Enkele oudere heeren wisselen ter sluiks blikken en schijnen zich te
amuseeren. Mevr. Stockmann staat angstig op; Ejlif en Morten gaan
dreigend op de schooljongens af die leven maken. Aslaksen luidt de bel
en maant tot kalmte. Hovstad en Billing praten samen, zonder dat men hen
verstaat. Eindelijk wordt het weer stil_).
ASLAKSEN. De voorzitter verwacht dat de spreker zijn ondoordachte
woorden zal terugnemen.
DR. STOCKMANN. Nooit van mijn leven, mijnheer Aslaksen. Het is de groote
meerderheid in onze samenleving, die mij mijn vrijheid ontneemt en mij
wil verbieden de waarheid uit te spreken.
HOVSTAD. De meerderheid heeft altijd het recht aan hare zijde.
BILLING. En ook de waarheid, goddome!
DR. STOCKMANN. De meerderheid heeft nooit het recht aan hare zijde.
Nooit, zeg ik. Dat is een van die maatschappelijke leugens, waartegen
een vrij denkend man zich moet verzetten. Wie zijn het die de
meerderheid der bewoners van een land uitmaken? Zijn dat de knappe
menschen of de domme? Ik vermoed dat wij het daarover wel eens zullen
zijn dat de dommen in een gewoon overweldigende meerderheid over de
heele wijde wereld voorhanden zijn. Maar dat de dommen heerschen over de
verstandigen, dat kan voor den duivel, in der eeuwigheid niet zijn
zooals 't moet.
(_Rumoer en geschreeuw_).
DR. STOCKMANN. Jawel; overschreeuwen kunnen jullie me wel; maar
tegenspreken niet. De meerderheid bezit de _macht_ ... helaas ... maar
het _recht_ bezit zij niet. Het recht heb ik en nog een paar anderen, de
weinigen. De minderheid heeft altijd het recht.
(_Weer geweldig rumoer_).
HOVSTAD. Haha; dokter Stockmann is dus aristokraat geworden sedert
eergisteren!
DR. STOCKMANN. Ik heb gezegd dat ik geen woord verspillen zou aan den
kleinen benauwden, aamborstigen troep, die achtergebleven is. Daarmee
heeft het kloppende leven niets meer te maken. Maar ik denk aan de
weinigen, de enkelen onder ons, die zich al de jonge ontkiemende
waarheden hebben eigen gemaakt. Deze mannen staan als 't ware buiten,
tusschen de voorposten, zoover vooruitgeschoven dat de compacte
meerderheid nog niet tot daar opgerukt is, en dáár strijden zij voor
waarheden, die nog te jonggeboren zijn in de wereld van het bewustzijn,
om eenige meerderheid voor zich te kunnen hebben.
HOVSTAD. O, dus nu is de dokter revolutionair geworden?
DR. STOCKMANN. Ja, verdomd, dat ben ik, mijnheer Hovstad! Ik ben van
plan revolutie te maken tegen de leugen, dat de meerderheid in het bezit
van de waarheid zou zijn. Wat zijn dat voor waarheden waaromheen de
meerderheid zich gewoonlijk groepeert? Dat zijn waarheden die zoo'n
hoogen leeftijd bereikt hebben, dat ze op weg zijn van ouderdom in
elkaar te zakken. Maar als een waarheid zoo oud geworden is, dan is zij
ook goed op weg om een leugen te worden, mijne heeren!
(_Lachen en spottende uitdrukkingen_).
DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt mij gelooven of niet, maar waarheden zijn
volstrekt niet zulke taaie Methusalems als de menschen wel denken. Een
normaal gebouwde waarheid leeft ... laat ons zeggen ... in den regel een
zeventien à achttien, hoogstens twintig jaren; zelden langer. Maar zulke
bejaarde waarheden zijn altijd verschrikkelijk mager. En toch is het pas
dàn dat de meerderheid zich met hen bemoeit en ze de maatschappij
aanbeveelt als gezond geestelijk voedsel. Maar er zit niet veel
voedingswaarde in dergelijken kost, dat kan ik u verzekeren; en dat moet
ik als dokter toch weten. Al die meerderheids-waarheden zijn te
vergelijken met oud overjarig gerookt vleesch; ze zijn zoo iets als
ranzige, verschimmelde, pas gezouten hammen. En daar van daan komt al
die geestelijke scorbuut die overal in de samenleving voortwoekert.
