brutaal is als hier? Och ja, dat is overal lood om oud ijzer. Nou, ze
doen maar; laat de straathonden maar keffen; dat is het ergste niet; het
ergste is dat alle menschen, het heele land door, partij-slaven zijn.
Niet dat het in het vrije Westen misschien niet even erg is; daar voeren
de compacte meerderheid en de liberale publieke opinie en de heele
andere duivelsche rommel ook al den boventoon. Maar daar gaat alles meer
in het groot, zie je; ze kunnen iemand doodslaan, maar hem langzaam
martelen doen ze niet; ze binden een vrije ziel niet op de pijnbank vast
zooals hier. En als de nood dringt kan je de dingen ten minste ontloopen
(_loopt door de kamer_). Als ik maar wist waar ik een oerwoud of een
Zuidzee-eilandje voor een prikje koopen kon!...
MEVR. STOCKMANN. Ja maar, de jongens, Thomas?
DR. STOCKMANN (_staat stil_). Wat ben je toch een rare, Katrine! Wou je
liever dat de jongens hier zouden opgroeien in zoo'n maatschappij als de
onze? Je zei toch zelf gisteren avond dat de helft van het volk
stapelgek is; en als de andere helft het nog niet is, dan komt dat omdat
het stom vee is dat geen verstand te verliezen heeft.
MEVR. STOCKMANN. Ja, maar, Thomas-lief, je bent ook zoo onvoorzichtig in
je spreken.
DR. STOCKMANN. Wat! Is het misschien niet waar wat ik zeg? Keeren ze
niet alle begrippen onderste boven? Roeren ze niet recht en onrecht in
een pot door elkaar? Noemen ze niet alles leugen wat ik _weet_ dat
waarheid is? Maar het allerdolste is dat hier troepen volwassen menschen
rondloopen die zichzelf en anderen wijsmaken dat ze vrijzinnig zijn. Heb
je ooit zoo iets meer gehoord, Katrine?
MEVR. STOCKMANN. Ja, ja, zeker, dat is gewoon gek, maar....
(_Petra komt de huiskamer binnen_).
MEVR. STOCKMANN. Ben je nu al terug van school?
PETRA. Ja; ik heb mijn congé gekregen.
MEVR. STOCKMANN. Je congé!
DR. STOCKMANN. Jij ook al!
PETRA. Mevrouw Busch zei dat ze mij ontslaan moest; en toen vond ik het
maar beter om dadelijk te gaan.
DR. STOCKMANN. Daaraan heb je goed gedaan, waarachtig.
MEVR. STOCKMANN. Wie zou gedacht hebben dat die mevrouw Busch zoo slecht
was!
PETRA. Och moeder, mevrouw Busch is heusch niet slecht; ik zag duidelijk
hoeveel verdriet het haar deed. Maar zij durfde niet anders, zei zij; en
dus kreeg ik mijn ontslag.
DR. STOCKMANN (_wrijft zich lachend de handen_). Zij durfde niet anders,
zij ook al niet! O dat is prachtig!
MEVR. STOCKMANN. Och ja, dat gemeene spektakel van gisteren....
PETRA. Dat was het niet alleen. Nu moet je eens hooren, vader!
DR. STOCKMANN. Wel?
PETRA. Mevrouw Busch liet mij niet minder dan drie brieven zien, die zij
van morgen gekregen had....
DR. STOCKMANN. Zeker zonder onderteekening?
PETRA. Ja.
DR. STOCKMANN. Ja, want zij _durven_ hun naam er niet onder zetten,
Katrine!
PETRA. En in twee daarvan stond, dat een heer die hier aan huis komt,
gisteren avond in de club verteld had, dat ik zulke verregaand vrije
begrippen had over verschillende dingen....
DR. STOCKMANN. En dat ontkende je zeker niet?
PETRA. Neen, dat kan je begrijpen. Mevrouw Busch heeft zelf ook nog al
vrije begrippen, als we onder vier oogen zijn; maar nu dit van mij
bekend geworden is, durfde zij mij niet langer houden.
