XVII

Als wij Colmar verlaten, strekt zich de vlakte voor ons uit, de vlakte

van de Ill, effen en vlak en bij uitnemendheid vruchtbaar; de groote

vlakte van den Elzas, die ten westen door de fraaie bergketen der

Vogesen, ten oosten door de snelvlietende wateren van den Rijn wordt

begrensd. Elzas beteekent eigenlijk het land van de Ill: door de

aanspoelingen van de Ill en den Rijn werd het land zelf gevormd. De

alluviaalgronden van den Rijn zijn echter veel minder vruchtbaar dan

die van de Ill, langs wier boorden zich een vette kleigrond uitstrekt,

waarop alle granen en andere produkten uitmuntend gedijen. Op de meer

steenachtige gronden, door de aanspoelingen van den Rijn gevormd,

ziet men bosschen en boomgroepen overal waar de noodige vochtigheid

voor weilanden of korenakkers ontbreekt. De streken langs de Ill zijn

dan ook tweemaal zoo sterk bevolkt als die langs den Rijn, hoewel

in beiden de landbouw de hoofdbron van het bestaan is. Noch hier,

noch daar heeft de industrie bijzonder veel te beteekenen. Mülhausen

reikt met haar fabrieken niet verder dan de grenzen der vlakte en

der heuvels van de Sundgau. Buiten de industriëele middelpunten,

in en aan den uitgang van de valleien, neemt het aantal inwoners

af naarmate de grond armer wordt. Toch biedt deze vlakte geen

wijduitgestrekte vergezichten: overal, tusschen de dorpen en langs

de beken en wateringen, verheffen zich boschjes en boomgroepen,

die de eentonigheid van het landschap breken.

Maar eer wij langs de stoffige wegen onzen wandeltocht voortzetten,

willen wij een overzicht nemen van het land, dat zich voor ons

uitbreidt. Wij zeiden reeds dat de vlakte vden Elzas begrensd wordt

door de keten der Vogesen en door den Rijn, die beiden van het

zuidwesten naar het noordoosten loopen. De vlakte zet zich voort aan

de overzijde der rivier, waar zij door de bergen van het Schwarzwald

wordt begrensd. De Ill, op de grenzen van Zwitserland, in de Jura

ontsproten, vervolgt haar kronkelenden loop tusschen de heuvelen en

de golvende vlakte der Sundgau, om van Mülhausen tot Straatsburg

evenwijdig met den Rijn te vloeien. De geheele lengte der rivier

bedraagt honderd-tachtig kilometer, waarvan honderd-twintig voor

het gedeelte van Mülhausen tot de samenvloeiing met den Rijn. Haar

verval, van haar oorsprong tot haar uitmonding, bedraagt omstreeks

vierhonderd el. Mülhausen ligt tweehonderd-veertig el boven de zee,

Straatsburg honderd-veertig, Colmar honderd-negentig, Altkirch

driehonderd-drie-en-twintig. Te Altkirch neemt de Ill de Largue

op, even als zij uit de Jura afkomstig; vervolgens ontvangt zij

achtereenvolgens de Doller, de Thur, de Lauch, de Fecht, de Liepvrette,

de Giesen, de Bruch en nog andere rivierkens, die allen uit de valleien

van de Vogesen afstroomen. Terwijl de Vogesen hun hoogste punt bereiken

in den Gebweiler Belchen (1426 el), ligt de bedding van den Rijn,

die langs den geheelen Elzas eene totale lengte heeft van tweehonderd

kilometers, nabij Basel op tweehonderd-veertig meters boven de zee en

te Lauterburg op honderd-vier. De totale oppervlakte van den Elzas

bedraagt achtduizend-tweehonderd-zes-en-tachtig vierkante mijlen of

acht-en-twintig-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig hektaren. Tusschen

Sennheim en Ottmarheim, waar zij het breedst is, beslaat de vlakte

van den Elzas acht-en-twintig kilometers, tegen twintig op de hoogte

van Colmar of Straatsburg.

