XII

De Weiss uit de vallei van Orbey ontmoet de Fecht bij de bosschen

van het Niederwald, niet ver van het station Bennweier. Bij de

groote brug van Ingersheim is de bedding van de Fecht in den zomer

dikwijls droog; maar wat lager, te midden der bosschen en weiden,

herleeft het rivierke weer. Als de bedding droog is, levert zij een

treurigen aanblik op. Dorre kiezelbanken wijzen den loop des waters

aan, en bereiken somwijlen eene lengte van ettelijke honderden

ellen. Hoogstens baant zich een dunne waterstraal al kronkelend

een moeizamen weg door de banken van kiezelsteen, die hier en daar

bijna de hoogte der oevers bereiken. Het is alsof ge eene of andere

wadi in de Sahara voor u zaagt, ver van bewoonde streken, aan zich

zelve overgelaten. En inderdaad is de Fecht, na haar doorgang onder

de fraaie steenen brug van Ingersheim, aan zich zelve overgelaten,

want anders zou zij zoo niet, geheel naar willekeur, toomeloos en

tuchteloos rondzwerven, groote uitgestrektheden gronds bedervende, die

uitmuntend weiland konden opleveren, en wier verwaarloosde toestand nu

een verwijt is voor eene zoo hoog ontwikkelde, nijvere bevolking. Wie

deze landstreek voor de eerste maal ziet, moet aanstonds begrijpen,

hoe dringend noodzakelijk het is, het werk der rivierverbetering in

den Elzas ter hand te nemen en krachtig door te zetten.

Toen wij eene beschrijving gaven van de reservoirs van het

Zwarte- en van het Witte-meer, hebben wij ook gesproken van een

plan tot regularisatie van de Ill en de tot haar gebied behoorende

wateren. Dit plan is thans in uitvoering; dientengevolge zullen al onze

bergstroomen, zoo onregelmatig in hun loop, nu eens droog, dan weer

verwoestend buiten hun oevers tredende, moeten worden geregulariseerd

en binnen eene vaste en regelmatige bedding besloten. De regularisatie

heeft reeds plaats gehad voor een belangrijk gedeelte van de Ill,

tusschen Horburg en Meyenheim, en zal nu nog voortgezet moeten worden

voor al de wateren en beken, die in deze rivier uitloopen. Op de

Fecht missen de tot dusver aangelegde werken te zeer verband en

samenhang om elkander van dienst te kunnen zijn. Van daar dat men

voortdurend gedwongen is, de dijken beneden Ingersheim te herstellen,

die telkens bezwijken, als ten gevolge van hevige en aanhoudende

regens, de sneeuw plotseling smelt. Het water wast dan met zoo

verbazende snelheid, dat ik zelf meer dan eens heb gezien, hoe,

in den loop van weinige uren, de zwakke, kalme waterstraal, die

nauwelijks eenige liters kan opleveren, aanzwelt tot een geweldigen

stroom, die eene massa water van honderd kubieke meters per sekonde

aanvoert. Het is niet te zeggen, welke schromelijke verwoestingen zulk

een plotselinge, overstelpende aanvoer van water veroorzaakt. Dikwijls

genoeg werden de dorpen en vlekken langs den oever der rivieren met

volslagen ondergang bedreigd. Te Turckheim worden nog ieder jaar,

des zondags na Sint-Thomas, openbare godsdienstoefeningen gehouden,

om de herinnering te bewaren aan vreeselijke overstroomingen, die het

stadje bijna hadden vernield, en om de herhaling van dergelijke rampen

af te bidden. Nog al te dikwijls verandert de opgezwollen rivier van

bedding, tot groote schade voor de omliggende weilanden.

