XI

Het slaat tien uren als wij onzen intocht houden in Kaysersberg. De

oude toren van Barbarossa verheft zich in de lucht boven de

ouderwetsche puntgevels van de oude keizerlijke stad. De eene zijde

van den toren is in schaduw; de andere wordt verlicht door het bleeke

schijnsel der maan in haar laatste kwartier. Beneden ons hooren wij,

te midden der plechtige stilte, het murmelend ruischen van de Weiss,

die, even als wij, van Alspach komt. Er is niemand meer op straat te

zien. Slechts nu en dan, met groote tusschenruimten, hangen enkele

berookte lantarens aan dwars over de straat gespannen ijzerdraden,

en zenden haar flauwe stralen in duistere hoeken. Waarom ook zou

het gemeentebestuur geld uitgeven voor eene betere verlichting; gaan

niet de meeste menschen hier met de kippen op stok, zonder zelfs de

waarschuwing van den nachtwaker af te wachten? Daar komt hij ginds

juist den hoek om, de eerwaardige nachtwaker, met zijn hellebaard

in de rechter- en zijne doffe lantaren in de linkerhand. Daar heft

hij, met min of meer schorre stem, zijn lied aan, in het eigenaardig

lokaal dialekt:

Horihà wass ich eich well saïa:

D'glock het zeni g'schlaïa.

Hann sori zeu Fir un Liecht;

Dass i Gott un Maria b'hiet! [2]

Daar er behalve ons niemand op straat was, kon ik aan de verzoeking

geen weerstand bieden, om, op eenigen afstand achter hem, met luider

stemme zijn lied te herhalen: al moet ik toegeven dat dit weinig

strookte met mijne waardigheid als volksvertegenwoordiger. Verbaasd

over die onverwachte echo, stond de man eensklaps stil. Zijne aarzeling

duurt maar kort: wij zullen ondervinden dat de sergeant van de wacht

hem met den sterken arm zal bijstaan. Het is niet voor het eerst dat

zij met hun beiden nachtelijke zwervers hebben opgepakt, en hun geleerd

dat het in een geordenden staat niet voegt, de vertegenwoordigers

van de overheid in de uitoefening van hun ambt te bespotten.

"Kom aan, nachtwacht, laten wij ons niet boos maken. Ga liever,

met den sergeant van de wacht, met mij mede naar den bakker daar:

wij zullen daar warme broodjes eten en er een glas wijn bij drinken!"

De nachtwacht is een man die zijne wereld verstaat: glimlachend

antwoordt hij dat een oud soldaat geen glas Gleisberger mag

versmaden. Hij en de sergeant zullen gaarne van de partij zijn, zoodra

zij hunne ronde zullen hebben gedaan, die voor dit bijzonder geval

een weinig zal worden ingekort. Zoo gezegd, zoo gedaan. Tien minuten

later kloppen wij aan de deur van den bakker, die zich haast voor

de policie en haar beschermelingen den toegang tot zijne woning te

ontsluiten. Met ons vijven bij den vroolijk brandenden oven gezeten,

drinken wij ons glas blanken Geisberger, op de gezondheid van keizer

Barbarossa, wiens steenen beeld de pomp versiert, en eten met smaak

de geboterde broodjes, zoo heet uit den oven.

De klapperman van Kaysersberg is iemand, die de wereld gezien

heeft. Niemand is beter op de hoogte van de geschiedenis der goede

stad, zoowel in het verleden als in het tegenwoordige. Eer hij zijn

eersten rondgang begint, vertelt hij aan de kleine kinderen, die op

zijne knieën klauteren, een sprookje van den ouden tijd, waarbij zij

met open mond zitten te luisteren, al krijgen zij kippevel van de

akeligheid.--En wat er zoo al 's avonds en 's nachts gebeurt:--nu,

daar weet hij van mee te praten! Maar dat is het niet, wat ons belang

inboezemt: wij willen de geschiedenis van Kaysersberg vernemen: en onze

nachtwacht zal ons die geschiedenis vertellen, zoo goed als een boek.

