Het slaat tien uren als wij onzen intocht houden in Kaysersberg. De
oude toren van Barbarossa verheft zich in de lucht boven de
ouderwetsche puntgevels van de oude keizerlijke stad. De eene zijde
van den toren is in schaduw; de andere wordt verlicht door het bleeke
schijnsel der maan in haar laatste kwartier. Beneden ons hooren wij,
te midden der plechtige stilte, het murmelend ruischen van de Weiss,
die, even als wij, van Alspach komt. Er is niemand meer op straat te
zien. Slechts nu en dan, met groote tusschenruimten, hangen enkele
berookte lantarens aan dwars over de straat gespannen ijzerdraden,
en zenden haar flauwe stralen in duistere hoeken. Waarom ook zou
het gemeentebestuur geld uitgeven voor eene betere verlichting; gaan
niet de meeste menschen hier met de kippen op stok, zonder zelfs de
waarschuwing van den nachtwaker af te wachten? Daar komt hij ginds
juist den hoek om, de eerwaardige nachtwaker, met zijn hellebaard
in de rechter- en zijne doffe lantaren in de linkerhand. Daar heft
hij, met min of meer schorre stem, zijn lied aan, in het eigenaardig
lokaal dialekt:
Horihà wass ich eich well saïa:
D'glock het zeni g'schlaïa.
Hann sori zeu Fir un Liecht;
Dass i Gott un Maria b'hiet! [2]
Daar er behalve ons niemand op straat was, kon ik aan de verzoeking
geen weerstand bieden, om, op eenigen afstand achter hem, met luider
stemme zijn lied te herhalen: al moet ik toegeven dat dit weinig
strookte met mijne waardigheid als volksvertegenwoordiger. Verbaasd
over die onverwachte echo, stond de man eensklaps stil. Zijne aarzeling
duurt maar kort: wij zullen ondervinden dat de sergeant van de wacht
hem met den sterken arm zal bijstaan. Het is niet voor het eerst dat
zij met hun beiden nachtelijke zwervers hebben opgepakt, en hun geleerd
dat het in een geordenden staat niet voegt, de vertegenwoordigers
van de overheid in de uitoefening van hun ambt te bespotten.
"Kom aan, nachtwacht, laten wij ons niet boos maken. Ga liever,
met den sergeant van de wacht, met mij mede naar den bakker daar:
wij zullen daar warme broodjes eten en er een glas wijn bij drinken!"
De nachtwacht is een man die zijne wereld verstaat: glimlachend
antwoordt hij dat een oud soldaat geen glas Gleisberger mag
versmaden. Hij en de sergeant zullen gaarne van de partij zijn, zoodra
zij hunne ronde zullen hebben gedaan, die voor dit bijzonder geval
een weinig zal worden ingekort. Zoo gezegd, zoo gedaan. Tien minuten
later kloppen wij aan de deur van den bakker, die zich haast voor
de policie en haar beschermelingen den toegang tot zijne woning te
ontsluiten. Met ons vijven bij den vroolijk brandenden oven gezeten,
drinken wij ons glas blanken Geisberger, op de gezondheid van keizer
Barbarossa, wiens steenen beeld de pomp versiert, en eten met smaak
de geboterde broodjes, zoo heet uit den oven.
De klapperman van Kaysersberg is iemand, die de wereld gezien
heeft. Niemand is beter op de hoogte van de geschiedenis der goede
stad, zoowel in het verleden als in het tegenwoordige. Eer hij zijn
eersten rondgang begint, vertelt hij aan de kleine kinderen, die op
zijne knieën klauteren, een sprookje van den ouden tijd, waarbij zij
met open mond zitten te luisteren, al krijgen zij kippevel van de
akeligheid.--En wat er zoo al 's avonds en 's nachts gebeurt:--nu,
daar weet hij van mee te praten! Maar dat is het niet, wat ons belang
inboezemt: wij willen de geschiedenis van Kaysersberg vernemen: en onze
nachtwacht zal ons die geschiedenis vertellen, zoo goed als een boek.