Reeds in de eerste tijden na de inlijving van den Elzas bij Frankrijk,

droeg de regeering aan hare ingenieurs de taak op, om de uitspattingen

van de Fecht te beteugelen. Gaandeweg werden er nu langs de rivier

dijken aangelegd; en om hetzij die dijken zelven, hetzij enkele

bedreigde punten van den oever te verdedigen, werden in de rivier

kribben gemaakt. Het gemeentebestuur van Colmar, vreezende voor het

behoud van het kanaal van Logelbach, waarin de Fecht zich bij herhaling

uitstortte, liet in 1760 een stevigen straatweg aanleggen, die tevens

als waterkeering dienst deed, en die zich langs den rechteroever

van de prise d'eau van het kanaal boven Turckheim, uitstrekte tot

tegenover de steengroeven van den Letzenberg, boven Ingersheim. In

1778 bestond er eene doorloopende bedijking, ter hoogte van drie el,

en zich uitstrekkende van de prise d'eau van het kanaal van Logelbach

tot de brug van Ingersheim. Maar men had, bij den aanleg dezer werken,

aan de Fecht een te breed bed gelaten, met plotselinge versmallingen

bij de bruggen. Het gevolg hiervan was, dat er nieuwe doorbraken

vielen, en dat eindelijk de werken, die niet meer werden onderhouden,

in verval geraakten. Gaan er eenige jaren zonder ongelukken voorbij,

dan worden allicht de noodige voorzorgsmaatregelen vergeten. Komt er

dan eindelijk weer eene groote overstrooming, die het bed der rivier

verlegt, akkers en landerijen verwoest, en zelfs dorpen en vlekken met

den ondergang bedreigt, dan gaat er weer een algemeene kreet op, en

dringt men aan op het onverwijld nemen van alle mogelijke maatregelen

om het kwaad te koeren. Het eenige afdoende middel is de normalisatie

van de rivier en het vormen eener vaste en regelmatige bedding, in

staat om in alle voorkomende gevallen het water af te voeren. Tot

de verbetering behoort ook het afsnijden van bochten en krommingen,

waardoor de loop der rivier wordt verkort; daar hierdoor echter tevens

het verval wordt vermeerderd, moet het evenwicht worden hersteld en

de al te snelle afstrooming getemperd door middel van stuwen. De heer

Stoecklin, tegenwoordig inspecteur-generaal der bruggen en wegen,

heeft voor de Fecht ook de vorming aanbevolen van een zomer- en van

een winterbed, welk laatste voldoende ruimte moet aanbieden voor

den afvoer bij hoog water. Dit stelsel, met den besten uitslag in

Baden toegepast voor de riviertjes, die uit het Schwarzwald komen,

is ook bij de verbetering van de Ill gevolgd.

