Als wij Colmar verlaten, strekt zich de vlakte voor ons uit, de vlakte
van de Ill, effen en vlak en bij uitnemendheid vruchtbaar; de groote
vlakte van den Elzas, die ten westen door de fraaie bergketen der
Vogesen, ten oosten door de snelvlietende wateren van den Rijn wordt
begrensd. Elzas beteekent eigenlijk het land van de Ill: door de
aanspoelingen van de Ill en den Rijn werd het land zelf gevormd. De
alluviaalgronden van den Rijn zijn echter veel minder vruchtbaar dan
die van de Ill, langs wier boorden zich een vette kleigrond uitstrekt,
waarop alle granen en andere produkten uitmuntend gedijen. Op de meer
steenachtige gronden, door de aanspoelingen van den Rijn gevormd,
ziet men bosschen en boomgroepen overal waar de noodige vochtigheid
voor weilanden of korenakkers ontbreekt. De streken langs de Ill zijn
dan ook tweemaal zoo sterk bevolkt als die langs den Rijn, hoewel
in beiden de landbouw de hoofdbron van het bestaan is. Noch hier,
noch daar heeft de industrie bijzonder veel te beteekenen. Mülhausen
reikt met haar fabrieken niet verder dan de grenzen der vlakte en
der heuvels van de Sundgau. Buiten de industriëele middelpunten,
in en aan den uitgang van de valleien, neemt het aantal inwoners
af naarmate de grond armer wordt. Toch biedt deze vlakte geen
wijduitgestrekte vergezichten: overal, tusschen de dorpen en langs
de beken en wateringen, verheffen zich boschjes en boomgroepen,
die de eentonigheid van het landschap breken.
Maar eer wij langs de stoffige wegen onzen wandeltocht voortzetten,
willen wij een overzicht nemen van het land, dat zich voor ons
uitbreidt. Wij zeiden reeds dat de vlakte vden Elzas begrensd wordt
door de keten der Vogesen en door den Rijn, die beiden van het
zuidwesten naar het noordoosten loopen. De vlakte zet zich voort aan
de overzijde der rivier, waar zij door de bergen van het Schwarzwald
wordt begrensd. De Ill, op de grenzen van Zwitserland, in de Jura
ontsproten, vervolgt haar kronkelenden loop tusschen de heuvelen en
de golvende vlakte der Sundgau, om van Mülhausen tot Straatsburg
evenwijdig met den Rijn te vloeien. De geheele lengte der rivier
bedraagt honderd-tachtig kilometer, waarvan honderd-twintig voor
het gedeelte van Mülhausen tot de samenvloeiing met den Rijn. Haar
verval, van haar oorsprong tot haar uitmonding, bedraagt omstreeks
vierhonderd el. Mülhausen ligt tweehonderd-veertig el boven de zee,
Straatsburg honderd-veertig, Colmar honderd-negentig, Altkirch
driehonderd-drie-en-twintig. Te Altkirch neemt de Ill de Largue
op, even als zij uit de Jura afkomstig; vervolgens ontvangt zij
achtereenvolgens de Doller, de Thur, de Lauch, de Fecht, de Liepvrette,
de Giesen, de Bruch en nog andere rivierkens, die allen uit de valleien
van de Vogesen afstroomen. Terwijl de Vogesen hun hoogste punt bereiken
in den Gebweiler Belchen (1426 el), ligt de bedding van den Rijn,
die langs den geheelen Elzas eene totale lengte heeft van tweehonderd
kilometers, nabij Basel op tweehonderd-veertig meters boven de zee en
te Lauterburg op honderd-vier. De totale oppervlakte van den Elzas
bedraagt achtduizend-tweehonderd-zes-en-tachtig vierkante mijlen of
acht-en-twintig-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig hektaren. Tusschen
Sennheim en Ottmarheim, waar zij het breedst is, beslaat de vlakte
van den Elzas acht-en-twintig kilometers, tegen twintig op de hoogte
van Colmar of Straatsburg.