ASLAKSEN. Het komt mij voor dat de geachte spreker wel eenigszins van
het onderwerp afwijkt.
BURGEM. STOCKMANN. Ik moet mij inderdaad aansluiten bij de opinie van
den voorzitter.
DR. STOCKMANN. Ik geloof dat je heelemaal niet wel bij 't hoofd bent,
Peter! Ik houd mij toch zoo streng aan mijn onderwerp als maar mogelijk
is. Want waarover ik spreken wil is immers juist dit, dat de massa, de
meerderheid, die duivelsche compacte majoriteit,... dat die het is, zeg
ik, die onze geestelijke levensbronnen vergiftigt en den grond onder
onze voeten verpest.
HOVSTAD. En dat zou de vrijzinnige meerderheid van ons volk doen, omdat
het verstandig genoeg is alleen de vaste en erkende waarheden te
huldigen?
DR. STOCKMANN. Och, mijn goede mijnheer Hovstad, praat toch niet van
vaste waarheden! De waarheden die de massa en de menigte erkennen, dat
zijn de waarheden die de strijders op de voorposten, in de dagen van
onze grootvaders, voor vaste waarheden hielden. Wij strijders op de
voorposten van heden, wij erkennen die niet meer; en ik geloof volstrekt
niet dat er één andere vaste waarheid bestaat, dan deze, dat geen enkele
maatschappij een gezond leven leiden kan berustend op dergelijke oude,
krachteloos waarheden.
HOVSTAD. Maar in plaats van hier in 't wilde te staan praten, zou het
wel aardig zijn als wij eens te hooren kregen, wat dat dan voor oude
krachtelooze waarheden zijn, waarvan wij leven.
(_Instemming van vele kanten_).
DR. STOCKMANN. Och, ik zou een heelen hoop van dien smerigen rommel bij
elkaar kunnen halen; maar voorloopig wil ik mij houden bij ééne erkende
waarheid, die eigenlijk een gemeene leugen is, maar waarvan toch zoowel
mijnheer Hovstad als de "Volksbode" en al de aanhangers van de
"Volksbode" leven.
HOVSTAD. En die is...?
DR. STOCKMANN. Dat is de leer die u van de voorvaders geërfd heeft en
die u gedachteloos uitbazuint in de heele wereld,... de leer, dat de
lagere klasse, de massa, de groote hoop, de kern des volks is,... dat
die het volk zelf is ... dat de gemeene man, deze onwetenden en
onontwikkelden in de samenleving, hetzelfde recht bezitten om te
veroordeelen of goed te keuren, te regeeren en te heerschen, als de
enkele geestelijk voorname persoonlijkheden.
BILLING. Dat heb ik nu toch, goddome....
HOVSTAD (_tegelijkertijd, roept_). Burgers, let op!
VERBITTERDE STEMMEN. Zoo? Zijn wij het volk niet? Zijn het alleen de
voorname lui die regeeren moeten!
EEN WERKMAN. Weg met dien man die daar staat te kletsen!
ANDEREN. Gooit hem er uit!
EEN BURGER (_schreeuwt_). Blaas op je hoorn, Evensen!
(_Geweldige trompettonen klinken; fluiten en een razend rumoer in de
zaal_).
DR. STOCKMANN (_als het leven een beetje bedaard is_). Maar weest toch
verstandig, menschen! Wil je dan niet een enkelen keer de stem der
waarheid hooren? Ik verlang immers volstrekt niet dat je het allemaal
terstond met mij eens zult zijn. Maar ik had toch zeker verwacht dat
mijnheer Hovstad mij gelijk geven zou, als hij even had nagedacht. Want
mijnheer Hovstad maakt er immers aanspraak op vrijdenker te zijn....
VERWONDERDE TWIJFELENDE VRAGEN: Vrijdenker, zegt hij? Wat? Is Hovstad
vrijdenker?
HOVSTAD (_roept_). Bewijs dat, dokter Stockmann! Wanneer heb ik dat ooit
laten drukken?
