Als alle steden langs den Rijn, was Colmar eens zeer rijk aan kerken
en godsdienstige gestichten, die tegenwoordig voor het meerendeel aan
hunne oorspronkelijke bestemming zijn onttrokken. Behalve de collegiale
kerk van Sint-Maarten, vinden wij het klooster van Unterlinden, het
Franciskanerklooster, de kerk der Dominikanen; de kloosters van de
Catherinetten, van de Kapucijnen, van de Augustijnen, de kommanderij
van Sint-Jan, de priorie van Sint-Pieter; de filiaalhuizen der abdijen
van Munster, van Marbarch, van Arlesheim en Alspach.--De priorie van
Sint-Pieter is een lyceum geworden, maar waarin sedert de inlijving
bij Duitschland, geen leerlingen meer worden opgenomen; de kerk is
nog voor de katholieke eeredienst bestemd. Het Franciskanerklooster,
in het midden der dertiende eeuw gesticht en door de pest van 1541
ontvolkt, dient tegenwoordig als stedelijk ziekenhuis; daar al de
monniken, met uitzondering van den pater-gardiaan, aan de pest waren
overleden, kocht de stad al de bezittingen van het klooster voor
tweeduizend-zevenhonderd gulden, met de verplichting ten eeuwigen dage
de monniken, op hun doortocht door Colmar, gastvrijheid te verleenen
of anders twee zilveren batsen uit te keeren. Met het ziekenhuis is
een weeshuis verbonden, benevens eene inrichting tot opleiding van
vroedvrouwen, beiden door partikuliere liefdadigheid gesticht. Het oude
Kapucijnerklooster is thans ook tot een ziekenhuis ingericht, onder
leiding der zusters van Niederbronn; terwijl het klooster der dames
Catherinetten sedert 1792 tot militair hospitaal, dient. Omstreeks den
zelfden tijd werd het Dominikanerklooster tot gevangenis vernederd,
terwijl de kerk als korenbeurs wordt gebruikt.
De meeste kerken van de voormalige kloosters zijn echter nog steeds
voor de eeredienst bestemd; zoo, bijvoorbeeld, de Franciskaner-kerk,
waarvan het koor en het schip door een muur gescheiden zijn; het
laatste is als protestantsche kerk ingericht, terwijl het koor
bestemd is voor de Katholieken, die in het stedelijk gasthuis zijn
opgenomen. Geene enkele van deze kloosterkerken verdient uit een
architektonisch oogpunt bijzondere vermelding.
De kollegiale kerk van Sint-Maarten zou een goed figuur maken
als kathedraal, indien Colmar de zetel van een bisschop was. Zij
verrijst midden in de stad, en vertoont, hoezeer uit verschillende
tijdperken dagteekenend, niet die plotselinge overgangen in stijl en
wijze van versiering, die elders zoo vaak den indruk van het geheel
bederven. De oude uitgangen van het dwarsschip zijn toegemetseld. Onder
de beelden, die den linkerboog van het portaal van Sint-Nikolaas, aan
het zuidelijke dwarsschip, het oudste gedeelte van de kerk, versieren,
ziet men ook het beeld van den architekt, kenbaar aan een winkelhaak,
dien hij in de hand houdt. Bovendien staat daarnevens zijn naam in
den steen gebeiteld, en wel in het fransch: _Maistres Humbret_. De
bouwmeester van de Sint-Maartenskerk van Colmar was dus, even als de
schepper van het groote portaal van de Sint-Theobaldskerk te Thann,
een Franschman of misschien een Lotharinger. Het koor, een eeuw jonger
dan het schip, werd, naar men zegt, gebouwd door Willem van Marburg,
in 1366 overleden.
