XV

Onder de monumenten van de oude stad hebben wij ook het klooster

Unterlinden genoemd: een eenvoudig, onaanzienlijk gebouw, in de

nabijheid van de Korenbeurs, in de voormalige kerk der Dominikanen. Dit

oude klooster is thans tot museum ingericht. Voor den hoofdingang

staat het standbeeld van Pfeffel, door den beeldhouwer Friedrich

vervaardigd. Een smal straatje of poortje, aan de beide einden met

een ijzeren hek gesloten, geeft toegang tot het museum. Ondanks

den frisschen, geurigen naam van Unterlinden, is nergens een linde

te bespeuren. Boven de poort ziet gij het wapenschild van de orde

van Sint-Dominicus: een hond, met een brandenden fakkel in den

bek, waarmede hij de wereld verlicht. Behalve eene galerij van

schilderijen uit de school van Schöngauer, die voor de geschiedenis

der kunst in Duitschland van groot belang is, bevat het museum eene

rijke verzameling van antiquiteiten en medailles, eene ethnografische

collectie en eene van natuurlijke historie, benevens eene belangrijke

bibliotheek. Het inwendige van het klooster is, op zich zelve, uit

een architektonisch oogpunt bovendien wel de aandacht waard.

Binnentredende, ziet ge een ruimen vierkanten hof, door eene

sierlijke zuilengalerij omringd. In het midden van den hof verrijst

het steenen standbeeld van den schilder-graveur Maarten Schöngauer;

het voetstuk is tot fontein ingericht. Aan de eene zijde wordt de

voormalige kloosterhof begrensd door het schip der kerk, aan de drie

andere door gebouwen voor woning en andere doeleinden bestemd. Reeds

vóór de revolutie heeft het schip zulke belangrijke veranderingen

ondergaan, dat het niet meer mogelijk is, zich eene voorstelling te

maken van zijne oorspronkelijke gedaante; daarentegen munt het koor

uit door zuiverheid van stijl en edele soberheid. Maar ondanks de

omgeving, is het toch de kloosterhof zelf, die bovenal uwe aandacht

trekt. Met zijn sierlijke bogen, zijne zuiltjes, zijne opengewerkte

rozetten, mag deze kloosterhof als een der schoonste gewrochten

gelden uit den tijd der invoering van den franschen spitsbogenstijl

in Duitschland. Misschien is dit het eenige zoo volledige exemplaar

in den stijl der dertiende eeuw, dat wij bezitten. Drie dubbele

rondbogen met gebloemde kapiteelen, in den westelijken kloostergang,

zijn vermoedelijk van een vroegeren bouw afkomstig en behooren tot de

eerste helft der dertiende eeuw. Het standbeeld van Schöngauer, een

werk van Bartholdi, is in volkomen overeenstemming met het karakter

van den hof. Het beeld stelt een middeleeuwschen kunstenaar voor, in

de kleederdracht van zijn tijd, in een album bladerende. Het voetstuk

is versierd met vier allerbevalligste figuurtjes: een schilder,

kleuren mengende op zijn paneel; een graveur, met zijn stift op

de plaat teekenende; een beeldhouwer, die zoo juist een prachtig

wierookvat heeft voltooid; eindelijk een geleerde in de lezing van

een boek verdiept. De wetenschap en de plastische kunst zijn dus

vertegenwoordigd.--Deze stille hof, met zijn groen en bloemen,

zijne speling van licht en schaduw, zijne rust en kalmte en die

omlijsting van sierlijke booggangen, stemt u onwillekeurig tot

peinzen en nadenken; en het kost inderdaad moeite een gevoel van

wangunst te onderdrukken jegens de gelukkigen, wien het in minder

koortsige en bewogen tijden vergund was in zulke kalme verblijven hun

leven aan studie en kunst, aan wetenschap en gebed te mogen wijden,

zonder onophoudelijk door het rumoer der buitenwereld aan hun idealen

levenskring ontrukt te worden.