Mag hij er niet trotsch op zijn, dat zijne vaderstad al in oude
dagen de zetel was van een rijksvoogd, legerhoofd en opperrechter
tevens, aan wiens gezag de rijkssteden Munster en Turckheim waren
onderworpen, zoowel als de onderdanen des keizers in de heerlijkheden
van Hohenlandsburg en Rappolstein? De aanstelling van dien keizerlijken
rijksvoogd was mede een gevolg van den brief, dien keizer Adolf van
Nassau, in 1293 aan de goede burgers van Kaysersberg verleende, en
waarbij hij hun al de rechten, vrijheden, privilegiën en keuren schonk
van Colmar. Naar luid der overlevering, zou het kasteel, waaraan de
stad haar eigenlijken ouden naam van Kaysersberg ontleent, gesticht
zijn door keizer Frederik Barbarossa, tot wiens familiebezittingen
ook de Elzas behoorde. Onze klapperman houdt natuurlijk aan de
traditie vast, ofschoon geen enkel dokument de waarheid daarvan
bevestigt. Het is gansch niet onwaarschijnlijk, dat reeds de Romeinen
hier een versterkt kamp of een wachtpost hadden, want daar de oude
romeinsche heerbaan van Mons Brisacus naar Tullum, van den Rijn dwars
door de Vogesen, hier juist door een soort van bergpas heenliep, was
dit punt van strategisch gewicht.--Van eene romeinsche nederzetting
is echter niets met zekerheid bekend: daarentegen staat het vast,
dat Kaysersberg, hetwelk toen gemeenschappelijk aan de graven van
Horburg en de heeren van Rappolstein behoorde, in het jaar 1226,
voor den schijnbaar zeer geringen prijs van tweehonderd-vijftig mark
zilver, door Hendrik, roomsch-koning en zoon van keizer Frederik II,
werd gekocht. Wölfelin, landvoogd van den Elzas, zou, naar men wil,
het kasteel gebouwd hebben: en wel om, met het oog op de vijandige
verhouding tusschen keizer Frederik II en den hertog van Lotharingen,
meester te zijn van den voornaamsten weg over de Vogesen. Het nut
van den maatregel bleek weldra: want in 1237 bood Kaysersberg een
hardnekkigen tegenstand aan den bisschop van Straatsburg, Hendrik
von Stahleck, die de zijde van den paus tegen den geëxcommuniceerden
keizer gekozen had. Maar het volgende jaar maakte de hertog van
Lotharingen zich, in naam van Innocentius III, van de stad meester,
geholpen door een deel der bezetting, welker trouw aan den keizer
door den pauselijken banvloek aan het wankelen was gebracht.
Eenmaal tot vrije stad verheven, kon het niet uitblijven of Kaysersberg
lokte een aantal vasallen en hoorigen uit de omliggende heerlijkheden
binnen hare muren. Zij breidde zich gaandeweg uit, en nam in bloei en
welvaart toe, maar toonde zich ook dankbaar jegens keizer en rijk,
aan wier bescherming zij zoo veel verschuldigd was. Steeds zond zij
getrouw hare gewapenden in het veld, naast die van Straatsburg en
Colmar, wanneer het er op aankwam, den overmoed en de rooverijen van
de landgraven te beteugelen, den rijksvrede te handhaven of den keizer
tegen zijne vijanden te steunen. De leden van den voornaamsten adel,
de Beyers, de Landsbergs, de Rathsamhausen, de Hattstadts, de Erbachs,
de Rappolsteins, de Schwendi's, de Furstenbergs, vervulden het ambt
van rijksvoogd van Kaysersberg, dat somwijlen vereenigd was met dat
van landvoogd van den Elzas. Na zijn terugkeer uit Italië, vertoefde
Karel IV de geheele Meimaand van het jaar 1351 in het kasteel, en
riep daar de afgevaardigden bijeen der steden van den Elzas. In 1374
schonk diezelfde keizer aan de stad het toen zoo begeerde recht, om
den Joden te vergunnen, tegen betaling, binnen hare muren verblijf
te houden. De keizers Sigismund, Frederik III en Karel V begiftigden
de stad met nieuwe privilegiën. De laatste vergrooting greep plaats
onder de regeering van Sigismund, die haar vergunde, haar muren en
wallen naar den kant van Kientzheim uit te zetten, en tevens aan
Kientzheim verbood, die uitbreiding op eenige wijze te belemmeren. De
rijksvoogden, die meermalen elders resideerden, ontvingen steeds bij
de aanvaarding van hun ambt, den eed van trouw en gehoorzaamheid van de
burgers, waar tegenover zij zich verbonden, om de stad bij hare rechten
en vrijheden te bewaren. Het contingent van Kaysersberg onderscheidde
zich vooral in den oorlog, dien de steden van den Elzas tegen Karel
den Stoute voerden, met name in Zwitserland en bij het beleg van Nancy.