MEVR. STOCKMANN. En te denken dat het iemand is die hier aan huis komt!
Nu zie je eens wat je terugkrijgt voor je gastvrijheid, Thomas!
DR. STOCKMANN. We blijven niet langer in dien smeerboel. Pak den boel
maar in, zoo gauw je kunt, Katrine; laten wij er hoe eer hoe beter uit
trekken!
MEVR. STOCKMANN. Stil eens; ik geloof dat er iemand in de gang is. Ga
eens even kijken, Petra.
PETRA (_doet de deur open_). O, is u het, kapitein? Kom binnen
alsjeblieft.
HORSTER (_uit de voorkamer_). Goeden dag. Ik dacht ik moest toch eens
even gaan kijken hoe u het heeft.
DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Dank u; dat is heel vriendelijk.
MEVR. STOCKMANN. En dank u nog wel dat u ons er door hielp, kapitein.
PETRA. Maar hoe is ù nog thuis gekomen?
HORSTER. O, dat ging wel. Ik ben nog al pootig uitgevallen en de meesten
zijn toch maar helden met hun mond.
DR. STOCKMANN. Ja, zeg, is het niet merkwaardig dat ze zoo beroerd laf
zijn? Kom eens hier, dan zal ik u wat laten zien! Kijk, hier liggen al
de steenen die ze door de glazen gesmeten hebben. Bekijk ze maar eens!
Er zijn waarachtig in den heelen hoop, niet meer dan twee ordentelijke
flinke keisteenen,... de rest is niets anders dan gruis,... enkel klein
grut; en toch stonden zij daarbuiten te krijschen en te zweren dat ze
mij zouden vermoorden. Maar handelen ... handelen ... neen, daarvan zie
je hier niet veel!
HORSTER. Dat was in dit geval ook maar het beste voor u, dokter.
DR. STOCKMANN. Dat was het zeker. Maar ergerlijk is het toch. Want komt
het eens tot een ernstige, voor het land gewichtige botsing, dan zal u
zien dat de publieke opinie haar beenen op neemt en de compacte
meerderheid er van door gaat, als een troep wilde zwijnen. Dát is juist
zoo'n droevige gedachte, dat doet mij zoo innig verdriet.... Maar wat
duivel, dat zijn toch eigenlijk maar dwaasheden zulke dingen. Hebben zij
gezegd dat ik een volksvijand ben, laat mij dan ook maar een volksvijand
zijn.
MEVR. STOCKMANN. Maar dat wordt je toch nooit, Thomas.
DR. STOCKMANN. Daar moet je geen eed op doen, Katrine. Een hatelijk
woord kan werken als een speldenprik in de longen. En dat vervloekte
woord ... dat kan ik maar niet kwijt raken. Dat heeft zich daar vast
gezet, vlak onder mijn hart, dat ligt daar en graaft zich in en zuigt
als 't ware zure sappen op. En daar helpt geen magnesia tegen!
PETRA. Poeh, je moet er maar om lachen, vader.
HORSTER. De menschen zullen nog wel eens tot andere gedachten komen,
dokter.
MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, daar kan je zoo zeker van zijn als dat je
hier staat.
DR. STOCKMANN. Ja, misschien, als het te laat is. Maar dat zou hun
verdiende loon zijn! Dan kunnen ze hier in hun smeerboel zitten en het
berouwen dat ze een patriot het land hebben uitgejaagd. Wanneer zeilt u
uit, kapitein?
HORSTER. Hm,... daar kwam ik eigenlijk juist eens over spreken....
DR. STOCKMANN. Is er iets niet in orde met het schip?
HORSTER. Neen; maar het is zóó gelegen, dat ik niet mee ga.
PETRA. Ze hebben u toch niet uw congé gegeven?
HORSTER (_glimlacht_). Ja, dat is het juist.
PETRA. U ook al!
MEVR. STOCKMANN. Daar heb je het nu, Thomas.
DR. STOCKMANN. En dat ook al om de waarheid? O; als ik zoo iets had
kunnen denken....