DR. STOCKMANN (_bedenkt zich even_). Daar heeft u waarachtig gelijk in!
Dien moed heeft u nog nooit gehad. Nou, ik wil u niet het vuur aan de
schenen leggen, mijnheer Hovstad. Laat ik die vrijdenker dan maar zijn.
En nu zal ik je allemaal uit de natuurkunde bewijzen dat de "Volksbode"
je schromelijk bij den neus heeft, als zij je vertelt, dat de
volksklasse, de massa en de menigte de ware kern van het volk is. Dat is
eenvoudig een courantenleugen, weet je! De volksklasse is niets anders
dan de ruwe stof waaruit het volk menschen maken moet.
(_Gebrom, gelach en onrust in de zaal_).
DR. STOCKMANN. Gaat het dan niet zoo met alle andere levende dingen in
de wereld? Wat een verschil is er niet tusschen gecultiveerde rasdieren
en gewone dieren? Kijk maar eens naar een gewone boerenkip. Wat voor
waarde heeft het vleesch van zoo'n verarmd gedierte? Niet veel,
waarachtig! En wat voor eieren legt zoo'n dier? Een maar half
fatsoenlijke kraai of raaf kan ongeveer even goede eieren leggen. Maar
neem eens een echt Spaansch of Japansch rashoen, of een voorname fazant
of kalkoen;... ja, dan zie je het verschil wel! En dan honden, met wie
wij menschen zoo verbazend nauw verwant zijn. Stel je nu eens eerst een
gewonen achterbuurthond voor,... zoo'n smerigen, ruigen gemeenen
straathond, die enkel langs de straat loopt en de muren van de huizen
bevuilt. En vergelijk dan zoo'n straathond eens met een poedel, die al
sedert vele geslachten uit een voornaam huis stamt, waar hij best eten
gekregen heeft en gelegenheid had om welluidende stemmen en muziek te
hooren. Geloof je niet dat de hersens van dien poedel heel anders
ontwikkeld zijn dan die van den straathond? Ja, daar kan je zeker van
zijn! Zulke jonge raspoedeltjes zijn het die afgericht worden tot de
ongeloofelijkste kunststukjes. Zulke dingen kan een gewone boerenhond
nooit leeren, al zou hij op zijn kop gaan staan.
(_Rumoer en grappen overal_).
EEN BURGER (_roept_). Wil u nu ook al honden van ons maken?
EEN TWEEDE. Wij zijn geen dieren, dokter!
DR. STOCKMANN. Ja, bij mijn ziel en zaligheid, wij zijn wèl dieren,
vadertje! Wij zijn zulke goede dieren, allemaal, als iemand maar kan
verlangen. Maar voorname dieren zijn er stellig niet veel onder ons.
O, er is een geweldige afstand tusschen poedel-menschen en
straathonden-menschen. En het grappige van de zaak is, dat mijnheer
Hovstad het geheel met mij eens is, zoolang wij over viervoetige dieren
spreken....
HOVSTAD. Ja, die laat ik voor wat ze zijn.
DR. STOCKMANN. Jawel; maar zoodra ik de wet op de tweevoetige toepas,
dan staat mijnheer Hovstad stop. Dan durft hij zijn eigen opinies niet
meer volhouden, zijn eigen gedachten niet meer uit-denken; dan gooit hij
de heele leer onderste boven, en verkondigt in de "Volksbode", dat
boerenkippen en straathonden ... dat juist die de pracht-exemplaren der
menagerie zijn. Maar zoo gaat het altijd, zoo lang iemand nog zijn
plebejische afkomst in het bloed zit en zoolang hij zich nog niet tot
geestelijke voornaamheid heeft opgewerkt.
HOVSTAD. Ik maak geen aanspraak op eenige voornaamheid. Ik stam af van
eenvoudige boeren; en ik ben er trotsch op dat mijn wortels reiken tot
diep onder in het volk, dat hier bespot wordt.
VELE WERKLIEDEN. Hoera Hovstad! Hoera! Hoera!
