Onder de monumenten van de oude stad hebben wij ook het klooster
Unterlinden genoemd: een eenvoudig, onaanzienlijk gebouw, in de
nabijheid van de Korenbeurs, in de voormalige kerk der Dominikanen. Dit
oude klooster is thans tot museum ingericht. Voor den hoofdingang
staat het standbeeld van Pfeffel, door den beeldhouwer Friedrich
vervaardigd. Een smal straatje of poortje, aan de beide einden met
een ijzeren hek gesloten, geeft toegang tot het museum. Ondanks
den frisschen, geurigen naam van Unterlinden, is nergens een linde
te bespeuren. Boven de poort ziet gij het wapenschild van de orde
van Sint-Dominicus: een hond, met een brandenden fakkel in den
bek, waarmede hij de wereld verlicht. Behalve eene galerij van
schilderijen uit de school van Schöngauer, die voor de geschiedenis
der kunst in Duitschland van groot belang is, bevat het museum eene
rijke verzameling van antiquiteiten en medailles, eene ethnografische
collectie en eene van natuurlijke historie, benevens eene belangrijke
bibliotheek. Het inwendige van het klooster is, op zich zelve, uit
een architektonisch oogpunt bovendien wel de aandacht waard.
Binnentredende, ziet ge een ruimen vierkanten hof, door eene
sierlijke zuilengalerij omringd. In het midden van den hof verrijst
het steenen standbeeld van den schilder-graveur Maarten Schöngauer;
het voetstuk is tot fontein ingericht. Aan de eene zijde wordt de
voormalige kloosterhof begrensd door het schip der kerk, aan de drie
andere door gebouwen voor woning en andere doeleinden bestemd. Reeds
vóór de revolutie heeft het schip zulke belangrijke veranderingen
ondergaan, dat het niet meer mogelijk is, zich eene voorstelling te
maken van zijne oorspronkelijke gedaante; daarentegen munt het koor
uit door zuiverheid van stijl en edele soberheid. Maar ondanks de
omgeving, is het toch de kloosterhof zelf, die bovenal uwe aandacht
trekt. Met zijn sierlijke bogen, zijne zuiltjes, zijne opengewerkte
rozetten, mag deze kloosterhof als een der schoonste gewrochten
gelden uit den tijd der invoering van den franschen spitsbogenstijl
in Duitschland. Misschien is dit het eenige zoo volledige exemplaar
in den stijl der dertiende eeuw, dat wij bezitten. Drie dubbele
rondbogen met gebloemde kapiteelen, in den westelijken kloostergang,
zijn vermoedelijk van een vroegeren bouw afkomstig en behooren tot de
eerste helft der dertiende eeuw. Het standbeeld van Schöngauer, een
werk van Bartholdi, is in volkomen overeenstemming met het karakter
van den hof. Het beeld stelt een middeleeuwschen kunstenaar voor, in
de kleederdracht van zijn tijd, in een album bladerende. Het voetstuk
is versierd met vier allerbevalligste figuurtjes: een schilder,
kleuren mengende op zijn paneel; een graveur, met zijn stift op
de plaat teekenende; een beeldhouwer, die zoo juist een prachtig
wierookvat heeft voltooid; eindelijk een geleerde in de lezing van
een boek verdiept. De wetenschap en de plastische kunst zijn dus
vertegenwoordigd.--Deze stille hof, met zijn groen en bloemen,
zijne speling van licht en schaduw, zijne rust en kalmte en die
omlijsting van sierlijke booggangen, stemt u onwillekeurig tot
peinzen en nadenken; en het kost inderdaad moeite een gevoel van
wangunst te onderdrukken jegens de gelukkigen, wien het in minder
koortsige en bewogen tijden vergund was in zulke kalme verblijven hun
leven aan studie en kunst, aan wetenschap en gebed te mogen wijden,
zonder onophoudelijk door het rumoer der buitenwereld aan hun idealen
levenskring ontrukt te worden.