HORSTER. Daar moet u verder maar niet over denken; ik vind wel weer een
betrekking bij een of andere reederij in een andere plaats.
DR. STOCKMANN. En dat die Vik ... een groothandelaar, een vermogend man
... absoluut Foei, foei!
HORSTER. Hij is anders heel goed; en hij zei zelf dat hij mij graag had
gehouden, als hij maar durfde....
DR. STOCKMANN. Maar hij durfde niet? Neen dat spreekt!
HORSTER. Het was zoo gemakkelijk niet, zei hij, als je tot een partij
behoorde....
DR. STOCKMANN. Dat was een waar woord van den eerwaardigen man! Een
partij, dat is iets als een hakmachine, daarin worden alle hoofden tot
brei gemalen; en daarom zijn het ook allemaal zwakhoofden, en
paphoofden, de heele troep.
MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas toch!
PETRA (_tegen Horster_). Misschien zou het zoo ver niet gekomen zijn als
u ons niet naar huis had gebracht.
HORSTER. Ik heb er geen berouw van.
PETRA (_reikt hem de hand_). Dank u.
HORSTER (_tegen den dokter_). En nu wou ik u zeggen, dat als u volstrekt
weggaan wil, dan weet ik wel een andere oplossing....
DR. STOCKMANN. Mooi zoo; als we maar weg komen....
MEVR. STOCKMANN. Stil; werd daar niet geklopt?
PETRA. Dat is zeker oom.
DR. STOCKMANN. Aha! (_roept_). Binnen!
MEVR. STOCKMANN. Lieve Thomas, toe beloof mij nu....
(_Burgem. Stockmann komt uit de voorkamer_).
BURGEM. STOCKMANN (_in de deur_). O, je bent bezig. Ja, dan zal ik
liever....
DR. STOCKMANN. Neen, neen; kom maar binnen.
BURGEM. STOCKMANN. Maar ik wenschte je onder vier oogen te spreken.
MEVR. STOCKMANN. Wij zullen zoo lang in de huiskamer gaan.
HORSTER. En ik kom straks nog wel terug.
DR. STOCKMANN. Neen, ga u mee naar binnen, kapitein; ik moet er nog meer
van weten....
HORSTER. Best; dan zal ik daar wachten.
(_Hij gaat met mevr. en Petra de huiskamer in_).
DR. STOCKMANN (_zegt niets en kijkt ter sluiks naar de ramen_).
DR. STOCKMANN. Je vindt het misschien wel een beetje luchtig hier van
daag? Zet je pet maar op.
BURGEM. STOCKMANN. Dank je, als je het permitteert. (_doet het_) Ik
geloof dat ik gisteren kou gevat heb, ik had het zoo koud....
DR. STOCKMANN. Zoo? Nou, mij leek het nog al warm.
BURGEM. STOCKMANN. Ik betreur het dat het niet in mijn macht stond deze
nachtelijke excessen tegen te houden....
DR. STOCKMANN. Heb je mij anders niets te vertellen?
BURGEM. STOCKMANN (_haalt een grooten brief voor den dag_). Dit stuk heb
ik je namens de directie te overhandigen.
DR. STOCKMANN. Ben ik ontslagen?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, met ingang van van daag (_legt den brief op de
tafel_). Het doet ons leed; maar ... eerlijk gezegd ... wij durfden niet
anders om de publieke opinie.
DR. STOCKMANN (_glimlacht_). Durfden niet? Dat woord heb ik nòg eens
gehoord van daag.
BURGEM. STOCKMANN. Ik moet je verzoeken je goed rekenschap van je
positie te geven. Je moet voortaan op geenerlei praktijk hier in de stad
meer rekenen.
DR. STOCKMANN. De duivel hale de heele praktijk! Maar hoe weet je dat
zoo zeker?
BURGEM. STOCKMANN. De Bond van Huiseigenaren heeft een lijst rond laten
gaan aan alle huizen. Alle welgezinde burgers worden opgevorderd jou
niet als dokter te nemen. En ik durf er voor instaan dat geen enkel
huisvader het waagt die lijst niet te onderteekenen; men _durft_ dat
eenvoudig niet laten....
