XVI

Wij hebben lang in het museum van Colmar getoefd, misschien wel

te lang naar de meening van sommigen onder onze lezers, die van

niets zoozeer overtuigd zijn als van de waarheid, dat de mensch van

kunstgenot alleen niet leven kan. Daarom, hoe gaarne wij ook verder

de zeer ingewikkelde vraag zouden wenschen te bespreken, van welken

meester de voornaamste schilderijen in de galerij van Unterlinden

zijn, wij mogen hier niet langer toeven. Maar toch zou ik achten,

aan mijn plicht te kort te hebben gedaan, indien ik mijn lezers

niet op de hoogte bracht van het weinige, dat ons omtrent het leven

van den beroemden schilder-graveur Martin Schöngauer, het hoofd der

school van Colmar, bekend is. Tot dusver zijn de geleerden het ten

eenemale oneens, zoowel omtrent den tijd waarin hij geleefd heeft,

als omtrent den juisten vorm van zijn naam en omtrent de waarde

van zijne kunstwerken.--Over zijne werken hebben wij reeds in alle

bescheidenheid onze meening gezegd. Ten aanzien van zijn sterfdag

houden wij ons aan eene geschreven aanteekening in het register

der jaargetijden, die in de parochiale kerk van Sint-Maarten waren

gesticht. Dit register, door den heer Hugot ontdekt, wordt in het

stedelijk archief bewaard. Op bladz. 29 van dit register leest men de

volgende aanteekening in het latijn: "Martin Schöngauer, de roem der

schilders, vermaakte vijf stuivers voor zijn jaargetijde en voegde

er negentien stuivers en zeven penningen bij voor het jaargetijde van

zijn vader, waarvoor hij verkreeg een jaargetijde zonder vigiliën. Hij

stierf op Maria-Zuivering, in het jaar 1488."--Een opschrift op het

portret van Schöngauer in de Pinakotheek van Munchen, afkomstig van

de hand van Hans Burgkmaier, noemt den tweeden Februari 1499 als den

sterfdag van den ouden meester. "_Mayster Martin Schongawer, Maler,

genent Hipsch Martin von wegen seiner Kunst, geboren zu Kolmar,

aber von seinen Aeltern ein Augsburger Bu(rger) des Geschlechts vo

Her Casparn, und is (gest)orben zu Kolmar anno 1499 auf den 2t(en

tag) Hornings, dem Got Genad.--Ich sein Junger Hans Burgkmair im

Jar 1488_".--Deze twee aanteekeningen, waaruit in ieder geval blijkt

dat Martin Schöngauer of Schöngouwer te Colmar werd geboren en in de

laatste jaren der vijftiende eeuw aldaar is gestorven, zijn eigenlijk

alles wat wij omtrent den kunstenaar weten: de bijzonderheden van

zijn leven zijn ons onbekend.

De plaatselijke overleveringen maken melding van het huis _Zum

Schwanen_, in de kleine Augustijnerstraat, achter de Sint-Maartenskerk,

als zijnde het eigendom van Schöngauer. Door hetgeen nog van de

voormalige versiering van deuren en vensters over is, geeft dit huis

ons nog een staaltje van de burgerlijke bouwkunst der vijftiende eeuw

te Colmar; ongelukkig is ook dit huis misvormd en geschonden, om aan

de eischen van den modernen smaak te voldoen. Te oordeelen naar zijn

portret in de Pinakotheek van Munchen, dat het jaartal 1453 draagt,

was Schöngauer toen een man van ongeveer dertig jaar; hij zou dus

omstreeks het jaar 1420 geboren zijn. Albrecht Dürer, die in 1492 te

Colmar kwam om in het atelier van Schöngauer te studeeren, vond hem,

volgens de verklaring van Christian Scheurl in zijn _Vita Antonie

Kressen_, in 1515 gedrukt, niet meer in leven. Schöngauer zelf was een

leerling van Rogier Van der Weyde. Met Albrecht Dürer een der scheppers

van de duitsche kunst, heeft hij door zijne talrijke leerlingen

en navolgers de beginselen en de techniek der vlaamsche school in

Duitschland ingevoerd en bekend gemaakt. Geen enkel duitsch schilder

voor hem heeft in dezelfde mate het talent bezeten om de schoonheid

van het menschelijk gelaat weer te geven. Zijne schilderijen, vooral

in de steden langs den Boven-Rijn verspreid, vonden grooten aftrek in

Italië en Frankrijk, in Engeland en Spanje. Onder de werken, die aan

hem worden toegeschreven, zag ik er een in het museum te Madrid: een

altaarstuk, door gothische bogen in drie vakken of nissen verdeeld,

voorstellende den Zaligmaker, de Madonna en Sint-Jan; in de galerij

van het paleis Sciarra Colonna te Rome, de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe;

