O het is ongelooflijk hoe precies zij uitmaakten dat het gewoon
krankzinnigheid zou zijn om een dergelijk aanzoek af te wijzen. Als mijn
moeder nu nog eens kon zien waar al die heerlijkheid heen geleid had!
DOM. MANDERS. Voor de uitkomst kan niemand aansprakelijk gesteld worden.
Maar dat staat althans vast, dat uw huwelijk gesloten werd
overeenkomstig met de wet en de openbare orde.
MEVR. ALVING (_bij het raam_). Ja, die wet en die orde! Ik denk dikwijls
dat juist _die_ alle onheil in de wereld stichten.
DOM. MANDERS. Mevrouw Alving, nu bezondigt u zich.
MEVR. ALVING. Ja, dat kan wel zijn. Maar ik stoor mij niet langer aan al
die banden en conventies. Ik kan 't niet meer! Ik moet mij vrij maken.
DOM. MANDERS. Wat bedoelt u daarmee?
MEVR. ALVING (_trommelt op de ruiten_). Ik moest nooit iets van Alvings
leven verborgen gehouden hebben. Maar ik durfde toen niet anders,...
zelfs niet om mijn zelfs wil. Zoo laf was ik.
DOM. MANDERS. Laf?
MEVR. ALVING. Als de menschen wat te weten waren gekomen, zouden zij
gezegd hebben: arme man, het is natuurlijk dat hij uit den band springt,
hij, die een vrouw heeft die van hem wegloopt.
DOM. MANDERS. Met eenig recht kon men zoo iets ook wel zeggen.
MEVR. ALVING (_ziet hem strak aan_). Als ik was wie ik zijn moest, dan
riep ik Oswald bij mij en zei: hoor eens mijn jongen, je vader was een
diepgevallen mensch....
DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel!...
MEVR. ALVING. ... en dan vertelde ik hem alles wat ik u verteld heb,...
alles, haarfijn!
DOM. MANDERS. Ik ben haast verontwaardigd over u, mevrouw.
MEVR. ALVING. Ja, dat weet ik. Ik weet het immers wel! Ik kom zelf in
opstand tegen die gedachte (_gaat weg van het raam_). Zoo laf ben ik.
DOM. MANDERS. En dat noemt u lafheid, als u eenvoudig uw verschuldigden
plicht betracht? Heeft u vergeten dat een kind zijn vader en moeder moet
achten en liefhebben?
MEVR. ALVING. Laat ons het niet zoo in het algemeen nemen. Laat ons de
vraag stellen: moet Oswald den kamerheer Alving achten en liefhebben?
DOM. MANDERS. Is er dan geen stem in uw moederhart die u verbiedt de
idealen van uw zoon omlaag te halen?
MEVR. ALVING. En de waarheid dan?
DOM. MANDERS. En de idealen dan?
MEVR. ALVING. Och ... idealen, idealen! Als ik maar niet zoo laf was als
ik ben!
DOM. MANDERS. Gooi de idealen niet weg, mevrouw,... want dat wreekt zich
bitter. En dan vooral Oswald. Oswald heeft helaas toch al niet zoo heel
veel idealen. Maar zooveel heb ik wel kunnen merken, dat zijn vader wel
voor hem staat als zulk een ideaal.
MEVR. ALVING. Daarin heeft u gelijk.
DOM. MANDERS. En die voorstellingen heeft u zelf gewekt en gevoed bij
hem door uw brieven.
MEVR. ALVING. Ja; ik ging gebukt onder plichten en conventies, daarom
loog ik mijn jongen wat voor, jaar in jaar uit. O, hoe laf ... hoe laf
ben ik geweest!
DOM. MANDERS. U heeft een gelukkige illusie bij uw zoon doen ontstaan,
mevrouw,... en daar mag u waarlijk niet geringschattend over denken.
MEVR. ALVING. Hm; wie weet of dat nu juist wel zoo goed was.... Maar van
scharrelen met Regine wil ik in elk geval niets weten. Hij zal mij dat
arme kind niet ongelukkig maken.
DOM. MANDERS. Neen, goede God, dat zou iets vreeselijks zijn.
MEVR. ALVING. Als ik wist dat hij het ernstig met haar meende en het tot
zijn geluk zijn zou....
DOM. MANDERS. Wat? Wat dan?