De stichting van het klooster Unterlinden valt in de eerste jaren der

dertiende eeuw. Twee edele vrouwen, Agnes van Mittelheim en Agnes

van Herckenheim, vestigden zich op de plaats van het tegenwoordige

klooster, waar eene van haar een huis bezat, in de nabijheid van een

lindenboschje. Op raad van eenige andere vrome dames, die zich bij haar

aangesloten hadden en eene godsdienstige vereeniging vormden, brachten

zij hare woning over buiten de stad, op eene plaats _Uff Muhlin_

genaamd, nevens eene aan Sint-Jan den Dooper gewijde kapel. Broeder

Walther, lezer der Dominikanen te Straatsburg, nam zelf de godvruchtige

vrouwen in de orde op, op Sint-Andriesdag van het jaar 1232. Maar de

toenemende onveiligheid buiten de stad noopte de nonnen, twintig jaren

later, om haar oud verblijf binnen de muren weder te betrekken. Voor

zoo ver zij nog mochten aarzelen, moest, naar de legende verhaalt,

elke twijfel wijken tengevolge van een visioen van haar heiligen

patroon, die in den eigen nacht aan alle zusters verscheen en haar

gelastte naar de stad terug te keeren. Toen zij gereed stonden _Uff

Muhlin_ te verlaten, hoorden zij eene stem, die smeekend zeide:

"Neemt mij mede." Verwonderd omziende, van waar dat verzoek komen

mocht, bespeurden de nonnen een klein beeld van den Dooper. Zij

verstonden den wenk en namen het beeld met zich: nog heden kunt gij

het zien in de sakristij van de Sint-Maartenskerk, een der weinige

monumenten van de kunst des houtsnijders uit de dertiende eeuw. Het

oude klooster moest aanzienlijk worden vergroot, en eene nieuwe kerk

gebouwd, die in 1269 door Albrecht den Groote, bisschop van Regensburg,

werd ingewijd. Weldra verwierf het klooster der Dominikaner nonnen van

Colmar eene groote vermaardheid; in de geschiedenis van de duitsche

mystiek neemt dit Unterlinden eene zeer voorname plaats in. Binnen de

muren van dit klooster leefden, in de veertiende en de vijftiende eeuw,

uitmuntende vrouwen, de geur van wier innige godsvrucht, heiligen

levenswandel en hooge geestesgaven zich wijd en zijd verspreidde en

niet weinig bijdroeg tot de edele glorie van het gewijde gesticht,

omzweefd door liefelijke legenden en dichterlijke wonderverhalen.

Eeuwen lang was het uitgestrekte, rijke klooster de roem van Colmar,

tot de revolutie ook dit monument vernielde. Op den tweeden Maart van

het jaar 1792 werden, op bevel van het departementaal bestuur, ondanks

de tranen en smeekbeden der nonnen, de klokken weggenomen: zestig

nationale garden beschermden de kerkschenners tegen de verbitterde

bevolking. Reeds in Mei van het vorige jaar, bij de uitdrijving der

Kapucijners, had de kavalerie eene charge moeten maken op de burgers,

die dom en bekrompen genoeg waren om de zegeningen der revolutionaire

vrijheid niet te begrijpen!--Tot staatseigendom verklaard, werden

de gebouwen van Unterlinden tot in 1842 als kazerne gebruikt; in dat

jaar gingen zij aan de stad over, als vergoeding voor de geldelijke

bijdrage voor den bouw eener nieuwe kavalerie-kazerne. Een deel der

gebouwen werd sedert afgebroken: een ander deel tot verschillende

doeleinden gebruikt, om niet te zeggen vernederd. Eindelijk kwam men

op het denkbeeld, om de eerbiedwaardige, zoo gruwelijk mishandelde en

geschonden zalen en vertrekken van Unterlinden uit hun diep verval

op te heffen, door er eene bestemming aan te geven, althans niet te

zeer in strijd met de edele traditiën aan dit eenmaal zoo beroemde

klooster verbonden. Er werd dan besloten, de stedelijke bibliotheek

en de wetenschappelijke en artistieke collectiën van den Opper-Elzas

in de nog gespaard gebleven gebouwen van Unterlinden te plaatsen:

een besluit, dat op de ontwikkeling en den wetenschappelijken zin

van deze geheele streek een zeer gelukkigen invloed heeft uitgeoefend.