De stichting van het klooster Unterlinden valt in de eerste jaren der
dertiende eeuw. Twee edele vrouwen, Agnes van Mittelheim en Agnes
van Herckenheim, vestigden zich op de plaats van het tegenwoordige
klooster, waar eene van haar een huis bezat, in de nabijheid van een
lindenboschje. Op raad van eenige andere vrome dames, die zich bij haar
aangesloten hadden en eene godsdienstige vereeniging vormden, brachten
zij hare woning over buiten de stad, op eene plaats _Uff Muhlin_
genaamd, nevens eene aan Sint-Jan den Dooper gewijde kapel. Broeder
Walther, lezer der Dominikanen te Straatsburg, nam zelf de godvruchtige
vrouwen in de orde op, op Sint-Andriesdag van het jaar 1232. Maar de
toenemende onveiligheid buiten de stad noopte de nonnen, twintig jaren
later, om haar oud verblijf binnen de muren weder te betrekken. Voor
zoo ver zij nog mochten aarzelen, moest, naar de legende verhaalt,
elke twijfel wijken tengevolge van een visioen van haar heiligen
patroon, die in den eigen nacht aan alle zusters verscheen en haar
gelastte naar de stad terug te keeren. Toen zij gereed stonden _Uff
Muhlin_ te verlaten, hoorden zij eene stem, die smeekend zeide:
"Neemt mij mede." Verwonderd omziende, van waar dat verzoek komen
mocht, bespeurden de nonnen een klein beeld van den Dooper. Zij
verstonden den wenk en namen het beeld met zich: nog heden kunt gij
het zien in de sakristij van de Sint-Maartenskerk, een der weinige
monumenten van de kunst des houtsnijders uit de dertiende eeuw. Het
oude klooster moest aanzienlijk worden vergroot, en eene nieuwe kerk
gebouwd, die in 1269 door Albrecht den Groote, bisschop van Regensburg,
werd ingewijd. Weldra verwierf het klooster der Dominikaner nonnen van
Colmar eene groote vermaardheid; in de geschiedenis van de duitsche
mystiek neemt dit Unterlinden eene zeer voorname plaats in. Binnen de
muren van dit klooster leefden, in de veertiende en de vijftiende eeuw,
uitmuntende vrouwen, de geur van wier innige godsvrucht, heiligen
levenswandel en hooge geestesgaven zich wijd en zijd verspreidde en
niet weinig bijdroeg tot de edele glorie van het gewijde gesticht,
omzweefd door liefelijke legenden en dichterlijke wonderverhalen.
Eeuwen lang was het uitgestrekte, rijke klooster de roem van Colmar,
tot de revolutie ook dit monument vernielde. Op den tweeden Maart van
het jaar 1792 werden, op bevel van het departementaal bestuur, ondanks
de tranen en smeekbeden der nonnen, de klokken weggenomen: zestig
nationale garden beschermden de kerkschenners tegen de verbitterde
bevolking. Reeds in Mei van het vorige jaar, bij de uitdrijving der
Kapucijners, had de kavalerie eene charge moeten maken op de burgers,
die dom en bekrompen genoeg waren om de zegeningen der revolutionaire
vrijheid niet te begrijpen!--Tot staatseigendom verklaard, werden
de gebouwen van Unterlinden tot in 1842 als kazerne gebruikt; in dat
jaar gingen zij aan de stad over, als vergoeding voor de geldelijke
bijdrage voor den bouw eener nieuwe kavalerie-kazerne. Een deel der
gebouwen werd sedert afgebroken: een ander deel tot verschillende
doeleinden gebruikt, om niet te zeggen vernederd. Eindelijk kwam men
op het denkbeeld, om de eerbiedwaardige, zoo gruwelijk mishandelde en
geschonden zalen en vertrekken van Unterlinden uit hun diep verval
op te heffen, door er eene bestemming aan te geven, althans niet te
zeer in strijd met de edele traditiën aan dit eenmaal zoo beroemde
klooster verbonden. Er werd dan besloten, de stedelijke bibliotheek
en de wetenschappelijke en artistieke collectiën van den Opper-Elzas
in de nog gespaard gebleven gebouwen van Unterlinden te plaatsen:
een besluit, dat op de ontwikkeling en den wetenschappelijken zin
van deze geheele streek een zeer gelukkigen invloed heeft uitgeoefend.
