Weleer was er te Kaysersberg eene kommanderije van de Duitsche orde
en een klooster der Minderbroeders: welk laatste, tot het jaar 1433,
in de vallei van Sint-Jan nabij Alspach stond. De parochiale kerk,
die er van buiten vrij verwaarloosd uitziet, maakt geen gunstigen
indruk, maar toch is zij de aandacht waard, omdat zij in haar bouw
de sporen vertoont van de kunst uit verschillende tijdperken. Het
romaansche portaal bestaat uit een drievoudigen rondboog, door
kolommen gedragen: boven de deur ziet men de kroning van Maria door
Christus. Het middelschip is in romaanschen, de beide zijschepen en
het koor zijn in oud-gothischen stijl. Zien wij elders, naast nieuwe
kerken, vaak oude torens, hier daarentegen is de toren nieuw. De
bedoeling met den bouw van dien toren was alleszins loffelijk:
men wilde het middeleeuwsche gebouw verfraaien; maar de uitkomst is
allerbedroevendst. Die moderne toren, nu aan het eerwaardige monument
vastgeplakt, maakt een jammerlijke figuur; het is een tusschending
tusschen een koepel en een campanile, iets dat misschien, van suiker
of gebak vervaardigd, op het dessert van eene bruiloftstafel geene
onaardige vertooning zou maken.
Achter het hoogaltaar ziet men een diptyk, voorstellende, aan de
eene zijde de Kruisvinding, aan de andere Maria-Boodschap. Naar men
zegt, zouden deze schilderijen van Holbein zijn, die eenigen tijd
te Kientzheim heeft gewoond. Ook het moderne houtsnijwerk verdient
de aandacht. In de zijschepen vindt men nog andere oude schilder-
en beeldwerken, vermoedelijk uit de zestiende eeuw afkomstig, als ook
eene voorstelling van het Heilige-Graf, in deze eeuw vervaardigd en
zich onderscheidende door groote zuiverheid van bewerking.
Bijna vlak naast de kerk staat het raadhuis of _Gemeindehaus_,
een gebouw uit de zestiende eeuw, met een vooruitspringend balkon
boven de deur, in den stijl der renaissance. Op de eerste verdieping
vindt men twee zalen, waarvan de wanden en de zoldering met hout
beschoten en met snijwerk versierd zijn; de gebeeldhouwde deuren
zijn in gecanneleerde pilasters met dorische kapiteelen gevat. De
paneelen tusschen de vensters zijn met hertenkoppen versierd. In een
kast bewaart men kolossale met ijzer beslagen klompen, die, naar men
beweert, aan een reus zouden hebben behoord. Deze legendarische reus
was een vreemdeling, die op een winterdag van het jaar 1763 door de
stad trok, en in de nabijheid van Alspach in de sneeuw omkwam. De
klompen wegen twee-en-twintig pond; zij zijn groot genoeg om als wieg
te worden gebruikt voor de laplandsche kinderen, die ik dezen zomer
in Noorwegen heb gezien.
Alvorens wij het stedeke verlieten, waren wij nog in den winkel van
den apotheker, vlak bij het stadhuis, getuigen van een niet onaardig
tooneeltje. De held van het drama was een kleine dreumes, die de
bijenstallen, in den tuin onder de muren van het oude kasteel, had
willen doorzoeken. Was het hem alleen om den honig te doen, of wilde
hij met zijn stok tegen de nijvere insekten vechten? Wat hiervan zij:
de bijen waren met zijne verschijning niet ingenomen. Verstoord over
deze inmenging in haar huiselijk leven, vielen zij eendrachtig op
den beklagenswaardigen knaap aan, en staken hem in zijn gezicht, in
zijn ooren, zijn neus, op zijn handen. De arme jongen stond weerloos
tegenover de menigte zijner aanvallers; hem bleef niet anders over dan,
luid schreeuwende, zoo hard mogelijk naar huis te loopen. Nu brengt
zijne moeder hem bij den apotheker, om een geneesmiddel te vragen
voor zijn schrikkelijk opgezwollen gezicht. De apotheker troost den
bedremmelden deugniet met het vooruitzicht op spoedige beterschap,
en wij maken van de gelegenheid gebruik, om een schets van het
schilderachtige tooneeltje te ontwerpen.
Na ons bezoek te Kaysersberg, zijn Kientzheim en Ammerschweier aan de
beurt. Ondanks kleine verschillen van plaatselijken aard, gelijken
al deze stadjes van het elzasser wijnland zeer sterk op elkander,
en vertoonen hetzelfde karakter. Overal ziet ge dezelfde oude muren,
dezelfde oude grauwe, ronde of vierkante torens, dezelfde nauwe
straten, dezelfde huizen met puntgevels, afgewisseld door enkele
nieuwerwetsche woningen. Kientzheim ligt zoo dicht bij Kaysersberg,
dat ge het, bij het verlaten van laatstgenoemde stad, aanstonds
gewaar wordt. Eene wandeling van een kwartier brengt u van de eene
plaats naar de andere. Het gemeentebestuur van Kientzheim heeft in den
laatsten tijd eene der poorten en een stuk van den muur laten afbreken;
maar de andere poort is blijven staan; en dat is zeer gelukkig, want
zij past volkomen bij het kasteel van de familie Golberg, met zijn
kanteelen en torentjes. Onwillekeurig waant ge u in de middeleeuwen
verplaatst, en het zou u niet verbazen, onder de poort den soldenier
te zien staan met zijn hellebaard in de vuist, om iederen vijand den
toegang te betwisten.