DR. STOCKMANN. Zeker, zeker; daaraan twijfel ik geen oogenblik. Maar wat
verder?
BURGEM. STOCKMANN. Als ik je een raad geven mocht, dan zou het deze
zijn, dat je voor eenigen tijd de stad verliet....
DR. STOCKMANN. Jawel, ik heb er juist ook over gedacht de stad uit te
gaan.
BURGEM. STOCKMANN. Goed zoo. En als je dan zoo een half jaartje tijd
hebt gehad om je te bezinnen, en je na rijp overleg er toe overgaan kon
om met een paar woorden van spijt je dwaling te erkennen....
DR. STOCKMANN. Dan zou ik misschien mijn betrekking terug kunnen
krijgen, bedoel je?
BURGEM. STOCKMANN. Misschien. Volstrekt niet zoo geheel onmogelijk.
DR. STOCKMANN. Maar de publieke opinie dan? Dat durf jullie immers niet
om de publieke opinie?
BURGEM. STOCKMANN. De publieke opinie is een erg variabel iets. En,
eerlijk gezegd, het zou ons bizonder veel waard zijn een dergelijke
bekentenis van jouw hand te ontvangen.
DR. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo lijken, hè! Maar wat bliksem, je weet
toch zeker nog wel, wat ik je onlangs gezegd heb over zulke streken.
BURGEM. STOCKMANN. Toen was je positie nog zooveel gunstiger, toen kon
je veronderstellen dat je de heele stad achter je hadt om je te
steunen....
DR. STOCKMANN. Ja, en nu hebben ze mij laten voelen dat ik de heele stad
tegen mij heb.... (_opbruisend_). Maar tòch niet, al had ik den duivel
en de heele hel tegen mij...! Nooit,... nooit, zeg ik je!
BURGEM. STOCKMANN. Een huisvader mag niet zoo handelen als jij doet. Dat
mag je niet, Thomas.
DR. STOCKMANN. Mag ik niet! Er is maar één ding in de wereld dat een
vrij man niet doen mag; en weet je wat dàt is?
BURGEM. STOCKMANN. Neen.
DR. STOCKMANN. Natuurlijk niet; maar dat zal _ik_ je dan zeggen. Een
vrij man mag zich niet bevuilen als een schooier; hij mag zich niet zóó
gedragen dat hij zichzelf in zijn gezicht zou moeten spuwen!
BURGEM. STOCKMANN. Dat klinkt zoo buitengewoon plausibel; en als er geen
andere verklaring voor je halsstarrigheid voor de hand lag ... maar die
is er juist wel....
DR. STOCKMANN. Wat meen je daarmee?
BURGEM. STOCKMANN. Dat begrijp je heel best. Maar als je broer en als
verstandig man, raad ik je niet al te vast te bouwen op verwachtingen en
vooruitzichten, die misschien licht verkeerd konden uitkomen.
DR. STOCKMANN. Maar op wat ter wereld zinspeel je toch?
BURGEM. STOCKMANN. Zou je mij waarlijk willen wijsmaken dat je niets
weet van de testamentaire beschikkingen, die de leerlooier Kiil gemaakt
heeft?
DR. STOCKMANN. Ik weet dat het beetje dat hij heeft, aan een gesticht
voor behoeftige oude handwerkslui komen zal. Maar wat gaat mij dat aan?
BURGEM. STOCKMANN. Vooreerst is hier niet sprake van een beetje. Kiil is
een tamelijk vermogend man.
DR. STOCKMANN. Daar heb ik nooit eenig idee van gehad.
BURGEM. STOCKMANN. Hm,... waarlijk niet? Je hebt er dus ook geen idee
van, dat een niet gering gedeelte van zijn vermogen aan je kinderen
komen zal, met het vruchtgebruik voor jou en je vrouw je leven lang.
Heeft hij je dat niet gezegd?
