aanvragen om woningen en zoo al meer.
HOVSTAD. Nu, dan komt het artikel van den dokter juist van pas.
BURGEM. STOCKMANN. Heeft hij nu weer wat geschreven?
HOVSTAD. Het is iets dat hij verleden winter al schreef; een aanbeveling
van de badinrichting, een uiteenzetting van den gunstigen
gezondheidstoestand hier bij ons. Maar toen liet ik het stuk liggen.
BURGEM. STOCKMANN. Aha, dan was er zeker het een of ander niet in den
haak?
HOVSTAD. Neen, dat niet; maar ik hield het voor beter er mee te wachten
tot 't voorjaar; want nu beginnen de menschen voorbereidselen te maken
en te denken over een zomerverblijf....
BURGEM. STOCKMANN. Zeer juist; buitengewoon juist gezien, mijnheer.
MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas is waarlijk onvermoeid waar het de
badinrichting betreft.
BURGEM. STOCKMANN. Nu ja, hij is er dan ook bij aangesteld.
HOVSTAD. Ja, en dan is hij het toch ook, die er den eersten stoot aan
heeft gegeven.
BURGEM. STOCKMANN. Is _hij_ dat? Zóó? Ja, ik hoor wel eens meer dat
sommige menschen dat denken. Maar ik geloof toch wel dat _ik_ ook voor
een bescheiden deel in die zaak betrokken was.
MEVR. STOCKMANN. Ja zeker; dat zegt Thomas ook altijd.
HOVSTAD. Maar wie ontkent dat dan, burgemeester? U heeft de zaak op gang
geholpen en praktisch uitgevoerd; dat weten wij immers allemaal. Ik
bedoelde alleen maar dat het idee oorspronkelijk van den dokter kwam.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, idees heeft mijn broer zeker genoeg gehad, zijn
leven lang ... helaas. Maar als er iets uitgevoerd moet worden is er een
ander slag van mannen noodig, mijnheer Hovstad. En ik dacht eigenlijk
dat men allerminst hier in huis....
MEVR. STOCKMANN. Maar waarde zwager....
HOVSTAD. Maar hoe kan burgemeester toch....
MEVR. STOCKMANN. Ga u toch binnen om wat te gebruiken, mijnheer Hovstad;
mijn man zal in dien tusschentijd wel komen.
HOVSTAD. Dank u; een klein stukje wil ik wel.... (_gaat in de
eetkamer_).
BURGEM. STOCKMANN (_gedempt_). 't Is toch vreemd met die lui die zoo
regelrecht van boeren afstammen ... nooit kunnen zij die takteloosheid
afleeren....
MEVR. STOCKMANN. Maar dat is toch niet de moeite waard om er over te
denken? Kan u met Thomas die eer niet broederlijk deelen?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo zeggen; maar blijkbaar neemt niet
iedereen genoegen met deelen.
MEVR. STOCKMANN. Och onzin! U en Thomas kunnen immers zoo uitstekend
samen overweg (_luistert_). Daar komt hij, geloof ik (_gaat de deur van
de voorkamer opendoen_).
DR. STOCKMANN (_lacht en stommelt_). Kijk eens Katrine, hier krijg je
nog een gast. Jolig, hè? Alsjeblieft, kapitein Horster; hang uw jas maar
aan den kapstok. O zoo, draagt u geen overjas? Verbeeld je, ik heb hem
op straat opgevangen; hij was haast niet mee te krijgen.
KAPITEIN HORSTER (_komt binnen en begroet mevr. Stockmann_).
DR. STOCKMANN (_in de deur_). Naar binnen, jongens! Zeg, die rammelen
alweer van den honger! Kom hier, kapitein, nu zal u eens een lekker
stukje vleesch proeven.... (_hij drijft Horster de eetkamer in. Ejlif en
Morten gaan die ook binnen_).
MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas, zie je dan niet...?