In de eerste plaats wordt de belangstelling der kenners gewekt

door de schilderij-verzameling, bepaaldelijk door de werken van

oude duitsche meesters, de voorgangers van Dürer en Holbein. Deze

schilderijen zijn in het schip van de oude kloosterkerk geplaatst,

dat, hoewel wat bekrompen, toch eene geschikte gelegenheid aanbiedt

en door de smalle spitsboogvensters voldoende licht ontvangt. Achter

in het koor staat het beroemde, geheel uit hout gesneden en vergulde

altaar uit eene kerk van Isenheim afkomstig. De twee beschilderde

vleugeldeuren van dit altaar vormen nu, in de kerk van Unterlinden,

de scheiding tusschen de schilderijen in het koor en die in het

schip. In het koor hangen de werken van de oude duitsche school;

het schip is bestemd voor de schilderijen uit later tijd. De twee

diptyken stellen voor, de eene Christus aan het kruis; de andere,

de Moedermaagd met het Kind; en aan de keerzijde Maria-Boodschap en

de Opstanding, en de Verzoeking van Sint-Antonius en Sint-Paulus,

en Sint-Antonius in de woestijn. Volgens eene oude overlevering

zouden deze schilderijen het werk zijn van Albrecht Dürer; maar de

tegenwoordige kunstcritici kennen ze toe hetzij aan Hans Baldung

Grün, hetzij aan Matthias Grünewald van Aschaffenburg, zonder dat

echter voor de eene of de andere hypothese afdoende argumenten kunnen

worden aangevoerd. Aan den linkerwand van het koor ziet men eene reeks

tafreelen uit het Lijden, met groote uitvoerigheid en nauwkeurigheid op

gouden grond geschilderd: dit kunstwerk draagt het jaartal 1465. De

tafreelen uit het leven van Jezus, uit de school van Schöngauer

afkomstig, zijn van een anderen stijl: de teekening verraadt meer

gevoel en de techniek staat hooger; getuige de zoo zeer bewonderde

Pietà, de Maagd het Kind aanbiddende, de engel in Maria-Boodschap,

de heilige Antonius, en de Heilige Maagd den engel ontvangende:

al te gader uitmuntend geconserveerde schilderstukken. Men is het

niet eens over de vraag, van wie deze stukken afkomstig zijn, en

de vergelijking met de gravuren van Schöngauer schijnt eene andere

hand te verraden. Wij zullen hierop nader terugkomen, na een blik op

de galerij van moderne schilderijen, waarin sommige voortreffelijke

stukken van nog levende meesters uit den Elzas de aandacht trekken

en ten volle verdienen. Wij wijzen slechts op de genre-stukken en op

de tafreelen uit het elzasser leven van Pabst, van Jundt, van Brion;

op de landschappen van de twee Salzmann's en Bernier; het gezicht op

Capri van Benner, den slapenden Bader en eene Magdalena van Henner;

de zegekar des Doods van Schuller en vooral zijn Schlitters uit de

Vogezen; eindelijk op de miniaturen van Michel Hertrich.