Mag hij er niet trotsch op zijn, dat zijne vaderstad al in oude

dagen de zetel was van een rijksvoogd, legerhoofd en opperrechter

tevens, aan wiens gezag de rijkssteden Munster en Turckheim waren

onderworpen, zoowel als de onderdanen des keizers in de heerlijkheden

van Hohenlandsburg en Rappolstein? De aanstelling van dien keizerlijken

rijksvoogd was mede een gevolg van den brief, dien keizer Adolf van

Nassau, in 1293 aan de goede burgers van Kaysersberg verleende, en

waarbij hij hun al de rechten, vrijheden, privilegiën en keuren schonk

van Colmar. Naar luid der overlevering, zou het kasteel, waaraan de

stad haar eigenlijken ouden naam van Kaysersberg ontleent, gesticht

zijn door keizer Frederik Barbarossa, tot wiens familiebezittingen

ook de Elzas behoorde. Onze klapperman houdt natuurlijk aan de

traditie vast, ofschoon geen enkel dokument de waarheid daarvan

bevestigt. Het is gansch niet onwaarschijnlijk, dat reeds de Romeinen

hier een versterkt kamp of een wachtpost hadden, want daar de oude

romeinsche heerbaan van Mons Brisacus naar Tullum, van den Rijn dwars

door de Vogesen, hier juist door een soort van bergpas heenliep, was

dit punt van strategisch gewicht.--Van eene romeinsche nederzetting

is echter niets met zekerheid bekend: daarentegen staat het vast,

dat Kaysersberg, hetwelk toen gemeenschappelijk aan de graven van

Horburg en de heeren van Rappolstein behoorde, in het jaar 1226,

voor den schijnbaar zeer geringen prijs van tweehonderd-vijftig mark

zilver, door Hendrik, roomsch-koning en zoon van keizer Frederik II,

werd gekocht. Wölfelin, landvoogd van den Elzas, zou, naar men wil,

het kasteel gebouwd hebben: en wel om, met het oog op de vijandige

verhouding tusschen keizer Frederik II en den hertog van Lotharingen,

meester te zijn van den voornaamsten weg over de Vogesen. Het nut

van den maatregel bleek weldra: want in 1237 bood Kaysersberg een

hardnekkigen tegenstand aan den bisschop van Straatsburg, Hendrik

von Stahleck, die de zijde van den paus tegen den geëxcommuniceerden

keizer gekozen had. Maar het volgende jaar maakte de hertog van

Lotharingen zich, in naam van Innocentius III, van de stad meester,

geholpen door een deel der bezetting, welker trouw aan den keizer

door den pauselijken banvloek aan het wankelen was gebracht.

Eenmaal tot vrije stad verheven, kon het niet uitblijven of Kaysersberg

lokte een aantal vasallen en hoorigen uit de omliggende heerlijkheden

binnen hare muren. Zij breidde zich gaandeweg uit, en nam in bloei en

welvaart toe, maar toonde zich ook dankbaar jegens keizer en rijk,

aan wier bescherming zij zoo veel verschuldigd was. Steeds zond zij

getrouw hare gewapenden in het veld, naast die van Straatsburg en

Colmar, wanneer het er op aankwam, den overmoed en de rooverijen van

de landgraven te beteugelen, den rijksvrede te handhaven of den keizer

tegen zijne vijanden te steunen. De leden van den voornaamsten adel,

de Beyers, de Landsbergs, de Rathsamhausen, de Hattstadts, de Erbachs,

de Rappolsteins, de Schwendi's, de Furstenbergs, vervulden het ambt

van rijksvoogd van Kaysersberg, dat somwijlen vereenigd was met dat

van landvoogd van den Elzas. Na zijn terugkeer uit Italië, vertoefde

Karel IV de geheele Meimaand van het jaar 1351 in het kasteel, en

riep daar de afgevaardigden bijeen der steden van den Elzas. In 1374

schonk diezelfde keizer aan de stad het toen zoo begeerde recht, om

den Joden te vergunnen, tegen betaling, binnen hare muren verblijf

te houden. De keizers Sigismund, Frederik III en Karel V begiftigden

de stad met nieuwe privilegiën. De laatste vergrooting greep plaats

onder de regeering van Sigismund, die haar vergunde, haar muren en

wallen naar den kant van Kientzheim uit te zetten, en tevens aan

Kientzheim verbood, die uitbreiding op eenige wijze te belemmeren. De

rijksvoogden, die meermalen elders resideerden, ontvingen steeds bij

de aanvaarding van hun ambt, den eed van trouw en gehoorzaamheid van de

burgers, waar tegenover zij zich verbonden, om de stad bij hare rechten

en vrijheden te bewaren. Het contingent van Kaysersberg onderscheidde

zich vooral in den oorlog, dien de steden van den Elzas tegen Karel

den Stoute voerden, met name in Zwitserland en bij het beleg van Nancy.

