De Weiss uit de vallei van Orbey ontmoet de Fecht bij de bosschen
van het Niederwald, niet ver van het station Bennweier. Bij de
groote brug van Ingersheim is de bedding van de Fecht in den zomer
dikwijls droog; maar wat lager, te midden der bosschen en weiden,
herleeft het rivierke weer. Als de bedding droog is, levert zij een
treurigen aanblik op. Dorre kiezelbanken wijzen den loop des waters
aan, en bereiken somwijlen eene lengte van ettelijke honderden
ellen. Hoogstens baant zich een dunne waterstraal al kronkelend
een moeizamen weg door de banken van kiezelsteen, die hier en daar
bijna de hoogte der oevers bereiken. Het is alsof ge eene of andere
wadi in de Sahara voor u zaagt, ver van bewoonde streken, aan zich
zelve overgelaten. En inderdaad is de Fecht, na haar doorgang onder
de fraaie steenen brug van Ingersheim, aan zich zelve overgelaten,
want anders zou zij zoo niet, geheel naar willekeur, toomeloos en
tuchteloos rondzwerven, groote uitgestrektheden gronds bedervende, die
uitmuntend weiland konden opleveren, en wier verwaarloosde toestand nu
een verwijt is voor eene zoo hoog ontwikkelde, nijvere bevolking. Wie
deze landstreek voor de eerste maal ziet, moet aanstonds begrijpen,
hoe dringend noodzakelijk het is, het werk der rivierverbetering in
den Elzas ter hand te nemen en krachtig door te zetten.
Toen wij eene beschrijving gaven van de reservoirs van het
Zwarte- en van het Witte-meer, hebben wij ook gesproken van een
plan tot regularisatie van de Ill en de tot haar gebied behoorende
wateren. Dit plan is thans in uitvoering; dientengevolge zullen al onze
bergstroomen, zoo onregelmatig in hun loop, nu eens droog, dan weer
verwoestend buiten hun oevers tredende, moeten worden geregulariseerd
en binnen eene vaste en regelmatige bedding besloten. De regularisatie
heeft reeds plaats gehad voor een belangrijk gedeelte van de Ill,
tusschen Horburg en Meyenheim, en zal nu nog voortgezet moeten worden
voor al de wateren en beken, die in deze rivier uitloopen. Op de
Fecht missen de tot dusver aangelegde werken te zeer verband en
samenhang om elkander van dienst te kunnen zijn. Van daar dat men
voortdurend gedwongen is, de dijken beneden Ingersheim te herstellen,
die telkens bezwijken, als ten gevolge van hevige en aanhoudende
regens, de sneeuw plotseling smelt. Het water wast dan met zoo
verbazende snelheid, dat ik zelf meer dan eens heb gezien, hoe,
in den loop van weinige uren, de zwakke, kalme waterstraal, die
nauwelijks eenige liters kan opleveren, aanzwelt tot een geweldigen
stroom, die eene massa water van honderd kubieke meters per sekonde
aanvoert. Het is niet te zeggen, welke schromelijke verwoestingen zulk
een plotselinge, overstelpende aanvoer van water veroorzaakt. Dikwijls
genoeg werden de dorpen en vlekken langs den oever der rivieren met
volslagen ondergang bedreigd. Te Turckheim worden nog ieder jaar,
des zondags na Sint-Thomas, openbare godsdienstoefeningen gehouden,
om de herinnering te bewaren aan vreeselijke overstroomingen, die het
stadje bijna hadden vernield, en om de herhaling van dergelijke rampen
af te bidden. Nog al te dikwijls verandert de opgezwollen rivier van
bedding, tot groote schade voor de omliggende weilanden.