In de eerste plaats wordt de belangstelling der kenners gewekt
door de schilderij-verzameling, bepaaldelijk door de werken van
oude duitsche meesters, de voorgangers van Dürer en Holbein. Deze
schilderijen zijn in het schip van de oude kloosterkerk geplaatst,
dat, hoewel wat bekrompen, toch eene geschikte gelegenheid aanbiedt
en door de smalle spitsboogvensters voldoende licht ontvangt. Achter
in het koor staat het beroemde, geheel uit hout gesneden en vergulde
altaar uit eene kerk van Isenheim afkomstig. De twee beschilderde
vleugeldeuren van dit altaar vormen nu, in de kerk van Unterlinden,
de scheiding tusschen de schilderijen in het koor en die in het
schip. In het koor hangen de werken van de oude duitsche school;
het schip is bestemd voor de schilderijen uit later tijd. De twee
diptyken stellen voor, de eene Christus aan het kruis; de andere,
de Moedermaagd met het Kind; en aan de keerzijde Maria-Boodschap en
de Opstanding, en de Verzoeking van Sint-Antonius en Sint-Paulus,
en Sint-Antonius in de woestijn. Volgens eene oude overlevering
zouden deze schilderijen het werk zijn van Albrecht Dürer; maar de
tegenwoordige kunstcritici kennen ze toe hetzij aan Hans Baldung
Grün, hetzij aan Matthias Grünewald van Aschaffenburg, zonder dat
echter voor de eene of de andere hypothese afdoende argumenten kunnen
worden aangevoerd. Aan den linkerwand van het koor ziet men eene reeks
tafreelen uit het Lijden, met groote uitvoerigheid en nauwkeurigheid op
gouden grond geschilderd: dit kunstwerk draagt het jaartal 1465. De
tafreelen uit het leven van Jezus, uit de school van Schöngauer
afkomstig, zijn van een anderen stijl: de teekening verraadt meer
gevoel en de techniek staat hooger; getuige de zoo zeer bewonderde
Pietà, de Maagd het Kind aanbiddende, de engel in Maria-Boodschap,
de heilige Antonius, en de Heilige Maagd den engel ontvangende:
al te gader uitmuntend geconserveerde schilderstukken. Men is het
niet eens over de vraag, van wie deze stukken afkomstig zijn, en
de vergelijking met de gravuren van Schöngauer schijnt eene andere
hand te verraden. Wij zullen hierop nader terugkomen, na een blik op
de galerij van moderne schilderijen, waarin sommige voortreffelijke
stukken van nog levende meesters uit den Elzas de aandacht trekken
en ten volle verdienen. Wij wijzen slechts op de genre-stukken en op
de tafreelen uit het elzasser leven van Pabst, van Jundt, van Brion;
op de landschappen van de twee Salzmann's en Bernier; het gezicht op
Capri van Benner, den slapenden Bader en eene Magdalena van Henner;
de zegekar des Doods van Schuller en vooral zijn Schlitters uit de
Vogezen; eindelijk op de miniaturen van Michel Hertrich.
In den vloer van het koor ziet men de fragmenten van een
prachtig romeinsch mozaïek, te Bergheim, in den omtrek van Colmar,
opgegraven. De vleugels van den kruisgang bevatten een aantal steenen
monumenten en antiquiteiten, fragmenten van beeldhouwwerk uit alle
tijdperken, beginnende met de gallo-romeinsche grafteekenen van Kempel,
de eigenaardig bewerkte steenen van den ouden heidenschen muur van
Frankenburg, de votief-altaren uit het Hattenerwoud, de stèles en
grafzerken van Horburg, tot de romaansche basreliefs en de spuiers
aan de gothische kerken der middeleeuwen. Deze fragmenten zijn uit
verschillende deelen van den Elzas afkomstig. Het standbeeld van
Schöngauer, dat daar zoo rustig en ernstig midden op den hof verrijst,
die schepping van een onzer tijdgenooten, waardig eene plaats in
te nemen onder de meesterstukken der kunst, schijnt te waken over