Mogen wij onzen klepperman gelooven, dan heeft geene enkele stad in

den Elzas ooit soldaten geleverd, of zal ooit soldaten leveren, die in

dapperheid en onversaagdheid met de wijngaardeniers van Kayserbergs

heuvelen zijn te vergelijken. Nu, terwijl wij bezig zijn, ons aan

dien wijn te goed te doen, zou het niet beleefd zijn, onzen braven

nachtwaker tegen te spreken. Maar wat die buitengewone dapperheid

zijner voorvaderen aangaat: hij kan toch niet loochenen dat de poorters

van Kaysersberg de zwakheid of de dwaasheid hebben gehad, te zwichten

voor de eischen der oproerige boeren en hun een contingent te leveren,

dat in het bloedige gevecht bij Scherweiler, den tienden Mei 1525,

voor het grootste gedeelte in de pan werd gehakt. Had Kaysersberg

bij die gelegenheid de zaak van keizer en rijk, dat wil zeggen,

hare eigene zaak, lafhartig verraden, het is niet meer dan billijk

te erkennen, dat de burgers zich overigens, tijdens de hervorming,

kenmerkten door hunne onwankelbare trouw aan de katholieke Kerk. Toen,

in 1523, de pastoor de luthersche leer in de kerk begon te verkondigen,

werd hij door zijne parochianen letterlijk dood geslagen. Korten tijd

daarna verdreven een troep vrouwen, met zeissen gewapend, een aantal

aanhangers van Luther, die van naburige plaatsen naar Kaysersberg

wilden trekken, om hun geloofsgenooten te hulp te komen. Johan

Geiler, de beroemde kanselredenaar, die tot aan zijn dood in 1510,

in de kathedraal van Straatsburg predikte, en wiens leerredenen,

vol vuur en oorspronkelijkheid, eene eerste plaats innemen onder de

uitnemendste proeven der toenmalige kanselwelsprekendheid, ontving

te Kaysersberg zijne opleiding.

Gedurende den dertigjarigen oorlog, viel Kaysersberg, ondanks

zijn sterk kasteel en zijne zware muren, in handen der Zweden,

zoo als trouwens ook met Ammerschweier en Turckheim het geval

was. Eenige jaren later werd de stad, bijna zonder slag of stoot,

genomen door eene afdeeling van het fransche leger onder de bevelen

van den maarschalk de La Force. Een deel van de fransche troepen

nam zijn intrek in den toen reeds half verwoesten burcht, waaruit

de keizerlijken, door de burgers geholpen, hen vergeefs trachtten

te verjagen. Sedert heeft Kaysersberg geen rol in de geschiedenis

meer gespeeld. Zij bleef aan het gezag van den koning van Frankrijk

onderworpen, en een fransche gouverneur trad in de plaats van den

keizerlijken rijksvoogd. Tegenwoordig is Kaysersberg gedaald tot den

rang van eene eenvoudige districtshoofdplaats.

Van welke zijde men de stad ook nadert, hetzij uit het dal, hetzij

van den kant der vlakte, steeds trekt de oude burcht het eerst uwe

aandacht, fier tronende op zijne rots, omgeven door de met wijngaarden

beplante heuvelen, waarboven zijn gekanteelde toren uitsteekt. De oude

poorten, waaronder de weg vroeger doorliep, zijn thans afgebroken;