DR. STOCKMANN. Neen; bij mijn ziel, geen woord! Integendeel, hij was
altijd en eeuwig aan 't razen er over dat hij zoo onmogelijk hoog was
aangeslagen in de belasting. Maar weet je dat dan zoo zeker, Peter?
BURGEM. STOCKMANN. Ik heb het uit een alleszins betrouwbare bron.
DR. STOCKMANN. Maar, lieve God, dan zou Katrine bezorgd zijn ... en de
kinderen ook! Dat moet ik haar eens gauw vertellen ... (_roept_)
Katrine, Katrine!
BURGEM. STOCKMANN (_houdt hem tegen_). Stil; je moet er nog niets van
zeggen!
MEVR. STOCKMANN (_doet de deur open_). Wat is er te doen?
DR. STOCKMANN. Och niemendal; ga maar weer naar binnen.
(_Mevr. Stockmann doet de deur dicht_).
DR. STOCKMANN (_loopt heen en weer_). Bezorgd! Denk eens aan,...
allemaal! En voor hun leven! Dat is toch een heerlijk gevoel te weten
dat je bezorgd bent!
BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar dat ben je juist niet. De oude Kiil kan
iederen dag en ieder uur zijn testament vernietigen als hij wil.
DR. STOCKMANN. Maar dat doet hij niet, mijn goede Peter. De oude das is
veel te blij dat ik jou en je hoogwijze vrienden heb te pakken genomen.
BURGEM. STOCKMANN (_verwonderd; ziet hem uitvorschend aan_). Ah zoo, dat
verklaart veel.
DR. STOCKMANN. Wat dan?
BURGEM. STOCKMANN. Die heele zaak was dus een gecombineerde manoeuvre.
Die geweldige, onbesuisde aanvallen die jij ... in naam der waarheid ...
gedaan hebt op de autoriteiten....
DR. STOCKMANN. Wat daarvan? wat daarvan?
BURGEM. STOCKMANN. Die waren dus niets anders dan een afgesproken
vergoeding, voor het testament van dien ouden wraakzuchtigen Morten
Kiil.
DR. STOCKMANN (_bijna sprakeloos_). Peter,... je bent toch de gemeenste
ploert dien ik ooit in mijn leven ontmoet heb.
BURGEM. STOCKMANN. Tusschen ons is alles uit. Je ontslag is
onherroepelijk;... want nu hebben wij een wapen tegen je (_hij gaat
weg_).
DR. STOCKMANN. Bah! bah! bah! (_roept_). Katrine! De vloer moet gedweild
worden waar de kerel gestaan heeft! Laat haar komen met een emmer ...
zij ... zij ... hoe duivel ... die smeerpoets met haar altijd vuilen
neus....
MEVR. STOCKMANN (_in de deur van de huiskamer_). Stil, stil toch,
Thomas!
PETRA (_ook in de deur_). Vader, grootvader is hier en vraagt of hij je
even alleen kan spreken.
DR. STOCKMANN. Ja zeker (_bij de deur_) Kom binnen, schoonpapa.
(_Morten Kiil komt binnen. De dokter doet de deur achter hem dicht_).
DR. STOCKMANN. Wel? Wat is er? ga zitten.
M. KIIL. Niet zitten (_kijkt rond_). 't Ziet er hier mooi uit bij je,
Stockmann.
DR. STOCKMANN. Ja, vindt u niet?
M. KIIL. Echt netjes ziet het er uit; en frissche lucht heb je ook; van
daag zal je wel genoeg van die zure stof hebben, waar je gisteren over
bazelde. Ik kan mij begrijpen dat je van daag een erg goed geweten hebt.
DR. STOCKMANN. Jawel; dat heb ik ook.
M. KIIL. Kan ik begrijpen (_slaat zich op de borst_). Maar weet je wat
_ik_ hier heb?
DR. STOCKMANN. Ook een goed geweten, hoop ik.
M. KIIL. Poeh! Neen, dit is heel wat beters! (_Hij haalt een dikke
portefeuille voor den dag en laat een heeleboel papieren zien_).