Reeds in de eerste tijden na de inlijving van den Elzas bij Frankrijk,
droeg de regeering aan hare ingenieurs de taak op, om de uitspattingen
van de Fecht te beteugelen. Gaandeweg werden er nu langs de rivier
dijken aangelegd; en om hetzij die dijken zelven, hetzij enkele
bedreigde punten van den oever te verdedigen, werden in de rivier
kribben gemaakt. Het gemeentebestuur van Colmar, vreezende voor het
behoud van het kanaal van Logelbach, waarin de Fecht zich bij herhaling
uitstortte, liet in 1760 een stevigen straatweg aanleggen, die tevens
als waterkeering dienst deed, en die zich langs den rechteroever
van de prise d'eau van het kanaal boven Turckheim, uitstrekte tot
tegenover de steengroeven van den Letzenberg, boven Ingersheim. In
1778 bestond er eene doorloopende bedijking, ter hoogte van drie el,
en zich uitstrekkende van de prise d'eau van het kanaal van Logelbach
tot de brug van Ingersheim. Maar men had, bij den aanleg dezer werken,
aan de Fecht een te breed bed gelaten, met plotselinge versmallingen
bij de bruggen. Het gevolg hiervan was, dat er nieuwe doorbraken
vielen, en dat eindelijk de werken, die niet meer werden onderhouden,
in verval geraakten. Gaan er eenige jaren zonder ongelukken voorbij,
dan worden allicht de noodige voorzorgsmaatregelen vergeten. Komt er
dan eindelijk weer eene groote overstrooming, die het bed der rivier
verlegt, akkers en landerijen verwoest, en zelfs dorpen en vlekken met
den ondergang bedreigt, dan gaat er weer een algemeene kreet op, en
dringt men aan op het onverwijld nemen van alle mogelijke maatregelen
om het kwaad te koeren. Het eenige afdoende middel is de normalisatie
van de rivier en het vormen eener vaste en regelmatige bedding, in
staat om in alle voorkomende gevallen het water af te voeren. Tot
de verbetering behoort ook het afsnijden van bochten en krommingen,
waardoor de loop der rivier wordt verkort; daar hierdoor echter tevens
het verval wordt vermeerderd, moet het evenwicht worden hersteld en
de al te snelle afstrooming getemperd door middel van stuwen. De heer
Stoecklin, tegenwoordig inspecteur-generaal der bruggen en wegen,
heeft voor de Fecht ook de vorming aanbevolen van een zomer- en van
een winterbed, welk laatste voldoende ruimte moet aanbieden voor
den afvoer bij hoog water. Dit stelsel, met den besten uitslag in
Baden toegepast voor de riviertjes, die uit het Schwarzwald komen,
is ook bij de verbetering van de Ill gevolgd.
Het is natuurlijk hier niet de plaats om ten aanzien van deze
aangelegenheid in nadere bijzonderheden te treden; maar ge moogt de
schilderachtige vallei van de Fecht niet verlaten, zonder een bezoek
te brengen aan het goed van de familie Herzog, op de helling van den
Letzenberg. Een reuzentrap van meer dan vierhonderd treden voert
u in eens boven op den berg. Deze trap loopt uit op een ringmuur,
die blijkens het opschrift boven de poort, in 1850 gezet werd, om
aan de arme werklieden werk te verschaffen. Binnen getreden, wordt
uwe aandacht getrokken door eene witte kapel, in italiaanschen stijl,
op een hoogte gebouwd, die door acacia's en dennen is omringd. Verder
bespeurt ge een smaakvol chalet met sierlijke bloembedden; en overal
langs de berghellingen wijnstokken. Op sommige plaatsen is de helling
zoo steil, dat zelfs de wijnstok er niet wortelen kan; de naakte
rotswanden rijzen daar loodrecht omhoog boven een uitgestrekt park
met lommerrijk geboomte en fluweelige grasperken. Van het terras
voor de kapel overziet de blik de geheele vlakte van den Rijn en de
vallei van de Fecht. De kathedraal van Straatsburg, de rotsen van
den Kaiserstuhl, de besneeuwde toppen der Alpen, rondom de Jungfrau
geschaard, zijn bij helder weer duidelijk zichtbaar, even als het
Munsterthal en de volkrijke dorpen in het bassin van de Ill. Dit
verrukkelijk panorama aanschouwende, zou men geneigd zijn, de aarde
voor een paradijs te houden en de namelooze ellende te vergeten, die
als een looden last op haar weegt. Maar zoo ge u voor een oogenblik
door uwe droomen laat medevoeren, de zwarte rook uit de tallooze
schoorsteenen langs het kanaal van Logelbach, waar het wemelt van
spinnerijen en weverijen, allen door stoom gedreven, roept u aldra
tot de werkelijkheid terug. Deze streek is een der middelpunten van de
elzassche katoenindustrie, die hier op groote schaal gedreven wordt,
en aan honderden gezinnen arbeid en brood verschaft.
