nat (_droogt zijn gezicht af met haar zakdoek_).
OSWALD (_kijkt onverschillig voor zich uit_). Dankje moeder.
MEVR. ALVING. Ben je niet moe, Oswald? Wil je misschien gaan slapen?
OSWALD (_angstig_). Neen, neen ... niet slapen! Ik slaap nooit; ik houd
me maar zoo (_bedroefd_). Dat komt gauw genoeg.
MEVR. ALVING (_kijkt hem bezorgd aan_). Ja, je bent toch heusch wel
ziek, mijn lieveling.
REGINE (_in spanning_). Is mijnheer ziek?
OSWALD (_ongeduldig_). Doe de deuren toch dicht! Die doodelijke
angst....
MEVR. ALVING. Doe ze dicht, Regine.
(_Regine sluit de deuren en blijft staan bij de voorkamer deur. Mevr.
Alving doet haar doek af. Regine eveneens_).
MEVR. ALVING (_schuift een stoel bij Oswald en gaat bij hem zitten_).
Ziezoo, nu kom ik bij je zitten....
OSWALD. Ja, doe dat. En Regine moet ook binnen blijven. Regine moet
altijd om me heen zijn. Je wilt mij wel behulpzaam zijn, niet waar,
Regine?
REGINE. Ik begrijp u niet....
MEVR. ALVING. Behulpzaam zijn?
OSWALD. Ja, als het noodig mocht worden.
MEVR. ALVING. Oswald, heb je dan je moeder niet om je behulpzaam te
zijn?
OSWALD. Jij? (_glimlacht_). Neen, moeder, daarmee kan jij me niet helpen
(_lacht droevig_). Jij! Haha! (_kijkt haar ernstig aan_). Hoewel,
eigenlijk was jij er wel het naaste aan toe (_driftig_). Waarom kan je
geen je tegen mij zeggen, Regine? Waarom noem je mij niet Oswald?
REGINE (_zachtjes_). Ik geloof niet dat mevrouw dat goed zou vinden.
MEVR. ALVING. Wacht nog maar even, straks mag je het doen. En kom jij
ook hier bij ons zitten.
REGINE (_gaat bescheiden en aarzelend aan den anderen kant van de tafel
zitten_).
MEVR. ALVING. En nu, mijn arme geplaagde jongen, nu zal ik den last van
je ziel afnemen....
OSWALD. Jij, moeder?
MEVR. ALVING ... alles wat je gewetenswroeging en berouw en zelfverwijt
noemt....
OSWALD. En geloof je dat je dàt kunt?
MEVR. ALVING. Ja, nu kan ik het, Oswald. Daar straks sprak je over
levensblijheid; en toen ging er als het ware een nieuw licht op over
alle dingen van mijn heele leven.
OSWALD (_schudt het hoofd_). Daar begrijp ik niets van.
MEVR. ALVING. Je moest je vader gekend hebben, toen hij nog heel jong
luitenant was. _Hij_ was vol levensblijheid!
OSWALD. Ja, dat weet ik.
MEVR. ALVING. Het was als zondagsweer alleen maar om hem te zien. En dan
die onstuimige kracht en levensvolheid die in hem waren!
OSWALD. En dan...?
MEVR. ALVING. Nu, toen moest zoo'n levensblij kind,... want hij was nog
net een kind toen--toen moest hij hier gaan wonen in een provinciestad
die geen vreugde te bieden had, alleen maar wat amusementen. Moest hier
rondloopen, waar hij geen levensdoel had, alleen maar een betrekking.
Geen werk waaraan hij zich met zijn heele ziel kon wijden,... hij had
alleen maar bezigheden. Geen enkelen kameraad die in staat was te voelen
wat levensblijheid is;... alleen maar boemelaars en drinkebroers....
OSWALD. Moeder...!
MEVR. ALVING. En zoo ging het dan zoo als het wel gaan moest.
OSWALD. En hoe moest het dan gaan?