Hetzij men van Colmar over Ensisheim naar het Hartwald gaat,
hetzij men over Horburg en Breisach den weg naar den Rijn volgt,
steeds vertoont de vlakte hetzelfde eigenaardige karakter. Ons oog
ontmoet geen grootsche, majestueuse landschappen, zoo als de bergen
en valleien der Vogesen ze in zoo ruimen overvloed aanbieden, en
evenmin belangrijke monumenten; maar ter rechter- en ter linkerhand
breidt zich het vruchtbare land uit, waarop altijd menschen aan den
arbeid zijn en dat ons verheugt door het beeld van den gezegenden
overvloed. Het eerste dorp, dat wij op den weg naar het Hartwald
ontmoeten, is Heiligkreuz, dat achthonderd inwoners telt en zich in
de veilige en weldadige schaduw van een voormalig nonnenklooster
heeft gevormd. Dan volgt, tien mijlen verder, Meienheim, waar de
weg over eene fraaie steenen brug naar den anderen oever van de
Ill overgaat. Niederhergheim, Oberhergheim, Biltzheim, Niederentzen
en Oberentzen beuren ter linkerhand langs de murmelende rivier hun
fijne kerkspitsen ten hoogen. Dan ziet men, aan den anderen oever
van de Ill, Regisheim en Ensisheim. Voor den tijd der spoorwegen
werden deze dorpen, waar de paarden moesten drinken of verwisselen,
dagelijks bezocht door twaalf of vijftien diligences, ongerekend de
talrijke voertuigen en wagens. Tegenwoordig is de vroeger zoo drukke
en levendige weg eenzaam en verlaten en wordt alleen nog maar gebruikt
door boerekarren. Gelukkig heeft de vermindering van het verkeer geen
afbreuk gedaan aan de welvaart der bevolking, dank zij de buitengewone
vruchtbaarheid van den vetten kleigrond. Men ziet weinig boomen,
hetgeen aan het landschap iets eentonigs en plats geeft. Bij de
jongste normalisering van den loop der Ill heeft men hier en daar
jonge wilgen en acacia's geplant. Voor deze normalisering, waarmede
nu omstreeks tien jaren geleden begonnen werd, veranderde de rivier
dikwijls van bedding en wijzigde haar onregelmatigen loop na iederen
was, tot groote schade van het bebouwde land.
Horburg mag welhaast eene voorstad van Colmar worden genoemd, even als
Logelbach. Even boven de prachtige steenen brug van Horburg neemt de
Ill de Thur op, en even benedenwaarts de Lauch: twee rivierkens, uit
de valleien van Thann en Gebweiler afkomstig, en wier vereeniging met
de Ill deze laatste, beneden den Ladhof bevaarbaar maakt. Deze Ladhof
diende gedurende de middeleeuwen der stad tot haven: de scheepvaart
op de Ill was toen, bij gemis van andere gemeenschapswegen, veel
drukker dan tegenwoordig. Het dorp Horburg met eene bevolking van
achttienhonderd-vijf-en-tachtig inwoners, behoort tot het kanton
Andelsheim, met achttien andere gemeenten, die uitsluitend van
landbouw leven, en die tusschen den weg langs den Rijn en de Ill
verspreid liggen. De bevolking van het geheele kanton bedroeg in 1880
twaalfduizend-zes-honderd-twee-en-veertig zielen, omstreeks duizend
minder dan twintig jaar vroeger. Die vermindering der bevolking van
het platte land is een zeer ongunstig verschijnsel, maar dat zich
overal voordoet waar geen industrie of fabrieken zijn. Toch bezitten
alle gemeenten langs de Ill uitmuntende bouwgronden, waarvan de
vruchtbaarheid door geen andere overtroffen wordt. Hoewel de opbrengst
van den grond in kwantiteit toeneemt, vermindert het aantal personen,
die van den landbouw leven: de reden hiervan ligt zoowel in de steeds
klimmende eischen der arbeiders, als in het toenemend gebruik van
werktuigen.
