OSWALD (_gaat weer overeind zitten_). Ja, dat kan ik juist absoluut niet

begrijpen of nagaan. Ik heb nooit zoo wild geleefd. In geen enkel

opzicht. Dat moet je heusch niet van me denken, moeder! Dat heb ik nooit

gedaan.

MEVR. ALVING. Dat denk ik ook niet, Oswald.

OSWALD. En toch is het gekomen! Dat verschrikkelijke ongeluk.

MEVR. ALVING. O, maar dat zal wel weer terechtkomen, mijn lieve, lieve

jongen. Dat is niets dan overspanning. Dat kan je gerust aannemen.

OSWALD (_bedroefd_). Dat dacht ik ook in het begin; maar dat is niet

zoo.

MEVR. ALVING. Vertel mij eens alles van A tot Z.

OSWALD. Ja, dat wou ik ook.

MEVR. ALVING. Wanneer heb je het 't eerst gemerkt?

OSWALD. Het was dadelijk nadat ik den vorigen keer thuis was geweest en

weer in Parijs terug was. Het begon met afschuwelijke hoofdpijnen ...

vooral in mijn achterhoofd, meende ik. Het was of er een ijzeren ring om

mijn nek en daarboven werd dichtgeschroefd.

MEVR. ALVING. En dan?

OSWALD. In 't begin dacht ik dat 't niets anders was dan de gewone

hoofdpijnen, die mij zoo geplaagd hadden in den tijd van mijn groei.

MEVR. ALVING. Ja, ja....

OSWALD. Maar dat was zoo niet; dat merkte ik al gauw. Ik kon niet meer

werken. Ik wou een nieuw groot schilderij beginnen, maar het was of mijn

kunst weg was; ik was als lamgeslagen; ik kon mij geen vaste

voorstelling van iets meer maken; het duizelde voor mij ... alles

draaide. O, dat was een vreeselijke toestand! Eindelijk zond ik om den

dokter ... en van hem hoorde ik wat het was.

MEVR. ALVING. Hoe bedoel je?

OSWALD. Het was een van de eerste doktoren van Parijs. Ik moest hem toen

vertellen wat en hoe ik het allemaal voelde. En toen begon hij mij

allerlei vragen te doen, die naar mijn idee, niets met de zaak te maken

hadden; ik begreep niet waar de man heen wou....

MEVR. ALVING. En?

OSWALD. Ten slotte zei hij: er is van je geboorte af al iets wormstekigs

in je geweest,... hij gebruikte letterlijk het woord "vermoulu".

MEVR. ALVING (_in spanning_). Wat meende hij daarmee?

OSWALD. Ik begreep het ook niet en verzocht hem zich nader te verklaren.

En toen zei die oude cynicus.... (_balt de vuist_) O...!

MEVR. ALVING. Wat zei hij?

OSWALD. Hij zei: de zonden der vaderen worden bezocht aan de kinderen.

MEVR. ALVING (_staat langzaam op_). De zonden der vaderen...!

OSWALD. Ik had hem haast een slag in zijn gezicht gegeven....

MEVR. ALVING (_loopt heen en weer_). De zonden der vaderen....

OSWALD (_glimlacht droef_). Ja, hoe vind je 't? Natuurlijk verzekerde ik

hem dat er van zoo iets geen sprake kon zijn. Maar denk je dat hij zich

gewonnen gaf? Neen, hij bleef er bij; en pas toen ik je brieven voor den

dag had gehaald en al de plaatsen waar je over vader schreef, vertaald

had....

MEVR. ALVING. Toen...?

OSWALD. Ja, toen moest hij van zelf wel toegeven dat hij op een

dwaalspoor was; en toen hoorde ik de waarheid! Dat heerlijke, gelukkige

jonge leven dat ik geleid had met mijn kameraden had ik moeten mijden.

Dat had te veel van mijn krachten gevergd. Eigen schuld dus!

MEVR. ALVING. Oswald! O neen, geloof dat niet!

