Colmar is eene open stad, met eene schilderachtige, schoone ligging,
halverwege tusschen Basel en Straatsburg, aan de oevers van de Ill,
en met een mooi uitzicht op de Vogesen. Om haar oude monumenten,
haar historische herinneringen, haar fraaie wandelingen, verdient
zij wel dat de reiziger hier ophoude, waar ik hem durf verzekeren
dat hij eenige aangename dagen slijten kan. In de vorige eeuw
had het hoogste regeeringscollege van den Elzas hier zijn zetel,
en ook na de inlijving bij het Duitsche rijk heeft Colmar het
hooggerechtshof van het nieuwe rijksland behouden. Met haar bevolking
van zes-en-twintigduizend-tweehonderd inwoners, waaronder een aantal
magistraatspersonen en rechterlijke ambtenaren, is Colmar juist zulk
een rustig, kalm, gezellig stedeke, als men zich ten verblijve zou
kunnen wenschen. Een deel der bevolking leeft van den landbouw; de
meer rumoerige fabriekarbeiders wonen bijna allen in de voorsteden en
langs het kanaal van Logelbach: de stad zelve bleef tot dusver van de
plaag der fabrieken verschoond. Haar ligging aan het spoorwegnet, die
haar in rechtstreeksche verbinding brengt met Zwitserland en Frankrijk
en ook met het Schwarzwald, aan de overzijde van den Rijn, heeft op
de ontwikkeling van haar handel en nijverheid zeer gunstig gewerkt.
Maar deze ontwikkeling heeft ook tengevolge gehad, dat Colmar zich
beklemd begon te gevoelen in haar gordel van oude muren, en dat zij
dien muur stuk voor stuk is gaan afbreken, om zich ruimte te maken
en versche lucht te scheppen. Gaandeweg ondergaat de stad eene
herschepping. In plaats van de drie oude poorten, waarop weleer
de wegen naar Basel, Breisach en Rufach uitliepen, ziet ge overal
nieuwe straten, die u naar buiten voeren. De huizen, waarvan de
bovenverdiepingen soms zoo schilderachtig in de straat plachten uit
te steken, trekken zich terug en zwichten voor de onverbiddelijke
rooilijn. De sloopingskoorts dreigt ook de overgebleven gedeelte van de
oude wallen, zonder eenige noodzaak, omver te halen; zelfs de boomen
dier wallen loopen ernstig gevaar. De verfoeilijke speculatiewoede,
voor wie niets heilig of eerbiedwaardig is, die zelfs met euvele hand
in schandelijken overmoed Rome vernielt en schendt, is ook tot hier
doorgedrongen. Men zegt, dat al deze veranderingen en verbouwingen
in het belang der hygiëne zijn: de hygiëne speelt in deze onze dagen
eene zeer gewichtige rol en in haren naam worden vele onzinnigheden,
vele gruwelen zelfs gepleegd; ik weet niet, of zij ook inderdaad bij
deze gedaanteverwisseling van Colmar is betrokken. Maar zooveel is
ontwijfelbaar zeker, dat het pittoreske, dat de esthetica er zeer
onder lijdt. Als de laatste gracht zal zijn gedempt met het puin van
den laatsten muur; als alle toegangen naar de stad in breede, vlakke,
rechte wegen zullen zijn herschapen; als alle huizen zooveel mogelijk
naar hetzelfde model zullen zijn gebouwd en alle straten met de liniaal
getrokken:--dan zal Colmar misschien, onder sommige opzichten, iets
gewonnen hebben en beantwoorden aan de eischen eener moderne stad,
maar dan zal het ook even eentonig, even karakterloos zijn, dan zal het
alle oorspronkelijkheid, alle individualiteit hebben ingeboet, volmaakt
onbeduidend zijn, plat, vulgair en vervelend in de hoogste mate.