DR. STOCKMANN (_wendt zich om in de deur_). O, ben jij daar Peter!
(_gaat hem de hand reiken_). Dat is alleraardigst.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar ik moet helaas terstond weer weg.
DR. STOCKMANN. Praatjes! Aanstonds komt de grog op tafel. Je vergeet
toch de grog niet, Katrine?
MEVR. STOCKMANN. Neen, zeker niet; het water kookt al (_af in de
eetkamer_).
BURGEM. STOCKMANN. Grog ook al!...
DR. STOCKMANN. Ja. Ga nu toch zitten, dan maken wij het hier gezellig.
BURGEM. STOCKMANN. Dank je, neen; ik doe nooit mee aan grog-fuiven.
DR. STOCKMANN. Nu maar dit is toch geen fuif.
BURGEM. STOCKMANN. Mij lijkt het toch zoo.... (_kijkt naar de
eetkamer_). Het is merkwaardig wat die allemaal verslinden kunnen.
DR. STOCKMANN (_wrijft zich de handen_). Ja, is dat geen genot om jonge
menschen te zien eten? Altijd eetlust, wat? Zoo moet het ook zijn. Eten
moeten ze. Krachten opdoen! Zij zijn de menschen die de gistende
toekomststoffen zullen omwoelen, Peter.
BURGEM. STOCKMANN. Mag ik vragen wat hier "om te woelen" is, zooals je
je uitdrukt?
DR. STOCKMANN. Ja, daar moet je de jeugd maar naar vragen ... als de
tijd daar is. Wij zien dat natuurlijk niet meer. Dat spreekt. Twee oude
knullen, zooals jij en ik....
BURGEM. STOCKMANN. Nou, nou, zeg! Dat is toch een heel zonderlinge
benaming....
DR. STOCKMANN. Ja, je moet 't maar zoo nauw niet met me nemen, Peter.
Want ik ben zoo innig blij en in mijn schik, moet ik je zeggen. Ik voel
me zoo onbeschrijflijk gelukkig midden in dit kiemende, uitbottende
leven. Wat een heerlijke tijd is het toch waarin wij leven. Het is of er
een heele nieuwe wereld rondom ons aan het opbloeien is.
BURGEM. STOCKMANN. Vindt je dat waarlijk?
DR. STOCKMANN. Jij kunt dat natuurlijk niet zoo zien als ik. Jij hebt je
heele leven hier met dat alles meegeleefd; en dan stompt de indruk af.
Maar ik die daar in mijn uithoek in het Noorden moest zitten al die
jaren, haast nooit een vreemde zag die een opwekkend woord voor mij
had,... op mij werkt dat alsof ik plotseling in het drukke leven van een
wereldstad ben verplaatst.
BURGEM. STOCKMANN. Hm,... een wereldstad....
DR. STOCKMANN. Ja, ik weet wel dat de verhoudingen hier klein zijn in
vergelijking met vele andere plaatsen. Maar hier is leven, belofte voor
de toekomst, een aantal dingen om voor te werken en te strijden; en dát
is de hoofdzaak (_roept_): Katrine, is de brievenbesteller er niet
geweest?
MEVR. STOCKMANN. Neen, er is niemand geweest.
DR. STOCKMANN. En dan het goede leven hier, Peter! Dat is iets dat
iemand leert waardeeren, als je, zooals wij, nagenoeg honger geleden
hebt....
BURGEM. STOCKMANN. Lieve hemel!...
DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt je wel begrijpen dat wij het menigmaal
benauwd hadden, daar in het hooge Noorden. En nu als een heer te kunnen
leven! Vandaag, bijvoorbeeld, hebben wij gebraden rundvleesch op tafel
gehad; ja wij hebben er zelfs van avond ook nog van. Wil je niet eens
een stukje proeven? Of zal ik het je ten minste even laten zien? Kom
eens hier....
BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je, stellig niet....