In de middeleeuwen, toen onze goede Elzassers, als trouwens al
hunne tijdgenooten, rijker waren aan geloof dan aan geld, vorderde
de voltooiing van een zoo belangrijk werk als de bouw van de
collegiale kerk van Colmar, in eene nog weinig bevolkte stad, uit
den aard der zaak zeer veel tijd, daar met de beschikbare middelen
rekening moest worden gehouden. Het is dus niet te verwonderen, dat
dergelijke monumenten--waaraan op verschillende tijden, verschillende
architekten, anders gevormd en met andere denkbeelden bezield, hebben
gewerkt,--die eenheid van stijl missen, die een kenmerk behoort te
zijn van in hun soort volmaakte kunstgewrochten.--De oorsprong van de
Sint-Maartenskerk was eene eenvoudige kapel, in de negende eeuw door
de Benediktijner-monniken van Munster gebouwd. Het schip dagteekent
uit het midden van de dertiende eeuw; de bouw van dit deel der kerk,
waarvoor van alle kanten giften werden ingezameld, duurde niet minder
dan vijftig jaren. Oorspronkelijk vervingen twee groote kapellen de
plaats van het koor. Om dit laatste tot stand te brengen, moesten op
nieuw, ook in den vreemde, giften worden ingezameld. Reeds in 1284
richtte de bisschop Hendrik van Basel eene oproeping tot de geloovigen,
waarbij hij hen vermaande de kerk van Colmar niet onvoltooid te laten,
maar haar tot een Gode waardig heiligdom te maken. Zijn vicaris
Albrecht vroeg bijdragen van al de inwoners van Basel, omdat de
inkomsten van de particuliere fondatie van Sint-Maarten ontoereikend
waren. De tweede toren, die het groote portaal aan de noordzijde
flankeeren moest, werd nooit voltooid en reikt niet hooger dan het dak
van het schip. Het tegenwoordige bovenstuk van den bestaanden toren,
aan de zuidzijde, werd na den brand van 23 Mei 1572 aangebracht.
In 1798 door de revolutionaire horden geplunderd en gesloten, werd
de kerk later aan de katholieke eerdienst teruggegeven; maar in dien
tijd was zij bezoedeld door de dusgenoemde eeredienst van de Rede,
hier, als elders in het republikeinsche Frankrijk, alleszins waardig
vertegenwoordigd door eene veile deerne, die, zoo goed als naakt,
op het altaar plaats nam. Pfeffel, de fabeldichter, wiens standbeeld
wij straks voor Unterlinden zullen zien, zond aan een vriend, die hem
het besluit tot instelling van de eeredienst der Rede had medegedeeld,
dit puntdicht:
"Ein Tempel der Vernunft soll unsere Städte zieren;
Recht schön; doch macht' ich gern, in Unterthänigkeit,
Die kleine Motion: eh man ein Haus ihr weiht,
Erst die Vernunft zu decretiren."
Toen de blinde dichter later, langs de kerk gaande, daar binnen
hoorde kloppen en timmeren, vroeg hij, wat er nu weer gaande was. Men
antwoordde hem, dat het stedelijk bestuur toebereidselen liet maken
voor het feest van het Opperwezen, dat ook te Parijs, onder voorgang
van Robespierre, was gevierd. Daarop antwoordde hij dadelijk met
dit ex-tempore:
"Darfst, lieber Gott, nun wieder sein;
So will's der Schach der Franken.--
Lass flugs durch ein paar Engelein
Dich schön bij ihm bedanken."
Van binnen is de kerk zeer eenvoudig. De steenen muren zijn kaal,
uitgezonderd alleen in de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe, rechts van
het koor. Men heeft die kapel onlangs in den stijl der dertiende eeuw
gerestaureerd, en haar met muurschilderingen versierd, die een zeer
goed effekt maken. Ook het zeer fraaie en bevallige beeld der Madonna,
op het altaar, is in denzelfden stijl beschilderd.--Het hoogaltaar van
gesneden hout, zonder eenig schilderwerk hoegenaamd, is in volkomen
overeenstemming met de eigenaardige verlichting der kerk, terwijl het
beeldwerk zelf geheel past bij den architektonischen stijl van het
gebouw. Dit altaar is het meesterstuk van een uit Colmar geboortigen