DR. STOCKMANN. Dat soort plebs waarvan ik spreek, dat vindt je niet
alleen daar beneden in de diepten, dat kruipt en wriemelt rondom ons
heen,... tot in de hoogste lagen der maatschappij. Kijkt maar eens naar
je eigen deftigen, eerzamen burgemeester! Mijn broer Peter is waarachtig
evengoed een plebejer, als anderen die er rondloopen....
(_Lachen en sissen_).
BURGEM. STOCKMANN. Ik protesteer tegen dergelijke persoonlijke
aanvallen....
DR. STOCKMANN (_onverstoorbaar_) ... en niet omdat hij evenals ik, van
een ouden, smerigen zeeroover uit Pommeren of ergens dien kant uit
afstamt,... want dat doen wij....
BURGEM. STOCKMANN. Absurde overlevering. Wordt ontkend!
DR. STOCKMANN. ... maar omdat hij de gedachten van zijn superieuren
denkt en altijd met hun opinie meegaat. De menschen die dàt doen, dat
zijn geestelijke plebejers; kijk, daarom is mijn trotsche broer Peter in
den grond zoo weinig voornaam ... en dientengevolge ook zoo weinig
vrijzinnig.
BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter...!
HOVSTAD. Dus zijn het de voornamen die vrijzinnig zijn hier in 't land?
Dat is een heel nieuwe openbaring.
(_Lachen in de vergadering_).
DR. STOCKMANN. Jawel; dat hoort ook nog bij mijn nieuwe ontdekking. En
ook dát hoort er nog bij, dat vrijzinnigheid ongeveer precies hetzelfde
is als moraliteit. En daarom zeg ik dat het volslagen onverantwoordelijk
is van de "Volksbode" dat zij, dag in dag uit, de dwaalleer verkondigt,
dat de massa, het gepeupel, de compacte meerderheid, de vrijzinnigheid
en de zedelijkheid in pacht zou hebben,... en dat slechtheid en
verdorvenheid en alle mogelijke geestelijke zwijnerij, iets zou zijn dat
voortvloeit uit beschaving, evenals al de smerigheid naar de badplaats
afvloeit van de leerlooierijen in het Molendal!
(_Rumoer en interrupties_).
DR. STOCKMANN (_onverstoorbaar; lacht in zijn ijver_). En toch kan
diezelfde "Volksbode" er over preeken dat de massa en het gepeupel
moeten worden opgeheven tot hooger leven. Maar voor den duivel, als de
leer der "Volksbode" steek hield, dan zou dat opheffen van het volk
precies hetzelfde beteekenen als het rechtstreeks in zijn verderf te
jagen! Maar gelukkig is het maar een oude overgeërfde volksleugen dat
beschaving demoraliseert. Neen, dom blijven, armoede, ellendige
levensomstandigheden, die doen dat duivelswerk! In een huis waar niet
gelucht en de grond niet geveegd wordt alledag ... mijn vrouw beweert
dat er ook gedweild moet worden; maar daarover kan verschil van meening
bestaan...; nu in zoo'n huis, beweer ik, verliezen de menschen in twee à
drie jaar de geschiktheid tot moreel denken en handelen. Gebrek aan
zuurstof verzwakt het geweten. En in zeer, zeer veel huizen in onze stad
schijnt groot gebrek aan zuurstof te zijn, als de heele compacte
meerderheid zoo gewetenloos kan zijn, dat zij de opkomst van de stad wil
gronden op een slijkbodem van leugen en bedrog.
ASLAKSEN. Zulk een grove beschuldiging mag men een heele maatschappij
niet in het gezicht werpen.
EEN HEER. Ik geef den voorzitter in overweging den spreker het woord te
ontnemen.
LAWAAIÏGE STEMMEN. Ja! ja! Juist! Ontneem hem het woord!
DR. STOCKMANN (_opbruisend_). Dan schreeuw ik de waarheid uit op alle
hoeken van de straten. Ik zal in dagbladen van andere plaatsen
schrijven! Het heele land zal weten hoe het hier gesteld is.
HOVSTAD. Het heeft er veel van of de dokter van plan is de heele stad te
ruïneeren.
DR. STOCKMANN. Ja, zooveel houd ik van mijn geboorteplaats, dat ik die
liever zou ruïneeren, dan ze te zien opbloeien op een leugen.