Horburg, dat met zijn prachtige linden en zijne brug over de Ill
geene onaardige vertooning maakt, is beroemd om zijn sperges, waarin
hier een belangrijke handel gedreven wordt, en die onze boeren uit de
vlakte van de Ill, naar het zeggen der kenners, uitnemend weten klaar
te maken. Gedurende zeven of acht eeuwen was Horburg een graafschap,
dat onder de vorsten van Wurtemberg stond. Zijn sterke burcht werd
herhaalde malen verwoest en weder opgebouwd. Opgravingen hier ter
plaatse hebben de overblijfselen aan het licht gebracht van een
romeinsch castrum, benevens verschillende andere voorwerpen uit
dien tijd. Beatus Rhenanus en andere geschiedschrijvers van den
Elzas zoeken hier de plaats van het oude Argentovaria, waar de
legioenen van keizer Gratianus de Allemannen versloegen, na de
schitterende overwinning, waarvan Ammianus Marcellinus ons een
zoo treffend verhaal heeft gegeven. De commissie van de op last
van keizer Napoleon III vervaardigde historische kaart van Gallië
plaatst daarentegen Argentovaria bij het tegenwoordige Grusenheim,
terwijl d'Anville en Walckenaar het te Atzenheim zoeken. Er is een
geruime tijd verloopen sedert het jaar 377 of 384, waarin de groote
slachting plaats had, aan welke nauwelijks een tiende gedeelte van
het leger der Allemannen ontkwam. Bij gebreke van afdoende bewijzen
en bij mijne volkomen onbekwaamheid in het oplossen van etymologische
raadseltjes, moet ik mij van een oordeel omtrent de verschillende
aanwijzingen der archeologen onthouden. Trouwens, Artzenheim,
Grusenheim en Horburg kunnen als de punten van een driehoek
beschouwd worden, waarvan de oppervlakte niet grooter is dan die
van het slagveld van Froschweiler-Wörth-Reichshofen, op 6 Augustus
1870. De afstand tusschen Horburg en Artzenheim, zoowel als tusschen
Horburg en Grusenheim bedraagt in rechte lijn niet meer dan tien
kilometers. Daar het germaansche leger, dat door Gratianus verslagen
werd, op zestigduizend man wordt begroot, en dat der Romeinen op een
derde of de helft, kunnen de beide legers zeer wel een terrein hebben
ingenomen van zoodanige uitgestrektheid, dat de naam van Argentovaria
op elk der drie genoemde dorpen kan worden toegepast. De verschillende
meeningen omtrent de juiste ligging der plaats kunnen inderdaad vrij
wat gemakkelijker met elkander in overeenstemming worden gebracht,
dan die omtrent de etymologie van den naam Argentovaria en omtrent
de wijze waarop daaruit de duitsche naam Horburg zou zijn gevormd
of afgeleid. Beatus Rhenanus schreef in de zestiende eeuw, dat de
Duitschers de laatste lettergrepen van Argentovaria hadden geschrapt,
en aan de overblijvende syllabe _ar_ hun _burg_ hadden toegevoegd;
even als zij, op omgekeerde manier, van _Argentoractem_ eerst
_Storatiburgum_ hadden gemaakt, en wel door weglating van de eerste
lettergrepen; vervolgens hadden zij door het schrappen der klinkers _o_
en _i_, _Stratburgum_ verkregen, waaruit dan ten slotte Straatsburg
was gegroeid! Volgens Schöpflin is Argentovaria aan het keltisch
ontleend en beteekent zooveel als _gesloten plaats des lands_; hij
geeft echter dadelijk toe, dat het ook kan beteekenen, _stad op den
doortocht door het land_. Pater Bach, een geleerde Jezuïet, vertaalt
Argentovaria, Argontarat, als _doortocht_ of _verblijf der ganzen_;
want in het keltisch wil _rat_ zeggen doortocht, _ari_ verblijf,
en de Galliërs noemden de wilde ganzen _gantae_, _gantes_. Willen
wij het bij deze aardigheden maar laten?
Wat er ook zij van deze etymologische raadseltjes, zooveel is zeker
dat nog heden ten dage, in iederen herfst de wilde ganzen in den
Elzas verschijnen, vermoedelijk zonder zich het hoofd er mede te
breken, of zij haar naam hebben gegeven aan eene keltisch-romeinsche
nederzetting. In al de dorpen der vlakte van de Ill houden de bewoners
ook tamme ganzen in groote menigte. De laatsten moeten haar lever
offeren voor de beroemde pasteitjes; op de eersten wordt jacht
gemaakt. Zij die de plaats bezoeken, waar de slag van Argentovaria
geleverd werd, doen dit voor verreweg het meerendeel meer ter wille
van de jacht, dan om archeologische studiën te maken.