Maar--wat de toekomst moge brengen--thans is het, Goddank! nog zoover
niet. Laat ons hopen, dat eene verstandige regeering een middel zal
weten te vinden om aan de eischen en behoeften van den nieuwen tijd
te voldoen, zonder te kort te komen in den eerbied, aan de monumenten
van vroeger eeuw verschuldigd. Ondanks de pogingen van haar sloopers
en verwoesters, biedt de goede stad Colmar nog genoeg merkwaardigs,
om een belangstellend bezoeker te boeien. Wie met den spoorweg of langs
den weg van Logelbach in de stad komt, wordt aanstonds getroffen door
de prachtige boomgroepen, perken en standbeelden van het zoogenoemde
Marsfeld, dat vroeger een deel uitmaakte van den stadswal en zijn
krijgshaftigen naam ontleent aan de omstandigheid dat hier vroeger
de militairen exerceerden. Op het midden van het plein prijkt het
standbeeld van generaal Rapp. Een ander standbeeld, dat van admiraal
Bruat, verrijst midden in de groote allée, die van het plein naar het
Gouvernementshuis voert, een statig indrukwekkend gebouw, dat menig
vorstelijk paleis in de schaduw stelt. In de Meimaand verspreiden de
oude linden van het Marsfeld een verkwikkelijken lommer en vermengen
den zoeten geur van hun bloesems met het doordringend parfum der
bloeiende jasmijnen. Hoe vele uren heb ik, als gymnasiast, daar
met mijne kameraden van buiten doorgebracht, aan den voet van het
standbeeld van Bruat allerlei plannen besprekende van verre reizen,
aan gene zijde van den oceaan. Wij kwamen daar samen op het etensuur,
en gaven er ons middagmaal aan, tevreden met een stuk droog brood,
waardoor wij vier stuivers uitspaarden: welke stuivers dan werden
gebruikt voor het aankoopen van reisverhalen.
Iederen morgen en iederen avond gingen wij te voet van Colmar naar
Turckheim, met onzen tasch op den rug, onverschillig voor koude of
warmte, regen of zonneschijn. Waar zijn die vroolijke gelukkige dagen,
zoo vol zoete illusiën, gebleven!
Aan het Marsfeld grenzen de met linden en kastanjes beplante wallen,
die de stad omringen en door den muur worden omzoomd. Feitelijk vindt
men die boomen nog slechts tusschen de Rufacher- en de Baselerpoort,
of, om juister te spreken, tusschen de plaatsen waar die poorten
hebben gestaan. Want alle oude poorten zijn verdwenen. Vroeger waren
die poorten groote, zware, vierkante torens, gelijk aan die, welke
nog te Turckheim in stand zijn gebleven. Bij de uitlegging van den
muur werden die oude poorten afgebroken; in het begin van deze eeuw
werden zij vervangen door ijzeren hekken, waarvan het laatste thans
terecht is gekomen voor den ingang van het ziekenhuis. Aan alle
kanten breidt de stad zich tegenwoordig buiten de oude wallen uit;
het nieuwe aristokratische kwartier, met zijn door tuinen omgeven
villa's, ligt achter, het Gouvernementsgebouw, langs den weg naar
Rufach. De oude muur, die in 1682 werd gebouwd, ter vervanging van
de in 1673 gesloopte vestingwerken, is nog hier en daar staande
gebleven, met name langs de Lauch; en die oude vervallen brokken
maken een zeer schilderachtig effekt. Aardig en karakteristiek bij
uitnemendheid is het gezicht, waar de Lauch--eene beek, die in de Ill
uitloopt--de stad binnentreedt en bij de Vischmarkt een der takken
van het kanaal van Logelbach ontmoet. Gij zoudt u bijna in Venetië
verplaatst kunnen wanen: de huizen met hunne hooge spitse daken
rijzen rechtstreeks uit het water op, afgewisseld door kleine smalle
tuintjes, waar de vruchtboomen buigen onder den overvloedigen oogst en
de wingerd zijne ranken uitspreidt langs de grauwe muren. Hoog geladen
groenteschuiten glijden langzaam door het water; onder het boomen
wisselen de schuitevoerders een groet met de vrouwen en meisjes, die
langs den kant haar goed spoelen. Het water ziet er uit als chocolade
en schijnt, ondanks den snellen stroom, dik en drabbig.