DR. STOCKMANN. Nou, kom dan toch maar eens hier. Kijk, wij hebben een
tafelkleed gekregen.
BURGEM. STOCKMANN. Ja dat heb ik gezien.
DR. STOCKMANN. En een lampekap hebben we ook. Zie je? Dat heeft Katrine
allemaal van gespaard geld aangeschaft. En dat maakt de kamer zoo
gezellig. Vind je ook niet? Ga hier eens staan;... neen, neen, niet zoo.
Zóó, ja? Zie je, als het licht er zoo geconcentreerd op valt.... Ik vind
heusch dat het elegant staat. Hè?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, als men zich die weelde veroorloven kan....
DR. STOCKMANN. O ja, nu kan ik mij die wel veroorloven; Katrine zegt dat
ik bijna zoo veel verdien als wij noodig hebben.
BURGEM. STOCKMANN. Bijna, ja...!
DR. STOCKMANN. Maar een man van de wetenschap dient toch ook een beetje
voornaam te leven. Ik ben er zeker van dat een gewoon lid van het
gemeentebestuur veel meer verteert in een jaar dan ik.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat geloof ik graag! Een lid van het
gemeentebestuur, een overheidspersoon!...
DR. STOCKMANN. Nou, dan een gewoon groothandelaar! Zoo een verteert wel
ik weet niet hoeveel maal zooveel als ik.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat brengt hun positie nu zoo mee.
DR. STOCKMANN. Overigens doe ik heelemaal geen onnoodige uitgaven,
Peter! Maar ik kan mij toch niet het groote genoegen ontzeggen om
menschen bij mij te zien. Dat heb ik noodig, zie je. Ik, die zoolang in
verbanning geleefd heb;... voor mij is het een levensbehoefte om met
jonge, frissche, moedige jonge menschen, vrijzinnige, ondernemende jonge
menschen;... en dat zijn ze, die allemaal, die daarbinnen zoo lekker
zitten te eten. Ik wou dat je Hovstad wat nader leerde kennen....
BURGEM. STOCKMANN. Ja, Hovstad ... dat is waar, hij vertelde mij, dat
hij weer een artikel van je zou opnemen in zijn courant.
DR. STOCKMANN. Een artikel van mij?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, over de badinrichting. Een artikel dat je van den
winter al geschreven hadt.
DR. STOCKMANN. O dat, ja!... Neen, maar dat wil ik nu vooreerst niet
geplaatst hebben.
BURGEM. STOCKMANN. Niet? Ik vind toch dat het juist nu de beste tijd er
voor is.
DR. STOCKMANN. Ja, daar kan je wel gelijk in hebben, in gewone
omstandigheden.... (_loopt door de kamer_)
BURGEM. STOCKMANN (_volgt hem met de oogen_). Wat zijn er dan nu voor
ongewone omstandigheden?
DR. STOCKMANN (_blijft staan_). Ja, Peter, dat kan ik je op het
oogenblik heusch nog niet zeggen, in elk geval van avond niet. Misschien
is er heel veel ongewoons in de omstandigheden, of misschien ook
heelemaal niets. Het kan heel goed zijn dat het maar verbeelding is.
BURGEM. STOCKMANN. Ik moet bekennen dat dit uiterst raadselachtig
klinkt. Is er iets aan de hand? Iets waar ik buiten gehouden moet
worden? Ik zou toch meenen, dat ik, als president van het bestuur der
badinrichting....
DR. STOCKMANN. En ik zou toch meenen dat ik ... neen, laten we elkaar
niet in het haar vliegen, Peter.
BURGEM. STOCKMANN. De Hemel bewaar me; 't is mijn gewoonte niet om
iemand in het haar te vliegen, zooals je zegt. Maar ik moet er heel
beslist op aandringen dat alle maatregelen langs officieelen weg en door
de wettig daarvoor aangestelde machten behandeld worden. Ik kan niet
toestaan dat men langs kronkelpaden of achterwegen gaat.