deze overblijfselen van de beeldhouwkunst der vroegere eeuwen. Bij
gebrek aan ruimte in den kruisgang rondom den kloosterhof, is men
genoodzaakt geweest, eenige steenen monumenten buiten te plaatsen,
op het square rondom het monument van Pfeffel. Eene afzonderlijke
zaal bevat de afgietsels en pleisters van de meesterstukken der
klassieke beeldhouwkunst. Overigens bevatten de gebouwen van het
museum schier geene andere beeldwerken dan het blazoen van de orde der
Dominikanen, boven den ouden ingang, waarvan wij reeds met een enkel
woord gesproken hebben. Dit blazoen is ontleend aan de legende van
Sint-Dominicus, waarin onder anderen verhaald wordt, dat zijne moeder,
eenigen tijd voor zijne geboorte, een geheimzinnigen droom had: zij
droomde namelijk, dat zij een hond ter wereld bracht, die de wereld
verlichtte met een fakkel, welken hij in den bek hield. In het klooster
van Santa-Maria del Fiore te Florence, dat aan de Dominikanen behoort,
ziet men eene oude fresko, waarop de Paus is afgebeeld, omringd door
kardinalen en prelaten, terwijl de geloovigen, onder de gedaante van
eene kudde schapen, rondom hem op den grond liggen, terwijl honden,
de Dominikanermonniken voorstellende, de kudde tegen de wolven der
ketterij verdedigen. Deze voorstelling is, even als het blazoen,
eene woordspeling: de jongeren van Sint-Dominicus noemden zich ook
_domini canes_, honden des Heeren.
Behalve de beide genoemde galerijen van beeldwerken en schilderijen,
bevat het museum ook nog eene verzameling antiquiteiten en
medailles. Geheel het leven der voorgeslachten op den alouden bodem van
den Elzas treedt ons hier aanschouwelijk voor oogen; en daar het museum
voor ieder gratis openstaat, wordt het ook druk bezocht en wekt het
de algemeene belangstelling. Wordt ergens in de stad of op het land,
iets gevonden dat uit een artistiek of archeologisch oogpunt waarde
heeft, aanstonds wordt het naar Colmar, naar Unterlinden gezonden. Een
reeks van vitrines, wier aantal van jaar tot jaar toeneemt, bevat een
schat van voorwerpen van allerlei aard, sieraden, gereedschappen,
wapens, zooveel mogelijk naar geografische orde gerangschikt,
en met opgave van de plaats, waar ze gevonden zijn. Men vindt hier
gedenkteekenen van alle rassen, die den Elzas bewoond hebben, van de
voorhistorische tijden en de vestiging der Kelten af, overblijfselen
van alle beschavings-perioden. Hier zijn oude kleedingstukken en
tapijtwerken, fraaie geschilderde glazen, prachtige meubelen van
gesneden eikenhout, die nog tot voorbeeld voor onze kunstenaars
kunnen dienen. Zie eens die reusachtige koffers en die vorstelijke,
zoo uitnemend schoon bewerkte kasten, waarin bijna plaats is voor
een geheel huishouden. Op de beschilderde glazen de portretten van
aanzienlijke burgers van Colmar in ouderwetsche kleederdracht, en de
wapens der steden van den elzasser stedenbond, afkomstig van vensters
der groote zaal van het Kaufhaus, waar zij eigenlijk hadden behooren
te blijven; in den ijver om het museum van Unterlinden te verrijken,
is men hier te ver gegaan. Een smaakvol en ijverig verzamelaar, de heer
Fleischhauer, de tegenwoordige president van de Schöngauer-Vereeniging,
wier schepping het museum is, heeft al deze voorwerpen met grooten takt
gerangschikt, zoodat zij rondom den schoorsteen van den Waagkeller,
eene soort van antiek gemeubeld vertrek vormen. De groote moderne
vensters, die men in deze zaal heeft aangebracht, passen echter ten
eenemale niet bij de omgeving, en maken in een gothisch monument een
allerongelukkigst effekt.