MEVR. ALVING. Je zei zelf van avond hoe het met jou gaan zou als je
thuisbleef.
OSWALD. Wil je daarmee zeggen dat papa...?
MEVR. ALVING. Je arme vader vond nooit een uitweg voor de overvloeiende
levensblijheid die in hem was. Ik bracht ook geen zondagsweer in huis.
OSWALD. Ook jij niet?
MEVR. ALVING. Ze hadden mij wat geleerd van plichten en dergelijke
dingen, waaraan ik langen tijd geloofd heb. Alles liep uit op
plichten,... _mijn_ plichten en _zijn_ plichten en.... Ik vrees, Oswald,
dat ik je armen vader zijn thuis onhoudbaar gemaakt heb.
OSWALD. Waarom heb je mij nooit iets daarover geschreven?
MEVR. ALVING. Ik heb het vroeger nooit zóó ingezien dat ik tegen jou,
zijn zoon, het onderwerp kon aanroeren.
OSWALD. En hoe zag je het dan?
MEVR. ALVING (_langzaam_). Ik zag alleen dit ééne maar, dat je vader een
verwoest gestel had, vóór jij nog geboren was.
OSWALD (_gedempt_). Ah...! (_hij staat op en gaat naar het raam_).
MEVR. ALVING. En dan vervolgde mij dag in dag uit, die ééne gedachte,
dat Regine eigenlijk hier even goed thuis hoorde ... als mijn eigen
jongen.
OSWALD (_keert zich plotseling om_). Regine!
REGINE (_komt overeind en vraagt gedempt_). Ik....
MEVR. ALVING. Ja, nu weet je het allebei.
OSWALD. Regine!
REGINE (_in zich zelf_). Dus was moeder van den lichten kant!
MEVR. ALVING. Je moeder was braaf in veel opzichten, Regine.
REGINE. Ja maar, zij was dan toch van den lichten kant. Ja, soms heb ik
het wel eens gedacht, maar.... Ja, mevrouw, permitteert u mij dan dat ik
maar terstond weg ga...?
MEVR. ALVING. Meen je dat heusch, Regine?
REGINE. Ja, zeker meen ik dat.
MEVR. ALVING. Je bent natuurlijk vrij om te doen zoo als je wilt,...
maar....
OSWALD (_gaat naar Regine toe_). Ga je nu weg? Hier hoor je immers
thuis.
REGINE. Merci, mijnheer Alving;... ja, nu kan ik ook wel Oswald tegen je
zeggen. Maar ik had mij niet voorgesteld dat het op die manier zou
zijn....
MEVR. ALVING. Regine, ik ben niet openhartig tegen je geweest....
REGINE. Neen, en dat is schandelijk genoeg! Had ik geweten dat Oswald
ziekelijk was, dan.... En nu er dan toch niets van komen kan tusschen
ons.... Neen, ik kan heusch niet hier buiten blijven en me afbeulen voor
zieke menschen.
OSWALD. Zelfs niet voor iemand die je zoo na bestaat?
REGINE. Neen, waarlijk dat kan ik niet. Een arm meisje moet van haar
jeugd profiteeren, want anders zit je op zwart zaad vóór je het weet.
En ik heb ook levensblijheid in me, mevrouw!
MEVR. ALVING. Ja, helaas; maar gooi je niet weg, Regine.
REGINE. O, als dat gebeurt, dan zal het wel zoo moeten wezen. Als Oswald
naar zijn vader aardt, dan zal ik wel naar mijn moeder aarden, denk
ik.... Mag ik vragen, mevrouw, of dominee Manders weet van dit geval met
mij?
MEVR. ALVING. Dominee Manders weet er alles van.
REGINE (_druk bezig met haar doek om te doen_). Ja, dan moet ik maar
zien zoo gauw mogelijk met de boot weg te komen. Dominee Manders is
zoo'n lieve man om iets van gedaan te krijgen; en ik vind eigenlijk dat
ik evenveel recht heb op een beetje van dat geld als die akelige
schrijnwerker.