in de Pinakotheek te Munchen, de Intocht van David in Jerusalem met

het hoofd van Goliath; in de National Gallery te Londen, nogmaals

de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe, van veel kleiner afmetingen dan onze

schilderijen te Colmar, maar met eene fijnheid van uitdrukking, een

diepte van gevoel en een meesterschap van bewerking, die Schöngauer

anders slechts in zijne gravuren toont te bezitten.

En nu, na dit kunstpraatje, begeven wij ons tot lager sfeer en dalen

wij af naar de keuken, van welke het niet valt tegen te spreken,

dat zij in ons leven nog meer plaats inneemt dan de schilder- of

beeldhouwkunst. En door dit te erkennen, willen wij allerminst geacht

worden, de materieele behoeften en begeerten te verheffen boven de

geestelijke goederen en den smaak voor het schoone; noch ook op eenige

wijze afbreuk te doen aan de rechten der gedachte en van het ideaal

op de leiding en het bestuur des levens. Maar, wat ik u bidden mag,

deftige heeren, ernstige lieden uit elken stand, gij die hoegenaamd

geen prijs stelt op een goed diner, die uitsluitend leeft in hoogere,

ideale sfeer en nimmer bezweken zijt voor do verlokkingen van een

keurige tafel;--wat ik u bidden mag, weest niet te haastig met uw

anathema! Vergunt mij, aan mijne vrienden, die belang stellen in

alles wat ons mooi en goed vaderland, onzen Elzas, betreft, ook eens

te vertellen, hoe en wat men er alzoo eet. Toen ik mij voorstelde

als uw gids, om u al het merkwaardige en belangwekkende, al het

schoone en loffelijke van ons land te toonen, heb ik mij zelven de

dure verplichting opgelegd om niets dan de waarheid te zeggen. En nu

is het eene onbetwistbare waarheid, dat de wijze van voeding altijd

eene vrij belangrijke rol heeft gespeeld in de zeden en gewoonten,

in de geheele manier van leven ook der Elzassers van vroeger en later

tijd. Arbeidzaam, verstandig, moedig als het noodig is, trouw in

zijne liefde, gehecht aan zijne voorvaderlijke godsdienst, bereid tot

ieder offer ten behoeve van zijn geloof, zijn vaderland en zijne eer,

is het goede volk van den Elzas ook gansch niet onverschillig voor

de genietingen en voorrechten van hetgeen men een goed leven noemt.

Bij een vrij zacht klimaat laat de grond van den Elzas de kultuur toe

van alle planten der gematigde luchtstreek. Zijne rijke golvende

korenakkers zijn sinds ouden tijd beroemd; zijn moestuinen en

boomgaarden zijn de rijkste en schoonste van geheel Duitschland

geweest; zijn bekende wijnbergen hebben het edele druivensap geleverd,

dat tot in de best voorziene kelders van Engeland en Zweden wordt

bewaard. Reeds de oude schrijvers prijzen om strijd de aangenaamheden

en voorrechten van deze gezegende streek, die zij den wijnkelder,

de korenschuur, de voorraadkamer der omliggende landen noemen,

en waarvan zij de vruchtbaarheid met die van Touraine en Lombardije

vergelijken. Weinig landen, zegt de _Géographie française_ van Duval,

leveren zoo veel gemakken en aangenaamheden voor het leven op. Wild

en visch van allerlei soort dragen rijkelijk bij tot de voeding der

menschen.--Het is geen wonder, dat Duitschland nooit heeft opgehouden,

naar de herovering van dit door de natuur zoo rijk gezegende land

te trachten.