OSWALD. Er is geen andere verklaring mogelijk, zei hij. Dat is het

verschrikkelijke. Hopeloos verloren voor mijn heele leven ... door mijn

eigen onbezonnenheid. Alles, wat ik had willen doen in de wereld,...

daar niet meer aan te mogen denken,... er niet meer aan te kunnen

denken. O, kon ik mijn leven nog maar eens overdoen,... het allemaal

ongedaan maken! (_hij laat zich voorover vallen met het gezicht op de

canapé_).

MEVR. ALVING (_wringt de handen en loopt in hevigen tweestrijd op en

neer_).

OSWALD (_richt zich half op na een poosje; blijft met den elleboog op de

canapé gesteund zitten_). Als het nog iets overgeërfds was,... iets dat

je zelf niet helpen kon. Maar zoo! Op zoo'n schandelijke, onnadenkende,

lichtzinnige manier je eigen geluk vergooid te hebben, je eigen

gezondheid, alles, alles ... je toekomst, je leven....

MEVR. ALVING. Neen, neen, mijn eigen lieve jongen, dat is onmogelijk!

(_buigt zich over hem heen_). Je bent er niet zoo wanhopig aan toe als

je denkt.

OSWALD. O, je weet 't niet.... (_springt op_). En dan nog dat er bij,

dat ik jou al dat verdriet bezorg! Dikwijls heb ik bijna gewenscht en

gehoopt dat je minder van me zoudt houden.

MEVR. ALVING. Ik, Oswald, mijn eenige jongen! Het eenige wat ik in de

wereld nog heb. Het eenige wat waarde voor mij heeft!

OSWALD (_grijpt haar beide handen en kust ze_). Ja, ja, ik zie het wel.

Als ik thuis ben zie ik het immers wel. En juist dat is voor mij een van

de ergste dingen er van.... Maar nu weet je het dus. En nu zullen wij er

van daag niet meer over spreken. Ik kan er niet zoo lang achter elkaar

over denken (_loopt heen en weer_). Geef mij wat te drinken, moeder!

MEVR. ALVING. Drinken? Wat wil je nu drinken?

OSWALD. Och, wat je hebt. Je hebt immers kouden punch in huis?

MEVR. ALVING. Ja, maar, mijn beste Oswald...!

OSWALD. Toe, weiger het me niet. Wees nu lief! Ik moet iets hebben om al

die kwellende gedachten weg te spoelen (_gaat naar de serre_). En dan

... wat is het hier donker!

MEVR. ALVING (_trekt aan de bel rechts_).

OSWALD. En die onophoudelijke regen. Weken lang kan dat duren; maanden

soms. Nooit een zonnestraal te zien. De keeren dat ik thuis geweest ben,

herinner ik mij niet ooit de zon te hebben zien schijnen.

MEVR. ALVING. Oswald,... je denkt er over van mij weg te gaan.

OSWALD. Hm.... (_ademt zwaar_). Ik denk over niets. Kàn aan niets

denken! (_zachtjes_). Dat zal ik wel laten.

REGINE (_uit de eetkamer_). Heeft mevrouw gebeld?

MEVR. ALVING. Ja, breng de lamp eens binnen.

REGINE. Dadelijk mevrouw. Ze is al aangestoken (_gaat weg_).

MEVR. ALVING (_gaat naar Oswald toe_). Oswald, wees niet gesloten

tegenover mij.

OSWALD. Dat ben ik ook niet, moeder (_gaat naar de tafel_). Mij dunkt

dat ik je zoo veel gezegd heb.

REGINE (_brengt de lamp en zet die op tafel_).

MEVR. ALVING. Hoor eens, Regine, je moet eens een halve flesch champagne

brengen.

REGINE. Jawel, mevrouw (_gaat weer heen_).

OSWALD (_neemt haar hoofd tusschen zijn handen_). Zoo is het goed. Ik

wist wel dat moeder haar jongen geen dorst zou laten lijden.

MEVR. ALVING. Jou? mijn arme lieve Oswald; hoe zou ik jou nu iets kunnen

weigeren?

OSWALD (_levendig_). Is dat waar, moeder? Meen je dat?