Het verdient wel opmerking, dat de Landesausschuss, die te Straatsburg
zitting houdt, onlangs eene wet heeft uitgevaardigd, die den wildstand
zeer ten goede komt en ten gevolge zal hebben dat het getal der hazen
toeneemt, terwijl dat der plattelandsbewoners vermindert. De jagers en
jachtliefhebbers zijn met deze wet zeer ingenomen; de boeren echter,
meestal kleine grondbezitters, dwepen er minder mede. En niet geheel
zonder reden. Veronderstel, gij bezit een kleinen tuin of akker, dien
gij met kool hebt beplant, en nu komen de hazen de jonge groenten
opeten. Staat u dit niet aan en slaat gij een dezer ongenoode gasten
dood, dan maakt de jachtopziener proces-verbaal tegen u op en ge
betaalt eene boete, behalve de beschadiging van uw eigendom. Slechts
wanneer uw grond behoorlijk afgesloten is, of wel indien ge eigenaar
zijt van een stuk land van minstens vijf-en-twintig hektaren, valt ge
buiten de termen der wet. Het is den boeren niet gemakkelijk aan het
verstand te brengen, dat zij eene onrechtmatige daad plegen, wanneer
zij op hun eigen grond een stuk wild, dat aan niemand behoort en hun
groenten vernielt, vangen of doodslaan.
Inmiddels vermenigvuldigen zich, in de vlakte van de Ill tot den Rijn,
hazen en fazanten, reeën en patrijzen en kwartels naar hartelust,
zoo zelfs dat periodieke drijfjachten moeten gehouden worden om,
in het belang van den landbouw, eene al te sterke vermenigvuldiging
tegen te gaan. Na zulk een drijfjacht keeren de jagers soms met drie
of vier vol geladen wagens terug, met een buit van vierhonderd hazen,
dertig reeën en tachtig fazanten, naar de heer Engelhard in zijn
_Souvenirs d'Alsace_ verhaalt.
In onzen tijd van sentimenteele dierenbescherming ontbreekt het
natuurlijk ook niet aan strafpredikatiën tegen het jachtvermaak. En
toch, hoe heerlijk is zulk eene jachtpartij, hoe rijk aan afwisseling
en genot! Met het krieken van den dag verlaat ge uwe dompige woning,
en wandelt in de frissche, heerlijke morgenlucht, met drie of vier
vrienden, naar de aangewezen loopplaats. Allengs komen daar, van
verschillende zijden, kleine groepen opdagen; het getal liefhebbers
groeit; weldra is het gezelschap kompleet. Nu schaart ge u, met
twintig of dertig andere jagers, langs een sloot of een hollen weg;
wegschuilende achter boomen of golvingen van den grond. Tegenover
u, op betamelijken afstand, heeft zich eene andere lijn gevormd van
mannen en jongens, die nu met luid geroep en geschreeuw, en het slaan
met stokken tegen steenen en boomen, het verschrikte wild opjagen
en heendrijven in de richting waar gij u bevindt. Daar komen ze
aansnellen, in ijlende vlucht, de hazen en reeën, onwetend den dood te
gemoet. Daar knallen de schoten; daar buitelen de hazen en springen de
reeën omhoog, om dan neer te vallen onder het knetteren der geweren,
onder de luide bravo's bij welgelukte schoten, onder het tergend
gefluit bij mislukte. Voorzeker, ik kan het niet tegenspreken, daar is
iets.... nu ja, iets onridderlijks in dat neerschieten van weerlooze
dieren, waartoe niet de minste moed wordt vereischt, niets dan zekere
bekwaamheid in het schieten. Maar toch, de rook, het schieten, de reuk
van het kruit, het gezicht van het bloed, het gekerm der getroffen
dieren, het tellen van den buit, de vroolijke gesprekken, het verhaal
van werkelijke of half werkelijke jachtavonturen:--al die beweging,
dat rumoer, die opwinding, ze doen u het bloed sneller vlieten door de
aderen, ze ontrukken u aan het alledaagsche, ze doen u met dubbel genot
gevoelen dat gij leeft. En dan, dat heerlijke gevoel van vrijheid;
die beweging en oefening in de frissche vrije lucht; het genot der
telkens afwisselende tooneelen en landschappen, naar gelang van den
tijd des jaars, van het weer, van plaats en uur, bij zonneschijn of
nevel, bij regen of felle vorst, in het dichte bosch of op een open,
zonnige plek in het woud, of wel in de vlakte, op het open kale veld
zich uitstrekkende tot den schemerenden gezichteinder. Kunt ge niet
begrijpen, dat het jachtvermaak, eens in vollen omvang gesmaakt,
welhaast een hartstocht wordt?