Hetzij men van Colmar over Ensisheim naar het Hartwald gaat,

hetzij men over Horburg en Breisach den weg naar den Rijn volgt,

steeds vertoont de vlakte hetzelfde eigenaardige karakter. Ons oog

ontmoet geen grootsche, majestueuse landschappen, zoo als de bergen

en valleien der Vogesen ze in zoo ruimen overvloed aanbieden, en

evenmin belangrijke monumenten; maar ter rechter- en ter linkerhand

breidt zich het vruchtbare land uit, waarop altijd menschen aan den

arbeid zijn en dat ons verheugt door het beeld van den gezegenden

overvloed. Het eerste dorp, dat wij op den weg naar het Hartwald

ontmoeten, is Heiligkreuz, dat achthonderd inwoners telt en zich in

de veilige en weldadige schaduw van een voormalig nonnenklooster

heeft gevormd. Dan volgt, tien mijlen verder, Meienheim, waar de

weg over eene fraaie steenen brug naar den anderen oever van de

Ill overgaat. Niederhergheim, Oberhergheim, Biltzheim, Niederentzen

en Oberentzen beuren ter linkerhand langs de murmelende rivier hun

fijne kerkspitsen ten hoogen. Dan ziet men, aan den anderen oever

van de Ill, Regisheim en Ensisheim. Voor den tijd der spoorwegen

werden deze dorpen, waar de paarden moesten drinken of verwisselen,

dagelijks bezocht door twaalf of vijftien diligences, ongerekend de

talrijke voertuigen en wagens. Tegenwoordig is de vroeger zoo drukke

en levendige weg eenzaam en verlaten en wordt alleen nog maar gebruikt

door boerekarren. Gelukkig heeft de vermindering van het verkeer geen

afbreuk gedaan aan de welvaart der bevolking, dank zij de buitengewone

vruchtbaarheid van den vetten kleigrond. Men ziet weinig boomen,

hetgeen aan het landschap iets eentonigs en plats geeft. Bij de

jongste normalisering van den loop der Ill heeft men hier en daar

jonge wilgen en acacia's geplant. Voor deze normalisering, waarmede

nu omstreeks tien jaren geleden begonnen werd, veranderde de rivier

dikwijls van bedding en wijzigde haar onregelmatigen loop na iederen

was, tot groote schade van het bebouwde land.

Horburg mag welhaast eene voorstad van Colmar worden genoemd, even als

Logelbach. Even boven de prachtige steenen brug van Horburg neemt de

Ill de Thur op, en even benedenwaarts de Lauch: twee rivierkens, uit

de valleien van Thann en Gebweiler afkomstig, en wier vereeniging met

de Ill deze laatste, beneden den Ladhof bevaarbaar maakt. Deze Ladhof

diende gedurende de middeleeuwen der stad tot haven: de scheepvaart

op de Ill was toen, bij gemis van andere gemeenschapswegen, veel

drukker dan tegenwoordig. Het dorp Horburg met eene bevolking van

achttienhonderd-vijf-en-tachtig inwoners, behoort tot het kanton

Andelsheim, met achttien andere gemeenten, die uitsluitend van

landbouw leven, en die tusschen den weg langs den Rijn en de Ill

verspreid liggen. De bevolking van het geheele kanton bedroeg in 1880

twaalfduizend-zes-honderd-twee-en-veertig zielen, omstreeks duizend

minder dan twintig jaar vroeger. Die vermindering der bevolking van

het platte land is een zeer ongunstig verschijnsel, maar dat zich

overal voordoet waar geen industrie of fabrieken zijn. Toch bezitten

alle gemeenten langs de Ill uitmuntende bouwgronden, waarvan de

vruchtbaarheid door geen andere overtroffen wordt. Hoewel de opbrengst

van den grond in kwantiteit toeneemt, vermindert het aantal personen,

die van den landbouw leven: de reden hiervan ligt zoowel in de steeds

klimmende eischen der arbeiders, als in het toenemend gebruik van

werktuigen.