DR. STOCKMANN. Ben _ik_ gewoon langs kronkelpaden of achterwegen te
gaan?
BURGEM. STOCKMANN. Je hebt in elk geval een ingeboren neiging om je
_eigen_ weg te gaan. En dat is in een goed geregelde maatschappij al
haast evenmin toe te laten.... De eenling moet zich volstrekt aan de
meerderheid onderwerpen of, juister gezegd, aan de gestelde machten die
te waken hebben over het algemeen welzijn.
DR. STOCKMANN. Dat mag waar zijn. Maar wat drommel gaat mij dat aan?
BURGEM. STOCKMANN. Omdat je dat maar nooit schijnt te kunnen leeren,
mijn goede Thomas. Maar pas op; je zult daar nog eens leergeld voor
moeten betalen; vroeg of laat. Nu, ik heb je gewaarschuwd. Adieu.
DR. STOCKMANN. Maar ben je nu stapelgek? Je bent het spoor heelemaal
bijster....
BURGEM. STOCKMANN. Dat overkomt mij toch anders niet dikwijls. Overigens
moet ik je verzoeken.... (_groet naar de eetkamer_). Adieu, Katrine.
Adieu, heeren (_gaat weg_).
MEVR. STOCKMANN (_komt in de huiskamer_). Is hij weg?
DR. STOCKMANN. Ja, zeg; en zoo nijdig als een spin.
MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, wat heb je hem dan nu weer gedaan?
DR. STOCKMANN. Niemendal. Hij kan toch niet verlangen dat ik hem
rekenschap zal afleggen vóór de tijd daar is.
MEVR. STOCKMANN. Waarvan moest je hem rekenschap geven?
DR. STOCKMANN. Hm; niet naar vragen, Katrine.... Vreemd dat de post nog
niet komt.
(_Hovstad, Billing en Horster zijn van tafel opgestaan en komen in de
huiskamer. Ejlif en Morten komen even daarna_).
BILLING (_rekt zich uit_). Hè, na zoo'n souper voel je je goddome een
ander mensch.
HOVSTAD. De burgemeester was niet erg in zijn knollen-tuin vandaag.
DR. STOCKMANN. Dat komt van zijn maag. Hij lijdt aan slechte
spijsvertering.
HOVSTAD. Ik denk dat voornamelijk wij, van de "Volksbode", hem wat zwaar
in de maag liggen.
MEVR. STOCKMANN. U is er toch nog al goed afgekomen bij hem, dunkt me.
HOVSTAD. O jawel, maar dat is maar een soort van wapenstilstand.
BILLING. Dát is het! Dat woord teekent den toestand.
DR. STOCKMANN. Wij moeten bedenken dat Peter een eenzaam levend mensch
is, de stakkerd! Hij heeft geen eigen thuis waar hij het gezellig hebben
kan; hij heeft altijd maar zaken, zaken. En al die verdomde slappe thee,
waar hij zich mee vol giet. Komt jongens, schuift toch stoelen bij de
tafel! Katrine, krijgen we nu de grog?
MEVR. STOCKMANN (_naar de eetkamer gaande_). Ik zal ze je dadelijk
geven.
DR. STOCKMANN. En gaat u nu op de canapé zitten, kapitein. Een zeldzame
gast als u.... Alsjeblieft, neemt plaats, vrienden.
(_De heeren gaan om de tafel zitten. Mevr. Stockmann brengt een blad met
een bouilloir, glazen, karaffen enz_).
MEVR. STOCKMANN. Ziedaar; hier is arak, en dit is rhum; en hier staat
cognac. Nu moet ieder zich zelf maar bedienen.