MEVR. ALVING. Dat is je van harte gegund, Regine.
REGINE (_kijkt haar strak aan_). Mevrouw had mij wel kunnen opvoeden als
een grootelui's kind; dat was gepaster geweest voor mij (_werpt het
hoofd in den nek_). Maar wat kan het mij ook schelen! (_met een nijdigen
blik op de ongeopende flesch_). Ik zal toch nog wel eens champagne
drinken met deftige lui!
MEVR. ALVING. En als je behoefte voelt aan een thuis, Regine, kom dan
bij mij.
REGINE. Neen, dank u wel, mevrouw. Dan zal dominee Manders zich wel over
mij ontfermen. En als het heelemaal mis gaat met me, dan weet ik immers
nu een plek waar ik thuis hoor.
MEVR. ALVING. Waar dan?
REGINE. In kamerheer Alvings Asyl.
MEVR. ALVING. Regine,... nu zie ik het,... jij loopt in je verderf!
REGINE. Och wat! Adieu (_zij groet en gaat door de voorkamer weg_).
OSWALD (_staat bij het raam en kijkt naar buiten_). Is ze weg?
MEVR. ALVING. Ja.
OSWALD (_mompelt in zich zelf_). Dat is een gekke geschiedenis.
MEVR. ALVING (_komt achter hem staan en legt haar handen op zijn
schouders_). Oswald, mijn jongen, heeft het je erg geschokt?
OSWALD (_keert haar zijn gezicht toe_). Dat van Papa, bedoel je?
MEVR. ALVING. Van je ongelukkigen vader, ja. Ik ben zoo bang dat het je
te veel heeft aangedaan.
OSWALD. Hoe kom je er bij? Ja, 't kwam mij wel heel onverwacht; maar
eigenlijk kan het mij heel weinig schelen.
MEVR. ALVING (_neemt haar handen weg_). Kan het je niet schelen dat je
vader zoo vreeselijk ongelukkig was?
OSWALD. Natuurlijk kan ik medelijden met hem voelen zoo als met ieder
ander, maar....
MEVR. ALVING. Niets anders dan dat! Voor je eigen vader!
OSWALD (_ongeduldig_). Nou ja, vader ... vader.... Ik heb vader immers
nooit gekend. Ik herinner mij niets anders van hem, dan dat hij mij eens
aan het braken heeft gemaakt.
MEVR. ALVING. Dat is toch een vreeselijke gedachte! Moet een kind dan
niet in elk geval liefde voelen voor zijn vader?
OSWALD. Als een kind zijn vader niets te danken heeft? Hem nooit heeft
gekend? Hecht je heusch nog aan dat oude bijgeloof, jij, die overigens
zoo verlicht bent?
MEVR. ALVING. Zou dat dan enkel maar bijgeloof zijn...!
OSWALD. Ja, dat moet je toch wel inzien, moeder. Dat is zoo een van die
opvattingen die nu eenmaal in de wereld gangbaar zijn en dus....
MEVR. ALVING (_geschokt_). Spoken!
OSWALD (_loopt heen en weer_). Ja, je kunt ze gerust spoken noemen.
MEVR. ALVING (_uitbarstend_). Oswald,... dan hou je ook niet van mij!
OSWALD. Jou ken ik ten minste toch....
MEVR. ALVING. Je kent me ... maar is dat alles!
OSWALD. En ik weet immers hoeveel je van mij houdt, en daarvoor moet ik
je toch dankbaar zijn. En nu ik ziek ben kan je zoo veel voor mij doen.
MEVR. ALVING. Ja, niet waar, Oswald! O ik zou haast je ziek-zijn kunnen
zegenen, omdat het je naar mij toe gedreven heeft. Want ik zie het wel;
je bent nog niet van mij; je moet gewonnen worden.
OSWALD (_ongeduldig_). Jawel, jawel. Dat zijn nu maar allemaal van die
zeggetjes. Je moet niet vergeten dat ik een zieke ben, moeder. Ik kan
mij niet zooveel bezig houden met anderen; ik heb genoeg te denken over
mezelf.