De voornaamste straten van Colmar, breed genoeg voor de behoeften
van het verkeer, volgen evenwel niet de rechte lijn, althans niet
voor langen tijd. Een van de aardigste stadgezichten biedt de
Lange-Gasse, van de protestantsche kerk tot het Hof van appèl. Een
aantal oude huizen prijken hier nog met hunne torentjes en erkers. Na
de openbare gebouwen en monumenten, zooals de Sint-Maartenskerk,
het voormalige klooster Unterlinden, de Korenhal, het Kaufhaus, het
Gouvernementsgebouw, wijden de vreemdelingen, meer dan de inwoners
zelven, hunne aandacht aan deze oude huizen. Daaronder verdient in
de eerste plaats vermelding het zoogenoemde Kopfhaus (Huis met de
hoofden), met zijn puntgevel en zijn hoektorentje van gehouwen steen,
met grijnzende koppen versierd; voorts het huis Pfister, dat met
zijn uitstekenden traptoren, zijn erker, zijn houten balkon, zijn
onlangs gerestaureerde freskoos, met recht de parel der burgerhuizen
van het oude Colmar mag worden genoemd. De Schädelgasse, waarin dit
huis uitkomt, smal, ter wederzijde omzoomd door huizen, waarvan de
bovenverdiepingen uitspringen, was, naar men zegt, in de middeleeuwen
de hoofdstraat der stad. Aan het einde der straat, naar den kant van de
Lange-Gasse, ziet men nog een ander oud huis met een zwaren hoektoren,
en in het voorportaal een opschrift in oud-duitsch, vermeldende dat
dit huis, tot straf voor een oproer, moest worden gesloopt.
"In het jaar toen men schreef na Gods geboorte
dertienhonderd-acht-en-vijftig, des maandags na Sinte-Agnietedag,
was de doorluchtige vorst, hertog Rudolf van Oostenrijk, stadhouder
des rijks in den geheelen Elzas, en sprak vonnis ter zake van het
oproer tegen den landvoogd, den burgemeester en den raad van Colmar,
en beval deswege dat dit huis zou worden gebroken en nimmermeer
opgebouwd worden, tot eene eeuwige gedachtenis."
In spijt van 's hertogs vonnis, werd het toch weder opgebouwd; en
als ten spot van zulke beslissingen voor de eeuwigheid, heeft men
de vorstelijke uitspraak in steen gebeiteld en in den muur geplaatst
van het huis zelf, waarvan hij de oprichting verboden had! Een aantal
andere huizen prijken, behalve met beeldwerken en versieringen boven de
deur, met vrome spreuken en opschriften, getuigen van den degelijken,
godsdienstigen zin der voorgeslachten. Meestal beveelt de eigenaar
zijne woning aan de hoede van God: _Deus dedit incrementum_, zegt een
dezer opschriften; _Deus quoque custodiet_. Elders geldt het zoowel
het huis als het gezin: _Accrescat domui res simul et decus_! "Moge
dit huis groeien in kracht en in eere!" Juist, zoo behoort het. Eer
zonder kracht of welvaart is eene halve zegen; welvaart zonder eer is,
en was toen eene schande. Daarom _res et decus_: voorspoed en eere. Een
ander huis richt zich tot de voorbijgangers: "Gij bewondert, zoo luidt
het opschrift, mij en degenen, die mij gemaakt hebben: doe meer voor
mij dan zij hebben kunnen doen: bid God dat hij mij beware."--De bede
is tot hiertoe verhoord. Hoe vele huizen, niet minder rijk aan beeld-
en schilderwerken en opschriften, zijn sedert gevallen onder den hamer
der sloopers! Het tegenwoordige geslacht, naar eigen smaak en op eigene
wijze willende wonen, haalt de woningen van het voorgeslacht omver,
om ze te vervangen door anderen, die gemakkelijker en doelmatiger
zijn ingericht, die warmer en beter verlicht zijn. Die meerdere
gemakken zijn niet te versmaden; maar in vele gevallen zouden zij
ook in de bestaande oude huizen zijn aan te brengen, die althans
dit ééne hebben wat de nieuwerwetsche woningen ten eenemale missen,
namelijk karakter en stijl.