De uitbreiding van den landbouw, de ontwikkeling der industrie, in

het algemeen de voortgang der beschaving is van nadeeligen invloed

geweest op den wildstand en op de vischrijkheid der wateren. Wij zullen

nader gelegenheid hebben om van de uitgestorven soorten te spreken

en de nog levende te bestudeeren. Daarentegen was het land nooit zoo

rijk als tegenwoordig aan huisdieren, noch bezat het immer daarvan

zoo voortreffelijke exemplaren.--De meeste groenten, die wij nog

heden, naargelang der verschillende jaargetijden, op de spijskaarten

vermeld vinden, worden reeds in de capitulariën van Karel den Groote

genoemd. Als nu, bracht toen de lente spinazie, bieten, bernagie,

ossetong, boerekool, zuring, chicorei, berenklauw, paardebloemen

(molsla), waarvan de bladeren, evenals die van de papaver en de

winterbonen, gegeten werden. Een in de middeleeuwen zeer geliefde

spijs, die bij ons in onbruik is geraakt, leverden de bladeren van

de maartsche viooltjes, vermengd met jonge brandnetels, wilde latuw

en de eerste uitspruitsels van wilde hop, die echter minder hoog

stonden aangeschreven dan rapousjes en sperges. Met den zomer kwamen

pieterselie, worteltjes, suikerwortels, radijs, peulen, doperwten,

snijbonen, rogge en spelt, waarvan men de onrijpe korrels als groente

at. De herfst bracht op zijn beurt witte kool, bonen, komkommers,

pompoenen, waarbij zich sedert het laatst der zeventiende eeuw de

aardappel voegde, die het brood der armen geworden is; vervolgens

bloemkool, artisjokken, tomaten en meloenen. De winter voorzag nog de

tafel van ingemaakte groenten, zoo als erwten, snijbonen, linzen en

andere, de onvermijdelijke zuurkool vooral niet te vergeten. Behoudens

enkele uitzonderingen, maken al deze groenten ook tegenwoordig nog

deel uit van de volksvoeding. Sommige grovere soorten zijn in onbruik

geraakt, andere fijnere groenten vallen thans binnen ieders bereik.

Vraag eens het oordeel van onze lekkerbekken in den Elzas en

Lotharingen. De fijnste kenners, zij die door het gansche land

aan de beste tafels hebben aangezeten, zullen u dan wel, in

vertrouwen, enkele bevoorrechte plekjes noemen, beroemd hetzij

door de voortreffelijkheid der keuken in het algemeen, hetzij

door de ongeëvenaarde wijze, waarop men sommige schotels weet te

bereiden. Ondanks het stelsel van verplicht onderwijs, ondanks de

algemeene bekendheid der recepten van den _Bon Cuisinier français_,

ondanks de sneltreinen, die ons de weelde vergunnen, gebakken schol

uit de Noordzee of ingelegde groenten uit Amerika op onze tafel te

zien verschijnen; ondanks dat alles, kennen wij toch, hier en daar

verspreid, sommige huizen, waar zekere uitgezochte spijzen beter

dan ergens elders worden toebereid en beter smaken ook. Niet zonder

innige ontroering gewagen onze gastronomen van de wonderen van Vader

Jundt, in zijn restaurant de _Poêle-des-Vignerons_ te Straatsburg,

en van de weleer, ten tijde van Rieffenach, zoo beroemde _Deux-Clefs_

te Colmar. In deze beide huizen, waar de moderne weelde geen toegang

had en nieuwigheden niet spoedig werden ingevoerd, wijdde de meester

in eigen persoon al zijne zorg en aandacht aan de keuken en wist men

van de nieuwere ontdekkingen partij te trekken, zonder met de goede

oude traditie te breken. Nergens at men zoo goed, nergens vond men

eene zoo keurige tafel en zoo voortreffelijken wijn; nergens voelde

men zich zoo volkomen op zijn gemak. Tijdens de restauratie, vóór

het noodlottige jaar 1830, was het _Hotel des Deux-Clefs_ te Colmar,

juist om zijne uitmuntende tafel, een van de vereenigingspunten der

elzasser oppositie. De generaal Foy, Benjamin Constant, Marcel Barthe,

Voyer d'Argenson, als gasten van den toekomstigen pair van Frankrijk

Hartmann, hebben daar mede de vierschaar gespannen van het fransche

liberalisme. Ach, waarom hebben zij niet liever al hunne aandacht

gewijd aan de pasteitjes van ganzelever en aan de uitgelezen merken

der elzasser wijnen, in plaats van Frankrijk te helpen storten in de

roekelooze omwenteling van Juli 1830! Hoe geheel anders zou de loop

der geschiedenis voor het ongelukkige land zijn geweest, hadde men

deze onvergefelijke domheid niet begaan.... Maar wij zouden vergeten,

dat wij nog aan tafel zitten.