Aan den voet van den Letzenberg, aan de oevers van de Fecht en van
het kanaal van Logelbach, werd de slag bij Turckheim geleverd, die de
definitieve inlijving van den Elzas bij Frankrijk ten gevolge had. In
het jaar 1674 trok een duitsch leger, onder aanvoering van omstreeks
twintig vorsten, het land binnen, dat bij den vrede van Munster aan
Frankrijk was afgestaan. Den vierden October, bij Entzheim, door het
minder talrijke leger van Turenne geslagen, betrokken de Duitschers
de winterkwartieren, om nieuwe versterkingen af te wachten, alvorens
den veldtocht te heropenen. Het keizerlijke leger bezette geheel den
Boven-Elzas, van Huningen tot Obernai, van Belfort tot Landskron;
men leefde vroolijk en lustig in de winterkwartieren, volkomen
gerust gesteld door den geveinsden terugtocht der Franschen naar
de andere zijde van de Vogesen. Een aantal dames maakten, in het
gevolg van de generaals en hoofdofficieren, den veldtocht mede. De
keurvorstin Dorothea van Brandenburg hield haar hof te Colmar,
waar de stedelijke regeering, de aanzienlijke burgers en de gilden
wedijverden in huldebetoon, in geestdrift en toewijding. De geheele
adel van den Elzas hield de zijde van Duitschland, zoowel als de
oude vrije steden. De keurvorst Frederik Willem van Brandenburg,
die de keizerlijken te hulp was gesneld, zwoer dat hij den grond
van den Elzas niet zou verlaten, zoo lang hij nog een enkel man
over had, in staat om de wapenen te voeren.--Maar--zoo als het
in het duitsche leger doorgaans ging en overal gaan moet, waar
eenheid van gezag ontbreekt,--de verschillende legerhoofden lagen
voortdurend met elkander overhoop, en het algemeen belang werd aan
persoonlijke hartstochten en berekeningen opgeofferd. Wangunst,
naijver, kinderachtige veeten deden telkens nieuwe moeielijkheden
uitbarsten; men twistte onderling, en bekommerde zich niet om de
bewegingen van Turenne, die, naar men zich voorstelde, in Lotharingen
werd opgehouden door den buitengewoon strengen winter.
Daar verspreidde zich eensklaps, in de laatste dagen van December,
de tijding, dat het fransche leger, na een koenen marsch, om de bergen
heen was getrokken en voor Belfort stond. Verrast, maar in het minst
niet ongerust, trokken de keizerlijke veldheeren, Bournonville,
Caprara en de keurvorst van Brandenburg, hun troepen samen bij
Colmar. In der haast werden nu schansen en bolwerken opgeworpen langs
het kanaal van Logelbach, tusschen Colmar en Turckheim, terwijl in de
eerstgenoemde stad de gilden en de poorters zich wapenden om mede te
helpen bij de verdediging. Iedereen verklaarde zich bereid, tot het
uiterste weerstand te bieden: de magistraat, de geestelijkheid en
het volk. Aan het hof van de keurvorstin Dorothea twijfelde niemand
aan de overwinning; de vorstin zelve had de legerhoofden en de dames
van het hof uitgenoodigd tot een schitterend feestmaal, dat den dag
vóór Driekoningen zou worden gevierd.