DR. STOCKMANN (_kijkt hem verwonderd aan_). Aandeelen in de
badinrichting?
M. KIIL. Die waren niet moeilijk te krijgen van daag.
DR. STOCKMANN. En die heeft u opgekocht?
M. KIIL. Net zooveel als ik maar betalen kon.
DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde schoonpapa,... zoo wanhopend als de
toestand van de badinrichting op het oogenblik is...!
M. KIIL. Als jij je gedraagt als een verstandig mensch dan zal die
badinrichting er wel weer boven op komen.
DR. STOCKMANN. Ja, u ziet het immers zelf, ik doe alles wat ik kan; maar
... och, de menschen zijn hier allemaal gek!
M. KIIL. Je zei gisteren dat de ergste smeerboel van mijn looierij kwam.
Maar als dat zoo is, dan zouden dus mijn grootvader en mijn vader vóór
mij, en ik zelf vele jaren lang de stad verpest hebben als drie
doodsengelen. Denk je dat ik die schande op mij laat zitten?
DR. STOCKMANN. Dat zal u, helaas, wel moeten.
M. KIIL. Neen dankje. Ik ben gesteld op mijn goeden naam. De menschen
noemen mij "den das", heb ik hooren zeggen. En een das, dat is immers
zoo'n soort van varken; maar daarin zullen zij nooit van hun leven
gelijk krijgen. Ik wil leven en sterven als een zindelijk mensch.
DR. STOCKMANN. En hoe wil u dat dan aanleggen?
M. KIIL. Jij moet me schoon wasschen, Stockmann.
DR. STOCKMANN. Ik!
M. KIIL. Weet je van welk geld ik deze aandeelen gekocht heb? Neen, dat
kan je niet weten; maar nu zal ik het je zeggen. Dat is het geld dat
Katrine en Petra en de kleine jongens na mijn dood krijgen zullen. Want,
zie je, ik heb toch wel een beetje opgelegd.
DR. STOCKMANN (_opstuivend_). En voor zoo iets gebruikt u het geld van
Katrine!
M. KIIL. Ja, het geld is nu allemaal in de badinrichting gestoken. En nu
wil ik eens zien of je wezenlijk zoo razend ... zoo stapelgek bent,
Stockmann. Laat je nu toch nog dieren en allerlei smerigheid uit mijn
looierij komen, dan is dat net goed of je breede reepen uit het vel van
Katrine en Petra en de jongens sneed; maar dat doet toch geen
fatsoenlijk huisvader,... als hij ten minste niet krankzinnig is.
DR. STOCKMANN (_op en neer loopend_). Ja, maar ik bèn krankzinnig! Ik
bèn krankzinnig!
M. KIIL. Maar waar het vrouw en kinderen geldt, zal je zoo ongelooflijk
gek toch wel niet zijn.
DR. STOCKMANN (_blijft vóór hem staan_). Waarom kon u mij dat niet
zeggen vóór u dien rommel opkocht?
M. KIIL. Wat nu eenmaal gebeurd is, daaraan is niets te veranderen.
DR. STOCKMANN (_loopt onrustig rond_). Als ik maar niet zoo zeker was
van mijn zaak...! Maar ik ben er zoo vast van overtuigd dat ik gelijk
heb.
M. KIIL (_weegt de portefeuille in de hand_). Als je je dwaasheid
volhoudt dan is dit alles niet veel waard (_hij steekt de portefeuille
in zijn zak_).
DR. STOCKMANN. Maar, wat bliksem, de wetenschap moet toch ook wel
voorbehoedmiddelen weten te vinden, dunkt mij; een of ander
preservatief....
M. KIIL. Meen je iets om de dieren te dooden?
DR. STOCKMANN. Ja, of om ze onschadelijk te maken.
M. KIIL. Als je het eens met rattekruid probeerde?
DR. STOCKMANN. Och nonsens! nonsens!... Maar iedereen zegt dat 't maar
een hersenschim is. Zou het dan geen hersenschim kunnen zijn? Laten ze
hun zin dan hebben! Hebben de domme kleinzielige honden mij niet voor
een volksvijand uitgemaakt;... en om mij de kleeren van het lijf te
scheuren daartoe waren ze ook bereid!