MEVR. ALVING. Hoe zoo? Wat?

OSWALD. Dat je me niets zoudt kunnen weigeren?

MEVR. ALVING. Maar Oswald-lief....

OSWALD. Sst!

REGINE (_brengt een blaadje met een halve flesch champagne en twee

glazen, dat zij op tafel zet_). Zal ik de flesch openmaken?

OSWALD. Neen, dankje, dat zal ik zelf wel doen. (_Regine gaat weer

weg_).

MEVR. ALVING (_gaat bij de tafel zitten_). Wat bedoelde je daar straks

... dat ik je niet moest weigeren?

OSWALD (_bezig de flesch open te maken_). Eerst een glas ... of twee.

(_De kurk springt er af; hij schenkt een glas in en wil ook een tweede

inschenken_).

MEVR. ALVING. (_houdt haar hand er op_). Dankje ... voor mij niet.

OSWALD. Nou voor mij dan!

(_Hij drinkt het glas uit, vult het opnieuw en drinkt het weer uit; dan

gaat hij bij de tafel zitten_).

MEVR. ALVING (_afwachtend_). Nu dan?

OSWALD (_zonder haar aan te zien_). Hoor eens, moeder ... 't leek mij

dat jij en dominee Manders zoo vreemd ... hm, zoo stil waart aan tafel.

MEVR. ALVING. Heb je dat opgemerkt?

OSWALD. Ja. Hm.... (_na even zwijgen_). Zeg eens ... hoe vind je Regine?

MEVR. ALVING. Hoe ik haar vind?

OSWALD. Ja, is zij niet prachtig?

MEVR. ALVING. Beste Oswald, jij kent haar niet zoo goed als ik....

OSWALD. Wel?

MEVR. ALVING. Regine is helaas, veel te lang thuis gebleven. Ik had haar

vroeger bij mij moeten nemen.

OSWALD. Ja, maar, is zij niet prachtig om te zien, moeder? (_vult zijn

glas_).

MEVR. ALVING. Regine heeft vele en groote gebreken....

OSWALD. Nou ja, wat doet dat er toe? (_hij drinkt weer_).

MEVR. ALVING. Maar ik hou toch van haar; en ik ben voor haar

verantwoordelijk. Ik wou voor niets ter wereld dat er iets met haar

gebeurde.

OSWALD (_springt op_). Moeder, Regine is de eenige die mij redden kan!

MEVR. ALVING (_staat op_). Wat bedoel je daarmee?

OSWALD. Ik kan al die ellende op den duur niet alleen dragen.

MEVR. ALVING. Heb je je moeder dan niet om je te helpen die te dragen?

OSWALD. Jawel, dat dacht ik, en daarom ben ik ook naar huis terug

gekomen. Maar het gaat zoo niet. Ik zie 't wel; het gaat niet. Ik hou

het leven hier niet uit!

MEVR. ALVING. Oswald!

OSWALD. Ik moet anders leven, moeder. Daarom moet ik van je weg. Ik wil

niet dat je dat altijd zult moeten aanzien.

MEVR. ALVING. Mijn arme jongen! Maar Oswald, zoolang je zoo ziek bent

als nu....

OSWALD. Als het alleen maar die ziekte was, dan bleef ik wel bij je,

moeder. Want je bent de beste vriend dien ik heb.

MEVR. ALVING. Ja, niet waar, Oswald, dat ben ik?

OSWALD (_loopt onrustig rond_). Maar het is al die ellende ... iets ...

berouw ... en dan die ontzettende angst!

MEVR. ALVING (_gaat hem na_). Angst? Wat voor angst? Wat meen je?

OSWALD. O, je moet me niets meer vragen. Ik weet het niet. Ik kan het je

niet beschrijven.

MEVR. ALVING (_gaat naar rechts en trekt aan de bel_).

OSWALD. Wat wil je gaan doen?

MEVR. ALVING. Ik wil dat mijn jongen vroolijk zal zijn, dat wil ik. Hij

mag niet zoo tobben (_tegen Regine die binnen komt_). Meer champagne.

Een heele flesch.