Inmiddels was Turenne reeds tot Colmar genaderd. Bij een
voorpostengevecht had de fransche generaal, op den negen-en-twintigsten
December, de keizerlijken genoodzaakt uit Mulhausen te wijken. Den
derden Januari, na te Ensisheim krijgsraad te hebben gehouden, trok
hij, langs den voet der bergen, naar Colmar. Twee dagen later, voor het
aanbreken van den dageraad, brak het fransche leger van Pfaffenheim op,
en trok, in drie evenwijdige kolonnes, voort, de infanterie voorop. Op
den Letzenberg staande, ziet ge, ten zuiden, den heuvel van Egisheim,
met de ruïnen van zijn drie torens: de troepen van Turenne trokken
daar langs. Drie duitsche eskadrons, aan gene zijde van de beek,
die den weg naar Belfort doorsnijdt, op den uitkijk gesteld, maakten
rechtsom keert, toen zij de Franschen bespeurden. De twee kolonnes,
die onder bevel van den graaf de Lorge door de vlakte marcheerden,
hielden stil voorbij het kerkhof van Wettolsheim, en ontplooiden
hun liniën tot tegenover Wintzenheim, de infanterie op den linker,
de kavalerie op den rechter vleugel. Turenne zelf, die met de derde
kolonne langs de bergen trok, had van de hoogten van Wettolsheim
gezien, hoe de keizerlijken hunne stelling namen tusschen Colmar en
Turckheim, achter het kanaal, waar langs hunne talrijke artillerie werd
opgesteld. Eensklaps links afslaande, marcheerde Turenne, met veertien
bataillons infanterie, eenige eskadrons gendarmes en lichte kavalerie,
benevens vier kanonnen, over de steile, smalle paden der wijnbergen;
trok vervolgens langs de hellingen van den boschrijken heuvel, waarop
de ruïne troont van den Hohlandsburg, die reeds in den dertigjarigen
oorlog verwoest was; en daalde, ondanks de sneeuw, die den weg
versperde, achter den Plixburg, in het dal van de Fecht af. Tegenover
Zimmerbach trok hij over de rivier; en weldra vertoonden de fransche
soldaten zich op de beide oevers nabij Turckheim, tot groote verbazing
der vijanden. In een oogwenk werd de stadspoort door de dragonders
open gebroken. De luitenant van Turenne, Foucault, viel, doodelijk
getroffen, op de brug neder; maar een ander officier, Tilladet,
bezette de stad met eenige honderden musketiers en grenadiers. Drie
regimenten infanterie bezetten de heuvels en wijnbergen boven de stad,
onder bevel van den markies de Mouchy. De lichte kavalerie plaatste
zich aan den ingang van den weg naar Turckheim; andere afdeelingen
bezetten het kerkhof en den molen aan gene zijde van het kanaal van
Logelbach. De met beleid en spoed uitgevoerde beweging was volkomen
gelukt: Turenne tastte den vijand in de flank aan.
Een verwoed gevecht volgde: het kerkhof en de molen werden driemaal
genomen en hernomen. De markies de Mouchy sneuvelde, en het paard
van Turenne werd onder hem doodgeschoten. De duitsche artillerie
teisterde de Franschen, die, ten gevolge van den moeilijken
tocht over de wijnbergen, hunne kanonnen nog niet hadden kunnen
opstellen. Inmiddels spoedde de korte Januaridag naar den avond:
er moest een einde aan komen. Zonder op de overmacht der vijanden
te letten, liet Turenne nu zijne soldaten, in gesloten gelederen,
onder het slaan der trommels en het schetteren der trompetten,
ondanks het geweldig vuur der duitsche kanonnen, naar de bevrozen
rivier oprukken. Men trok over de rivier en viel op den vijand aan,
die wankelde, week en weldra in wanorde terugtrok.