Horburg, dat met zijn prachtige linden en zijne brug over de Ill

geene onaardige vertooning maakt, is beroemd om zijn sperges, waarin

hier een belangrijke handel gedreven wordt, en die onze boeren uit de

vlakte van de Ill, naar het zeggen der kenners, uitnemend weten klaar

te maken. Gedurende zeven of acht eeuwen was Horburg een graafschap,

dat onder de vorsten van Wurtemberg stond. Zijn sterke burcht werd

herhaalde malen verwoest en weder opgebouwd. Opgravingen hier ter

plaatse hebben de overblijfselen aan het licht gebracht van een

romeinsch castrum, benevens verschillende andere voorwerpen uit

dien tijd. Beatus Rhenanus en andere geschiedschrijvers van den

Elzas zoeken hier de plaats van het oude Argentovaria, waar de

legioenen van keizer Gratianus de Allemannen versloegen, na de

schitterende overwinning, waarvan Ammianus Marcellinus ons een

zoo treffend verhaal heeft gegeven. De commissie van de op last

van keizer Napoleon III vervaardigde historische kaart van Gallië

plaatst daarentegen Argentovaria bij het tegenwoordige Grusenheim,

terwijl d'Anville en Walckenaar het te Atzenheim zoeken. Er is een

geruime tijd verloopen sedert het jaar 377 of 384, waarin de groote

slachting plaats had, aan welke nauwelijks een tiende gedeelte van

het leger der Allemannen ontkwam. Bij gebreke van afdoende bewijzen

en bij mijne volkomen onbekwaamheid in het oplossen van etymologische

raadseltjes, moet ik mij van een oordeel omtrent de verschillende

aanwijzingen der archeologen onthouden. Trouwens, Artzenheim,

Grusenheim en Horburg kunnen als de punten van een driehoek

beschouwd worden, waarvan de oppervlakte niet grooter is dan die

van het slagveld van Froschweiler-Wörth-Reichshofen, op 6 Augustus

1870. De afstand tusschen Horburg en Artzenheim, zoowel als tusschen

Horburg en Grusenheim bedraagt in rechte lijn niet meer dan tien

kilometers. Daar het germaansche leger, dat door Gratianus verslagen

werd, op zestigduizend man wordt begroot, en dat der Romeinen op een

derde of de helft, kunnen de beide legers zeer wel een terrein hebben

ingenomen van zoodanige uitgestrektheid, dat de naam van Argentovaria

op elk der drie genoemde dorpen kan worden toegepast. De verschillende

meeningen omtrent de juiste ligging der plaats kunnen inderdaad vrij

wat gemakkelijker met elkander in overeenstemming worden gebracht,

dan die omtrent de etymologie van den naam Argentovaria en omtrent

de wijze waarop daaruit de duitsche naam Horburg zou zijn gevormd

of afgeleid. Beatus Rhenanus schreef in de zestiende eeuw, dat de

Duitschers de laatste lettergrepen van Argentovaria hadden geschrapt,

en aan de overblijvende syllabe _ar_ hun _burg_ hadden toegevoegd;

even als zij, op omgekeerde manier, van _Argentoractem_ eerst

_Storatiburgum_ hadden gemaakt, en wel door weglating van de eerste

lettergrepen; vervolgens hadden zij door het schrappen der klinkers _o_

en _i_, _Stratburgum_ verkregen, waaruit dan ten slotte Straatsburg

was gegroeid! Volgens Schöpflin is Argentovaria aan het keltisch

ontleend en beteekent zooveel als _gesloten plaats des lands_; hij

geeft echter dadelijk toe, dat het ook kan beteekenen, _stad op den

doortocht door het land_. Pater Bach, een geleerde Jezuïet, vertaalt

Argentovaria, Argontarat, als _doortocht_ of _verblijf der ganzen_;

want in het keltisch wil _rat_ zeggen doortocht, _ari_ verblijf,

en de Galliërs noemden de wilde ganzen _gantae_, _gantes_. Willen

wij het bij deze aardigheden maar laten?

Wat er ook zij van deze etymologische raadseltjes, zooveel is zeker

dat nog heden ten dage, in iederen herfst de wilde ganzen in den

Elzas verschijnen, vermoedelijk zonder zich het hoofd er mede te

breken, of zij haar naam hebben gegeven aan eene keltisch-romeinsche

nederzetting. In al de dorpen der vlakte van de Ill houden de bewoners

ook tamme ganzen in groote menigte. De laatsten moeten haar lever

offeren voor de beroemde pasteitjes; op de eersten wordt jacht

gemaakt. Zij die de plaats bezoeken, waar de slag van Argentovaria

geleverd werd, doen dit voor verreweg het meerendeel meer ter wille

van de jacht, dan om archeologische studiën te maken.