(_Regine af_).

OSWALD. Moeder!

MEVR. ALVING. Denk je dat wij hier buiten ook niet weten te leven?

OSWALD. Is zij niet prachtig om te zien? En zoo mooi gebouwd! En zoo

door-en-door gezond!

MEVR. ALVING (_gaat aan de tafel zitten_). Ga zitten, Oswald, en laat

ons eens rustig praten.

OSWALD (_gaat zitten_). Je weet nog niet, moeder, dat ik iets goed te

maken heb aan Regine.

MEVR. ALVING. Jij?

OSWALD. O, maar een kleine onbezonnenheid, als je het zoo noemen wilt.

Trouwens iets heel onschuldigs. Toen ik den laatsten keer thuis was....

MEVR. ALVING. Ja?

OSWALD. ... vroeg zij mij zoo dikwijls naar Parijs, en ik vertelde haar

het een-en-ander van daarginder. En ik herinner mij dat ik er eens toe

kwam om te zeggen: zou je zelf geen lust hebben daar eens heen te gaan?

MEVR. ALVING. En?

OSWALD. Ik zag dat zij tot over haar ooren kleurde en toen zei zij: ja,

daar heb ik zeker wel lust in. Nou ja, antwoordde ik, dat kan misschien

nog wel eens gebeuren ... of zoo iets.

MEVR. ALVING. En verder?

OSWALD. Ik had natuurlijk de heele zaak vergeten; maar toen ik haar

eergisteren vroeg of zij niet blij was dat ik nu zoo lang thuis zou

blijven....

MEVR. ALVING. Ja?

OSWALD. ... toen keek ze mij zoo wonderlijk aan, en vroeg toen: maar wat

komt er dan van mijn reis naar Parijs?

MEVR. ALVING. Haar reis?

OSWALD. En toen kreeg ik het er uit, dat zij het voor ernst had

opgenomen, en aldoor aan mij gedacht had en Fransch had geleerd....

MEVR. ALVING. Daarvoor dus....

OSWALD. Moeder,... toen ik dat mooie, prachtige, frissche meisje daar

voor mij zag staan ... vroeger had ik nooit zoo op haar gelet ... maar

nu, toen zij daar als met open armen voor mij stond, bereid om mij er in

op te nemen....

MEVR. ALVING. Oswald!

OSWALD. ... toen werd het mij duidelijk dat er bij haar redding was;

want ik zag dat in haar levensblijheid leeft.

MEVR. ALVING (_verschrikt_). Levensblijheid...? Kan die je redding zijn?

REGINE (_uit de eetkamer met een flesch champagne_). Ik vraag excuus dat

ik zoo lang weg bleef; maar ik moest er voor in den kelder gaan....

(_zet de flesch op tafel_).

OSWALD. En haal nog een glas.

REGINE (_kijkt hem verwonderd aan_). Daar staat mevrouws glas, mijnheer.

OSWALD. Ja maar, haal er een voor jezelf, Regine.

REGINE (_schrikt hevig en werpt snel van ter zijde een blik naar Mevr.

Alving_).

OSWALD. Nou?

REGINE (_zacht en aarzelend_). Als mevrouw er niet tegen heeft...?

MEVR. ALVING. Ga een glas halen, Regine.

OSWALD (_kijkt haar na_). Heb je op haar gang gelet? Zoo flink en

elastisch.

MEVR. ALVING. Dat gebeurt niet, Oswald!

OSWALD. Het is een uitgemaakte zaak, dat zie je immers. Daar helpt geen

tegenstribbelen aan.

REGINE (_komt terug met een leeg glas in de hand_).

OSWALD. Ga zitten, Regine.

REGINE (_kijkt mevr. Alving aan_).

MEVR. ALVING. Ga maar zitten.

REGINE (_gaat zitten op een stoel bij de deur van de eetkamer en houdt

voortdurend het leege glas in de hand_).

MEVR. ALVING. Oswald, wat was dat wat je zei over levensblijheid?

OSWALD. Ja, levensblijheid, moeder,... daar weten ze hier in ons land

niet veel van. Ik heb er nooit iets van gemerkt.