ASLAKSEN. Dat is sterk!
(_Rumoer en gefluit. Mevr. Stockmann kucht tevergeefs; de dokter hoort
het niet meer_).
HOVSTAD (_roept onder het rumoer door_). De man die den ondergang van
een heele maatschappij wenschen kan, moet een vijand der burgerij zijn!
DR. STOCKMANN (_in stijgende drift_). Daaraan is niets verbeurd dat een
leugenachtige maatschappij te gronde gaat! Die behoort met den grond
gelijk gemaakt te worden, zeg ik! Uitgeroeid als schadelijk gedierte
moesten zij worden allen, die in leugens leven! Ten slotte verpest je
het heele land; je brengt het zoo ver dat het heele land verdient onder
te gaan. En komt het eens zoo ver, dan zeg ik uit het volle van mijn
hart: laat het heele land ten onder gaan; laat het heele volk uitgeroeid
worden!
EEN MAN (_in de menigte_). Dat is de taal van een echten vijand des
volks!
BILLING. Daar klonk, goddome, de stem des volks!
De heele menigte (_schreeuwt_). Ja, ja, ja! Hij is een vijand des volks!
Hij haat zijn land! Hij haat het heele volk!
ASLAKSEN. Ik ben als burger en als mensch diep geschokt door wat ik heb
moeten aanhooren. Dokter Stockmann heeft zich ontpopt op een manier, als
ik nooit had kunnen droomen. Ik moet, helaas, de overtuiging deelen, die
achtenswaardige burgers zoo even uitspraken; en ik meen dat wij aan die
overtuiging uiting moeten geven door een besluit. Ik stel het volgende
voor: "De vergadering verklaart dat zij den badarts, dr. Thomas
Stockmann, beschouwt als een vijand des volks."
(_Stormachtig hoera-roepen en bijval. Een groote kring wordt om dr.
Stockmann gevormd en men fluit hem in zijn gezicht uit. Mevr. Stockmann
en Petra zijn opgestaan. Morten en Ejlif vechten met de andere
schooljongens, die ook gefloten hebben. Eenige volwassenen halen hen van
elkaar_).
DR. STOCKMANN (_tegen de fluiters_). O, jullie dwazen!... ik zeg je
dat....
ASLAKSEN (_luidt de bel_). De dokter heeft niet meer het woord. Een
formeele stemming moet plaats hebben; maar om persoonlijke gevoelens te
sparen moet het schriftelijk en zonder naam geschieden. Heeft u wit
papier, mijnheer Billing?
BILLING. Hier heb je allebei, blauw en wit papier....
ASLAKSEN (_komt van het podium af_). Zoo is 't mooi; op die manier gaat
het gauwer. Snij het in stukjes...; ziezoo, ja. (_tot de vergadering_)
Blauw beteekent neen; wit beteekent ja. Ik zal zelf rond gaan om de
stemmen op te nemen.
(_De burgemeester verlaat de zaal. Aslaksen en een paar andere burgers
gaan rond met de stukjes papier in hun hoed_).
EEN HEER (_tegen Hovstad_). Hoe zit dat toch met den dokter? Wat moet
men daar eigenlijk van denken?
HOVSTAD. U weet toch wel hoe hij altijd doorslaat.
EEN TWEEDE HEER (_tegen Billing_). Hoor eens; u komt daar immers wel aan
huis? Heeft u ooit gemerkt of de man drinkt?
BILLING. Ik weet goddome niet wat ik zeggen moet; als men er komt staat
er altijd grog op tafel.
EEN DERDE HEER. Neen, ik geloof eerder dat hij tusschenbeiden maalt.
DE EERSTE HEER. Er is misschien erfelijke krankzinnigheid in de familie?
BILLING. Dat kan wel zijn.
EEN VIERDE HEER. Neen, het is niets dan nijd; wraak over het een of
ander.
BILLING. Hij sprak wel dezer dagen van traktementsverhooging; maar die
heeft hij niet gekregen.
ALLE HEEREN (_eenstemmig_). Aha; dan is het gemakkelijk te begrijpen!
DE DRONKEN MAN (_in de menigte_). Ik wil een blauw hebben, dat wil ik!