Een drijfjacht op hazen wordt doorgaans gehouden in eene vlakte van
eene halve vierkante mijl. De jagers omsingelen het terrein, dat door
de drijvers onder geleide van eenige jachtopzieners is afgezet. Bij
de eerste geweerschoten trachten de meest achterdochtige hazen,
opgeschrikt door het rumoer van de drijvers, die naar de jagers
toe gaan, door den doodelijken cirkel heen te breken, en vallen als
slachtoffers van hunne onvoorzichtigheid. Anderen zijn minder roekeloos
en maken minder haast; zij gaan kalm op hun achterpooten zitten om den
toestand te overzien. Zoo opzittende, zijn hunne voor- en achterpooten
onophoudelijk in beweging, als trachtten zij in zenuwachtige spanning,
onder de hen omsingelende vijanden de slechtste schutters uit te
zoeken. Somwijlen raden zij goed, en gelukt het hun tusschen de
nieuwelingen door te ontsnappen. Blijkt het dat zij zich vergissen,
dan keeren zij terug, niet wetende waarheen zich te wenden, loopen
heen en weer, gaan weer zitten, tot zij eindelijk meenen een vrijen
uitgang, eene onbewaakte plek gevonden te hebben. Daar stormen zij
dan op los: helaas, meestal om te vallen onder de kogels van dezen
of genen rustenden jager. De schrik en de verbijstering van de arme
dieren bereiken hun toppunt, wanneer de drijvers, die met hunne stokken
zwaaien en luid schreeuwen, tot op eenige honderden schreden van de
schutters genaderd zijn. Dan is het oogenblik gekomen van de groote
slachting, het laatste oogenblik voor een honderdtal hazen, op eene
kleine ruimte saamgedrongen. Zij kunnen niet teruggaan, zonder zich
aan het gevaar bloot te stellen, dood geslagen te worden. Razend van
schrik, overschrijden zij den noodlottigen cirkel, waarin de jagers,
die zich nu saamgetrokken hebben en zonder tusschenpoozen hunne geweren
laden, afvuren en weder laden, hen opsluiten. De meesten vallen dood
op de plek of sterven, gewond, op eenigen afstand. Zoodra de gevallenen
bijeen zijn verzameld, wordt de drijfjacht elders voortgezet.
Maar het gebeurt niet altijd, dat na afloop van zulk een jacht eenige
honderden hazen als buit worden medegevoerd: somwijlen keeren de
jagers platzak terug, zelfs in de vlakte van den Rijn. Dit is mij
zelven overkomen bij de eerste drijfjacht, waaraan ik deel nam, te
Widensohlen, waar het jachtveld toch als goed bekend is. Volgens het
zeggen van mijne medejagers, hadden de hazen zich in het kreupelhout
verscholen, en wij konden het bosch niet laten afloopen, omdat de
bladeren nog aan de boomen zaten. Om mijn weitasch te vullen, moest
ik op eene boeren hofstede een kalkoen doodschieten, natuurlijk tegen
betaling van schadevergoeding aan den eigenaar.
Nog meer dan de vlakte, lokken de eilanden in den Rijn zoowel
de jachtliefhebbers als de natuurkenners tot een bezoek uit. De
machtige rivier, die de groote zwitsersche meren met de Noordzee
verbindt, is eene door de natuur aangewezen heerbaan voor de tochten
en verhuizingen der watervogels van allerlei pluimage. Platvoetige
zwemmers, langbeenige steltloopers, breedgewiekte zeilers, allerlei
soorten van vogels, grooten en kleinen, die de strenge winter van
de noordpoolstreken naar zachter klimaat drijft, strijken vaak in
dichte drommen neder op onzen Rijn. Daar is dan ook geen beter en
gemakkelijker weg te bedenken voor de tallooze zwermen van eenden,
wilde ganzen, raafeenden en talingen, uit de golf van Finland en
van de klippen der IJszee afkomstig. Die weg wordt echter ook, maar
zeldzamer, bezocht door den prachtigen zwarten zwaan, den noordschen
vischarend, den kormoran: zeldzame, afgedwaalde bezoekers, die door
stormen of heftige beroeringen in den dampkring uit hun baan zijn
gedreven en het spoor bijster geraakt, maar die nu hun reis vervolgen
in de richting der groenachtige wateren van het dal. De stilstaande
wateren van voormalige rivierarmen, door de normaliseringswerken
afgesneden en langzamerhand in dicht begroeide moerassen veranderd,
bieden een uitgezocht verblijf voor de steltloopers: watersnippen,
roerdompen, reigers, waterhoenders, en hoe ze verder heeten mogen,
wier lange teenen hen in staat stellen over de weeke modder te
loopen. Welwillend en gastvrij, deelen de steltloopers hun rijk met
de plassers en ploeteraars, de zwempootigen, die in het water plompen
en duiken. Als des avonds het zilveren vesperklokje luidt, verlaten
de eenden de groote vijvers en kommen in de diepere gedeelten en in
de overstroomde weilanden, waar zij zich veiligheidshalve overdag
ophouden, en strijken onder luid gekwaak neder in de modderige
poelen. De kievitten, van hun kant, vliegen des morgens en des avonds
bij honderden heen en weer over de naastbijgelegen bebouwde akkers,
maar koesteren zich, gedurende de warme uren van den dag, op de
zandbanken en de kiezelsteenen in de oude bedding der rivier. De
pluvieren, die in het naakte zand nestelen, zijn niet minder talrijk
dan de spreeuwen in het riet. Twee of drie soorten van zeezwaluwen,
die hier slechts tijdelijk toeven om haar jongen op te kweeken,
beschrijven in het schoone jaargetijde, langs de oevers der rivier,
haar bevallige lijnen en wendingen.