Het is natuurlijk hier niet de plaats om ten aanzien van deze

aangelegenheid in nadere bijzonderheden te treden; maar ge moogt de

schilderachtige vallei van de Fecht niet verlaten, zonder een bezoek

te brengen aan het goed van de familie Herzog, op de helling van den

Letzenberg. Een reuzentrap van meer dan vierhonderd treden voert

u in eens boven op den berg. Deze trap loopt uit op een ringmuur,

die blijkens het opschrift boven de poort, in 1850 gezet werd, om

aan de arme werklieden werk te verschaffen. Binnen getreden, wordt

uwe aandacht getrokken door eene witte kapel, in italiaanschen stijl,

op een hoogte gebouwd, die door acacia's en dennen is omringd. Verder

bespeurt ge een smaakvol chalet met sierlijke bloembedden; en overal

langs de berghellingen wijnstokken. Op sommige plaatsen is de helling

zoo steil, dat zelfs de wijnstok er niet wortelen kan; de naakte

rotswanden rijzen daar loodrecht omhoog boven een uitgestrekt park

met lommerrijk geboomte en fluweelige grasperken. Van het terras

voor de kapel overziet de blik de geheele vlakte van den Rijn en de

vallei van de Fecht. De kathedraal van Straatsburg, de rotsen van

den Kaiserstuhl, de besneeuwde toppen der Alpen, rondom de Jungfrau

geschaard, zijn bij helder weer duidelijk zichtbaar, even als het

Munsterthal en de volkrijke dorpen in het bassin van de Ill. Dit

verrukkelijk panorama aanschouwende, zou men geneigd zijn, de aarde

voor een paradijs te houden en de namelooze ellende te vergeten, die

als een looden last op haar weegt. Maar zoo ge u voor een oogenblik

door uwe droomen laat medevoeren, de zwarte rook uit de tallooze

schoorsteenen langs het kanaal van Logelbach, waar het wemelt van

spinnerijen en weverijen, allen door stoom gedreven, roept u aldra

tot de werkelijkheid terug. Deze streek is een der middelpunten van de

elzassche katoenindustrie, die hier op groote schaal gedreven wordt,

en aan honderden gezinnen arbeid en brood verschaft.

Aan den voet van den Letzenberg, aan de oevers van de Fecht en van

het kanaal van Logelbach, werd de slag bij Turckheim geleverd, die de

definitieve inlijving van den Elzas bij Frankrijk ten gevolge had. In

het jaar 1674 trok een duitsch leger, onder aanvoering van omstreeks

twintig vorsten, het land binnen, dat bij den vrede van Munster aan

Frankrijk was afgestaan. Den vierden October, bij Entzheim, door het

minder talrijke leger van Turenne geslagen, betrokken de Duitschers

de winterkwartieren, om nieuwe versterkingen af te wachten, alvorens

den veldtocht te heropenen. Het keizerlijke leger bezette geheel den

Boven-Elzas, van Huningen tot Obernai, van Belfort tot Landskron;

men leefde vroolijk en lustig in de winterkwartieren, volkomen

gerust gesteld door den geveinsden terugtocht der Franschen naar

de andere zijde van de Vogesen. Een aantal dames maakten, in het

gevolg van de generaals en hoofdofficieren, den veldtocht mede. De

keurvorstin Dorothea van Brandenburg hield haar hof te Colmar,

waar de stedelijke regeering, de aanzienlijke burgers en de gilden

wedijverden in huldebetoon, in geestdrift en toewijding. De geheele

adel van den Elzas hield de zijde van Duitschland, zoowel als de

oude vrije steden. De keurvorst Frederik Willem van Brandenburg,

die de keizerlijken te hulp was gesneld, zwoer dat hij den grond

van den Elzas niet zou verlaten, zoo lang hij nog een enkel man

over had, in staat om de wapenen te voeren.--Maar--zoo als het

in het duitsche leger doorgaans ging en overal gaan moet, waar

eenheid van gezag ontbreekt,--de verschillende legerhoofden lagen

voortdurend met elkander overhoop, en het algemeen belang werd aan

persoonlijke hartstochten en berekeningen opgeofferd. Wangunst,

naijver, kinderachtige veeten deden telkens nieuwe moeielijkheden

uitbarsten; men twistte onderling, en bekommerde zich niet om de

bewegingen van Turenne, die, naar men zich voorstelde, in Lotharingen

werd opgehouden door den buitengewoon strengen winter.

Daar verspreidde zich eensklaps, in de laatste dagen van December,

de tijding, dat het fransche leger, na een koenen marsch, om de bergen

heen was getrokken en voor Belfort stond. Verrast, maar in het minst

niet ongerust, trokken de keizerlijke veldheeren, Bournonville,

Caprara en de keurvorst van Brandenburg, hun troepen samen bij

Colmar. In der haast werden nu schansen en bolwerken opgeworpen langs

het kanaal van Logelbach, tusschen Colmar en Turckheim, terwijl in de

eerstgenoemde stad de gilden en de poorters zich wapenden om mede te

helpen bij de verdediging. Iedereen verklaarde zich bereid, tot het

uiterste weerstand te bieden: de magistraat, de geestelijkheid en

het volk. Aan het hof van de keurvorstin Dorothea twijfelde niemand

aan de overwinning; de vorstin zelve had de legerhoofden en de dames

van het hof uitgenoodigd tot een schitterend feestmaal, dat den dag

vóór Driekoningen zou worden gevierd.