MEVR. ALVING. Ook niet als je bij mij bent?

OSWALD. Niet als ik hier thuis ben. Maar dat begrijp je zoo niet.

MEVR. ALVING. Jawel, ik geloof haast dat ik het wel begrijp ... nu.

OSWALD. Levensblijheid ... en dan het genot van werken. Ja, in den grond

is dat wel hetzelfde. Maar daarvan weten ze hier ook niets.

MEVR. ALVING. Dat kan wel waar zijn, vertel er eens wat meer van.

OSWALD. Ja, ik wil er dit mee zeggen, dat hier aan de menschen wordt

geleerd te gelooven dat werken een vloek is en een straf voor hun

zonden, en dat het leven iets jammerlijks is, waar wij hoe eer hoe

liever maar van verlost moeten worden.

MEVR. ALVING. Een jammerdal, ja. En dat maken wij er dan oprecht en

eerlijk ook van.

OSWALD. Maar van zoo iets willen de menschen in het buitenland niets

weten. Daar gelooft geen mensch meer in ernst aan zulke leerstellingen.

Daar voel je het als iets jubelend gelukzaligs alleen maar dat je leeft.

Moeder, heb je niet opgemerkt, dat alles wat ik geschilderd heb, op

levensblijheid betrekking had? Altijd en voortdurend op levensblijheid.

Er is licht en zonneschijn en zondagslucht ... en vroolijke stralende

menschengezichten. Daarom ben ik bang om hier bij jou thuis te blijven.

MEVR. ALVING. Bang? Waarom ben je bang hier bij mij?

OSWALD. Ik ben bang dat alles wat er in mij woelt hier tot iets leelijks

ontaarden zal.

MEVR. ALVING (_kijkt hem vast aan_). Geloof je dat dat gebeuren zou?

OSWALD. Ik weet het heel zeker. En al leefde je hier hetzelfde leven als

daarginder, dan zou het toch niet hetzelfde zijn.

MEVR. ALVING (_die in spanning heeft geluisterd, staat op met groote

ernstige oogen en zegt_). Nu zie ik het verband.

OSWALD. Wat zie je?

MEVR. ALVING. Nu zie ik het voor het allereerst. En nu kan ik spreken.

OSWALD (_staat op_). Moeder ik begrijp je niet.

REGINE (_die ook is opgestaan_). Zal ik misschien weggaan?

MEVR. ALVING. Neen, blijf hier. Nu kan ik spreken. Nu, mijn jongen, zal

je alles weten. En dan kan je kiezen. Oswald! Regine!

OSWALD. Stil. De dominee....

DOM. MANDERS (_komt door de voorkamer binnen_). Ziezoo; wij hebben een

hartverheffend uurtje doorgebracht.

OSWALD. Wij ook.

DOM. MANDERS. Engstrand moet geholpen worden met dat asyl voor zeelui.

Regine moet met hem meegaan om hem behulpzaam te zijn....

REGINE. Neen, dank u, dominee.

DOM. MANDERS (_bemerkt haar nu pas_). Wat...? Hier...? En met een glas

in de hand?

REGINE (_zet snel haar glas neer_). Pardon...!

OSWALD. Regine gaat met mij mee, dominee.

DOM. MANDERS. Mee! Met u!

OSWALD. Ja, als mijn vrouw,... als zij wil.

DOM. MANDERS. Genadige Hemel...!

REGINE. Ik kan het niet helpen, dominee.

OSWALD. Of zij blijft hier, als ik blijf.

REGINE (_onwillekeurig_). Hier?

DOM. MANDERS. Ik sta verstomd over u, mevrouw.

MEVR. ALVING. Noch het een noch het ander zal gebeuren; want nu kan ik

vrij uit spreken.

DOM. MANDERS. Maar dat zal u toch niet doen! Neen, neen, neen!

MEVR. ALVING. Jawel; ik zal en ik kan het doen. En toch zullen er geen

idealen omlaag gehaald worden.

OSWALD. Moeder, wat wordt er hier voor mij verborgen gehouden?