Wij moeten nog terugkomen op de schilderijen van de oude school, in
het museum van Unterlinden bewaard, die vooral voor de geschiedenis der
kunst van zoo groote waarde zijn. Trouwens, al hadden zij geene andere
verdienste, dan haar wondervol, schitterend koloriet, dat ondanks
den tijd nog al zijn frischheid en glans behouden heeft, dan nog
zouden deze schilderijen ten volle de belangstelling verdienen. Het
is voorwaar geen kleine lof voor den ouden kunstenaar, dat vier
eeuwen niets hebben ontnomen aan den gloed en de pracht zijner
verwen, wanneer wij zien, dat moderne schilderijen, in ditzelfde
museum aanwezig, binnen de korte spanne tijds van een menschenleven,
geheel van toon en kleur veranderen. De vorderingen der scheikunde,
waarvan de industrie in zoo velerlei opzicht voordeel trekt, hebben
onze hedendaagsche schilders nog niet in staat gesteld, het koloriet
der meesters uit de vijftiende eeuw ook maar nabij te komen.
Wanneer wij de oude schilderijen in het museum van Colmar aan
Schöngauer toeschrijven, dan volgen wij daarin de traditie en de
algemeen aangenomen meening. Wij kunnen ons hier niet verdiepen
in de kritische beschouwingen en geleerde vertoogen, waartoe de
veel besproken kwestie omtrent Schöngauer en zijn werk aanleiding
heeft gegeven. Noch de meester zelf, noch zijne leerlingen hebben de
moeite genomen de schilderijen te teekenen, waarvan de echtheid zoo
hevig betwist of betwijfeld wordt. De verdienste van deze stukken
is geheel afgescheiden van den naam des schilders: zij ligt in haar
beteekenis voor de geschiedenis der kunst en in haar verwonderlijk
koloriet. Sommigen getuigen van diep gevoel en verdienen ook om de
uitdrukking waardeering: maar afgescheiden van de kleur, zijn de
meesten, althans met onzen tegenwoordigen maatstaf gemeten, niet meer
dan middelmatig, vooral door de gebrekkige teekening.
Bij gebreke van authentieke bewijzen moeten ook de bekwaamste
en scherpzinnigste critici zich bepalen tot gissingen omtrent de
vervaardigers van de schilderijen uit de school van Colmar. Daar de
meest bevoegde rechters elkander op bijna alle punten tegenspreken, is
het zaak zich van elk gewaagd oordeel te onthouden. De heer Goetswiller
noemt in zijn boek over het museum van Colmar een tiental schilderijen
op, in deze verzameling en in de Sint-Maartenskerk aanwezig, die hij
voor het werk van Schöngauer houdt. In de sakristij van St. Maarten
hebben wij de _Madonna in de rozenhaag_, een stuk dat door sommigen
uitbundig is geprezen en eene voorname plaats inneemt in de historie
der kunst. De Moedermaagd zit met het kind Jezus in haar armen op eene
bank, omringd door bloeiende rozenstruiken. Schitterend gekleurde
vogels zingen in het gebladerte, terwijl twee in het blauw gekleede
zwevende engelen eene kroon boven haar hoofd houden. De gouden grond
doet den glans van het koloriet, dat hoofdzakelijk uit verschillende
nuancen van rood bestaat, nog te meer uitkomen. De uitdrukking
van reinheid en onschuld in het gelaat en de geheele houding der
Madonna, de levendige beweging van het kind en de beide zwevende
engelen overtreffen alles, wat in dit opzicht door de tijdgenooten van
Schöngauer is geleverd. Maar met de Madonna's van Rafaël of van Murillo
is deze Lieve Vrouwe niet op eene lijn te stellen, zij is en blijft een
duitsch burgermeisje, met eene blozende kleur en een gezond voorkomen,
maar zonder hoogere idealiteit: de Moeder des Heeren denkt men zich
anders. De schilder moest zijne modellen kiezen in de omgeving waarin
hij leefde. Schöngauer heeft een aantal Madonna's gegraveerd, zij
onderscheiden zich van de geschilderde door meer bevalligheid en dieper
gevoel. In het museum bevinden zich nog eenige andere schilderijen,
die met meer of minder recht aan den meester worden toegeschreven,
maar waarvan wij hier geene nadere omschrijving geven kunnen.