MEVR. ALVING (_zachtjes_). Ik zal tevreden en geduldig zijn.
OSWALD. En vroolijk, moeder!
MEVR. ALVING. Ja, mijn jongen, je hebt gelijk (_gaat naar hem toe_). Heb
ik nu alle wroeging en zelfverwijt van je afgenomen?
OSWALD. Ja, dat heb je. Maar wie neemt nu den angst weg?
MEVR. ALVING. Den angst?
OSWALD (_loopt heen en weer_). Regine zou het gedaan hebben voor een
goed woord.
MEVR. ALVING. Ik begrijp je niet. Wat is dat van dien angst ... en van
Regine?
OSWALD. Is het al erg laat in den nacht, moeder?
MEVR. ALVING. Het is al vroeg in den morgen (_kijkt uit de serre naar
buiten_). Het wordt al licht boven op de bergen. En het wordt een
heldere dag, Oswald! Straks zal je de zon zien.
OSWALD. Daar verheug ik mij op. O, er kan nog veel en velerlei zijn om
mij over te verheugen en voor te leven....
MEVR. ALVING. Dat zou ik denken!
OSWALD. Al kan ik dan niet werken, dan....
MEVR. ALVING. O, je zult wel gauw weer kunnen werken, jongen-lief. Nu
heb je immers niet meer al die kwellende en drukkende gedachten om over
te tobben.
OSWALD. Neen, het was goed dat je al die verkeerde voorstellingen van
mij hebt afgenomen. En als ik nu dat ééne nog maar te boven ben....
(_gaat op de canapé zitten_). Nu gaan we een beetje babbelen, moeder.
MEVR. ALVING. Ja, laat ons dat doen (_zij schuift een makkelijken stoel
bij de canapé en gaat dicht naast hem zitten_).
OSWALD. ... en intusschen komt de zon op. En dan weet je het. En dan heb
ik niet langer dien angst.
MEVR. ALVING. Wàt weet ik dan, zeg je?
OSWALD (_zonder naar haar te luisteren_). Moeder, heb je niet daar
straks gezegd, dat er niets was wat je niet voor mij doen zoudt, als ik
het je vroeg?
MEVR. ALVING. Ja, zeker, dat heb ik gezegd!
OSWALD. En blijf je daarbij, moeder?
MEVR. ALVING. Daar kan je op vertrouwen, jij mijn lieve, eenige jongen.
Ik leef immers voor niets anders dan voor jou alleen.
OSWALD. Ja, ja. Hoor nu eens.... Jij, moeder, hebt een sterke, moedige
ziel, dat weet ik. Je moet heel rustig blijven zitten, als je het hoort.
MEVR. ALVING. Maar wat is er dan voor vreeselijks...!
OSWALD. Je moet niet gillen, hoor je? Beloof je mij dat? Wij zullen er
heel kalm over praten. Beloof je mij dat, moeder?
MEVR. ALVING. Ja, ja, ik beloof het je; maar zeg het dan...!
OSWALD. Nou; dan zal ik je zeggen dat die moeheid,... en dat ik er niet
aan denken kan te werken,... dat dat alles niet mijn eigenlijke ziekte
is....
MEVR. ALVING. Wat is dan je ziekte?
OSWALD. Mijn ziekte, die ik als erfstuk heb gekregen, die ... (_wijst op
zijn voorhoofd en voegt er heel zachtjes bij_) zit hier.
MEVR. ALVING (_bijna sprakeloos_). Oswald! neen ... neen!
OSWALD. Niet gillen. Dat kan ik niet verdragen. Ja, moeder, die zit
daarbinnen en ligt op de loer. En die kan ieder oogenblik uitbreken.
MEVR. ALVING. O, hoe ontzettend...!
OSWALD. Kalm nu maar. Zoo staat het nu met mij....