DR. STOCKMANN (_neemt een glas_). Ja, dat zullen we hebben (_terwijl de
grog gemengd wordt_). En dan de sigaren. Ejlif, jij weet wel waar het
kistje staat. En jij, Morten, moest mijn pijp eens halen (_de jongens
gaan in de kamer rechts_). Ik verdenk Ejlif dat hij wel eens een sigaar
kaapt nu en dan, maar ik doe alsof ik niets merk (_roept_). En ook mijn
kalotje, Morten! Katrine, kan jij hem niet eens zeggen waar ik het heb
neergelegd. O, hij heeft het al! (_de jongens brengen het verlangde_).
Asjeblieft, vrienden. Ik hou mij bij mijn pijp zooals je weet. Die heeft
al heel wat tochten in stormweer met mij meegemaakt, daarginder in 't
Noorden (_klinkt_). Op je welzijn! Jongens, het is toch heel wat beter
om hier warm en rustig te zitten, hoor!
MEVR. STOCKMANN (_breiend_). Zeilt u al gauw weer uit, kapitein?
HORSTER. In de volgende week denk ik hier klaar te komen.
MEVR. STOCKMANN. En dan gaat u immers naar Amerika?
HORSTER. Ja, dat is het plan.
BILLING. Maar dan kan u niet meedoen aan de nieuwe verkiezingen.
HORSTER. Zijn hier dan nieuwe verkiezingen aanstaande?
BILLING. Weet u dat niet?
HORSTER. Neen, ik bemoei mij niet met die dingen.
BILLING. Maar u stelt toch belang in de publieke zaak?
HORSTER. Neen, daar heb ik geen verstand van.
BILLING. Enfin; maar iemand moet toch in elk geval stemmen.
HORSTER. Die er niets van begrijpen ook?
BILLING. Er niets van begrijpen? Wat meent u daar eigenlijk mee? De
maatschappij is als een schip; alle mannen moeten meehelpen aan het
roer.
HORSTER. Dat kan misschien goed zijn aan land; maar aan boord zou dat
niet best gaan.
HOVSTAD. 't Is vreemd dat de meeste zeelui zich zoo weinig interesseeren
voor de zaken aan land.
BILLING. Heel merkwaardig.
DR. STOCKMANN. Zeelui zijn als trekvogels; die voelen zich zoowel in het
zuiden als in het noorden thuis. Maar daarom moeten wij hier zooveel te
meer doen, mijnheer Hovstad. Komt er morgen iets van algemeen belang in
de "Volksbode"?
HOVSTAD. Niets over plaatselijke aangelegenheden. Maar overmorgen dacht
ik uw artikel te plaatsen....
DR. STOCKMANN. Ja, bliksems, dat artikel! Neen, hoor, daar moet u nog
mee wachten.
HOVSTAD. Zoo? Wij hebben er nu net zoo goed plaats voor, en mij dunkt
het is nu juist de gunstigste tijd....
DR. STOCKMANN. Jawel, dat kan wel waar zijn; maar u moet er toch mee
wachten. Ik zal u later wel ophelderen....
(_Petra, met hoed en mantel en een pak schriften onder haar arm, komt
uit de voorkamer_).
PETRA. Goeden avond.
DR. STOCKMANN. Goeden avond, Petra, ben je daar? (_wederzijdsche
begroetingen; Petra legt hoed en mantel op een stoel bij de deur_).
PETRA. En daar zitten ze zich hier maar te goed te doen, terwijl ik mij
buiten afbeul!
DR. STOCKMANN. Nou, doe jij je dan ook maar eens te goed.
BILLING. Zal ik u een glaasje klaar maken?
PETRA (_gaat naar de tafel_), Dank u; dat doe ik liever zelf; u maakt
het altijd veel te sterk. Maar 't is waar ook, vader, ik heb een brief
voor je (_gaat naar den stoel waar haar hoed ligt_).
DR. STOCKMANN. Een brief? Van wie?
PETRA (_zoekt in den zak van haar mantel_). De brievenbesteller gaf hem
mij juist toen ik uit ging....
DR. STOCKMANN (_staat op en gaat naar haar toe_). En breng je mij dien
nu pas!