In den vloer van het koor ziet men de fragmenten van een

prachtig romeinsch mozaïek, te Bergheim, in den omtrek van Colmar,

opgegraven. De vleugels van den kruisgang bevatten een aantal steenen

monumenten en antiquiteiten, fragmenten van beeldhouwwerk uit alle

tijdperken, beginnende met de gallo-romeinsche grafteekenen van Kempel,

de eigenaardig bewerkte steenen van den ouden heidenschen muur van

Frankenburg, de votief-altaren uit het Hattenerwoud, de stèles en

grafzerken van Horburg, tot de romaansche basreliefs en de spuiers

aan de gothische kerken der middeleeuwen. Deze fragmenten zijn uit

verschillende deelen van den Elzas afkomstig. Het standbeeld van

Schöngauer, dat daar zoo rustig en ernstig midden op den hof verrijst,

die schepping van een onzer tijdgenooten, waardig eene plaats in

te nemen onder de meesterstukken der kunst, schijnt te waken over

deze overblijfselen van de beeldhouwkunst der vroegere eeuwen. Bij

gebrek aan ruimte in den kruisgang rondom den kloosterhof, is men

genoodzaakt geweest, eenige steenen monumenten buiten te plaatsen,

op het square rondom het monument van Pfeffel. Eene afzonderlijke

zaal bevat de afgietsels en pleisters van de meesterstukken der

klassieke beeldhouwkunst. Overigens bevatten de gebouwen van het

museum schier geene andere beeldwerken dan het blazoen van de orde der

Dominikanen, boven den ouden ingang, waarvan wij reeds met een enkel

woord gesproken hebben. Dit blazoen is ontleend aan de legende van

Sint-Dominicus, waarin onder anderen verhaald wordt, dat zijne moeder,

eenigen tijd voor zijne geboorte, een geheimzinnigen droom had: zij

droomde namelijk, dat zij een hond ter wereld bracht, die de wereld

verlichtte met een fakkel, welken hij in den bek hield. In het klooster

van Santa-Maria del Fiore te Florence, dat aan de Dominikanen behoort,

ziet men eene oude fresko, waarop de Paus is afgebeeld, omringd door

kardinalen en prelaten, terwijl de geloovigen, onder de gedaante van

eene kudde schapen, rondom hem op den grond liggen, terwijl honden,

de Dominikanermonniken voorstellende, de kudde tegen de wolven der

ketterij verdedigen. Deze voorstelling is, even als het blazoen,

eene woordspeling: de jongeren van Sint-Dominicus noemden zich ook

_domini canes_, honden des Heeren.

Behalve de beide genoemde galerijen van beeldwerken en schilderijen,

bevat het museum ook nog eene verzameling antiquiteiten en

medailles. Geheel het leven der voorgeslachten op den alouden bodem van

den Elzas treedt ons hier aanschouwelijk voor oogen; en daar het museum

voor ieder gratis openstaat, wordt het ook druk bezocht en wekt het

de algemeene belangstelling. Wordt ergens in de stad of op het land,

iets gevonden dat uit een artistiek of archeologisch oogpunt waarde

heeft, aanstonds wordt het naar Colmar, naar Unterlinden gezonden. Een

reeks van vitrines, wier aantal van jaar tot jaar toeneemt, bevat een

schat van voorwerpen van allerlei aard, sieraden, gereedschappen,

wapens, zooveel mogelijk naar geografische orde gerangschikt,

en met opgave van de plaats, waar ze gevonden zijn. Men vindt hier

gedenkteekenen van alle rassen, die den Elzas bewoond hebben, van de

voorhistorische tijden en de vestiging der Kelten af, overblijfselen

van alle beschavings-perioden. Hier zijn oude kleedingstukken en

tapijtwerken, fraaie geschilderde glazen, prachtige meubelen van

gesneden eikenhout, die nog tot voorbeeld voor onze kunstenaars

kunnen dienen. Zie eens die reusachtige koffers en die vorstelijke,

zoo uitnemend schoon bewerkte kasten, waarin bijna plaats is voor

een geheel huishouden. Op de beschilderde glazen de portretten van

aanzienlijke burgers van Colmar in ouderwetsche kleederdracht, en de

wapens der steden van den elzasser stedenbond, afkomstig van vensters

der groote zaal van het Kaufhaus, waar zij eigenlijk hadden behooren

te blijven; in den ijver om het museum van Unterlinden te verrijken,

is men hier te ver gegaan. Een smaakvol en ijverig verzamelaar, de heer

Fleischhauer, de tegenwoordige president van de Schöngauer-Vereeniging,

wier schepping het museum is, heeft al deze voorwerpen met grooten takt

gerangschikt, zoodat zij rondom den schoorsteen van den Waagkeller,

eene soort van antiek gemeubeld vertrek vormen. De groote moderne

vensters, die men in deze zaal heeft aangebracht, passen echter ten

eenemale niet bij de omgeving, en maken in een gothisch monument een

allerongelukkigst effekt.

Wij moeten nog terugkomen op de schilderijen van de oude school, in

het museum van Unterlinden bewaard, die vooral voor de geschiedenis der

kunst van zoo groote waarde zijn. Trouwens, al hadden zij geene andere

verdienste, dan haar wondervol, schitterend koloriet, dat ondanks

den tijd nog al zijn frischheid en glans behouden heeft, dan nog

zouden deze schilderijen ten volle de belangstelling verdienen. Het

is voorwaar geen kleine lof voor den ouden kunstenaar, dat vier

eeuwen niets hebben ontnomen aan den gloed en de pracht zijner

verwen, wanneer wij zien, dat moderne schilderijen, in ditzelfde

museum aanwezig, binnen de korte spanne tijds van een menschenleven,

geheel van toon en kleur veranderen. De vorderingen der scheikunde,

waarvan de industrie in zoo velerlei opzicht voordeel trekt, hebben

onze hedendaagsche schilders nog niet in staat gesteld, het koloriet

der meesters uit de vijftiende eeuw ook maar nabij te komen.