Nu stormden de fransche soldaten den vluchtenden vijand na; maar
Turenne, die wist dat de keizerlijken nog de overmacht hadden en
de mogelijkheid van een vernieuwden aanval vreesde, riep zijne
troepen terug. De voorzorgsmaatregel bleek onnoodig: de verwarring
bij de keizerlijken was zoo groot en de verstandhouding tusschen de
legeraanvoerders zoo slecht, dat aan een hervatting van den strijd
niet werd gedacht. De aftocht ging weldra in volslagen vlucht
over. Bournonville, de keurvorst van Brandenburg, de keurvorstin
Dorothea maakten zich met alle anderen zoo haastig mogelijk uit
de voeten. Van het aangekondigde feest kwam niets: in plaats van
feestzangen hoorde men het gekerm der gewonden en de doodskreten der
stervenden, uitgestrekt op den hard bevroren grond der weilanden
langs de Fecht. De straten van Colmar weergalmden van het rumoer
der vluchtende soldaten, van het geratel der haastig aangespannen
kanonnen en ammunitiewagens. Doodelijke schrik vervulde de harten
der burgers, die gemeene zaak hadden gemaakt met de keizerlijken, en
nu de wraak van den overwinnaar vreesden. Turenne kwam den volgenden
morgen in de stad, en nam zijn intrek in de herberg _Zum Schwarzen
Berg_; hij liet de inwoners met rust en strafte hen niet voor hunne
vijandelijke houding. De keizerlijken trokken over den Rijn terug,
en de Elzas was voor Duitschland verloren.
Den veertienden Januari bracht de secretaris van den raad van
Straatsburg aan Turenne brieven van de regeering dier stad, waarbij
een beroep werd gedaan op de edelmoedigheid van den overwinnaar. De
burgerij van Straatsburg was woedend tegen de keizerlijke generaals,
die zich aan gene zijde van den Rijn hadden teruggetrokken en het
land ten prooi lieten aan den vijand. De troepen, die door hunne stad
trokken, werden door het gemeen uitgejouwd en beleedigd.
De inlijving van de hoofdstad van den Elzas was nu nog slechts
eene kwestie van tijd. Zij had, in vollen vrede, bij verdrag
plaats: den dertigsten September 1681 hield Lodewijk XIV zijn
intocht in Straatsburg, dat bij den vrede van Rijswijk, in 1697,
aan Frankrijk werd afgestaan. Voor immer, zoo luidde de formule
in het vredestraktaat. Evenzoo werd, bij den vrede van Frankfort,
in 1871, de Elzas weder door Frankrijk aan Duitschland afgestaan,
om voor immer met het nieuw herboren Duitsche rijk vereenigd te
blijven.--De geschiedenis heeft overvloedig geleerd, dat de eeuwigheid
der traktaten van zeer korten duur kan zijn; in onzen tijd vooral
zijn zij ter nauwernood het papier waard, waarop zij geschreven
zijn. Niemand acht zich door het bezworen verdrag, het plechtig
gegeven woord, inderdaad verbonden; zoodra de partij, die bij het
verdrag werd benadeeld, haar kans schoon ziet, verbreekt zij het,
waartoe altijd een voorwendsel is te vinden, en doet op nieuw een
beroep op de wapenen. Het besef van de onbetrouwbaarheid der traktaten,
van de bijna volkomen vernietiging van het rechtsgevoel, is zeker niet
de minste oorzaak van het vreeselijke feit, dat de staten van Europa,
ook in vollen vrede, tot de tanden gewapend tegenover elkander staan,
als roovers steeds loerende op elkanders bezit en geene veiligheid
kennende dan die door vrees voor de overmacht wordt afgedwongen.