En dan wil ik een wit ook hebben!
GEROEP. Daar is die dronken vent weer! Gooit hem er uit!
MORTEN KIIL (_komt naar den dokter toe_). Wel, Stockmann, zie je nu wel
wat er komt van zulke grappen?
DR. STOCKMANN. Ik heb mijn plicht gedaan.
MORTEN KIIL. Wat was dat wat je zei van de leerlooierijen in het
Molendal?
DR. STOCKMANN. Dat heeft u immers gehoord; ik zei dat daar van daan al
de smerigheid kwam.
MORTEN KIIL. Ben je van plan dát in de courant te zetten?
DR. STOCKMANN. Ik steek niets onder stoelen en banken.
MORTEN KIIL. Dat kan je duur te staan komen, Stockmann (_gaat weg_).
EEN DIKKE HEER (_gaat naar Horster toe. Groet de dames niet_). Zoo,
kapitein, u staat dus uw huis af aan volksvijanden?
HORSTER. Ik denk dat ik met mijn eigendom kan doen wat ik wil, mijnheer
Vik.
DE HEER. Dan zal u er zeker ook niets tegen hebben dat ik met mijn
eigendom evenzoo doe?
HORSTER. Wat bedoelt u daarmee, mijnheer Vik?
DE HEER. Morgen zal u nader van mij hooren (_hij keert zich om en gaat
heen_).
PETRA. Was dat uw reeder niet, kapitein?
HORSTER. Ja, dat was de groothandelaar Vik.
ASLAKSEN (_met de stembiljetten in de hand, stapt op het podium en luidt
de bel_). Mijne heeren, mag ik u bekend maken met den uitslag van de
stemming. Met alle stemmen tegen één....
EEN JONGERE HEER. Dat is de stem van dien dronken kerel!
ASLAKSEN. Met alle stemmen tegen één van een beschonken man, heeft deze
volksvergadering den badarts Dr. Thomas Stockmann voor een vijand des
volks verklaard! (_Geroep en teekenen van bijval_) Leve onze oude
eerwaardige burgerstand! (_weer bijvalsbetuigingen_) Leve onze bekwame
en werkzame burgemeester die zoo loyaal de stem des bloeds onderdrukt
heeft! (_hoera_) De vergadering is opgeheven (_komt van het podium af_).
BILLING. Leve de voorzitter!
DE HEELE MENIGTE. Hoera voor Aslaksen!
DR. STOCKMANN. Mijn hoed en mijn jas, Petra. Kapitein, heeft u plaats
aan boord voor passagiers naar de nieuwe wereld?
HORSTER. Voor u en de uwen zal er plaats gemaakt worden, dokter.
DR. STOCKMANN (_terwijl Petra hem in zijn jas helpt_). Goed. Kom
Katrine! Komt jongens!
(_Hij neemt den arm van zijn vrouw_).
MEVR. STOCKMANN (_zachtjes_). Lieve Thomas, laat ons achter uit gaan.
DR. STOCKMANN. Geen achterwegen, Katrine (_met verheffing van stem_). Je
zult nog hooren van den vijand des volks, vóór hij het stof van zijne
voeten schudt! Ik ben niet zoo zachtmoedig als een zeker iemand; ik zeg
niet: ik vergeef het je, want je weet niet wat je doet.
ASLAKSEN (_roept_). Dat is een godslasterlijke vergelijking, dokter
Stockmann!
BILLING. Dat is goddo.... Zoo iets is kras om aan te hooren voor een
ernstig man.
EEN GROVE STEM. Nou dreigt hij ook nog!
OPHITSEND GEROEP. Laat ons de ruiten bij hem inslaan! Smijt hem in de
fjord!
EEN MAN (_in de menigte_). Blaas op je hoorn, Evensen! Toet! Toet!
(_Hoorngeschetter, gefluit en woest getier. De dokter gaat met de zijnen
naar den uitgang. Horster baant hun een weg_).
DE HEELE MENIGTE (_joelt en krijscht achter hem aan_). Volksvijand!
Volksvijand! Volksvijand!