de muren verbrokkelen tot puin, en de grachten groeien dicht. De muur

heeft nergens meer zijne oorspronkelijke hoogte behouden; maar nog

verheffen zich vier of vijf, deels ronde, deels vierkante torens boven

de wallen. Twee dezer torens bereiken eene aanzienlijke hoogte. Van

den burcht, die door een gekanteelden muur met de stad verbonden is,

heeft men een fraai uitzicht over den ingang der vallei en over de

vlakte, die aan den verren gezichteinder door den Kayserstuhl en de

bergen van het Schwarzwald wordt begrensd. Aan den uitgang der vallei

bespeurt ge Kientzheim en Sigolsheim, in een krans van wijnbergen. De

Weiss stroomt voor een gedeelte om de stad en voedt ook een zijkanaal,

dat ten behoeve der molens en fabrieken is aangelegd; dit kanaal loop

ten deele onder de huizen door. Over de rivier ligt eene steenen brug

met twee bogen, die ter wederzijde door gekanteelde muren, bij wijze

van leuningen, is omgeven en in het midden versierd met een kapelletje,

waarin het beeld is geplaatst van Johannes Nepomucenus. Deze brug is

minstens drie eeuwen oud.

De toren van den ouden burcht is rond. Door de zorg van den Club

der Vogesen heeft men van binnen een nieuwe wenteltrap aangebracht,

die naar het door een muur omgeven plat voert. Hoewel de toren niet

met gehouwen steenen is bekleed,--hetgeen vreemd genoeg schijnt,

want de naburige steengroeven bieden voortreffelijk materiaal in

overvloed,--maakt hij nog, in spijt van de verwoestingen door den

tijd aangericht, eene fiere, krijgshaftige figuur. Hoe vast en stout

en trotsch staat hij daar op zijn rotsheuvel, de kloeke toren van

den ouden keizerlijken burcht. Zijne hoogte bedraagt zeventig voet;

de hoofdingang, waarheen men langs een ladder of trap moet opklimmen,

bevindt zich ter halver hoogte.

Zoo men, ten behoeve van het verkeer, de oude poorten van Kaysersberg

heeft moeten afbreken, zijn toch, aan de beide uiteinden van de

hoofdstraat, de met kolommen versierde wachthuizen blijven staan. En

niet alleen zijn er wachthuizen aan de ingangen der stad, maar er

is nog een derde in het midden, dicht bij het stadhuis.--Hoewel de

straten eigenlijk te nauw zijn, springen de bovenverdiepingen der

huizen nog vooruit, waardoor het verkeer nog meer belemmerd wordt;

gezwegen nog van de hoopen wingerdstaken en druivenmoer, die in de

maand November de zijstraatjes geheel versperren. De oude huizen, met

hun spitse gevels en hooge puntdaken, prijken doorgaans met allerlei

snijwerk in hout, dat dikwijls niet van kunstwaarde ontbloot is,

en in ieder geval aan die huizen een pittoresk voorkomen geeft. Even

als elders in den Elzas, zoo heeft ook hier de overgangstijd uit de

middeleeuwen naar de renaissance op Kaysersberg dien karakteristieken

stempel gedrukt, die ons uit vele andere steden, voornamelijk in het

midden en het zuiden van Duitschland, bekend is. De moderne witkwast,

die alle beeldwerken en versieringen van den goeden ouden tijd op

de gevels der huizen onder een laag kalk of pleister bedekt, draagt

vooral niet tot verfraaiing bij en getuigt allerminst voor onzen

smaak en kunstzin. Hij, die het pittoreske, het karakteristieke en

eigenaardige dier oude gevelversieringen bemint, kan niet anders

dan er zich hartelijk over verheugen, wanneer de afschuwelijke domme

kalklaag bij geheele stukken afvalt, en alzoo op nieuw de verborgen,

naïeve schoonheden voor den dag komen, die onverstand en eene redelooze

mode aan het oog onttrokken hadden. Op de binnenplaats van het huis

van den heer Bägert, burgemeester van Kaysersberg, wordt uwe aandacht

getrokken door een put in den stijl der duitsche renaissance, met

zeer veel smaak versierd, en voorzien van dit vierregelig versje,

ten nutte der voorbijgangers:

Drinks tu Wasser in dein Kragen

Uber Disch, es kalt den Magen

Drink mässig alten, subtilen Wein,

Rath ich, und lass mich Wasser sein. [3]

Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 2 / 16 题