kunstenaar, den heer Klem, wiens werk men in verschillende kerken
in den Elzas terugvindt. Er is een oogenblik sprake van geweest,
dit altaar te vergulden of te kleuren, maar men heeft zeer te recht
van dat voornemen afgezien. Alle figuren zijn in relief en in rond
beeldwerk. Zes zuiltjes met gebeeldhouwde kapiteelen dragen het
altaarblad. In de twee bogen ter weerszijde van de middelste nis,
waarin de relikwiënkast van Sint-Maarten moet worden geborgen, zijn
de zinnebeelden van de vier Evangelisten geplaatst. De trapjes van
de altaartafel prijken met eene uitmuntend gebeeldhouwde fries:
een slinger van wingerdbladen met druiventrossen en korenschoven
vermengd, de symbolen van de eucharistie. In het midden verrijst de
tabernakel, die door eene kleine deur van verguld brons, met het Lam
Gods versierd, gesloten wordt; ter wederzijde van den tabernakel
ligt een engel in knielende houding. Pilasters, door eene open
gewerkte galerij verbonden, vormen, ter hoogte van den tabernakel,
vier paneelen en verdeelen in drie ongelijke vakken eene prachtig
gewelfde en rijk gebeeldhouwde nis, die de geheele breedte van het
altaar inneemt. In het midden ziet men het Avondmaal: de figuren, op
de helft der natuurlijke grootte, vertoonen den traditioneelen type
en teekenen zich uitmuntend af tegen den donkeren achtergrond. In
het bovenste gedeelte van het altaar wordt de aandacht dadelijk
getrokken door de hoofdgroep, Christus voorstellende, omringd door
heiligen uit den Elzas. In de iets lager gelegen zijnissen--even als
de middelste nis bekroond door kunstig gesneden bloemen en spitsen
en naalden, door al den weelderigen rijkdom der gothiek,--ziet men
tafreelen uit het leven van Sint-Maarten den patroon der kerk, en van
Sint-Arbogast, den patroon van het bisdom. In de groep ter linkerhand
is Sint-Arbogast voorgesteld, door zijn gebed het leven terug gevende
aan Siegbert, den zoon van koning Dagobert. De rechter groep verbeeldt
Sint-Maarten, met zijn zwaard zijn mantel doorsnijdende om daarmede
een naakten bedelaar te kleeden.--De personen in de middelste
nis rondom den Heiland gegroepeerd, verbeelden Sint-Fidelius van
Sigmaringen, eerst advokaat te Colmar, vervolgens Kapucijner-monnik
en martelaar; Sint-Firminus, bisschop, stichter van de abdij van
Murbach, met het model zijner abdijkerk in de hand; Sinte-Odilia,
de maagd van Hohenburg, in knielende houding, in het gewaad eener
non, het geopende boek in de hand, waarin twee oogen zijn afgebeeld,
ter herinnering aan het wonder, waardoor zij het gezicht herkreeg;
Sinte-Richardis, echtgenoote van Keizer Karel den Dikke, met een
hermelijnen mantel bekleed en haar kroon nederleggende voor de voeten
van den Zaligmaker; Sint-Maternus, de eerste apostel van den Elzas,
die eene kerk met drie torens in de hand houdt, ten teeken van de drie
door hem gestichte bisdommen; Sint-Morand, de apostel van de Sundgau,
met een wingerdrank in de hand, ter herinnering aan de legende, volgens
welke hij den wijnstok in den Elzas zou hebben ingevoerd; Sinte-Huna,
de godvruchtige edelvrouwe van Hunaweier, in aanbidding neergebogen;
eindelijk Sint-Leo IX, de groote Paus; tegenover Sinte-Richardis
neergeknield, biedt hij den Heiland het wapenschild van Colmar aan,
als om 's Heeren zegen af te smeeken over de stad, in wier nabijheid
de doorluchtige opperpriester geboren werd.--Geheel uit hout gesneden,
in de stijl der veertiende eeuw, heeft het hoogaltaar van Sint-Maarten
eene hoogte van zestien el, en mag met volle recht, om den rijkdom
en de onberispelijke bewerking der ornementen, om het diepe, fijne
gevoel dat uit alle beelden en groepen spreekt, onder de kunstwerken
een hoogen rang innemen; zeer zeker is het het beste van dien aard,
dat wij in het geheele land bezitten.