PETRA. Ik had heusch geen tijd om er weer mee terug te gaan.
Alsjeblieft.
DR. STOCKMANN (_grijpt den brief_). Laat zien, laat zien, kind! (_kijkt
naar het adres_). Ja juist, juist...!
MEVR. STOCKMANN. Is het dat waar je zoo lang op gewacht hebt, Thomas?
DR. STOCKMANN. Ja juist; nu moet ik dadelijk naar mijn kamer.... Waar
vind ik een licht, Katrine? Er is al weer geen lamp in mijn kamer!
MEVR. STOCKMANN. Jawel, de lamp staat aangestoken op je schrijftafel.
DR. STOCKMANN. Goed; best. Excuseert mij een oogenblik.... (_gaat in
zijn kamer rechts_).
PETRA. Wat zou dat kunnen zijn, moeder?
MEVR. STOCKMANN. Ik weet 't niet; in de laatste dagen heeft hij zoo
dikwijls naar den brievenbesteller gevraagd.
BILLING. Vermoedelijk een patiënt buiten de stad.
PETRA. Arme vader; hij krijgt haast al te veel te doen (_maakt een glas
grog klaar_). Hè, dat zal smaken!
HOVSTAD. Heeft u van daag ook les gegeven in de avondschool?
PETRA (_proeft van haar grog_). Twee uur.
BILLING. En in den voormiddag vier uur in het instituut....
PETRA (_gaat bij de tafel zitten_). Vijf uur.
MEVR. STOCKMANN. En van avond heb je nog schriften te corrigeeren, zie
ik.
PETRA. Ja, een heele vracht.
HORSTER. U heeft ook heel wat te doen, naar 't schijnt.
PETRA. Ja, maar dat is heerlijk. Dan ben je naderhand zoo verrukkelijk
moe.
BILLING. Vindt u dat heerlijk?
PETRA. Ja; dan slaap je zoo lekker.
MORTEN. Zeg, Petra, jij moet wel erg zondig zijn.
PETRA. Zondig?
MORTEN. Ja, als je zooveel werkt. Mijnheer Rörlund zegt dat werken een
straf is voor onze zonden.
EJLIF (_fluit_). Poeh! Wat ben jij dom om zoo iets te gelooven.
MEVR. STOCKMANN. Nou, nou, Ejlif!
BILLING (_lacht_). Neen, die is prachtig!
HOVSTAD. Zou jij niet graag zooveel willen werken, Morten?
MORTEN. Neen, daar heb ik niks geen lust in.
HOVSTAD. Ja, maar, wat wil je dan worden mettertijd?
MORTEN. _Ik_ zou 't liefst viking worden.
EJLIF. Maar dan zou je toch een heiden moeten zijn.
MORTEN. Nou, dan zou ik een heiden kunnen worden.
BILLING. Dat ben ik met je eens, Morten. Dat is net wat ik óók zeg.
MEVR. STOCKMANN (_maakt teekens_). Welneen, mijnheer Billing, dat meent
u niet.
BILLING. Jawel, goddome...! Ik bèn een heiden, en daar ben ik trotsch
op. Let u maar eens op, binnen kort worden wij allemaal heidenen.
MORTEN. En mogen we dan alles doen wat we willen?
BILLING. Ja, kijk eens, Morten....
MEVR. STOCKMANN. Kom jongens, vooruit, naar binnen. Je hebt zeker nog
wel schoolwerk te maken voor morgen.
EJLIF. _Ik_ kon toch nog best een beetje hier blijven....
MEVR. STOCKMANN. Neen, jij ook niet. Gaat nu allebei weg.
(_De jongens zeggen goeden nacht en gaan de kamer links binnen_).
HOVSTAD. Gelooft u heusch dat het niet goed is voor de jongens dat ze
zulke dingen hooren?
MEVR. STOCKMANN. Och, ik weet het niet; maar ik heb het niet graag.