BILLING (_terwijl hij zijn notities rangschikt_). Neen, goddome, als ik
van avond bij de Stockmanns grog zou willen drinken! (_De vergaderden
stroomen naar den uitgang; het rumoer wordt buiten voortgezet. Van de
straat klinkt nog: Volksvijand! Volksvijand!_).
EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF.
* * * * *
VIJFDE BEDRIJF.
Dr. Stockmann's werkkamer. Boekenrekken en kasten met preparaten
langs de muren. Op den achtergrond een uitgang naar de voorkamer;
op den voorgrond links de deur naar de huiskamer. In den wand
rechts zijn twee ramen waarvan alle ruiten kapot zijn. Midden in de
kamer staat Dr.'s schrijftafel, bedekt met boeken en papieren. De
kamer is in wanorde. Voormiddag.
Dr. Stockmann in chambercloak en pantoffels en zijn kalotje op,
staat gebogen en port met een parapluie onder een van de kasten;
eindelijk haalt hij er een steen onderuit.
* * * * *
DR. STOCKMANN (_spreekt door de open deur van de huiskamer_). Hier heb
ik er nog een gevonden, Katrine!
MEVR. STOCKMANN (_in de huiskamer_). O, je zult er stellig nog een
heeleboel vinden.
DR. STOCKMANN (_legt den steen bij een stapel andere op de tafel_). Die
steenen zal ik bewaren als relieken. Ejlif en Morten moeten ze dagelijks
voor oogen hebben. En als zij groot zijn zullen zij ze van mij erven
(_port onder een boekenrek_). Is zij ... hoe bliksem heet zij nu ook
weer ... zij ... die deern ... is zij nog niet naar den glazenmaker
geweest?
MEVR. STOCKMANN (_komt binnen_). Jawel, maar hij zei dat hij niet wist
of hij van daag zou kunnen komen.
DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij niet durft.
MEVR. STOCKMANN. Neen, Randine dacht ook dat hij niet durfde voor de
buren (_spreekt in de huiskamer_). Wat is er Randine? O zoo (_gaat de
kamer in en komt dadelijk terug_). Hier is een brief voor je, Thomas.
DR. STOCKMANN. Laat zien (_opent hem en leest_). Jawel.
MEVR. STOCKMANN. Van wie is die?
DR. STOCKMANN. Van den huisbaas. Hij zegt ons de huur op.
MEVR. STOCKMANN. Is 't heusch waar? Hij zoo'n fatsoenlijke man....
DR. STOCKMANN (_kijkt in den brief_). Hij kan niet anders, zegt hij. Hij
doet het zeer ongaarne, maar hij durft niet anders ... om zijn
medeburgers ... om de publieke opinie ... hij is afhankelijk ... durft
niet zekere invloedrijke mannen voor het hoofd te stooten....
MEVR. STOCKMANN. Nu zie je toch eens, Thomas.
DR. STOCKMANN. Jawel, ik zie het wel; ze zijn laf allemaal hier in de
stad; niemand durft iets om al de andere menschen (_slingert den brief
over den grond_). Maar wat kan ons dat schelen, Katrine. Wij trekken
toch naar de nieuwe wereld, en dus....
MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, heb je daar wel goed over nagedacht
... over die reis?
DR. STOCKMANN. Moest ik misschien liever hier blijven, waar ze mij als
een volksvijand aan den schandpaal hebben te pronk gesteld en
gebrandmerkt, en mijn ruiten hebben ingeslagen! En kijk eens hier,
Katrine, ze hebben een groote scheur in mijn zwarte broek ook gemaakt.
MEVR. STOCKMANN. Och Hemel! en dat is nog al je beste!
DR. STOCKMANN. Een mensch moet nooit zijn beste broek aantrekken als hij
uitgaat om te strijden voor vrijheid en waarheid. Van die broek kan het
mij nu zoo veel niet schelen, zie je; want die kan jij toch wel weer
voor mij opknappen. Maar dat het grauw, het gepeupel het waagt mij te
lijf te gaan alsof ze mijn gelijken waren ... dat kan ik in der
eeuwigheid niet verkroppen!
MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, ze zijn hier afschuwelijk ruw en grof tegen
je geweest; maar moeten wij daarom nu heelemaal naar een ander land
trekken?