Alvorens wij een blik werpen op het verleden van Colmar, willen
wij den toren van de Sint-Maarten beklimmen om van daar de stad te
overzien.--Een aardig gezicht, niet waar, waarvoor ge u wel de moeite
wilt getroosten om de tweehonderd-drie-en-veertig treden te beklimmen
van de wenteltrap, die naar den omgang van den toren leidt. Volgens
eene plaatselijke traditie, zou die omgang een vereenigingspunt zijn
geweest van de tooverheksen: vandaar de naam van Hexenplatz, waaronder
dit plat nog heden bekend is. Ter wille van de gewone stervelingen,
die aan duizeligheid onderhevig kunnen zijn, heeft men in het jaar 1766
dit torenplat van een steenen balustrade voorzien. De hoogte van het
plat bedraagt niet meer dan acht-en-veertig el boven het kerkplein:
juist voldoende om in het rond, in het oude Colmar, de voornaamste
gebouwen te herkennen, aangewezen op den plattegrond van Merian uit
het jaar 1643. Het meer verwijderde uitzicht is ook wel de moeite
waard. Aan de eene zijde overzien wij de geheele keten der Vogesen,
aan de andere de berggroep van den Kayserstuhl, en tusschen die beiden
de vlakte van de Ill en van den Rijn; de twee rivieren zelven zien
wij niet: zij duiken weg in het groen; de bergen van het Scharzwald,
doorgaans zeer duidelijk zichtbaar, zijn nu op het heete middaguur,
in een trillenden nevel gehuld. Er is geen wolkje aan den hemel: de
brandende Junizon straalt in volle kracht en stooft de bloeiende aarde,
die in vollen zomerdos prijkt. Hoe vol en rijk zijn de boomgroepen
van het Marsfeld, en de moestuinen van de Aue, in het vochtige dal
van de Lauch! Achter de tuinen beginnen de bosschen, begrensd door
steenachtige terreinen, die voor bebouwing ongeschikt zijn. De akkers,
in de vlakte van de Ill, zoo bij uitnemendheid vruchtbaar, zijn thans
bedekt met blonde halmen, afgewisseld door wijngaarden, overal waar
de nachtvorsten in de lente zich niet al te streng doen gevoelen. Aan
den voet der heuvelen beginnen de wijnstokken over de geheele lengte
der vallei van de Fecht, achter de Logelbach, waarvan de uitgestrekte
fabriekgebouwen als het ware eene voorstad van Colmar vormen. En welk
een prachtige omlijsting vormen de Vogesen, zoo schoon en bevallig
met hunne fraai geteekende, schilderachtig afgeronde hellingen, niet
te steil en niet te flauw, geheel met bosch bekleed tot aan de groene
weiden in de hoogte; met hunne stout gevormde toppen, hier en daar
oprijzende en den blik tot zich trekkende. De Letzenberg met zijne
witte kapel, de ruïnen van den Hohenlandsburg, de drie torens van
Egisheim, de bedevaartskapel der Drei Aehren, het kasteel Hageneck
met de scherp geteekende zigzags van den nieuwen weg:--ze zijn allen
duidelijk zichtbaar. Voorts overal, waarheen wij den blik ook wenden,
volkrijke dorpen en vlekken met hunne torens, ver en nabij, sommigen
opdoemende aan den gezichteinder, tusschen den Rijn en de bergen, van
Schlettstadt tot Rufach en nog verder. In waarheid, mijne vrienden,
de Elzas is een mooi land.
Het doet er dan ook weinig toe, dat op het bovenstuk van den toren
van Colmar gegronde aanmerkingen te maken zijn. De torenwachter,
die hier woont, en die de klok moet luiden, zoodra er in de stad of
in den onmiddellijken omtrek brand uitbarst, is tevreden met zijne
hooge positie. Niet zonder kennelijk welbehagen noemt hij ons de
namen van alle dorpen en vlekken in het ronde, benevens die van de
bergen en rivieren. Met de zekerheid van iemand die er alles van weet,
zal hij u uitleggen dat de voorgevel van zijne kerk minder kaal en
rijker versierd zou zijn, indien de bouwmeesters over meer geld hadden
kunnen beschikken. De aan zijne zorg toevertrouwde klokken zijn meest
allen uit het jaar na den brand, en voeren als wapenteeken den ouden
tweehoofdigen adelaar van het heilige Roomsche rijk. Met een dezer
klokken moest, van Allerheiligen tot Sint-Mathias, elken avond van
zeven tot acht uren worden geluid: en dat wel krachtens eene keure van
de magistraat, houdende bevel dat geen enkel herbergier of koekbakker
zijne klanten na dat uur mocht houden, met bedreiging van ernstige
straf en schande. Dat in den goeden ouden tijd aan deze keur van de
zorgzame burgervaderen stipt de hand werd gehouden, zou ik niet durven
verzekeren. De statuten van de Waagkeller-vereeniging, opgericht,
"om te drinken, te eten en zich onderling te vermaken", geven wel
grond voor het vermoeden, dat ook vroeger, evenals tegenwoordig,
de policieverordeningen uitzonderingen toelieten.