M. KIIL. En dan al die ruiten die ze je stuk geslagen hebben!
DR. STOCKMANN. Ja, en dan dat gezanik van plichten jegens mijn gezin!
Daarover moet ik met Katrine spreken; zij is veel beter thuis in zulke
zaken dan ik.
M. KIIL. Dat is best; luister maar naar den raad van een verstandige
vrouw.
DR. STOCKMANN (_loopt op hem toe_). Dat u toch ook zoo iets stoms kon
doen! Katrine's geld op het spel te zetten; mij in zoo'n afschuwelijk
pijnlijke positie te brengen! Als ik u aanzie is het of ik den duivel in
eigen persoon voor mij heb...!
M. KIIL. Dan is 't maar beter dat ik wegga. Maar vóór twee uur wil ik je
antwoord hebben. _Ja_ of _neen_. Is het _neen_, dan komen de aandeelen
aan het gesticht,... en dat van daag nog.
DR. STOCKMANN. En wat krijgt Katrine dan?
M. KIIL. Geen cent!
(_De deur van de voorkamer wordt geopend. Hovstad en Aslaksen ziet men
daarbuiten staan_.)
M. KIIL. Neen, kijk die twee daar eens!
DR. STOCKMANN (_staart hen aan_). Wat is dat? Waagt u het nog hier bij
mij te komen?
HOVSTAD. Ja, wij zijn zoo vrij.
ASLAKSEN. Wij zouden u graag over iets willen spreken, ziet u.
M. KIIL (_fluistert_). Vóór twee uur ... ja of neen!
ASLAKSEN (met een blik naar Hovstad). Aha!
(_Morten Kiil gaat heen_).
DR. STOCKMANN. Nu, wat had u mij te zeggen? Maakt het kort.
HOVSTAD. Ik begrijp heel goed dat u iets tegen ons heeft, van wege onze
houding gisteren avond.
DR. STOCKMANN. Noemt u dat een houding? Ja, het was een prachtige
houding! Ik noem dat _geen_ houding ... oude-wijfachtig.... Bah, 't is
schande!
HOVSTAD. Noem het zooals u wil; maar wij _konden_ niet anders.
DR. STOCKMANN. U _durfde_ zeker niet anders? Is het dat niet?
HOVSTAD. Ja, als u wil.
ASLAKSEN. Maar waarom liet u er vooruit niet een woordje over los?
Alleen zoo maar een wenk tegen mijnheer Hovstad of mij.
DR. STOCKMANN. Een wenk? Waarover?
ASLAKSEN. Over dat wat er achter stak.
DR. STOCKMANN. Ik begrijp u heelemaal niet.
ASLAKSEN (_knikt vertrouwelijk_). Och ja, dokter, u begrijpt ons best.
HOVSTAD. Nu is toch langer niets verborgen te houden.
DR. STOCKMANN (_kijkt van den een naar den ander_). Ja maar, wat bliksem
nog toe...!
ASLAKSEN. Mag ik vragen ... gaat uw schoonvader de stad niet rond om
alle aandeelen in de badinrichting op te koopen?
DR. STOCKMANN. Ja, van daag heeft hij aandeelen opgekocht, maar...?
ASLAKSEN. Het was verstandiger geweest als u dat door een ander had
laten doen, iemand die u niet zoo na stond.
HOVSTAD. En dan had u ook niet onder uw eigen naam moeten optreden.
Niemand hoefde toch te weten dat de aanval op de badinrichting van u
uitging. U had mij om raad moeten vragen, dokter.
DR. STOCKMANN (_kijkt vóór zich; er schijnt hem een licht op te gaan en
hij zegt alsof hij uit de lucht komt vallen_). Is zoo iets denkbaar! Is
zoo iets mogelijk?