Wie zich op een mooien avond, als de maan haar fantastisch schijnsel
over de stad werpt en licht en schaduw zoo tooverachtig verdeelt, op
den hoek plaatst van de oude Schädelgasse, tegenover de Groenmarkt,
tusschen het Kaufhaus en het gebouw van het Hof van appèl, die kan zich
gemakkelijk verbeelden eenige eeuwen terug te zijn gegaan. Voor zich
ziet hij een huis met een puntgevel in renaissancestijl, versierd
met gegroefde pilasters; en links daarnaast verrijst, met hare
zware steenen leuning en haar koepelvormig dak, de buitentrap van
het Kaufhaus, waarvan de smaakvolle balustrade zich tegen den hemel
afteekent. Op de Groenmarkt zelve, ter rechterhand, beurt het Edelhof
zijn hoogen trapgevel ten hemel, waarvan elke trede met een pinnakel
is versierd. Links stuit de blik tegen den gelijksoortigen gevel van
het huis met den zuilengang, waarvan de slanke achtkantige torentjes,
met hun arabesken en spitse daken, door hun bevalligen vorm en schoone
evenredigheden zoo te recht de bewondering opwekken.--Het Kaufhaus, dat
vier eeuwen oud is, is meermalen in den loop der tijden van bestemming
veranderd. In 1480 gebouwd, diende het aanvankelijk als entrepôt
voor de wijnen, het graan en de verschillende koopwaren, waarvan de
stad Colmar, krachtens octrooi van de Keizers Lodewijk van Beieren
en Karel IV, belasting mocht heffen. Later vestigde de magistraat er
zijn zetel; de tegenwoordige gymnastiekzaal in de benedenverdieping
werd toen als folterkamer gebruikt; de bovenverdieping dient thans
voor de vergaderingen van de Kamer van koophandel.
De voormalige groentenmarkt, die weleer op het plein voor het Kaufhaus
gehouden werd, is thans overgebracht naar eene overdekte markt, waar
wij de fontein van den Wijnboer gaan bewonderen, die wel de aandacht
verdient. Het voornaamste sieraad van die fontein is het beeld
van een jongen wijnboer of arbeider, uitrustende van zijn werk. De
warmte heeft hem zijne kleederen voor het grootste deel doen afwerpen;
met zijne krachtige armen tilt hij een kleinen emmer omhoog, die bij
de wijnboeren in den Elzas in gebruik is. Naast hem zit zijn trouwe
metgezel, zijn hond. Dit fraai bewerkte bronzen beeld, een geschenk
van de fransche regeering, is het werk van den heer Auguste Bartholdi,
van Colmar geboortig, die ook de monumenten voor generaal Rapp en
admiraal Bruat vervaardigd heeft. Dit laatste standbeeld, insgelijks
van brons, versiert mede eene fontein; toen het in 1863 te Parijs
werd tentoongesteld, droeg het de algemeene goedkeuring weg. In de
lommerrijke lindenlaan, waarin het nu is geplaatst,--die laan waar
ik mijne eerste lessen in de aardrijkskunde leerde;--staat het beeld
van den admiraal in fiere rustige houding op een prachtig zandsteenen
voetstuk, uitmuntende door zijne smaakvolle proportiën en door de
vier groote allegorische figuren, vier werelddeelen voorstellende.
Rapp en Bruat zijn beiden van Colmar geboortig, even als Pfeffel
en Schöngauer, wier gedenkteekenen wij in het museum Unterlinden
zullen zien. Rapp, tijdens het eerste keizerrijk opperbevelhebber
van het Rijnleger, sedert pair van Frankrijk, bekend door zijne
heldhaftige verdediging van Dantzig, aanschouwde op den 21sten April
1771 het levenslicht in het Kaufhaus, waarvan zijn vader portier
was. Op zestienjarigen leeftijd als vrijwilliger bij een regiment
kavalerie in dienst getreden, nam hij een werkzaam aandeel aan de
eerste veldtochten van Napoleon, die hem na den slag bij Marengo tot
zijn adjudant benoemde. Geen andere generaal van het keizerrijk kan in
persoonlijken moed en vooral in onafhankelijkheid van karakter met hem
op eene lijn worden gesteld. Hij vervulde verschillende belangrijke
zendingen en ontving op het slagveld twee-en-twintig wonden.--De
admiraal Bruat, die jonger was dan generaal Kapp, trad in 1811 in
dienst; hij stierf als opperbevelhebber van de fransche vloot in het
Oosten, na de inneming van Sebastopol. Zijne onverschrokkenheid en
vermetele moed verzekeren hem voor immer eene schitterende plaats in
de geschiedboeken der fransche marine. Hij nam deel aan den slag van
Navarino en vertoonde de fransche vlag zoowel in de Levant als in de
Antilles en in de Stille-zee; aan hem dankt Frankrijk het protektoraat
over, dat wil zeggen het bezit van de Taïti- of Sandwich eilanden; hij
bestuurde de met zoo schitterenden uitslag bekroonde expedities in de
zee van Azof, gedurende den Krim-oorlog. Even als Rapp onderscheidde
ook admiraal Bruat zich als diplomaat en bekwaam administrateur.