Elk gebouw van het oude Colmar, de burgerhuizen daaronder begrepen,
is als het ware een levende getuige van het verleden der stad,
eene leesbare bladzijde uit haar geschiedboek. Een aantal huizen
dagteekenen uit de middeleeuwen, toen het poorterschap van de
oude vrije stad verbonden was aan den eigendom van eene woning aan
's heeren straat. Daartoe behoort onder anderen het gothische huis
op het plein, tegenover het Sint-Nikolaas portaal van de parochiale
kerk, door den passementwerker Adolph met groote kennis en keurigen
smaak gerestaureerd.--Daarnaast prijkt het commissariaat van policie
met een fraai uitstekend balkon, een zoogenaamden erker, boven een
portaal met het jaartal 1597. De duitsche renaissance heeft niets
volmaakters in zijne soort geschapen dan dit balkon. Op dat balkon
legden de heeren der stedelijke regeering en de groot-baljuw van
den Elzas, tegenover de burgerij, den eed af, dat zij de stad bij
hare vrijheden en privilegiën zouden handhaven. Vroeger stond op de
plaats van dit gebouw eene aan Sint-Jacobus gewijde kapel, waarvan
de krypt, die tot knekelhuis diende, nog bestaat. Rechts, onder den
grooten boog die toegang geeft naar de Schädelgasse, werd door den
provoost recht gesproken. De koetspoort, bij dien boog, vormde den
ingang naar de herberg van de schoenmakers, waar de dichter George
Wickram zijne zangerschool stichtte, van waar het handschrift der
Minnesinger en Meistersinger, dat op de koninklijke bibliotheek te
Munchen bewaard wordt, afkomstig is. Alle ambachtsgilden hadden zulk
eene eigene herberg of plaats van bijeenkomst, die aan een bijzonder
uithangteeken kenbaar was; even als de godsdienstige corporatiën, die
van buiten daaronder begrepen, haar hof of huis in de stad hadden,
waar de tienden en de opbrengsten der landerijen werden geborgen
en waar haar rentmeester woonde. Die huizen onderscheidden zich
doorgaans door bijzonder fraai beeldwerk: zoo als bij voorbeeld het
Huis met de hoofden, weleer de herberg voor de gasten en bezoekers
van het Dominikanerklooster.
Colmar draagt er roem op, ten tijde van het heilige Roomsche rijk
eene vrije stad te zijn geweest, met eene eigene zelfstandige
regeering. Haar oorsprong hangt samen met eene hoeve, die tot het
domein der eerste frankische koningen behoorde; maar de ontdekking van
steenen, potten en andere voorwerpen uit den romeinschen tijd levert
het bewijs, dat hier reeds vroeger een centrum van bevolking was. Voor
zoo veel wij weten, komt de naam der plaats het eerst voor in 823,
in een giftbrief van Lodewijk den Vrome aan de abdij van Munster,
gedagteekend _ad fiscum nostrum nomine Columbarium_. Hadden wij over
meer tijd en ruimte te beschikken, dan zouden wij ons verdiepen in de
vraag, of deze naam Columbaria een latijnsche vorm is van het duitsche
Kohlmarkt, dan wel of hij eenvoudig is afgeleid van de duiventil, die
bij elke hoeve behoorde. De monnik van Sint-Gallen verhaalt in zijne
kroniek van den tijd van Karel den Groote, dat de machtige Keizer,
in een zijner oorlogen tegen de Saksers, de bijzondere dapperheid
opmerkte van twee jonge soldaten, en bij navraag van hen vernam dat
zij bastaarden waren, afkomstig uit het vrouwenhuis van Columbra. Men
heeft daaruit afgeleid, dat tot de koninklijke hoeve van Columbarium
ook een vrouwenhuis behoorde: dat wil zeggen, een lokaal waar de
vrouwen arbeidden, die de wol en het linnen sponnen en weefden en de
kleederen vervaardigden voor de lieden van het hofgezin. In 884 hield
Keizer Karel de Dikke hier, omstreeks het feest van Maria-Zuivering,
een algemeene vergadering van den adel en de geestelijkheid zijner
staten, een soort van rijksdag, om te beraadslagen over de maatregelen
tegen de invallen der Noormannen. Volgens onze geschiedschrijvers
bevatte het koninklijk domein, de bakermat der toekomstige stad,
twee hoeven, het Oberhof en het Niederhof. In 1160 werd de hoeve
of de villa, zoo als zij in de jaarboeken van de abdij van Munster
genoemd wordt, door brand vernield.