Op den heuvel links, boven Sigolsheim, ziet ge den witten voorgevel
van een ander kasteel, thans bewoond door den gewezen bisschop van
Straatsburg, Monseigneur Ræss, die zich zoo roemrijk onderscheiden en
zoo groote aanspraak op aller dankbaarheid verworven heeft gedurende
de treurige dagen van het beleg der stad in den nazomer van 1870. Van
het terras van het kasteel van Sigolsheim heeft men een der schoonste
uitzichten over de vlakte van den Elzas, waar de Fecht, wegduikende
onder den lommer der boomen, door de groene velden slingert. De
eerwaardige prelaat, dien wij met zijn gezegenden, krachtvollen
ouderdom geluk wenschen, beklaagt zich alleen over de zwakheid zijner
beenen. Nadat de bisschop, op zijn twee-en-negentigste jaar, een val
heeft gedaan, zijn die beenen niet meer zoo vlug als vroeger.
Terwijl wij een glaasje koppigen tokayer drinken, die in den tuin van
het kasteel groeit, deelt de oude bisschop ons zijne meening mede,
dat het welbekende Leugenveld, waar Lodewijk de Vrome door zijn leger
verraden werd, in de nabijheid van Sigolsheim is te zoeken. Althans
de kroniekschrijver Nithard zegt uitdrukkelijk dat het kamp van
de zonen des Keizers in de buurt van die plaats was opgeslagen:
_Juxtaque Sigwaldi montem castra ponunt_.--De tokayer, waarvan ik
zoo even sprak, komt van den wijnstok, uit Hongarije overgeplant door
Lazarus von Schwendi, den bekenden veldheer van Keizer Maximiliaan,
die de Turken bij Tokay versloeg. In 1563 ontving Schwendi, tot
belooning van zijne diensten, de heerlijkheid Hohenlandsberg, waartoe
ook Kientzheim behoorde. Hij woonde in het tegenwoordige kasteel
van Grolberg; in de kerk ziet men nog zijn grafsteen, met dien van
zijn zoon. De ridders zijn in hoog-relief, in volle wapenrusting,
blootshoofds, met het zwaard op zijde, de hand op hun helm en hun
ijzeren handschoenen.--Boven de poort van Kientzheim ziet ge, in den
steen uitgehouwen, een monsterachtigen kop, die tegen de voorbijgangers
de tong uitsteekt. Wil hij ze uitlachen, omdat zij van den wijn des
lands gedronken hebben?
De familie van Golberg is beroemd in de magistratuur. Een harer leden,
Philippe-Aimé, in 1786 te Colmar geboren, is een der schrijvers van
de _Antiquités de l'Alsace_, die hij met Godfried Schweighäuser heeft
uitgegeven. Schweighäuser was de zoon van den geleerden hellenist,
den uitgever van Appianus, Athenæus en Polybius; hij was professor in
de klassieke letterkunde aan de hoogeschool te Straatsburg. Philippe
de Golberg, raadsheer in het hof van appel te Colmar, vervolgens
procureur-generaal en lid van de Kamer van afgevaardigden, had
Schlosser en Niebuhr vertaald, belangrijke philologische studiën
geschreven over Tibullus, Cicero en Suetonius, en de beschrijving van
Zwitserland geleverd voor het _Univers pittoresque_ van Didot. Het
groote werk over de oudheden van den Elzas is eene aanvulling van
de _Alsatia illustrata_ van Schoepflin, in 1772 uitgegeven, en een
waardig monument van de archeologie des lands, eene bron, waaruit alle
volgende geschiedschrijvers steeds zullen moeten putten. Schoepflin
had vooral zijne aandacht gewijd aan de keltische en gallo-romeinsche
oudheden; evenzoo Oberlin en Silbermann, die evenwel ook de monumenten
uit de middeleeuwen binnen den kring hunner beschouwing begonnen
op te nemen. Golberg en Schweighäuser verdeelden den arbeid onder
elkander: de een bestudeerde de antiquiteiten en monumenten in het
departement van den Boven-Rijn, de andere in het departement van den
Beneden-Rijn. Hun gemeenschappelijken arbeid zag, in 1828, te Mulhausen
het licht, in twee groote, prachtig geïllustreerde folio deelen.
De oudheidkundige onderzoekingen en nasporingen worden in den Elzas
nog steeds met grooten ijver voortgezet. Er heeft zich eene speciale
commissie gevormd voor de instandhouding van de historische monumenten
des lands; haar voorzitter, de kanunnik Straub, is belast met de
uitgave van een tijdschrift, dat de belangstelling voor deze studie
levendig houdt. Staats- en gemeentebesturen werken ijverig mede en
verleenen met milde hand de noodige subsidiën, om de historische
monumenten in stand te houden en ze, voor zooveel dat binnen
menschelijk vermogen ligt, voor een ontijdigen ondergang te bewaren.