MEVR. ALVING (_springt op_). Dat is niet waar, Oswald! Dat is
onmogelijk! Dat kán niet waar zijn!
OSWALD. In Parijs heb ik één aanval gehad. Die ging gauw weer over. Maar
toen ik hoorde hoe het met mij geweest was, toen kwam er zoo'n razende
angst over mij; en toen reisde ik naar huis, naar jou toe, zoo gauw ik
kon.
MEVR. ALVING. Dat is dus die angst...!
OSWALD. Ja, want dat is niet-te-zeggen afschuwelijk, zie je. O, als het
maar een gewone doodelijke ziekte was geweest ... want ik ben niet zoo
bang om dood te gaan, al wil ik graag zoo lang mogelijk blijven leven.
MEVR. ALVING. Ja, zeker, Oswald, dat moet je ook.
OSWALD. Maar dat is zoo vreeselijk afschuwelijk om als 't ware weer een
bakerkind te worden; om gevoed te moeten worden, en.... O,... dat is
niet te zèggen!
MEVR. ALVING. 't Kind heeft zijn moeder om hem te verzorgen.
OSWALD (_springt op_). Neen, dat nooit; dat is het juist wat ik niet
wil! Ik kan er niet aan denken dat ik misschien jarenlang zoo zou moeten
liggen,... en oud en grijs worden. En dan kon jij nog wel vóór mij dood
gaan in dien tijd. (_Gaat in mevrouws stoel zitten_). Want het behoeft
niet dadelijk doodelijk te zijn, zei de dokter. Hij noemde het een soort
van hersenverweeking ... of zoo iets. (_glimlacht droevig_). Ik vind dat
dat zoo mooi klinkt. Ik moet dan altijd denken aan kersroode
zijfluweelen draperieën,... iets dat zacht is om langs te strijken met
je hand.
MEVR. ALVING (_roept_). Oswald!
OSWALD (_springt weer op en loopt door de kamer_). En nu heb je mij
Regine afgenomen...! Had ik haar maar gehad. Zij zou mij wel geholpen
hebben.
MEVR. ALVING (_gaat naar hem toe_). Wat meen je daarmee, mijn lieveling?
Is er dan iets ter wereld waarmee ik je niet zou willen helpen?
OSWALD. Toen ik te Parijs weer van dien aanval hersteld was, zei de
dokter mij, dat als het weer terug kwam ... en het komt terug ... dat er
dan geen hoop meer was.
MEVR. ALVING. En hij was zoo onbarmhartig om je....
OSWALD. Ik eischte het van hem. Ik zei hem dat ik beschikkingen te maken
had.... (_glimlacht listig_). En dat had ik ook..., (_haalt een doosje
uit zijn borstzak_). Moeder, zie je dat?
MEVR. ALVING. Wat is dat?
OSWALD. Morfinepoeders.
MEVR. ALVING (_kijkt hem verschrikt aan_). Oswald,... mijn jongen?
OSWALD. Ik heb twaalf capsules opgespaard.
MEVR. ALVING (_grijpt er naar_). Geef mij dat doosje, Oswald!
OSWALD. Nog niet, moeder, (_hij stopt het weer in zijn zak_).
MEVR. ALVING. Dat overleef ik niet!
OSWALD. Je moet het overleven. Had ik Regine nu maar hier gehad, dan had
ik haar gezegd hoe het met mij stond ... en haar om dien laatsten dienst
gevraagd. Zij zou mij wel geholpen hebben; daar ben ik zeker van.
[Illustratie: Mevr. W. Schwab-Welman en de Heer E.P. Erfmann Jr. als
Mevr. Alving en Oswald in "Spoken" (3e Bedrijf)]
MEVR. ALVING. Nooit.
OSWALD. Als het vreeselijke gekomen was en zij mij hier hulpeloos zag
liggen, als een klein kind, opgegeven, verloren, hopeloos,... niet meer
te redden....
MEVR. ALVING. Nooit van haar leven had Regine dat gedaan!