ASLAKSEN. Dat blijkt toch dat het mogelijk is. Maar ziet u, het had
beter overlegd moeten worden.
HOVSTAD. En dan hadden er ook meer personen in betrokken moeten worden;
want de verantwoordelijkheid wordt altijd geringer voor iemand wanneer
er nog anderen bij zijn.
DR. STOCKMANN (_kalm_). Kort en goed, heeren ... wat wil u eigenlijk?
ASLAKSEN. Dat kan mijnheer Hovstad beter....
HOVSTAD. Neen, zeg jij het maar, Aslaksen.
ASLAKSEN. Nu ja, het is dit: dat wij, nu wij weten hoe alles in elkaar
zit, wel zouden meenen dat wij de "Volksbode" ter uwer beschikking
durven stellen.
DR. STOCKMANN. Durft u dat nú? Maar de publieke opinie dan? Is u niet
bang dat er een storm tegen ons zal opgaan?
HOVSTAD. Wij zouden vóór den wind wegzeilen.
ASLAKSEN. En dan moet de dokter zich handig in het laveeren betoonen.
Zoodra uw aanval gewerkt heeft....
DR. STOCKMANN. Zoodra mijn schoonvader en ik de aandeelen in handen
hebben tegen lagen prijs, bedoelt u...?
HOVSTAD. Het zijn toch wel hoofdzakelijk wetenschappelijke redenen, die
u drijven om de leiding van de badinrichting in handen te krijgen.
DR. STOCKMANN. Natuurlijk; het waren wetenschappelijke redenen waarom ik
den ouden das zocht te bewegen met mij mee te doen in dit geval. En dan
repareeren wij de badinrichting een beetje, en graven den boel een
beetje weg aan het strand, zonder dat het de gemeentekas een cent kost.
Zou u niet denken dat dat ging? Hè?
HOVSTAD. Ik denk het wel ... als u de "Volksbode" op uw hand heeft.
ASLAKSEN. In een vrije maatschappij is de pers een macht, dokter.
DR. STOCKMANN. Jawel; en ook de algemeene opinie is dat wel; en u,
mijnheer Aslaksen, u neemt dan zeker den Bond van Huiseigenaren wel op
uw geweten?
ASLAKSEN. Allebei, den Bond van Huiseigenaren en het
Matigheidsgenootschap. Daarop kan u gerust zijn.
DR. STOCKMANN. Maar heeren ... ja ik schaam mij haast om er naar te
vragen; maar, welke vergoeding...?
HOVSTAD. Het liefst zouden wij u geheel belangeloos helpen, dat begrijpt
u wel. Maar de "Volksbode" staat zwak; het gaat niet best; en de uitgaaf
van het blad te staken nu er zoo veel te doen is in de groote politiek,
daartoe kan ik zoo heel moeilijk besluiten.
DR. STOCKMANN. Dat spreekt; een volksvriend als u zou dat al heel hard
moeten vallen. (_Opstuivend_). Maar ik, ik ben een vijand van het volk!
(_loopt rond in de kamer_). Waar is mijn stok? Wat bliksem, waar is dan
toch mijn stok?
HOVSTAD. Wat beduidt dat?
ASLAKSEN. U wilt toch niet...?
DR. STOCKMANN (_blijft staan_). En als ik u nu eens geen cent gaf van al
mijn aandeelen? Wij zijn zoo los niet met geld, wij rijke lui, dat moet
u bedenken.
HOVSTAD. En u moet bedenken dat die zaak met de aandeelen op tweeërlei
wijze voorgesteld kan worden.
DR. STOCKMANN. Ja, daar is u juist de man voor; als ik de "Volksbode"
niet te hulp kom, dan krijgt u zeker een leelijken kijk op de zaak, dan
maakt u jacht op mij ... denk ik ... zet mij na ... tracht mij te
wurgen, zooals de hond den haas de strot afbijt.
HOVSTAD. Dat is natuurwet; ieder dier zoekt het voedsel dat hem past.
ASLAKSEN. Een mensch moet zijn voedsel nemen waar hij het vindt, ziet u.