Het verdient wel opmerking, dat de Landesausschuss, die te Straatsburg

zitting houdt, onlangs eene wet heeft uitgevaardigd, die den wildstand

zeer ten goede komt en ten gevolge zal hebben dat het getal der hazen

toeneemt, terwijl dat der plattelandsbewoners vermindert. De jagers en

jachtliefhebbers zijn met deze wet zeer ingenomen; de boeren echter,

meestal kleine grondbezitters, dwepen er minder mede. En niet geheel

zonder reden. Veronderstel, gij bezit een kleinen tuin of akker, dien

gij met kool hebt beplant, en nu komen de hazen de jonge groenten

opeten. Staat u dit niet aan en slaat gij een dezer ongenoode gasten

dood, dan maakt de jachtopziener proces-verbaal tegen u op en ge

betaalt eene boete, behalve de beschadiging van uw eigendom. Slechts

wanneer uw grond behoorlijk afgesloten is, of wel indien ge eigenaar

zijt van een stuk land van minstens vijf-en-twintig hektaren, valt ge

buiten de termen der wet. Het is den boeren niet gemakkelijk aan het

verstand te brengen, dat zij eene onrechtmatige daad plegen, wanneer

zij op hun eigen grond een stuk wild, dat aan niemand behoort en hun

groenten vernielt, vangen of doodslaan.

Inmiddels vermenigvuldigen zich, in de vlakte van de Ill tot den Rijn,

hazen en fazanten, reeën en patrijzen en kwartels naar hartelust,

zoo zelfs dat periodieke drijfjachten moeten gehouden worden om,

in het belang van den landbouw, eene al te sterke vermenigvuldiging

tegen te gaan. Na zulk een drijfjacht keeren de jagers soms met drie

of vier vol geladen wagens terug, met een buit van vierhonderd hazen,

dertig reeën en tachtig fazanten, naar de heer Engelhard in zijn

_Souvenirs d'Alsace_ verhaalt.

In onzen tijd van sentimenteele dierenbescherming ontbreekt het

natuurlijk ook niet aan strafpredikatiën tegen het jachtvermaak. En

toch, hoe heerlijk is zulk eene jachtpartij, hoe rijk aan afwisseling

en genot! Met het krieken van den dag verlaat ge uwe dompige woning,

en wandelt in de frissche, heerlijke morgenlucht, met drie of vier

vrienden, naar de aangewezen loopplaats. Allengs komen daar, van

verschillende zijden, kleine groepen opdagen; het getal liefhebbers

groeit; weldra is het gezelschap kompleet. Nu schaart ge u, met

twintig of dertig andere jagers, langs een sloot of een hollen weg;

wegschuilende achter boomen of golvingen van den grond. Tegenover

u, op betamelijken afstand, heeft zich eene andere lijn gevormd van

mannen en jongens, die nu met luid geroep en geschreeuw, en het slaan

met stokken tegen steenen en boomen, het verschrikte wild opjagen

en heendrijven in de richting waar gij u bevindt. Daar komen ze

aansnellen, in ijlende vlucht, de hazen en reeën, onwetend den dood te

gemoet. Daar knallen de schoten; daar buitelen de hazen en springen de

reeën omhoog, om dan neer te vallen onder het knetteren der geweren,

onder de luide bravo's bij welgelukte schoten, onder het tergend

gefluit bij mislukte. Voorzeker, ik kan het niet tegenspreken, daar is

iets.... nu ja, iets onridderlijks in dat neerschieten van weerlooze

dieren, waartoe niet de minste moed wordt vereischt, niets dan zekere

bekwaamheid in het schieten. Maar toch, de rook, het schieten, de reuk

van het kruit, het gezicht van het bloed, het gekerm der getroffen

dieren, het tellen van den buit, de vroolijke gesprekken, het verhaal

van werkelijke of half werkelijke jachtavonturen:--al die beweging,

dat rumoer, die opwinding, ze doen u het bloed sneller vlieten door de

aderen, ze ontrukken u aan het alledaagsche, ze doen u met dubbel genot

gevoelen dat gij leeft. En dan, dat heerlijke gevoel van vrijheid;

die beweging en oefening in de frissche vrije lucht; het genot der

telkens afwisselende tooneelen en landschappen, naar gelang van den

tijd des jaars, van het weer, van plaats en uur, bij zonneschijn of

nevel, bij regen of felle vorst, in het dichte bosch of op een open,

zonnige plek in het woud, of wel in de vlakte, op het open kale veld

zich uitstrekkende tot den schemerenden gezichteinder. Kunt ge niet

begrijpen, dat het jachtvermaak, eens in vollen omvang gesmaakt,

welhaast een hartstocht wordt?