Wanneer wij de oude schilderijen in het museum van Colmar aan

Schöngauer toeschrijven, dan volgen wij daarin de traditie en de

algemeen aangenomen meening. Wij kunnen ons hier niet verdiepen

in de kritische beschouwingen en geleerde vertoogen, waartoe de

veel besproken kwestie omtrent Schöngauer en zijn werk aanleiding

heeft gegeven. Noch de meester zelf, noch zijne leerlingen hebben de

moeite genomen de schilderijen te teekenen, waarvan de echtheid zoo

hevig betwist of betwijfeld wordt. De verdienste van deze stukken

is geheel afgescheiden van den naam des schilders: zij ligt in haar

beteekenis voor de geschiedenis der kunst en in haar verwonderlijk

koloriet. Sommigen getuigen van diep gevoel en verdienen ook om de

uitdrukking waardeering: maar afgescheiden van de kleur, zijn de

meesten, althans met onzen tegenwoordigen maatstaf gemeten, niet meer

dan middelmatig, vooral door de gebrekkige teekening.

Bij gebreke van authentieke bewijzen moeten ook de bekwaamste

en scherpzinnigste critici zich bepalen tot gissingen omtrent de

vervaardigers van de schilderijen uit de school van Colmar. Daar de

meest bevoegde rechters elkander op bijna alle punten tegenspreken, is

het zaak zich van elk gewaagd oordeel te onthouden. De heer Goetswiller

noemt in zijn boek over het museum van Colmar een tiental schilderijen

op, in deze verzameling en in de Sint-Maartenskerk aanwezig, die hij

voor het werk van Schöngauer houdt. In de sakristij van St. Maarten

hebben wij de _Madonna in de rozenhaag_, een stuk dat door sommigen

uitbundig is geprezen en eene voorname plaats inneemt in de historie

der kunst. De Moedermaagd zit met het kind Jezus in haar armen op eene

bank, omringd door bloeiende rozenstruiken. Schitterend gekleurde

vogels zingen in het gebladerte, terwijl twee in het blauw gekleede

zwevende engelen eene kroon boven haar hoofd houden. De gouden grond

doet den glans van het koloriet, dat hoofdzakelijk uit verschillende

nuancen van rood bestaat, nog te meer uitkomen. De uitdrukking

van reinheid en onschuld in het gelaat en de geheele houding der

Madonna, de levendige beweging van het kind en de beide zwevende

engelen overtreffen alles, wat in dit opzicht door de tijdgenooten van

Schöngauer is geleverd. Maar met de Madonna's van Rafaël of van Murillo

is deze Lieve Vrouwe niet op eene lijn te stellen, zij is en blijft een

duitsch burgermeisje, met eene blozende kleur en een gezond voorkomen,

maar zonder hoogere idealiteit: de Moeder des Heeren denkt men zich

anders. De schilder moest zijne modellen kiezen in de omgeving waarin

hij leefde. Schöngauer heeft een aantal Madonna's gegraveerd, zij

onderscheiden zich van de geschilderde door meer bevalligheid en dieper

gevoel. In het museum bevinden zich nog eenige andere schilderijen,

die met meer of minder recht aan den meester worden toegeschreven,

maar waarvan wij hier geene nadere omschrijving geven kunnen.