Inmiddels was Turenne reeds tot Colmar genaderd. Bij een

voorpostengevecht had de fransche generaal, op den negen-en-twintigsten

December, de keizerlijken genoodzaakt uit Mulhausen te wijken. Den

derden Januari, na te Ensisheim krijgsraad te hebben gehouden, trok

hij, langs den voet der bergen, naar Colmar. Twee dagen later, voor het

aanbreken van den dageraad, brak het fransche leger van Pfaffenheim op,

en trok, in drie evenwijdige kolonnes, voort, de infanterie voorop. Op

den Letzenberg staande, ziet ge, ten zuiden, den heuvel van Egisheim,

met de ruïnen van zijn drie torens: de troepen van Turenne trokken

daar langs. Drie duitsche eskadrons, aan gene zijde van de beek,

die den weg naar Belfort doorsnijdt, op den uitkijk gesteld, maakten

rechtsom keert, toen zij de Franschen bespeurden. De twee kolonnes,

die onder bevel van den graaf de Lorge door de vlakte marcheerden,

hielden stil voorbij het kerkhof van Wettolsheim, en ontplooiden

hun liniën tot tegenover Wintzenheim, de infanterie op den linker,

de kavalerie op den rechter vleugel. Turenne zelf, die met de derde

kolonne langs de bergen trok, had van de hoogten van Wettolsheim

gezien, hoe de keizerlijken hunne stelling namen tusschen Colmar en

Turckheim, achter het kanaal, waar langs hunne talrijke artillerie werd

opgesteld. Eensklaps links afslaande, marcheerde Turenne, met veertien

bataillons infanterie, eenige eskadrons gendarmes en lichte kavalerie,

benevens vier kanonnen, over de steile, smalle paden der wijnbergen;

trok vervolgens langs de hellingen van den boschrijken heuvel, waarop

de ruïne troont van den Hohlandsburg, die reeds in den dertigjarigen

oorlog verwoest was; en daalde, ondanks de sneeuw, die den weg

versperde, achter den Plixburg, in het dal van de Fecht af. Tegenover

Zimmerbach trok hij over de rivier; en weldra vertoonden de fransche

soldaten zich op de beide oevers nabij Turckheim, tot groote verbazing

der vijanden. In een oogwenk werd de stadspoort door de dragonders

open gebroken. De luitenant van Turenne, Foucault, viel, doodelijk

getroffen, op de brug neder; maar een ander officier, Tilladet,

bezette de stad met eenige honderden musketiers en grenadiers. Drie

regimenten infanterie bezetten de heuvels en wijnbergen boven de stad,

onder bevel van den markies de Mouchy. De lichte kavalerie plaatste

zich aan den ingang van den weg naar Turckheim; andere afdeelingen

bezetten het kerkhof en den molen aan gene zijde van het kanaal van

Logelbach. De met beleid en spoed uitgevoerde beweging was volkomen

gelukt: Turenne tastte den vijand in de flank aan.

Een verwoed gevecht volgde: het kerkhof en de molen werden driemaal

genomen en hernomen. De markies de Mouchy sneuvelde, en het paard

van Turenne werd onder hem doodgeschoten. De duitsche artillerie

teisterde de Franschen, die, ten gevolge van den moeilijken

tocht over de wijnbergen, hunne kanonnen nog niet hadden kunnen

opstellen. Inmiddels spoedde de korte Januaridag naar den avond:

er moest een einde aan komen. Zonder op de overmacht der vijanden

te letten, liet Turenne nu zijne soldaten, in gesloten gelederen,

onder het slaan der trommels en het schetteren der trompetten,

ondanks het geweldig vuur der duitsche kanonnen, naar de bevrozen

rivier oprukken. Men trok over de rivier en viel op den vijand aan,

die wankelde, week en weldra in wanorde terugtrok.