Een drijfjacht op hazen wordt doorgaans gehouden in eene vlakte van

eene halve vierkante mijl. De jagers omsingelen het terrein, dat door

de drijvers onder geleide van eenige jachtopzieners is afgezet. Bij

de eerste geweerschoten trachten de meest achterdochtige hazen,

opgeschrikt door het rumoer van de drijvers, die naar de jagers

toe gaan, door den doodelijken cirkel heen te breken, en vallen als

slachtoffers van hunne onvoorzichtigheid. Anderen zijn minder roekeloos

en maken minder haast; zij gaan kalm op hun achterpooten zitten om den

toestand te overzien. Zoo opzittende, zijn hunne voor- en achterpooten

onophoudelijk in beweging, als trachtten zij in zenuwachtige spanning,

onder de hen omsingelende vijanden de slechtste schutters uit te

zoeken. Somwijlen raden zij goed, en gelukt het hun tusschen de

nieuwelingen door te ontsnappen. Blijkt het dat zij zich vergissen,

dan keeren zij terug, niet wetende waarheen zich te wenden, loopen

heen en weer, gaan weer zitten, tot zij eindelijk meenen een vrijen

uitgang, eene onbewaakte plek gevonden te hebben. Daar stormen zij

dan op los: helaas, meestal om te vallen onder de kogels van dezen

of genen rustenden jager. De schrik en de verbijstering van de arme

dieren bereiken hun toppunt, wanneer de drijvers, die met hunne stokken

zwaaien en luid schreeuwen, tot op eenige honderden schreden van de

schutters genaderd zijn. Dan is het oogenblik gekomen van de groote

slachting, het laatste oogenblik voor een honderdtal hazen, op eene

kleine ruimte saamgedrongen. Zij kunnen niet teruggaan, zonder zich

aan het gevaar bloot te stellen, dood geslagen te worden. Razend van

schrik, overschrijden zij den noodlottigen cirkel, waarin de jagers,

die zich nu saamgetrokken hebben en zonder tusschenpoozen hunne geweren

laden, afvuren en weder laden, hen opsluiten. De meesten vallen dood

op de plek of sterven, gewond, op eenigen afstand. Zoodra de gevallenen

bijeen zijn verzameld, wordt de drijfjacht elders voortgezet.

Maar het gebeurt niet altijd, dat na afloop van zulk een jacht eenige

honderden hazen als buit worden medegevoerd: somwijlen keeren de

jagers platzak terug, zelfs in de vlakte van den Rijn. Dit is mij

zelven overkomen bij de eerste drijfjacht, waaraan ik deel nam, te

Widensohlen, waar het jachtveld toch als goed bekend is. Volgens het

zeggen van mijne medejagers, hadden de hazen zich in het kreupelhout

verscholen, en wij konden het bosch niet laten afloopen, omdat de

bladeren nog aan de boomen zaten. Om mijn weitasch te vullen, moest

ik op eene boeren hofstede een kalkoen doodschieten, natuurlijk tegen

betaling van schadevergoeding aan den eigenaar.