Zeker niet van Schöngauer zijn de zestien tafereelen uit het

Lijden, waarvan wij reeds vroeger spraken, en die uit de oude kerk

der Dominikanen afkomstig zijn. De ruwe en onbeholpen wijze van

teekenen zou alleen reeds voldoende zijn om ons te overtuigen, dat

wij hier niet het werk van dien meester voor ons hebben, al stond

de vervaardiger van deze stukken niet buiten zijn invloed. Daar is

toch zekere overeenkomst, zekere verwijderde verwantschap tusschen

deze schilderijen en de gravuren van Schöngauer, die allen van zijn

naamteeken zijn voorzien. Het museum van Colmar bezit maar zeer

weinig origineele gravuren van den beroemden kunstenaar, slechts

enkele platen in deze verzameling dragen zijn monogram. De heer

Amand-Durand heeft in 1881, te Parijs, eene volledige verzameling

phototypiën van al de platen van Schöngauer uitgegeven. Het aantal

dier platen bedraagt ruim honderd, voor het meerendeel godsdienstige

voorstellingen behelzende, waaronder vele meesterstukken. Albrecht

Dürer heeft meer dan eens Schöngauer gevolgd en hem onder anderen

een zijner schoonste Madonna-typen ontleend. Wie de teekeningen en

gravuren van den colmarschen meester naast de hem toegeschreven

schilderijen legt, kan niet nalaten getroffen te worden door de

meerdere voortreffelijkheid der eersten, zoo wat teekening als

uitdrukking en levensvolle bezieling betreft.

Wij kunnen ons bij de schilderijen niet langer ophouden, maar moeten

nog een blik werpen op het altaar van gesneden hout, dat een der

sieraden van het museum is en uit het klooster der Antoniten van

Isenheim afkomstig is. Langen tijd gold dit altaar voor een der

schoonste monumenten van dien aard in de geheele Christenheid; in

de vorige eeuw kwamen reizigers en kunstenaars van heinde en verre

naar Isenheim om dat kunstwerk te bewonderen. Wat wij nu in het koor

der voormalige kerk van Unterlinden zien, is slechts een gedeelte

der vroegere heerlijkheid, maar wat gespaard bleef, is voldoende om

een denkbeeld te geven van het wonderschoon geheel. Vlak boven de

altaartafel zien wij, in drie nissen, de borstbeelden van Christus en

van de twaalf apostelen. Hooger prijkt, in het midden van het blad, het

beeld van Sint-Antonius, den patroon der orde, met Sint-Augustinus

aan zijne rechter, en Sint-Hieronymus aan zijne linkerhand,

alle drie in natuurlijke grootte en hoog relief. Sint-Antonius is

zittende afgebeeld, bekleed met eene tuniek en een wijden mantel,

in de eene hand den zoogenoemden Sint-Antonieskruk, in de andere een

gesloten boek houdende. De kleine knielende figuur aan de voeten van

Sint-Augustinus verbeeldt zeer waarschijnlijk den schenker van het

altaar. Al de beelden die gekleurd zijn, verkeeren in uitmuntenden

toestand. Zij behooren ongetwijfeld tot de uitnemendste scheppingen

der duitsche kunst in een tijd, toen het ideaal der middeleeuwen

met zijne naïeviteit, en zijne hooge opvatting en diep gevoel nog

de gemoederen beheerschte en vervulde, maar tegelijk de invloed van

eene meer realistische opvatting zich begon te doen gevoelen en het

streven naar individualiteit meer op den voorgrond trad. Let op de

uitdrukking van majesteit en kalmte in de figuur van Sint-Antonius,

dien eerwaardigen grijsaard, die als een vorst troont te midden van

het altaar. Sint-Augustinus, in vol bisschoppelijk ornaat, met de

mijter en den staf, is niet minder uitmuntend dan het beeld van den

patroon der orde. Het hoofd van Sint Hieronymus verdient niet minder

de aandacht; wat kracht en diepte van uitdrukking betreft, zoekt

deze kop zijne wedergade in de kunstscheppingen van dien tijd. In

het kleed van een romeinsch kardinaal gedost, met den hoed op het

hoofd, slaat de beroemde kerkvader een smeekenden blik ten hemel;

het vermagerde, edele gelaat getuigt van arbeid, zelfverloochening

en zielestrijd. In de linkerhand houdt hij de Heilige Schrift, aan

welker vertaling en verklaring hij het grootste deel van zijn leven

heeft gewijd; de rechterhand is opgeheven, als om de toehoorders

te vermanen en te waarschuwen. Aan zijne voeten slaapt de leeuw,

de metgezel van den grooten kluizenaar.

Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 7 / 16 题