Mogen wij onzen klepperman gelooven, dan heeft geene enkele stad in
den Elzas ooit soldaten geleverd, of zal ooit soldaten leveren, die in
dapperheid en onversaagdheid met de wijngaardeniers van Kayserbergs
heuvelen zijn te vergelijken. Nu, terwijl wij bezig zijn, ons aan
dien wijn te goed te doen, zou het niet beleefd zijn, onzen braven
nachtwaker tegen te spreken. Maar wat die buitengewone dapperheid
zijner voorvaderen aangaat: hij kan toch niet loochenen dat de poorters
van Kaysersberg de zwakheid of de dwaasheid hebben gehad, te zwichten
voor de eischen der oproerige boeren en hun een contingent te leveren,
dat in het bloedige gevecht bij Scherweiler, den tienden Mei 1525,
voor het grootste gedeelte in de pan werd gehakt. Had Kaysersberg
bij die gelegenheid de zaak van keizer en rijk, dat wil zeggen,
hare eigene zaak, lafhartig verraden, het is niet meer dan billijk
te erkennen, dat de burgers zich overigens, tijdens de hervorming,
kenmerkten door hunne onwankelbare trouw aan de katholieke Kerk. Toen,
in 1523, de pastoor de luthersche leer in de kerk begon te verkondigen,
werd hij door zijne parochianen letterlijk dood geslagen. Korten tijd
daarna verdreven een troep vrouwen, met zeissen gewapend, een aantal
aanhangers van Luther, die van naburige plaatsen naar Kaysersberg
wilden trekken, om hun geloofsgenooten te hulp te komen. Johan
Geiler, de beroemde kanselredenaar, die tot aan zijn dood in 1510,
in de kathedraal van Straatsburg predikte, en wiens leerredenen,
vol vuur en oorspronkelijkheid, eene eerste plaats innemen onder de
uitnemendste proeven der toenmalige kanselwelsprekendheid, ontving
te Kaysersberg zijne opleiding.
Gedurende den dertigjarigen oorlog, viel Kaysersberg, ondanks
zijn sterk kasteel en zijne zware muren, in handen der Zweden,
zoo als trouwens ook met Ammerschweier en Turckheim het geval
was. Eenige jaren later werd de stad, bijna zonder slag of stoot,
genomen door eene afdeeling van het fransche leger onder de bevelen
van den maarschalk de La Force. Een deel van de fransche troepen
nam zijn intrek in den toen reeds half verwoesten burcht, waaruit
de keizerlijken, door de burgers geholpen, hen vergeefs trachtten
te verjagen. Sedert heeft Kaysersberg geen rol in de geschiedenis
meer gespeeld. Zij bleef aan het gezag van den koning van Frankrijk
onderworpen, en een fransche gouverneur trad in de plaats van den
keizerlijken rijksvoogd. Tegenwoordig is Kaysersberg gedaald tot den
rang van eene eenvoudige districtshoofdplaats.