OSWALD. Regine had het wèl gedaan. Regine was zoo heerlijk luchthartig.
En het zou haar ook gauw verveeld hebben zoo'n zieke als ik ben op te
passen.
MEVR. ALVING. Dan dank ik den Hemel dat Regine er niet meer is!
OSWALD. Ja, nu moet jij mij dus dien dienst bewijzen, moeder.
MEVR. ALVING (_gilt_). Ik!
OSWALD. Wie is er nader aan toe dan jij?
MEVR. ALVING. Ik! Je moeder!
OSWALD. Juist daarom.
MEVR. ALVING. Ik, die je het leven gegeven heb!
OSWALD. Ik heb je niet om dat leven gevraagd! En wat is dat voor een
leven dat je mij gegeven hebt? Ik wil het niet hebben! Je moet het terug
nemen!
MEVR. ALVING. Help! Help! (_zij loopt naar de voorkamer_).
OSWALD (_haar achterna_). Loop niet van mij weg! Waar wil je heen?
MEVR. ALVING (_in de voorkamer_). Den dokter voor je halen, Oswald! Laat
mij er uit!
OSWALD (_ook daar_). Je gaat er niet uit. En hier komt niemand binnen.
(_Er wordt een sleutel omgedraaid_).
MEVR. ALVING (_komt terug_). Oswald! Oswald,... mijn kind!
OSWALD (_komt achter haar_). En jij wilt zeggen dat je mij als een
moeder lief hebt ... jij, die mij al dien onzegbaren angst kunt zien
lijden!
MEVR. ALVING. (_Na een oogenblik stilte, zegt met groote
zelfbeheersching_). Hier heb je mijn hand er op.
OSWALD. Wil je...?
MEVR. ALVING. Als het noodig mocht worden. Maar het zal niet noodig
zijn. Neen, neen, dat zal 't nooit worden!
OSWALD. Ja, laat ons dat hopen. En laat ons zoo lang bij elkaar blijven
als we kunnen. Dankje, moeder.
(_Hij gaat in den grooten stoel zitten dien mevr. bij de canapé
geschoven heeft. De dag komt aan; de lamp blijft branden op de tafel_).
MEVR. ALVING (_komt voorzichtig bij hem_). Voel je je nu rustig?
OSWALD. Ja.
MEVR. ALVING (_over hem heengebogen_). Dat is een vreeselijke
voorstelling van je geweest, Oswald. Niets dan verbeelding. Al die
emoties heb je niet kunnen verdragen. Maar nu moet je uitrusten, thuis
bij je eigen moeder, jij mijn hartekind! Alles waar je maar naar wijst,
zal je hebben, net als toen je een klein kindje was.... Ziezoo. Nu is de
aanval voorbij. Zie je wel, hoe gemakkelijk het over ging? O, dat wist
ik ook wel.... En kijk eens, Oswald, wat een mooien dag wij krijgen?
Heerlijke zonneschijn! Nu kan je je land pas goed zien. (_Zij gaat naar
de tafel en draait de lamp uit. Zonsopgang. De gletscher en de
bergtoppen op den achtergrond liggen in het stralende morgenlicht_).
OSWALD (_zit in den stoel met zijn rug naar den achtergrond, zonder zich
te bewegen. Plotseling zegt hij_): Moeder, geef mij de zon.
MEVR. ALVING (_bij de tafel ziet hem verschrikt aan_). Wat zeg je?
OSWALD (_herhaalt dof en toonloos_). De zon. De zon.
MEVR. ALVING (_vlakbij hem_). Oswald, hoe is het met je?
OSWALD (_schijnt in den stoel in elkaar te zakken; alle spieren worden
slap; zijn gezicht verliest alle uitdrukking; de oogen staren wezenloos
voor zich uit_).
MEVR. ALVING (_bevend van angst_). Wat is dat (_gilt_) Oswald! Wat is
er! (_valt op de knieën bij hem neer en schudt hem_) Oswald! Oswald!
Kijk me aan! Ken je mij niet?