De Rijn was vroeger, ja eeuwen lang, zoo nukkig en grillig als
een jong meisje, telkens van bedding veranderende, zich nu eens op
dezen, dan op genen oever richtende, dan zich terugtrekkende van
den Elzas om Baden te begunstigen, straks weer omgekeerd, zonder
regel of naspeurlijke reden. Alt-Breisach, op zijn vulkanische rots
tronende, lag nu eens op den rechter, dan weer op den linker oever
van de veranderlijke, onstandvastige rivier, die haar luimen bot
vierde. Om aan dien onhoudbaren toestand een einde te maken, zijn
de regeeringen der oeverstaten in overleg getreden, en hebben den
stroom eene kunstmatige bedding aangewezen, waarbuiten hij niet meer
treden kan of mag. Vóór den aanvang der normaliseeringswerken, die nu
langs den geheelen Elzas welhaast voltooid zijn, had de hoofdstroom,
ter rechter en ter linker zijde, een groot aantal zijtakken of armen
uitgezonden, die deels tot de rivier terugkeerden, deels zich in het
land verloren. Deze nu afgesloten takken, die telkens meer aanslibben,
deze onwettige kinderen van den Rijn, volgens de uitspraak van de
moderne wetenschap, vormen nog een net van eilanden, de woon- en
wijkplaats der bovengenoemde vogelen. Veroordeeld om te verdwijnen,
naar gelang van de aanslibbing der afgedamde riviertakken, nemen deze
eilanden van jaar tot jaar in omvang toe en naderen steeds meer tot
elkander, tot groote ergernis van de toekomstige jagers. Sommige van
deze eilanden zijn niet meer dan kiezelbanken, waarop niets groeit
en die bij hoog water overstroomd worden. Anderen, van meer omvang,
door breede en diepe wateren gescheiden, hebben hooge, zandige oevers,
omzoomd met eeuwenoude wilgen, dichte bosschen van eikenopslag en hoog
hout, weilanden, en op de hoogere gedeelten bebouwde akkers. Reeën
zwerven bij troepjes om door het bosch en tusschen de hooge heesters
en varens, waar de jonge boerinnetjes, uit het frissche bad gekomen,
ze in den zomer beloeren. Het wilde zwijn kiest zich een leger
in de lagere gedeelten, te midden van doornen en distelstruiken,
waar de haas eene rust en veiligheid vindt, welke hij in de vlakte
te vergeefs zou zoeken. In den herfst, wanneer elders, in de groote
bosschen tusschen de Ill en den Rijn, vaak gebrek aan water is, wemelt
het hier van fazanten, en zoekt de patrijs hier eene schuilplaats,
waarin zij zich ongenaakbaar acht. Bij drijfjachten levert deze
streek voor de jagers zeer groote moeilijkheden op, uithoofde van
de zoo talrijke stroompjes en beken, die elkander in alle mogelijke
richtingen kruisen. Wenscht gij u van het eene eiland naar het andere
te laten overzetten, vertrouw u dan gerust aan een dier flinke deernen
toe, die volkomen voor hare taak berekend zijn en met vaste hand het
ranke bootje weten te besturen.