de middelen het volgen der
overgeleverde gewoonte niet meer toelaten, wat treurig is; hetzij,
wat nog veel treuriger en bedenkelijker is, omdat de rechte stemming
tot feestvieren meer en meer gaat ontbreken, omdat de naïeve gulle,
kinderlijke vroolijkheid, desnoods overslaande tot uitgelatenheid, meer
en meer eene vreemdelinge dreigt te worden in onze eeuw, waarin het
leven, ook nog in anderen dan bloot materieelen zin, voor duizenden
bij duizenden in toenemende mate zoo zwaar en moeilijk wordt, en
de koortsige opwinding van alle krachten en vermogens den glimlach
wegvaagt van de lippen en het harte doet verdorren reeds in den opgang
der jeugd.