REGINE (_luisterend_). Mevrouw! Hoor eens! Er staan menschen buiten te

schreeuwen. (_Zij gaat in de serre en kijkt naar buiten_).

OSWALD (_bij het raam links_). Wat is er te doen? Waar komt die gloed

vandaan?

REGINE (_roept_). Er is brand in het gesticht!

MEVR. ALVING (_bij het raam_). Brand!

DOM. MANDERS. Brand? Onmogelijk. Ik kom er net vandaan.

OSWALD. Waar is mijn hoed? Nou, dat doet er ook niet toe.... Vaders

gesticht...! (_hij loopt naar buiten door de tuindeur_).

MEVR. ALVING. Mijn doek, Regine! 't Staat in lichtelaaie!

DOM. MANDERS. Ontzettend! Mevrouw Alving, daar licht het oordeel over

dit huis van ongerechtigheid!

MEVR. ALVING. Jawel ... zeker. Kom Regine. (_Zij en Regine gaan haastig

weg door de voorkamer_).

DOM. MANDERS (_slaat de handen in elkaar_). En niet geassureerd! (_gaat

weg langs denzelfden weg_).

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

* * * * *

DERDE BEDRIJF.

Zelfde kamer. Alle deuren staan open. De lamp brandt nog steeds op

tafel. Buiten is het donker, alleen een zwakke lichtschijn op den

achtergrond.

Mevr. Alving met een grooten doek om haar hoofd, staat in de serre

en kijkt naar buiten. Regine, ook met een doek om, staat een beetje

achter haar.

* * * * *

MEVR. ALVING. Alles verbrand. Tot den grond toe.

REGINE. 't Brandt nog in de kelders.

MEVR. ALVING. Dat Oswald nog niet terug komt. Er is toch niets meer te

redden.

REGINE. Zal ik hem misschien zijn hoed gaan brengen?

MEVR. ALVING. Heeft hij niet eens zijn hoed op?

REGINE (_wijst naar de voorkamer_). Neen; daar hangt hij.

MEVR. ALVING. Laat hem dan maar hangen. Hij zal nu toch wel gauw komen.

Ik zal zelf even gaan zien (_zij gaat de tuindeur uit_).

DOM. MANDERS (_komt uit de voorkamer_). Is mevrouw niet hier?

REGINE. Mevrouw is net den tuin in gegaan.

DOM. MANDERS. Dit is de verschrikkelijkste nacht dien ik ooit beleefd

heb.

REGINE. Ja, wat een ontzettend ongeluk, dominee!

DOM. MANDERS. O, spreek er niet van! Ik durf er ter nauwernood aan

denken.

REGINE. Maar hoe is het toch aangekomen?

DOM. MANDERS. Vraag mij niets, Regine! Hoe kan ik dat weten? Wil jij

misschien ook...? Is het niet genoeg dat je vader...?

REGINE. Wat is er met hem?

DOM. MANDERS. Hij maakt mij nog krankzinnig!

ENGSTRAND (_komt door de voorkamer_). Dominee!

DOM. MANDERS (_keert zich verschrikt om_). Volg je mij hier ook al?

ENGSTRAND. Ja bliksem nog toe...! Jesses! dat is toch al te vreeselijk,

dominee!

DOM. MANDERS (_loopt heen en weer_). Helaas! helaas!

REGINE. Wat is er toch?

ENGSTRAND. Och, het kwam door die bijeenkomst, zie je (_zachtjes_). Nu

heb ik hem aan den haak, kindlief! (_luid_). En dat ik nu de schuld

moest zijn, dat dominee zoo'n ongeluk moest overkomen!

DOM. MANDERS. Maar ik verzeker je, Engstrand....

ENGSTRAND. Maar er is toch niemand anders dan dominee bezig geweest met

licht daarginder.

DOM. MANDERS (_blijft staan_). Ja, dat beweer jij. Maar ik kan mij

volstrekt niet herinneren een kaars in mijn hand te hebben gehad.