Nu stormden de fransche soldaten den vluchtenden vijand na; maar

Turenne, die wist dat de keizerlijken nog de overmacht hadden en

de mogelijkheid van een vernieuwden aanval vreesde, riep zijne

troepen terug. De voorzorgsmaatregel bleek onnoodig: de verwarring

bij de keizerlijken was zoo groot en de verstandhouding tusschen de

legeraanvoerders zoo slecht, dat aan een hervatting van den strijd

niet werd gedacht. De aftocht ging weldra in volslagen vlucht

over. Bournonville, de keurvorst van Brandenburg, de keurvorstin

Dorothea maakten zich met alle anderen zoo haastig mogelijk uit

de voeten. Van het aangekondigde feest kwam niets: in plaats van

feestzangen hoorde men het gekerm der gewonden en de doodskreten der

stervenden, uitgestrekt op den hard bevroren grond der weilanden

langs de Fecht. De straten van Colmar weergalmden van het rumoer

der vluchtende soldaten, van het geratel der haastig aangespannen

kanonnen en ammunitiewagens. Doodelijke schrik vervulde de harten

der burgers, die gemeene zaak hadden gemaakt met de keizerlijken, en

nu de wraak van den overwinnaar vreesden. Turenne kwam den volgenden

morgen in de stad, en nam zijn intrek in de herberg _Zum Schwarzen

Berg_; hij liet de inwoners met rust en strafte hen niet voor hunne

vijandelijke houding. De keizerlijken trokken over den Rijn terug,

en de Elzas was voor Duitschland verloren.

Den veertienden Januari bracht de secretaris van den raad van

Straatsburg aan Turenne brieven van de regeering dier stad, waarbij

een beroep werd gedaan op de edelmoedigheid van den overwinnaar. De

burgerij van Straatsburg was woedend tegen de keizerlijke generaals,

die zich aan gene zijde van den Rijn hadden teruggetrokken en het

land ten prooi lieten aan den vijand. De troepen, die door hunne stad

trokken, werden door het gemeen uitgejouwd en beleedigd.

De inlijving van de hoofdstad van den Elzas was nu nog slechts

eene kwestie van tijd. Zij had, in vollen vrede, bij verdrag

plaats: den dertigsten September 1681 hield Lodewijk XIV zijn

intocht in Straatsburg, dat bij den vrede van Rijswijk, in 1697,

aan Frankrijk werd afgestaan. Voor immer, zoo luidde de formule

in het vredestraktaat. Evenzoo werd, bij den vrede van Frankfort,

in 1871, de Elzas weder door Frankrijk aan Duitschland afgestaan,

om voor immer met het nieuw herboren Duitsche rijk vereenigd te

blijven.--De geschiedenis heeft overvloedig geleerd, dat de eeuwigheid

der traktaten van zeer korten duur kan zijn; in onzen tijd vooral

zijn zij ter nauwernood het papier waard, waarop zij geschreven

zijn. Niemand acht zich door het bezworen verdrag, het plechtig

gegeven woord, inderdaad verbonden; zoodra de partij, die bij het

verdrag werd benadeeld, haar kans schoon ziet, verbreekt zij het,

waartoe altijd een voorwendsel is te vinden, en doet op nieuw een

beroep op de wapenen. Het besef van de onbetrouwbaarheid der traktaten,

van de bijna volkomen vernietiging van het rechtsgevoel, is zeker niet

de minste oorzaak van het vreeselijke feit, dat de staten van Europa,

ook in vollen vrede, tot de tanden gewapend tegenover elkander staan,

als roovers steeds loerende op elkanders bezit en geene veiligheid

kennende dan die door vrees voor de overmacht wordt afgedwongen.