Ik sprak zoo even van de katoenindustrie, die langs het kanaal van
Logelbach een harer hoofdzetels in den Elzas heeft. Ik zal u niet
uitnoodigen, een dier fabrieken, spinnerijen, weverijen, verwerijen
of hoe ze meer heeten mogen, te bezoeken; maar ik mag niet verzwijgen
wat den eigenaars dier groote industrieele inrichtingen--waaronder
aan de familie Herzog eene eerste plaats toekomt--tot eer strekt:
namelijk hetgeen zij in het belang hunner talrijke werklieden
hebben gedaan. Allerlei inrichtingen zijn, op aansporing en met
ijverige medewerking en ondersteuning van de patroons, in het
leven geroepen. Vereenigingen tot ondersteuning van behoeftige
kraamvrouwen, kinderbewaarplaatsen, speeltuinen, scholen voor kinderen
en volwassenen, ambachtsscholen, volksbibliotheken, huizen voor jonge
meisjes, weeshuizen, ziekenfondsen, coöperatieve winkelvereenigingen,
spaarbanken, arbeiderswijken:--ziedaar de instellingen, die, onder
verschillende namen, overal in den Elzas en ook hier, medewerken tot
verbetering van het lot der fabriekarbeiders en tot hunne moreele en
materieele verheffing.
In de onmiddellijke nabijheid van Colmar vinden wij de arbeiderswijk,
de _cité ouvrière_, behoorende tot de katoenspinnerij Bagatelle. De
naar één model gebouwde woningen hebben eene beneden- en eene
bovenverdieping, een kelder en een zolder, benevens twee deuren,
waarvan de eene op straat en de andere op het binnenplein van de wijk
uitkomt; tot het huis behoort ook een kleine plaats met schuur. De
ramen van den voorgevel zijn breed, ten einde gelegenheid te geven voor
het houden van winkeltjes of voor het maken van kleine werkplaatsen. De
huizen van de middengroep ontvangen hun licht alleen aan de voorzijde;
daarentegen hebben zij op de bovenverdieping een soort van houten
veranda. De benedenverdieping bevat eene zit- en eene slaapkamer,
benevens eene keuken; op de bovenverdieping vindt men twee vertrekken,
waarvan het grootste door een beschot in tweeën kan worden verdeeld.
De bedoeling met de stichting van deze wijk was niet alleen om den
arbeiders voor matigen prijs eene goede woning te bezorgen, maar
ook om hen aan te moedigen tot spaarzaamheid: tegen eene geringe
vergoeding boven de gewone huur, konden zij na verloop van zekeren
tijd, eigenaar hunner woning worden. Dit doel is echter te Colmar niet
dan bij uitzondering bereikt. Over het algemeen weten de arbeiders
niet voor zoo langen tijd te sparen en voor de toekomst te zorgen;
daar komt nog bij dat de meeste werklieden in de fabrieken van
Logelbach in de omliggende dorpen wonen, waar zij in den regel hetzij
een huisje, hetzij een stukje grond, hetzij eene koe of eenige geiten
bezitten. Bijna iedereen is eigenaar, daardoor gehecht aan den grond,
en tevens van nature en krachtens zijn eigen belang, een verdediger
der maatschappelijke orde.
Is dit een niet te hoog te waardeeren voorrecht, niet minder uitmuntend
is het dat in al de tot de fabrieken behoorende scholen zeer goed
onderwijs gegeven wordt. Een dezer scholen, tot Bagatelle behoorende,
grenst aan het kosthuis waar de ongehuwde werklieden hun intrek kunnen
nemen. Mevrouw Herzog, die dit huis heeft gesticht, neemt daarin ook de
kranken op, die in hunne woning geene goede verpleging kunnen vinden;
de verzorging der zieken is aan zusters van liefdadigheid, alzoo aan de
beste handen, toevertrouwd. Elken morgen komt mevrouw Herzog, met een
harer kinderen aan de hand, zelve hare zieken bezoeken, om hun woorden
van troost en bemoediging toe te spreken, of, in ernstige gevallen, den
geneesheer te raadplegen. Hulde, eerbiedige hulde aan de edele vrouw,
wier voorbeeld meer nut sticht dan vele predikatiën en vertoogen,
en die door hare eenvoudige daad krachtiger medewerkt tot oplossing
van wat men de sociale kwestie noemt, dan alle staathuishoudkundigen
te zamen met al hun theorieën en stelsels.