Wanneer ik u de spijskaart van de table d'hôte in de _Deux-Clefs_

voorlegde, dan zoudt ge moeten toestemmen, dat men daar, voor den

in het minst niet buitensporigen prijs van twee marken en tachtig

pfenningen, een uitmuntend diner kan krijgen, met inbegrip van

een halve flesch wijn. In de herberg van het Stubengeselschaft van

Schlettstadt, overeenkomende met den Waagkeller te Colmar, betaalden

de klanten, in 1520, zeven of acht penningen voor een goeden maaltijd,

met inbegrip van wijn. Dit verhaalt ons de eerzame kroniekschrijver

Hieronymus Gebweiler, die er bijvoegt dat de wijn voortreffelijk,

en de spijzen overvloedig en heerlijk klaar gemaakt waren; hij

deelt ons echter het menu niet mede. Ten gevalle van liefhebbers van

oude menus, nemen wij er een over uit de _Edelsassische Chronick_,

in het jaar 1592 door Herzog te Straatsburg gedrukt. Het geldt de

beschrijving van een feestmaal, op dinsdag vóór Sint-Valentijn,

in 1439 gegeven, ter gelegenheid van de blijde inkomste van den

bisschop Robrecht van Beieren. Het feestmaal, waaraan meer dan

driehonderd geestelijken deelnamen, bestond uit drie reeksen van

gerechten, ieder van vijf schotels. _Eerste gerecht_: 1º kool; 2º

gekookt ossevleesch; 3º ragout van kippen met zoete amandelen; 4º

visch in zwarte gelei; 5º vlapastei. _Tweede gerecht_: 1º ragout van

wilde zwijnevleesch; 2º hertepastei; 3º gruttepap met gerstsuiker;

4º gebak; 5º blanc-manger. _Derde gerecht_: 1º rijst met suiker; 2º

kapoenen, kippen en gebraden speenvarkentjes; 3º gelei van gevogelte

en kalfsvleesch met saus; 4º gebak in den vorm van peren; 5º compote

van pruimen. Onder de versierde schotels, die op de tafel van den

bisschop werden geplaatst, wordt een kasteel genoemd van fijn gebak,

waaruit een zwerm levende vogeltjes fladderde, met een vijvertje

waarin kleine vischjes zwommen. Nog twee andere prachtschotels

verdienen vermelding: een gebraden speenvarkentje, aan de eene

zijde verguld en aan de andere verzilverd, en een gebraden pauw in

zijn vollen vederdos.--Van een diner, den 19 November 1705, op het

stadhuis van Mülhausen gegeven door een dertigtal burgers, aan wie

pas het stedelijk burgerrecht was toegekend, is ons het volgende menu

bewaard gebleven: 1º kippesoep, gekookt rundvleesch, kippenpastei, een

kalkoen, niet genoemde groente, bloemkool; 2º gebraden kalfsschijf,

gebraden haas, ragout van hertevleesch, kapoen, duiven, snippen,

zwaluwen, ganzen, eenden, compote van peren en pruimen; 3º twee

schotels met beignets, taarten, gebak, confituren, enz. Aan dezen

maaltijd namen vijf-en-zestig gasten deel; de nieuw opgenomen burgers,

die de kosten betaalden, hadden met den waard van den _Wildeman_

eene overeenkomst gesloten tegen acht pfundstäbler--zegge, tien pond

veertig stuivers--per hoofd, waaronder veertig pfundstäbler voor wijn.

Vreemde gasten en bezoekers zoowel als inheemsche schrijvers en

moralisten zijn eenstemmig in hunne getuigenis omtrent den sterk

ontwikkelden zin voor gezelligheid en feesten, onder alle klassen der

bevolking in den Elzas. In vroeger tijd, meer nog dan tegenwoordig,

werd de aangeboren smaak voor tafelgenot voortdurend geprikkeld

en onderhouden, vooral ook omdat men ruimschoots over de middelen

kon beschikken om aan die begeerte te voldoen. Elke eenigszins

merkwaardige omstandigheid in het huiselijk leven, elk feest, hetzij

van kerkelijken, burgerlijken of militairen aard, dat de menschen met

elkaar in aanraking brengt, werd en wordt nog steeds onveranderlijk

gevierd met een overvloedigen maaltijd. Wordt een kind ten doop

gedragen, dan mag het vroolijke doopmaal, de welkomstgroete van

den jonggeborene in het leven, niet achterblijven. Ter gelegenheid

van een huwelijk is een enkel feestmaal natuurlijk niet voldoende:

de beide familiën, vrienden en bekenden geven een reeks van feesten

ter eere van het jeugdige paar. Maar ook bij het overlijden van een

bloedverwant of vriend wordt nog steeds de overoude gewoonte van

het begrafenismaal in eere gehouden. Geen congres of vergadering van

welken kring ook is denkbaar zonder een banket--dat niet zelden het

beste is van al wat er gedaan wordt. Wanneer een hooggeplaatst persoon,

een bisschop of een prefect, eene stad bezoekt, wordt hem een maaltijd

aangeboden. Doet een nieuwe pastoor of een nieuwe dominé zijn intrede,

dan moet de gemeente hem toch behoorlijk ontvangen; aanvaardt een

nieuwe burgemeester het bestuur, dan vraagt hij de leden van den raad

en andere notabelen ten eten, om op de aangenaamste wijze kennis met

hen te maken. Vandaag is het de dag van den patroon der plaats, morgen

is het schuttersfeest; nu moet er een nieuwe klok worden gedoopt of

een nieuw orgel ingewijd; dan weer moet de gemeentelijke rekening

worden opgenomen, of wordt eene publieke verkooping gehouden, of is

er een gouden of een zilveren bruiloft, of wel worden de maaiers

onthaald, of het einde van den wijnoogst gevierd. Dat alles kan

niet naar eisch geschieden, zonder dat er bij gegeten en gedronken

wordt. Maar wij zijn nog niet aan het einde: vergeet Sint-Maarten

niet met zijn gans, en den heerlijken Kerstboom, en Sint-Sylvester,

en Drie-Koningen met zijn taart, en Vastenavond, en den Meidag, en

Sint-Jan met zijn vuur, en de maaltijden bij vischpartijtjes, en de

drukke slacht in de sombere Novemberdagen: al die gelegenheden geven

van zelf aanleiding tot partijtjes en maaltijden, waarvan boeren en

burgers evenzeer houden, waarbij kapitaal gegeten en flink gedronken,

luid gelachen en met volle borst gezongen wordt, en waarbij het ook

aan vroolijke, hartige, soms wel wat gepeperde scherts niet ontbreekt.

Een satiricus van de zestiende eeuw, Johann Fischart, de

straatsburgsche Rabelais, die eene soort van duitschen of elzasser

Gargantua geteekend heeft, geeft ons eene opsomming van de huiselijke

en openbare feesten, die met maaltijden werden gevierd. Het in zijn

boek geschetste tafereel vertoont ons een zeer sprekend beeld van

de zeden en gebruiken des lands in zijn tijd. Hij telt niet minder

dan drie-en-vijftig verschillende gelegenheden op, die voor onze

feestlievende vaderen aanleiding gaven tot pret maken. Gérard neemt

de lange lijst van Fischart over en voegt er zijne scherpe, bijtende

aanmerkingen bij.--Was het om aan wezenlijke of voorgewende misbruiken

een einde te maken, dan wel om het heilzaam onderscheid tusschen

de standen te bewaren, gedachtig aan de wijze spreuk der oudheid:

_Quod licet Jovi, non licet bovi_;--was het daarom dat wettelijke

bepalingen tegen weelde en overdaad in het leven werden geroepen? De

verzameling der politieverordeningen of keuren van de oude vrije

rijkssteden in den Elzas geeft ons in ieder geval een aardig kijkje

op de buitensporigheden van den vroegeren tijd en getuigt ook van

den oprechten ijver om die misbruiken tegen te gaan. Te Straatsburg

werd in 1628, onder de regeering van den stadtmeister Böckling

von Böcklingshausen, bij keur verboden om ter gelegenheid van een

bruiloft meer dan twintig personen, behalve de familieleden, uit te

noodigen. "Om de misbruiken te weren van de verderfelijke weelde en

overdaad, die overal is doorgedrongen en zelfs bij lieden van lagen

stand," was het aan personen uit de burgerklasse verboden om meer

dan acht schotels op tafel te doen brengen; ook mochten de feesten

niet langer dan twee dagen duren.