Ik sprak zoo even van de katoenindustrie, die langs het kanaal van

Logelbach een harer hoofdzetels in den Elzas heeft. Ik zal u niet

uitnoodigen, een dier fabrieken, spinnerijen, weverijen, verwerijen

of hoe ze meer heeten mogen, te bezoeken; maar ik mag niet verzwijgen

wat den eigenaars dier groote industrieele inrichtingen--waaronder

aan de familie Herzog eene eerste plaats toekomt--tot eer strekt:

namelijk hetgeen zij in het belang hunner talrijke werklieden

hebben gedaan. Allerlei inrichtingen zijn, op aansporing en met

ijverige medewerking en ondersteuning van de patroons, in het

leven geroepen. Vereenigingen tot ondersteuning van behoeftige

kraamvrouwen, kinderbewaarplaatsen, speeltuinen, scholen voor kinderen

en volwassenen, ambachtsscholen, volksbibliotheken, huizen voor jonge

meisjes, weeshuizen, ziekenfondsen, coöperatieve winkelvereenigingen,

spaarbanken, arbeiderswijken:--ziedaar de instellingen, die, onder

verschillende namen, overal in den Elzas en ook hier, medewerken tot

verbetering van het lot der fabriekarbeiders en tot hunne moreele en

materieele verheffing.

In de onmiddellijke nabijheid van Colmar vinden wij de arbeiderswijk,

de _cité ouvrière_, behoorende tot de katoenspinnerij Bagatelle. De

naar één model gebouwde woningen hebben eene beneden- en eene

bovenverdieping, een kelder en een zolder, benevens twee deuren,

waarvan de eene op straat en de andere op het binnenplein van de wijk

uitkomt; tot het huis behoort ook een kleine plaats met schuur. De

ramen van den voorgevel zijn breed, ten einde gelegenheid te geven voor

het houden van winkeltjes of voor het maken van kleine werkplaatsen. De

huizen van de middengroep ontvangen hun licht alleen aan de voorzijde;

daarentegen hebben zij op de bovenverdieping een soort van houten

veranda. De benedenverdieping bevat eene zit- en eene slaapkamer,

benevens eene keuken; op de bovenverdieping vindt men twee vertrekken,

waarvan het grootste door een beschot in tweeën kan worden verdeeld.

De bedoeling met de stichting van deze wijk was niet alleen om den

arbeiders voor matigen prijs eene goede woning te bezorgen, maar

ook om hen aan te moedigen tot spaarzaamheid: tegen eene geringe

vergoeding boven de gewone huur, konden zij na verloop van zekeren

tijd, eigenaar hunner woning worden. Dit doel is echter te Colmar niet

dan bij uitzondering bereikt. Over het algemeen weten de arbeiders

niet voor zoo langen tijd te sparen en voor de toekomst te zorgen;

daar komt nog bij dat de meeste werklieden in de fabrieken van

Logelbach in de omliggende dorpen wonen, waar zij in den regel hetzij

een huisje, hetzij een stukje grond, hetzij eene koe of eenige geiten

bezitten. Bijna iedereen is eigenaar, daardoor gehecht aan den grond,

en tevens van nature en krachtens zijn eigen belang, een verdediger

der maatschappelijke orde.

Is dit een niet te hoog te waardeeren voorrecht, niet minder uitmuntend

is het dat in al de tot de fabrieken behoorende scholen zeer goed

onderwijs gegeven wordt. Een dezer scholen, tot Bagatelle behoorende,

grenst aan het kosthuis waar de ongehuwde werklieden hun intrek kunnen

nemen. Mevrouw Herzog, die dit huis heeft gesticht, neemt daarin ook de

kranken op, die in hunne woning geene goede verpleging kunnen vinden;

de verzorging der zieken is aan zusters van liefdadigheid, alzoo aan de

beste handen, toevertrouwd. Elken morgen komt mevrouw Herzog, met een

harer kinderen aan de hand, zelve hare zieken bezoeken, om hun woorden

van troost en bemoediging toe te spreken, of, in ernstige gevallen, den

geneesheer te raadplegen. Hulde, eerbiedige hulde aan de edele vrouw,

wier voorbeeld meer nut sticht dan vele predikatiën en vertoogen,

en die door hare eenvoudige daad krachtiger medewerkt tot oplossing

van wat men de sociale kwestie noemt, dan alle staathuishoudkundigen

te zamen met al hun theorieën en stelsels.

Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 4 / 16 题