PETRA. Ja maar, moeder, dat lijkt mij toch heel verkeerd.
MEVR. STOCKMANN. Ja, dat kan nu wel zijn; maar ik heb het niet graag;
niet hier in huis.
PETRA. Er is zooveel onwaarheid in huis en op school. Thuis moet er
gezwegen worden en op school moeten we de kinderen wat voorliegen.
HORSTER. Wat voorliegen?
PETRA. Ja, denkt u niet dat wij met heel wat voor den dag moeten komen,
waar wij zelf niets van gelooven?
BILLING. Ja, dat is maar al te waar.
PETRA. Had ik er het geld maar voor, dan zou ik zelf een school beginnen
en daar zou het anders toegaan.
BILLING. Och wat, geld....
HORSTER. Ja, als u daarover denkt, juffrouw Stockmann, dan kan ik u wel
aan een lokaal helpen. Het groote oude huis van mijn overleden vader
staat zoo goed als leeg; daar is beneden een heel groote eetzaal....
PETRA (_lacht_). O, dank u, het is heel vriendelijk van u; maar daar
komt toch niets van.
HOVSTAD. Welneen, juffrouw Petra zal wel overgaan tot de journalistiek,
denk ik. O ja, dat 's waar ... heeft u al tijd gehad om dat Engelsche
verhaal eens in te kijken dat u voor ons vertalen zou?
PETRA. Neen, nog niet; maar u zal het heusch op tijd hebben.
(_Dr. Stockmann komt uit zijn kamer met den geopenden brief in de
hand_).
Dr. Stockmann (_zwaait met den brief_). Hoort eens hier ... nu zal de
stad wat nieuws te hooren krijgen.
BILLING. Nieuws?
MEVR. STOCKMANN. Wat is dat voor nieuws?
DR. STOCKMANN. Een groote ontdekking, Katrine!
HOVSTAD. Zoo?
MEVR. STOCKMANN. Die jij gedaan hebt?
DR. STOCKMANN. Ja, ik zelf (_loopt heen en weer_). Laat ze nu maar komen
en zeggen, zooals gewoonlijk, dat het hersenschimmen en inbeeldingen
zijn van een gek! Maar ze zullen het wel laten! Haha! ze zullen het wel
uit hun hart laten, zeg ik.
PETRA. Maar vader, zeg dan eens wat het is?
DR. STOCKMANN. Jawel, laat me maar den tijd, dan zal jullie allemaal het
weten. Had ik Peter nu maar eens hier! Nu kan je eens zien, hoe wij
menschen hier rondloopen en oordeelen als blinde mollen....
HOVSTAD. Wat bedoelt u daarmee, dokter?
DR. STOCKMANN (_blijft bij de tafel staan_). Is het niet de algemeene
opinie dat onze stad een gezond plekje is?
HOVSTAD. Ja, natuurlijk.
DR. STOCKMANN. Een heel buitengewoon gezond plekje zelfs,... een plekje
dat verdient heel warm aanbevolen te worden zoowel voor zieke als
gezonde menschen....
MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas-lief....
DR. STOCKMANN. En aanbevolen en aangeprezen hebben wij het dan ook.
Ik heb er herhaaldelijk over geschreven zoowel in de "Volksbode" als in
vlugschriften.
HOVSTAD. Jawel ... en?
DR. STOCKMANN. Die badinrichting, die men de slagader der stad en de
levenszenuw der stad en ... de duivel weet wat al meer noemt....
BILLING. "Het kloppende hart van de stad" heb ik mij eens in een
feestelijk moment veroorloofd te....
DR. STOCKMANN. O ja, dat ook al. Maar weet u nu wat die in werkelijkheid
is, die groote, prachtige, veelgeprezen badgelegenheid, die zooveel geld
gekost heeft ... weet u wat die is?
HOVSTAD. Neen, wat is ze dan?
DR. STOCKMANN. De heele badplaats is een pesthol.