Zeker niet van Schöngauer zijn de zestien tafereelen uit het
Lijden, waarvan wij reeds vroeger spraken, en die uit de oude kerk
der Dominikanen afkomstig zijn. De ruwe en onbeholpen wijze van
teekenen zou alleen reeds voldoende zijn om ons te overtuigen, dat
wij hier niet het werk van dien meester voor ons hebben, al stond
de vervaardiger van deze stukken niet buiten zijn invloed. Daar is
toch zekere overeenkomst, zekere verwijderde verwantschap tusschen
deze schilderijen en de gravuren van Schöngauer, die allen van zijn
naamteeken zijn voorzien. Het museum van Colmar bezit maar zeer
weinig origineele gravuren van den beroemden kunstenaar, slechts
enkele platen in deze verzameling dragen zijn monogram. De heer
Amand-Durand heeft in 1881, te Parijs, eene volledige verzameling
phototypiën van al de platen van Schöngauer uitgegeven. Het aantal
dier platen bedraagt ruim honderd, voor het meerendeel godsdienstige
voorstellingen behelzende, waaronder vele meesterstukken. Albrecht
Dürer heeft meer dan eens Schöngauer gevolgd en hem onder anderen
een zijner schoonste Madonna-typen ontleend. Wie de teekeningen en
gravuren van den colmarschen meester naast de hem toegeschreven
schilderijen legt, kan niet nalaten getroffen te worden door de
meerdere voortreffelijkheid der eersten, zoo wat teekening als
uitdrukking en levensvolle bezieling betreft.
Wij kunnen ons bij de schilderijen niet langer ophouden, maar moeten
nog een blik werpen op het altaar van gesneden hout, dat een der
sieraden van het museum is en uit het klooster der Antoniten van
Isenheim afkomstig is. Langen tijd gold dit altaar voor een der
schoonste monumenten van dien aard in de geheele Christenheid; in
de vorige eeuw kwamen reizigers en kunstenaars van heinde en verre
naar Isenheim om dat kunstwerk te bewonderen. Wat wij nu in het koor
der voormalige kerk van Unterlinden zien, is slechts een gedeelte
der vroegere heerlijkheid, maar wat gespaard bleef, is voldoende om
een denkbeeld te geven van het wonderschoon geheel. Vlak boven de
altaartafel zien wij, in drie nissen, de borstbeelden van Christus en
van de twaalf apostelen. Hooger prijkt, in het midden van het blad, het
beeld van Sint-Antonius, den patroon der orde, met Sint-Augustinus
aan zijne rechter, en Sint-Hieronymus aan zijne linkerhand,
alle drie in natuurlijke grootte en hoog relief. Sint-Antonius is
zittende afgebeeld, bekleed met eene tuniek en een wijden mantel,
in de eene hand den zoogenoemden Sint-Antonieskruk, in de andere een
gesloten boek houdende. De kleine knielende figuur aan de voeten van
Sint-Augustinus verbeeldt zeer waarschijnlijk den schenker van het
altaar. Al de beelden die gekleurd zijn, verkeeren in uitmuntenden
toestand. Zij behooren ongetwijfeld tot de uitnemendste scheppingen
der duitsche kunst in een tijd, toen het ideaal der middeleeuwen
met zijne naïeviteit, en zijne hooge opvatting en diep gevoel nog
de gemoederen beheerschte en vervulde, maar tegelijk de invloed van
eene meer realistische opvatting zich begon te doen gevoelen en het
streven naar individualiteit meer op den voorgrond trad. Let op de
uitdrukking van majesteit en kalmte in de figuur van Sint-Antonius,
dien eerwaardigen grijsaard, die als een vorst troont te midden van
het altaar. Sint-Augustinus, in vol bisschoppelijk ornaat, met de
mijter en den staf, is niet minder uitmuntend dan het beeld van den
patroon der orde. Het hoofd van Sint Hieronymus verdient niet minder
de aandacht; wat kracht en diepte van uitdrukking betreft, zoekt
deze kop zijne wedergade in de kunstscheppingen van dien tijd. In
het kleed van een romeinsch kardinaal gedost, met den hoed op het
hoofd, slaat de beroemde kerkvader een smeekenden blik ten hemel;
het vermagerde, edele gelaat getuigt van arbeid, zelfverloochening
en zielestrijd. In de linkerhand houdt hij de Heilige Schrift, aan
welker vertaling en verklaring hij het grootste deel van zijn leven
heeft gewijd; de rechterhand is opgeheven, als om de toehoorders
te vermanen en te waarschuwen. Aan zijne voeten slaapt de leeuw,
de metgezel van den grooten kluizenaar.