Nog meer dan de vlakte, lokken de eilanden in den Rijn zoowel

de jachtliefhebbers als de natuurkenners tot een bezoek uit. De

machtige rivier, die de groote zwitsersche meren met de Noordzee

verbindt, is eene door de natuur aangewezen heerbaan voor de tochten

en verhuizingen der watervogels van allerlei pluimage. Platvoetige

zwemmers, langbeenige steltloopers, breedgewiekte zeilers, allerlei

soorten van vogels, grooten en kleinen, die de strenge winter van

de noordpoolstreken naar zachter klimaat drijft, strijken vaak in

dichte drommen neder op onzen Rijn. Daar is dan ook geen beter en

gemakkelijker weg te bedenken voor de tallooze zwermen van eenden,

wilde ganzen, raafeenden en talingen, uit de golf van Finland en

van de klippen der IJszee afkomstig. Die weg wordt echter ook, maar

zeldzamer, bezocht door den prachtigen zwarten zwaan, den noordschen

vischarend, den kormoran: zeldzame, afgedwaalde bezoekers, die door

stormen of heftige beroeringen in den dampkring uit hun baan zijn

gedreven en het spoor bijster geraakt, maar die nu hun reis vervolgen

in de richting der groenachtige wateren van het dal. De stilstaande

wateren van voormalige rivierarmen, door de normaliseringswerken

afgesneden en langzamerhand in dicht begroeide moerassen veranderd,

bieden een uitgezocht verblijf voor de steltloopers: watersnippen,

roerdompen, reigers, waterhoenders, en hoe ze verder heeten mogen,

wier lange teenen hen in staat stellen over de weeke modder te

loopen. Welwillend en gastvrij, deelen de steltloopers hun rijk met

de plassers en ploeteraars, de zwempootigen, die in het water plompen

en duiken. Als des avonds het zilveren vesperklokje luidt, verlaten

de eenden de groote vijvers en kommen in de diepere gedeelten en in

de overstroomde weilanden, waar zij zich veiligheidshalve overdag

ophouden, en strijken onder luid gekwaak neder in de modderige

poelen. De kievitten, van hun kant, vliegen des morgens en des avonds

bij honderden heen en weer over de naastbijgelegen bebouwde akkers,

maar koesteren zich, gedurende de warme uren van den dag, op de

zandbanken en de kiezelsteenen in de oude bedding der rivier. De

pluvieren, die in het naakte zand nestelen, zijn niet minder talrijk

dan de spreeuwen in het riet. Twee of drie soorten van zeezwaluwen,

die hier slechts tijdelijk toeven om haar jongen op te kweeken,

beschrijven in het schoone jaargetijde, langs de oevers der rivier,

haar bevallige lijnen en wendingen.

De Rijn was vroeger, ja eeuwen lang, zoo nukkig en grillig als

een jong meisje, telkens van bedding veranderende, zich nu eens op

dezen, dan op genen oever richtende, dan zich terugtrekkende van

den Elzas om Baden te begunstigen, straks weer omgekeerd, zonder

regel of naspeurlijke reden. Alt-Breisach, op zijn vulkanische rots

tronende, lag nu eens op den rechter, dan weer op den linker oever

van de veranderlijke, onstandvastige rivier, die haar luimen bot

vierde. Om aan dien onhoudbaren toestand een einde te maken, zijn

de regeeringen der oeverstaten in overleg getreden, en hebben den

stroom eene kunstmatige bedding aangewezen, waarbuiten hij niet meer

treden kan of mag. Vóór den aanvang der normaliseeringswerken, die nu

langs den geheelen Elzas welhaast voltooid zijn, had de hoofdstroom,

ter rechter en ter linker zijde, een groot aantal zijtakken of armen

uitgezonden, die deels tot de rivier terugkeerden, deels zich in het

land verloren. Deze nu afgesloten takken, die telkens meer aanslibben,

deze onwettige kinderen van den Rijn, volgens de uitspraak van de

moderne wetenschap, vormen nog een net van eilanden, de woon- en

wijkplaats der bovengenoemde vogelen. Veroordeeld om te verdwijnen,

naar gelang van de aanslibbing der afgedamde riviertakken, nemen deze

eilanden van jaar tot jaar in omvang toe en naderen steeds meer tot

elkander, tot groote ergernis van de toekomstige jagers. Sommige van

deze eilanden zijn niet meer dan kiezelbanken, waarop niets groeit

en die bij hoog water overstroomd worden. Anderen, van meer omvang,

door breede en diepe wateren gescheiden, hebben hooge, zandige oevers,

omzoomd met eeuwenoude wilgen, dichte bosschen van eikenopslag en hoog

hout, weilanden, en op de hoogere gedeelten bebouwde akkers. Reeën

zwerven bij troepjes om door het bosch en tusschen de hooge heesters

en varens, waar de jonge boerinnetjes, uit het frissche bad gekomen,

ze in den zomer beloeren. Het wilde zwijn kiest zich een leger

in de lagere gedeelten, te midden van doornen en distelstruiken,

waar de haas eene rust en veiligheid vindt, welke hij in de vlakte

te vergeefs zou zoeken. In den herfst, wanneer elders, in de groote

bosschen tusschen de Ill en den Rijn, vaak gebrek aan water is, wemelt

het hier van fazanten, en zoekt de patrijs hier eene schuilplaats,

waarin zij zich ongenaakbaar acht. Bij drijfjachten levert deze

streek voor de jagers zeer groote moeilijkheden op, uithoofde van

de zoo talrijke stroompjes en beken, die elkander in alle mogelijke

richtingen kruisen. Wenscht gij u van het eene eiland naar het andere

te laten overzetten, vertrouw u dan gerust aan een dier flinke deernen

toe, die volkomen voor hare taak berekend zijn en met vaste hand het

ranke bootje weten te besturen.

Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 9 / 16 题