PETRA. De badplaats, vader!
MEVR. STOCKMANN (_tegelijkertijd_). Onze badplaats!
HOVSTAD (_evenzoo_). Maar, dokter....
BILLING. Ongelooflijk!
DR. STOCKMANN. De heele badinrichting is een gepleisterd vergiftig graf,
zeg ik. Gevaarlijk voor de gezondheid in den allerhoogsten graad! Al het
vuil boven in het Molendal,... alles wat daar zoo geweldig stinkt,...
dat alles infecteert het water in de aanvoerbuizen van het brongebouw,
en die zelfde vervloekte, vergiftige smeerboel siepelt ook door naar het
strand....
HORSTER. Daar waar de zeebaden gebruikt worden?
DR. STOCKMANN. Precies daar.
HOVSTAD. Waardoor weet u dat alles zoo zeker, dokter?
DR. STOCKMANN. Ik heb dat alles zoo nauwgezet mogelijk onderzocht. O, ik
had al lang een vermoeden van zoo iets. Verleden jaar hadden wij hier
een aantal opvallende ziektegevallen onder de badgasten,... zoowel
typheuse als gastrische koortsen....
MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is waar.
DR. STOCKMANN. Wij dachten toen dat de vreemdelingen de besmetting
overgebracht hadden; later evenwel,... van den winter ... kwam ik tot
andere gedachten; ik ging het water onderzoeken zoo goed als het ging.
MEVR. STOCKMANN. Dus daarmee heb je het zoo druk gehad!
DR. STOCKMANN. Ja, je mag wel zeggen dat ik het druk had, Katrine! Maar
hier ontbraken mij toch de noodige wetenschappelijke hulpmiddelen, en
dus zond ik proeven op van het drinkwater en van het zeewater aan de
universiteit om er een juiste chemische analyse van te krijgen.
HOVSTAD. En die heeft u nu gekregen?
DR. STOCKMANN (_wijst op den brief_). Hier heb ik die! Het aanwezig zijn
van verrotte organische stoffen in het water is uitgemaakt ...
bacterieën in massa's. Het is absoluut schadelijk voor de gezondheid,
zoowel voor uit- als inwendig gebruik.
MEVR. STOCKMANN. Het is een waar geluk dat je daar nog bijtijds achter
gekomen bent.
DR. STOCKMANN. Ja, dat mag je wel zeggen.
HOVSTAD. En wat denkt u nu te doen, dokter?
DR. STOCKMANN. Natuurlijk zien den boel te veranderen.
HOVSTAD. Zou dat te doen zijn?
DR. STOCKMANN. Dat moet te doen zijn. Anders is de heele badinrichting
onbruikbaar,... geruïneerd. Maar dat heeft geen nood. Ik weet voor
mijzelf heel goed wat er gedaan moet worden.
MEVR. STOCKMANN. Maar, beste Thomas, dat je dat alles zoo geheim
gehouden hebt.
DR. STOCKMANN. Wel ja, ik had zeker de heele stad moeten rondloopen en
er over babbelen vóór ik volle zekerheid had? Neen, dank je; zóó gek ben
ik niet.
PETRA. Nou maar, tegen ons hier in huis....
DR. STOCKMANN. Tegen geen levende ziel. Maar morgen mag je naar den
"das" loopen....
MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas...!
DR. STOCKMANN. Nou ja, naar grootvader dan. Dan zal hij wat hebben om
zich over te verbazen, de oude; hij gelooft immers dat ik krankzinnig
ben.... O ja, er zijn er wel meer die dat gelooven, heb ik gemerkt. Maar
nu zullen de heeren dan zien...; nu zullen ze eens zien...; (_loopt rond
en wrijft zich de handen_). Dat zal hier in de stad een opstootje geven,
Katrine! Daar kan je je geen voorstelling van maken. De heele
waterleiding moet verlegd worden.
HOVSTAD (_staat op_). De heele waterleiding...?