OSWALD (_toonloos als voren_). De zon. De zon.
MEVR. ALVING (_springt wanhopig op, grijpt met beide handen in haar
haren en roept_): Dat kan ik niet dragen! (_fluistert als verstijfd van
schrik_). Dat kan ik niet dragen! Nooit! (_plotseling_). Waar heeft hij
ze gelaten? (_voelt pijlsnel op zijn borst_). Hier! (_wijkt een paar
stappen terug en gilt_). Neen, neen! (_zij staat een paar passen van hem
af, de handen in het haar en staart hem in sprakelooze ontzetting aan_).
OSWALD (_zit onbeweeglijk als te voren en zegt_) De zon. De zon.
EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.
* * * * *
EEN VIJAND DES VOLKS
TOONEELSPEL IN VIJF BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
DOKTER THOMAS STOCKMANN, baddokter.
MEVROUW STOCKMANN, zijn vrouw.
PETRA, hunne dochter, onderwijzeres.
EJLIF en MORTEN, hun zonen, dertien en tien jaar oud.
PETER STOCKMANN, oudere broeder van den dokter,
burgemeester, hoofd van de politie en president van het
Bestuur der Badinrichting, enz.
MORTEN KUL, leerlooier, pleegvader van Mevr. Stockmann.
HOVSTAD, redacteur van de "Volksbode".
BILLING, medewerker aan dat blad.
HORSTER, scheepskapitein.
ASLAKSEN, boekdrukker.
Het stuk speelt in een kustplaats in Zuidelijk Noorwegen.
* * * * *
EERSTE BEDRIJF.
De huiskamer van den dokter. Het is avond. De kamer is netjes maar
heel eenvoudig ingericht en gemeubileerd. In den zijwand rechts
zijn twee deuren, waarvan de achterste naar de voorkamer leidt en
de voorste naar de werkkamer van den dokter. In den
tegenovergestelden wand, vlak tegenover de deur naar de voorkamer,
is een deur die naar de overige vertrekken van het gezin leidt.
Midden in dien zelfden wand staat de kachel, en meer op den
voorgrond een canapé, met een spiegel er boven en een ovale tafel
met kleed, er voor. Op de tafel een brandende lamp met kap. Op den
achtergrond een open deur naar de eetkamer. Daarbinnen is gedekt
voor het avondeten; lamp op tafel.
Billing zit in de eetkamer met een servet onder zijn kin. Mevr.
Stockmann staat bij de tafel en reikt hem een schotel aan met een
groot stuk gebraden vleesch. De overige plaatsen om de tafel zijn
onbezet; op de tafel staat alles in wanorde als na het einde van
een maaltijd.
* * * * *
MEVR. STOCKMANN. Ja, als u een uur te laat komt, mijnheer Billing, moet
u tevreden zijn met koud eten.
BILLING (_etend_). Het smaakt uitstekend,... heerlijk zelfs.
MEVR. STOCKMANN. U weet wel dat Stockmann erg precies is op zijn
etensuren....
BILLING. Dat kan mij heelemaal niet schelen. Ik geloof haast dat het nog
beter smaakt als ik zoo heel alleen en ongestoord eten kan.
MEVR. STOCKMANN. Nu, goed; als 't u maar smaakt, dan.... (_luistert naar
de voorkamer_) Daar komt Hovstad zeker ook.
BILLING. Misschien wel.
(_Burgemeester Stockmann komt binnen, in overjas en met zijn uniformpet
op; zijn stok in de hand_).
BURGEM. STOCKMANN. Goeden avond, waarde schoonzuster.
MEVR. STOCKMANN (_gaat naar de huiskamer_). Kijk eens aan, is u daar?
Goeden avond. Dat is aardig van u dat u eens bij ons komt.
BURGEM. STOCKMANN. Ik kwam juist voorbij en toen.... (_met een blik naar
de eetkamer_) O, maar u heeft bezoek, naar 't schijnt.