Het uitvaardigen van verbodsbepalingen tegen overmatige tafelweelde is

op zichzelve nog geen bewijs, dat de geheele bevolking des lands in

overvloed leeft of van alle goederen der aarde genieten kan. Tijdens

den bouw der kerk van Sint-Legerius te Gebweiler, ontvingen de

werklieden als voedsel gedurende de geheele week "knoflook en brood

zoo veel zij verlangden; maar des zondags hadden zij vleesch en alle

andere zaken in overvloed." Knoflook met roggebrood, gedurende de

geheele week--dat mocht in waarheid geen overvloed heeten, vooral

niet in een tijd, dien de kroniekschrijver van het jaar 1182,

bij uitnemendheid een goeden tijd noemt. Nog in de achttiende eeuw

aten de bergbewoners van Ban-de-la-Roche brood van boekweit, en was

roggebrood voor hen eene lekkernij, waarvan de arbeiders slechts

nu en dan konden genieten. Op het platteland eten de arbeiders

thans voor het minst masteluinbrood, de werklieden in de stad,

wit tarwebrood. Bij beider middagmaal ontbreekt maar zelden rund-

of varkensvleesch. Een elzasser boer gebruikt geregeld per dag zijn

vier maaltijden in den zomer en drie in den winter: ontbijt ten zeven

uren 's morgens, middagmaal tusschen elf en twaalf uur, vesperbrood

ten vier uren, en avondmaal na zeven uren. Het middagmaal ten elf

of twaalf uur is meestal de voornaamste maaltijd van den dag. Op de

tafel der burgers verschijnen elke week, in regelmatige volgorde,

ongeveer dezelfde spijzen, verschillend naar gelang van de saizoenen,

en natuurlijk behoudens afwijkingen naar smaak of goedvinden. Voor

de invoering van de aardappelen, at men te Straatsburg, 's maandags,

schnitze; dinsdags, koolrapen; woensdags, erwten of bonen; donderdags,

rijst of gerst; vrijdags, spinazie of snijboonen; zaterdags, linzen;

zondags zuurkool. Nog voor korten tijd was het te Colmar algemeen

gebruik, 's maandags aardappelen te eten; dinsdags zuurkool; woendags,

peen, rapen of kool; donderdags, ingemaakte groente, rijst of gerst;

vrijdags, meelspijs; zaterdags koolrapen; zondags zuurkool, waarvan

het overschot dinsdags weer op tafel verscheen.

Nu zijt ge vrij wel op de hoogte, hoe men in den Elzas eet. Ter wille

der volledigheid zou ik nu nog het een en ander moeten zeggen over

sommige spijzen, die meer bepaald aan het land eigen zijn. Maar wie

kent niet, bij ervaring of bij gerucht, de zuurkool, de noedels

en meelspijzen, de schnitze van gedroogde appelen of peren, de

verschillende soorten van pannekoeken, de rijstenbrij en gortepap, de

brij van ingemaakte groenten, de ganzeleverpasteitjes, de leberknöpfle

of balletjes van kalfslever, de karpfenkröplin of balletjes van

karpers, de velerhande gebakjes, taarten en koeken? Reeds in de

vijftiende eeuw heeft Anna Keller, huisvrouw van Wecker, geneesheer te

Colmar, een boek over de kookkunst uitgegeven, dat aan de prinses van

Oranje was opgedragen en waarin de beste wijze werd omschreven voor het

toebereiden der meest gebruikelijke spijzen. Een ander gastronomisch

handboek, in 1671 te Molsheim verschenen onder den titel van _Kochbuch

so für geistliche als auch weltliche Haushaltungen_, heeft niemand

minder tot schrijver dan Bernardijn Buchinger, bij zijn leven abt

van Lützel, kerkelijk ridder in den souvereinen raad van den Elzas,

een geleerd en ernstig man, die het toch niet beneden zich achtte,

een kookboek te schrijven voor geestelijke en wereldlijke keukens.

En nu genoeg van de keuken en hetgeen daarmede in verband staat. Wij

eindigen met den hartelijken wensch, dat de aloude zin voor

gezelligheid in deze verre van opwekkende, aangename tijden niet

moge verkoelen; dat de lange reeks der voorvaderlijke feestdagen,

dagen van maaltijden en van hartelijke verkwikkende vroolijkheid,

niet worde ingekrompen, hetzij dan omdat de middelen het volgen der

overgeleverde gewoonte niet meer toelaten, wat treurig is; hetzij,

wat nog veel treuriger en bedenkelijker is, omdat de rechte stemming

tot feestvieren meer en meer gaat ontbreken, omdat de naïeve gulle,

kinderlijke vroolijkheid, desnoods overslaande tot uitgelatenheid, meer

en meer eene vreemdelinge dreigt te worden in onze eeuw, waarin het

leven, ook nog in anderen dan bloot materieelen zin, voor duizenden

bij duizenden in toenemende mate zoo zwaar en moeilijk wordt, en

de koortsige opwinding van alle krachten en vermogens den glimlach

wegvaagt van de lippen en het harte doet verdorren reeds in den opgang

der jeugd.

Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 8 / 16 题