Deze brand mocht veeleer eene weldaad dan een ramp heeten. Niet
alleen herrees de villa uit haar puin, maar reeds eene eeuw later had
zij zoodanige beteekenis verworven, dat zij tot den rang van stad
werd verheven en met een muur omgord. De vrije boeren, eigenaars
of pachters van de verstrooide hoeven, waaruit Colmar toen bestond,
en de werklieden--vrijgelatenen of vluchtelingen--die zich bij hen
gevoegd hadden, gevoelden weldra de behoefte om hunne personen, hunne
bezittingen en hunne vrijheid te kunnen verdedigen tegen de aanvallen
der adellijke heeren uit den omtrek. Daartoe was het noodig, de stad
met stevige muren te omringen, die haar beveiligden tegen verrassing
en overrompeling. De landvoogd Wölfelin gaf dus, in 1214, vergunning,
de stad met muren en wallen te versterken. De ommuurde ruimte omvatte
in de dertiende eeuw niet meer dan de zuidelijke en oostelijke wijken
van de tegenwoordige stad, en toch was het er nog verre van af, dat
deze ruimte geheel zou bebouwd zijn. De sedert gevolgde stichting
van de kommanderij van Sint-Jan en van een paar kloosters bewijst,
dat er nog genoeg onbezette terreinen binnen de muren te vinden waren.
Bij een octrooi van 1226, door keizer Frederik II tot den rang eener
vrije, keizerlijke rijksstad verheven, koos Colmar met warmte de
partij van dien monarch in zijne geduchte worsteling met de Curie. De
vrij verklaarde gemeente bleef met zoo trouwe gehechtheid aan haar
weldoener verknocht, dat zij zelfs de partij koos van een avonturier,
die zich, na 's keizers dood, voor Frederik II wilde doen doorgaan,
hetgeen der poorterij op eene zware boete te staan kwam ten behoeve
van den levenden keizer, Rudolf van Habsburg. In dien tusschentijd
had de bisschop van Bazel een kapittel ingesteld, om met den pastoor
de goederen der Sint-Maartenskerk te beheeren. Aan het hoofd van dit
kapittel, dat door twee bullen van Paus Gregorius IX, in Juni 1234,
bevestigd werd, stond de domproost, die door de kanunniken werd
verkozen, maar de investituur van den abt van Munster ontving. Een
deken, door den abt benoemd, nam de dienst van pastoor waar; terwijl
een der andere kanunniken met de leiding van het koor was belast. De
kanunniken, die door het kapittel verkozen werden, waren niet aan het
gezag van de poorterij onderworpen. Zij ontvingen zekere uitdeelingen
in natura, onder voorwaarde dat zij te Colmar wonen zouden, maar met
de bevoegdheid om elders de lessen aan eene universiteit te volgen,
zonder daardoor de inkomsten van hunne prebende te verliezen. Bij
giftbrief van 15 December 1283 schonk een der kanunniken, meester
Jacob, die jaren lang gratis het ambt van scholaster had vervuld,
veertig pond, waarbij het kapittel nog tien pond voegde: van welk
kapitaal de jaarlijksche rente, ten bedrage van vijf pond, moest dienen
om den scholaster te bezoldigen. Ook hier, als schier overal elders,
was de school eene stichting der kerk en wies onder hare hoede op. Het
zegel van een der scholasters van Sint-Maarten stelt den eerwaarden
leeraar voor, gezeten voor zijn lessenaar en een schrijver verklarende,
terwijl de leerlingen rondom hem op den grond zitten en met ingespannen
aandacht luisteren.--In dien zelfden tijd was een aanvang gemaakt met
den bouw der collegiale kerk, maar de voortgang van dien arbeid werd
belemmerd door innerlijke verdeeldheid en burgertwist. Er waren toen
twee partijen in de stad: de eene hield de zijde van den bisschop van
Straatsburg, de andere stond voor den keizer en het rijk. Deze laatste
partij werd aangevoerd door den provoost Johan Rösselmann, den zoon
van een gewoon werkman uit Turckheim, die, ten koste van zijn leven,
Colmar in handen leverde van Rudolf van Habsburg, geruimen tijd voor
deze den keizerlijken troon beklommen had. Na zijne verkiezing tot
Roomsch koning schonk het hoofd der dynastie van Habsburg, te Weenen,
den 29 December 1278, aan de burgers van Colmar eene stedelijke keur,
die de grondslag werd van hun recht en later tot regel diende ook
voor andere steden. De keizer verbond zich daarbij, niemand dan een
poorter van Colmar tot provoost of schout te benoemen; deze schout
zou de bevoegdheid hebben om het burgerrecht te verleenen aan wien
hij wilde, zelfs aan hoorigen, die, wanneer hun heer hen niet binnen
het jaar opvorderde, niet meer van hun recht konden worden ontzet. De
burgers mochten leenen bezitten; de edelen werden vrijgesteld van
gewone belastingen, op grond van hunne bijzondere persoonlijke
verplichtingen jegens het rijk.