ENGSTRAND. Maar ik heb het toch heel duidelijk gezien dat dominee de

kaars opnam en ze met zijn vingers snoot en de afgebrande pit in de

krullen gooide.

DOM. MANDERS. Heb jij dat gezien?

ENGSTRAND. Ja, dat heb ik duidelijk gezien.

DOM. MANDERS. Dat kan ik mij toch niet begrijpen. 't Is toch nooit mijn

gewoonte om een kaars met mijn vingers te snuiten.

ENGSTRAND. Ja, het stond ook, met verlof, erg ongemanierd, dat deed het.

Maar zou het erg voor u kunnen worden, dominee?

DOM. MANDERS (_onrustig heen en weer loopend_). O, vraag er mij toch

niet naar!

ENGSTRAND (_met hem meeloopend_). En dominee heeft ook niet geassureerd?

DOM. MANDERS (_aldoor loopend_). Neen ... neen ... neen; dat hoor je

immers.

ENGSTRAND (_achter hem aan_). Niet geassureerd. En stil de kamer uit te

gaan en den boel in brand te steken. Jesses, jesses, wat een ongeluk!

DOM. MANDERS (_droogt zijn voorhoofd af_). Ja, dat mag je wel zeggen,

Engstrand.

ENGSTRAND. En dat zoo iets gebeuren moet met een weldadige inrichting,

die nuttig zou geweest zijn voor stad en land, zooals ze zeggen. De

couranten zullen dominee ook niet zachtjes aanpakken, vrees ik.

DOM. MANDERS. Daarover loop ik juist te denken. Dat is haast het ergste

van alles. Al die hatelijke aanvallen en beschuldigingen...! O, het is

vreeselijk daaraan te denken!

MEVR. ALVING (_komt uit den tuin_). Hij is niet te bewegen om van het

blusschen weg te gaan.

DOM. MANDERS. O, is u daar, mevrouw.

MEVR. ALVING. Nu komt u toch nog van uw feestrede af, dominee.

DOM. MANDERS. O, ik had met het grootste genoegen....

MEVR. ALVING (_gedempt_). 't Is het beste dat het maar ging zoo als het

ging. Dit gesticht had toch geen zegen aangebracht.

DOM. MANDERS. Zou u denken?

MEVR. ALVING. Denkt u dat dan niet?

DOM. MANDERS. Maar het was toch een ontzettend ongeluk.

MEVR. ALVING. Wij zullen er maar kort en goed over praten als over een

zaak.... Wacht je op dominee, Engstrand?

ENGSTRAND (_bij de deur van de voorkamer_). Ja, mevrouw.

MEVR. ALVING. Ga dan zoo lang zitten.

ENGSTRAND. Dank u; ik kan hier wel blijven staan.

MEVR. ALVING (_tegen Dom. Manders_). U gaat waarschijnlijk straks met de

boot weg?

DOM. MANDERS. Ja; over een uur vertrekt die.

MEVR. ALVING. Wees dan zoo goed al de papieren weer mee te nemen. Ik wil

geen woord meer over die zaak hooren. Ik heb andere dingen aan mijn

hoofd....

DOM. MANDERS. Mevrouw....

MEVR. ALVING. Later zal ik u volmacht zenden om alles te regelen zooals

u zelf wil.

DOM. MANDERS. Dat neem ik van harte gaarne op mij. De oorspronkelijke

bestemming van het legaat moet nu helaas geheel veranderd worden.

MEVR. ALVING. Dat spreekt van zelf.

DOM. MANDERS. Ja, dan denk ik het voorloopig zoo te regelen dat de hoeve

Solvik aan het distrikt komt. Den grond kan men toch niet waardeloos

noemen. Een of andere nuttige bestemming is daar altijd toch wel aan te

geven. En de renten van het geld dat op de spaarbank staat, zou ik

misschien als meest passend kunnen gebruiken om een of andere

onderneming te steunen, die gezegd worden kan de stad ten goede te

komen.

MEVR. ALVING. Net zooals u wil. De heele zaak is mij nu absoluut

onverschillig.

ENGSTRAND. Denk aan mijn tehuis voor zeelui, dominee!