MEVR. ALVING. Maar dat zou het niet zijn; want Regine is er helaas het
meisje niet naar.
DOM. MANDERS. Wel, wàt toch? Wat bedoelt u?
MEVR. ALVING. Als ik niet zoo godsjammerlijk laf was als ik ben, dan zou
ik tegen hem zeggen: trouw met haar, of ga met haar leven zooals je
wilt; maar laat er geen geknoei zijn....
DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel! Een wettig huwelijk dus! Zoo iets
verschrikkelijks!--Zoo iets ongehoords...!
MEVR. ALVING. Zei u iets ongehoords? Met de hand op het hart, dominee
Manders, gelooft u niet dat er rondom in het land verscheidene echtparen
te vinden zouden zijn, die elkaar even na in het bloed bestaan?
DOM. MANDERS. Ik begrijp u heelemaal niet.
MEVR. ALVING. Och jawel, dat doet u wel.
DOM. MANDERS. Nu ja, u stelt u het mogelijke geval voor dat.... Ja,
helaas, het huwelijksleven is zeker niet altijd zoo rein als het
behoorde te wezen. Maar zoo iets als waarop u doelt, kan men toch nooit
weten,... althans niet met zekerheid. Hier daarentegen ... dat u, een
moeder, zou kunnen toestaan dat uw zoon...!
MEVR. ALVING. Maar ik wil het immers niet. Ik zou het niet willen
toestaan, om niets ter wereld; dat is juist wat ik zeg.
DOM. MANDERS. Neen, omdat u laf is, zooals u het uitdrukt. Maar als u
dus niet laf was.... Och lieve Heer ... zulk een stuitende verbintenis!
MEVR. ALVING. Nu ja, we stammen overigens allemaal van zulk soort
verbintenissen af, zegt men. En wie is het die het in de wereld zoo
heeft ingericht, dominee?
DOM. MANDERS. Op zulke vragen ga ik met u niet in, mevrouw. Daartoe
bezit u in de verte niet den waren geest. Maar dat u durft zeggen dat
het laf van u is...!
MEVR. ALVING. Nu zal ik u eens uitleggen hoe ik dat meen. Ik ben bang en
schuw, omdat er in mij iets van dat spookachtige zit, dat ik nooit
geheel kan afschudden.
DOM. MANDERS. Hoe noemde u dat?
MEVR. ALVING. Spookachtig. Toen ik Regine en Oswald daarbinnen hoorde,
was het of ik spoken vóór mij zag. Maar ik geloof haast dat wij allemaal
spoken zijn, dominee. Het is niet alleen dat, wat wij van vader en
moeder geërfd hebben dat in ons spookt. Het zijn allerhande oude
afgestorven opvattingen en allerlei oud dood geloof en zulke dingen
meer. Het is niet levend in ons; maar het zit er toch en wij kunnen het
niet kwijt raken. Als ik alleen maar een courant opneem en er in lees,
is het net of ik spoken tusschen de regels zie sluipen. Er moeten overal
spoken leven in het heele land. Zij moeten er in massa zijn, als het
zand der zee, dunkt mij. En dan zijn wij zoo godsjammerlijk lichtschuw
allemaal....
DOM. MANDERS. Aha, ... daar hebben wij dus de uitwerking van uwe
lektuur. Mooie vruchten inderdaad! O, die afschuwelijke, oproerige
vrijdenkers-geschriften!
MEVR. ALVING. U vergist zich, dominee. U is zelf de man die mij aanzette
tot nadenken; en daar ben ik u heel dankbaar voor.
DOM. MANDERS. Ik?
MEVR. ALVING. Ja, toen u mij dwong terug te keeren tot dat wat u mijn
plicht noemde; toen u prees als waar en goed dat, waartegen heel mijn
wezen in opstand kwam, als tegen iets afschuwelijks. Toen was het dat ik
begon uw leeringen op de keper te beschouwen. Ik wilde alleen maar een
enkelen knoop losmaken, maar toen ik dien éénen los had, viel alles uit
elkaar. En toen zag ik dat het machinenaaisel was.
DOM. MANDERS (_stil, geschokt_). Zou dat zijn wat ik met den zwaarsten
strijd mijns levens gewonnen had?
MEVR. ALVING. Noem het liever uw treurigste nederlaag.
DOM. MANDERS. Het was de grootste overwinning van mijn leven, Helene; de
overwinning op mijn eigen ik.