MEVR. STOCKMANN (_een beetje verlegen_). O, neen, volstrekt niet, dat is
maar toevallig (_snel_). Wil u niet ook een stukje mee eten?
BURGEM. STOCKMANN. Ik! Dank u wel; Godbewaarme warm eten 's avonds; dat
gedoogt mijn spijsvertering niet.
MEVR. STOCKMANN. O, maar, voor een enkelen keer....
BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je wel. Ik hou me aan een kopje thee
en een boterhammetje. Dat is toch gezonder op den duur,... en ook wel
wat goedkooper.
MEVR. STOCKMANN (_glimlacht_). U moet niet denken dat Thomas en ik het
ook zoo over den balk gooien.
BURGEM. STOCKMANN. U niet, schoonzuster; dat zij verre van mij (_wijst
naar de werkkamer van den dokter_). Is hij soms niet thuis?
MEVR. STOCKMANN. Neen, hij is nog een eindje omgegaan na het eten ...
hij en de jongens.
BURGEM. STOCKMANN. Of dat nu wel gezond is? (_luistert_). Daar komt hij
geloof ik.
MEVR. STOCKMANN. Neen, dat zal hij nog niet zijn (_er wordt geklopt_).
Binnen! (_Hovstad komt uit de voorkamer_).
MEVR. STOCKMANN. O, is u dat, mijnheer Hovstad...?
HOVSTAD. Ja, ik maak u mijn excuses; maar ik werd opgehouden in de
drukkerij. Goeden avond, burgemeester.
BURGEM. STOCKMANN (_groet een beetje stijf_). Mijnheer Hovstad. U komt
zeker voor zaken.
HOVSTAD. Gedeeltelijk. 't Is voor iets dat in ons blad komen moet.
BURGEM. STOCKMANN. Dat kan ik mij voorstellen. Mijn broer moet een
bizonder vruchtbaar medewerker van de "Volksbode" zijn, naar ik hoor.
HOVSTAD. Ja, hij permitteert zich in de "Volksbode" te schrijven,
wanneer hij over het een of ander de waarheid zeggen wil.
MEVR. STOCKMANN (_tegen Hovstad_). Maar wil u niet...? (_wijst naar de
eetkamer_).
BURGEM. STOCKMANN. O, ik neem het hem volstrekt niet kwalijk, dat hij
schrijft voor den kring van lezers bij wie hij de meeste instemming kan
verwachten. Overigens heb ik persoonlijk geen reden om iets tegen uw
blad te hebben, mijnheer Hovstad.
HOVSTAD. Neen, dat dunkt mij ook.
BURGEM. STOCKMANN. Over het geheel genomen heerscht er een mooie geest
van verdraagzaamheid in onze stad;... een waarlijk goede
gemeenschapsgeest. En dat komt daar vandaan dat wij ons om een groot
algemeen belang vereenigen kunnen,... een belang dat in gelijke mate
alle rechtschapen burgers aangaat....
HOVSTAD. De badinrichting, ja.
BURGEM. STOCKMANN. Juist. Wij hebben allen onze groote, nieuwe,
prachtige badinrichting. Let op! De baden worden hier nog de voornaamste
bron van inkomsten voor de stad, mijnheer Hovstad. Zonder eenigen
twijfel!
MEVR. STOCKMANN. Dat zegt Thomas ook.
BURGEM. STOCKMANN. Wat is de plaats niet reusachtig vooruitgegaan deze
laatste paar jaren! Er is geld onder de menschen gekomen; leven en
beweging. Gebouwen en grondeigendommen stijgen iederen dag in waarde.
HOVSTAD. En de werkeloosheid vermindert.
BURGEM. STOCKMANN. Dat ook, ja. De armenlasten zijn voor de bezittende
klasse in verblijdende mate verminderd, en dat zal nog beter worden, als
wij dit jaar maar een mooien zomer krijgen;... een massa vreemdelingen
en veel zieken waardoor de inrichting bekend wordt....
HOVSTAD. En daar is wel uitzicht op, hoor ik.