Weldra vinden wij, naast den schout, die door den keizer werd
benoemd en als diens vertegenwoordiger gold, melding gemaakt van den
burgemeester en de vertegenwoordigers der gilden. Naar het schijnt,
was de burgemeester aanvankelijk niet anders dan een afgevaardigde van
de gilden, dat is van de burgerij, bij het stedelijk bestuur. Door de
burgers als hun hoofd erkend, hoogst waarschijnlijk rechtstreeks door
hen gekozen, en geroepen om een tegenwicht te vormen tegenover het
gezag van den keizerlijken schout, kon het niet anders of het gezag
en de invloed van dezen magistraatspersoon moest zich gaandeweg
uitbreiden. Onder den invloed der gilden won de demokratische
geest steeds in kracht; en langzamerhand, met en zonder schokken en
botsingen, ging ook hier het gezag en de leiding der zaken uit de
handen van den schout over in die van den stedelijken raad, waarvan
de burgemeester voorzitter was. Zoo als wij zagen, was reeds bij het
octrooi van 1278 bepaald, dat de waardigheid van schout uitsluitend
aan een poorter van Colmar kon worden opgedragen. Dat was een eerste
stap; later kocht de stad van den keizer het recht der benoeming, en
nu werd het schoutambt eenvoudig eene stedelijke betrekking, en de
schout, in plaats van een keizerlijk, een stedelijk ambtenaar. Van
toen af was de burgerij in het volle bezit der macht; maar daarmede
was in geenen deele aan de stad het genot van rust en vrede verzekerd:
evenals in bijna alle andere stedelijke republieken der middeleeuwen,
waren ook te Colmar twisten en partijschappen aan de orde van den dag.
De gilden namen, door hare hoofdmannen, rechtsstreeks aandeel aan de
regeering; het getal dier gilden, die de gansche burgerij omvatten,
was aanvankelijk twintig, later tien; daarnevens vormden de adellijke
familiën, wier aantal omstreeks dertig bedroeg, twee curiën. De eerste,
die op de lijst der burgemeesters voorkomt, is Walther von Sleztat,
die in 1296 _magister burgensium_ was.--Uit een vonnis, des vrijdags
na Sint-Nicolaas van het jaar 1323 gewezen, in een proces van de
nonnen van Unterlinden tegen de edelen van Nortgasse, leeren wij de
inrichting der rechtspleging kennen. In eerste instantie werd recht
gesproken door de schepenbank, onder voorzitting van een afgevaardigde
van den keizerrijken schout; van de uitspraken van deze rechtbank
was beroep op den stedelijken raad, die in hoogste ressort vonnis
velde. Natuurlijk was de stedelijke raad, behalve met de hoogste
rechterlijke macht, ook met wetgevende macht bekleed en berustte de
regeering der stad in zijne handen.
Na de inlijving bij Frankrijk, ging natuurlijk de zelfstandigheid en
autonomie der oude vrije rijksstad verloren. De stedelijke regeering
van Colmar werd ondergeschikt aan het gezag van den koninklijken raad,
die binnen zijne muren zetelde. Een _préteur_, door den koning benoemd,
verving de plaats van den ouden keizerlijken schout: de stedelijke
regenten werden onafzetbaar verklaard en ontleenden dus hun mandaat
niet langer aan de keuze der burgerij. Dit bleef zoo tot de omwenteling
uitbrak, die de bestaande instellingen vernielde en der maatschappij
een ander aanzien gaf.