DOM. MANDERS. Ja, zeker ... daar zeg je zoo wat. Nu, dat moeten wij nog

eens nader overleggen.

ENGSTRAND. Neen, wat duivel, niet overleggen.... Jesses dan toch!

DOM. MANDERS (_met een zucht_). Ik weet helaas ook niet, hoe lang ik nog

die zaken in handen hebben zal. Of de publieke opinie mij niet zal

noodzaken mij terug te trekken. Dat hangt heelemaal van het gerechtelijk

onderzoek af.

MEVR. ALVING. Wat zegt u daar?

DOM. MANDERS. En van den uitslag daarvan kan men vooruit volstrekt niets

met zekerheid zeggen.

ENGSTRAND (_dichtbij_). O welzeker kan men dat. Want hier staat Jakob

Engstrand ook nog.

DOM. MANDERS. Ja ... ja ... maar...?

ENGSTRAND. En Jakob Engstrand is niet de man die een waardigen weldoener

in den steek laat als de nood aan den man komt, zooals ze zeggen.

DOM. MANDERS. Ja, maar, mijn waarde ... hoe...?

ENGSTRAND. Jakob Engstrand is om zoo te zeggen te vergelijken bij een

reddenden engel, dominee!

DOM. MANDERS. Neen, neen, dat kan ik toch waarlijk niet aannemen.

ENGSTRAND. Och, dat moet u toch maar doen. Ik ken iemand die nòg eens de

schuld van een ander op zich genomen heeft ... wat?

DOM. MANDERS. Jakob! (_drukt hem de hand_). Je bent een zeldzaam mensch.

Nu, je zult je asyl voor zeelui hebben, hoor.... Daar kan je op aan.

ENGSTRAND (_wil bedanken, maar kan niet van aandoening_).

DOM. MANDERS (_hangt zijn reistaschje over zijn schouders_). En nu weg.

Wij reizen samen.

ENGSTRAND (_bij de eetkamerdeur zachtjes tegen Regine_). Ga met me mee,

meid! Je zult een leventje hebben als een prinses.

REGINE (_werpt het hoofd in den nek_). Merci! (_zij gaat naar de

voorkamer en haalt dominee's hoed_).

DOM. MANDERS. Vaarwel, mevrouw. En moge de geest van orde en wet spoedig

zijn intocht houden in deze woning.

MEVR. ALVING. Vaarwel Manders! (_zij gaat naar de serre, terwijl zij

Oswald door de tuindeur ziet binnenkomen_).

ENGSTRAND (_terwijl hij en Regine den dominee aan zijn jas helpen_).

Vaarwel, kindlief. En als er 't een of ander gebeuren mocht, dan weet je

waar Jakob Engstrand te vinden is (_zachtjes_) Kleine Havenstraat,

hm...! (_tegen Mevr. Alving en Oswald_). En het huis voor de zwervende

zeelui zal heeten "Kamerheer Alvings Tehuis". En als ik het huis naar

mijn goedvinden besturen mag, dan durf ik beloven, dat het den kamerheer

zaliger waardig worden zal.

DOM. MANDERS (_in de deur_). Hm ... hm! Kom nu, mijn waarde Engstrand.

Vaarwel, vaarwel! (_hij en Engstrand gaan weg door de voorkamerdeur_).

OSWALD (_gaat naar de tafel_). Wat is dat voor een huis waar hij van

sprak?

MEVR. ALVING. Dat is een soort asyl dat hij en dominee Manders willen

oprichten.

OSWALD. Dat zal ook afbranden, net als dit hier.

Mevr. Alving. Hoe kom je daarbij?

OSWALD. Alles zal verbranden. Er zal niets meer overblijven dat aan

vader herinnert. Ik verbrand immers ook.

REGINE (_kijkt hem verschrikt aan_).

MEVR. ALVING. Oswald! Je had niet zoolang daarginder moeten blijven,

mijn arme jongen.

OSWALD (_gaat aan de tafel zitten_). Ik geloof haast dat je gelijk hebt.

Dramatische werken · 第 21 / 30 段