Van welke zijde men de stad ook nadert, hetzij uit het dal, hetzij
van den kant der vlakte, steeds trekt de oude burcht het eerst uwe
aandacht, fier tronende op zijne rots, omgeven door de met wijngaarden
beplante heuvelen, waarboven zijn gekanteelde toren uitsteekt. De oude
poorten, waaronder de weg vroeger doorliep, zijn thans afgebroken;
de muren verbrokkelen tot puin, en de grachten groeien dicht. De muur
heeft nergens meer zijne oorspronkelijke hoogte behouden; maar nog
verheffen zich vier of vijf, deels ronde, deels vierkante torens boven
de wallen. Twee dezer torens bereiken eene aanzienlijke hoogte. Van
den burcht, die door een gekanteelden muur met de stad verbonden is,
heeft men een fraai uitzicht over den ingang der vallei en over de
vlakte, die aan den verren gezichteinder door den Kayserstuhl en de
bergen van het Schwarzwald wordt begrensd. Aan den uitgang der vallei
bespeurt ge Kientzheim en Sigolsheim, in een krans van wijnbergen. De
Weiss stroomt voor een gedeelte om de stad en voedt ook een zijkanaal,
dat ten behoeve der molens en fabrieken is aangelegd; dit kanaal loop
ten deele onder de huizen door. Over de rivier ligt eene steenen brug
met twee bogen, die ter wederzijde door gekanteelde muren, bij wijze
van leuningen, is omgeven en in het midden versierd met een kapelletje,
waarin het beeld is geplaatst van Johannes Nepomucenus. Deze brug is
minstens drie eeuwen oud.
De toren van den ouden burcht is rond. Door de zorg van den Club
der Vogesen heeft men van binnen een nieuwe wenteltrap aangebracht,
die naar het door een muur omgeven plat voert. Hoewel de toren niet
met gehouwen steenen is bekleed,--hetgeen vreemd genoeg schijnt,
want de naburige steengroeven bieden voortreffelijk materiaal in
overvloed,--maakt hij nog, in spijt van de verwoestingen door den
tijd aangericht, eene fiere, krijgshaftige figuur. Hoe vast en stout
en trotsch staat hij daar op zijn rotsheuvel, de kloeke toren van
den ouden keizerlijken burcht. Zijne hoogte bedraagt zeventig voet;
de hoofdingang, waarheen men langs een ladder of trap moet opklimmen,
bevindt zich ter halver hoogte.
Zoo men, ten behoeve van het verkeer, de oude poorten van Kaysersberg
heeft moeten afbreken, zijn toch, aan de beide uiteinden van de
hoofdstraat, de met kolommen versierde wachthuizen blijven staan. En
niet alleen zijn er wachthuizen aan de ingangen der stad, maar er
is nog een derde in het midden, dicht bij het stadhuis.--Hoewel de
straten eigenlijk te nauw zijn, springen de bovenverdiepingen der
huizen nog vooruit, waardoor het verkeer nog meer belemmerd wordt;
gezwegen nog van de hoopen wingerdstaken en druivenmoer, die in de
maand November de zijstraatjes geheel versperren. De oude huizen, met
hun spitse gevels en hooge puntdaken, prijken doorgaans met allerlei
snijwerk in hout, dat dikwijls niet van kunstwaarde ontbloot is,
en in ieder geval aan die huizen een pittoresk voorkomen geeft. Even
als elders in den Elzas, zoo heeft ook hier de overgangstijd uit de
middeleeuwen naar de renaissance op Kaysersberg dien karakteristieken
stempel gedrukt, die ons uit vele andere steden, voornamelijk in het
midden en het zuiden van Duitschland, bekend is. De moderne witkwast,
die alle beeldwerken en versieringen van den goeden ouden tijd op
de gevels der huizen onder een laag kalk of pleister bedekt, draagt
vooral niet tot verfraaiing bij en getuigt allerminst voor onzen
smaak en kunstzin. Hij, die het pittoreske, het karakteristieke en
eigenaardige dier oude gevelversieringen bemint, kan niet anders
dan er zich hartelijk over verheugen, wanneer de afschuwelijke domme
kalklaag bij geheele stukken afvalt, en alzoo op nieuw de verborgen,
naïeve schoonheden voor den dag komen, die onverstand en eene redelooze
mode aan het oog onttrokken hadden. Op de binnenplaats van het huis
van den heer Bägert, burgemeester van Kaysersberg, wordt uwe aandacht
getrokken door een put in den stijl der duitsche renaissance, met
zeer veel smaak versierd, en voorzien van dit vierregelig versje,
ten nutte der voorbijgangers:
Drinks tu Wasser in dein Kragen
Uber Disch, es kalt den Magen
Drink mässig alten, subtilen Wein,
Rath ich, und lass mich Wasser sein. [3]