MEVR. ALVING. Het was een misdaad jegens ons beiden.
DOM. MANDERS. Dat ik u gebood en zei: vrouw, ga terug naar uw wettigen
echtgenoot, toen u als een verdoolde bij mij kwam en riep: hier ben ik;
neem mij!... Was dat een misdaad?
MEVR. ALVING. Ja, ik beschouw het als zoodanig.
DOM. MANDERS. Wij begrijpen elkaar niet.
MEVR. ALVING. Nu althans niet meer.
DOM. MANDERS. Nooit,... nooit in mijn geheimste gedachten zelfs, heb ik
u anders gezien dan als de vrouw van een ander.
MEVR. ALVING. Ja?... gelooft u?
DOM. MANDERS. Helene...!
MEVR. ALVING. Men vergeet zoo licht hoe men vroeger was.
DOM. MANDERS. Ik niet. Ik ben dezelfde die ik altijd geweest ben.
MEVR. ALVING (_verandert van toon_). Jawel, jawel ... laat ons maar niet
meer over dien ouden tijd praten. U zit nu tot over de ooren in
commissies en besturen; en ik loop hier te vechten met spoken, in mij
zoowel als buiten mij.
DOM. MANDERS. Van die buiten u rondwaren wil ik u afhelpen. Na alles wat
ik van daag met ontzetting van u gehoord heb, kan ik het voor mijn
geweten niet verantwoorden een jong alleenstaand meisje in uw huis te
laten blijven.
MEVR. ALVING. Gelooft u ook niet dat het 't beste zou zijn als wij haar
goed bezorgd konden krijgen? Ik bedoel ... goed getrouwd.
DOM. MANDERS. Ongetwijfeld. Ik geloof dat dat in alle opzichten
wenschelijk voor haar zijn zou. Regine is immers op een leeftijd dat ...
ja, ik heb daar zoo geen verstand van, maar....
MEVR. ALVING. Regine was al heel vroeg volwassen.
DOM. MANDERS. Ja, niet waar? Er ligt mij iets van bij dat zij
lichaamlijk al opvallend sterk ontwikkeld was, toen ik haar voor haar
belijdenis voorbereidde. Maar voorloopig moet zij in elk geval naar
huis, onder de hoede van haar vader.... Och neen, Engstrand is niet....
Dat hij,... _hij_ zóó de waarheid voor mij kon verbergen!
(_Er wordt geklopt aan de deur van de voorkamer_).
MEVR. ALVING. Wie kan dat zijn? Binnen!
ENGSTRAND (_in zijn zondagspak ... in de deur_). Ik vraag wel excuus,
maar....
DOM. MANDERS. Aha! Hm....
MEVR. ALVING. Ben jij het Engstrand?
ENGSTRAND. ... er was geen een van de dienstmeisjes bij de hand, en toen
was ik maar zoo vrij en brutaal om te kloppen.
MEVR. ALVING. Nou ja ... kom maar binnen. Wou je mij spreken?
ENGSTRAND (_komt binnen_). Neen ... dank u vriendelijk. Maar ik zou wel
graag even den dominee willen spreken.
DOM. MANDERS (_loopt op en neer_). Hm; zoo? Wou je mij spreken?
Inderdaad?
ENGSTRAND. Ja, ik zou zoo heel graag....
DOM. MANDERS (_blijft vóór hem staan_). Nu; mag ik eens vragen waarover
dan?
ENGSTRAND. Jawel dominee; het was dit: er wordt daarginder nu afrekening
gehouden. Wel bedankt, mevrouw!... En nu zijn wij met alles klaar; en nu
dacht ik dat het zoo mooi en gepast zou zijn als wij, die zoo braaf
samen gewerkt hebben al dien tijd,... nu dacht ik moesten wij dat
besluiten met een kleine geestelijke bijeenkomst van avond.
DOM. MANDERS. Een bijeenkomst? Daarginder in het gesticht?
ENGSTRAND. Ja, vindt dominee dat misschien niet gepast, dan....
DOM. MANDERS. Ja zeker vind ik dat, maar ... hm....
ENGSTRAND. Ik heb gewoonlijk 's avonds zoo'n kleine bijeenkomst
gehouden....
MEVR. ALVING. Zoo?
ENGSTRAND. Ja, zoo nu en dan; om zoo te zeggen een kleine
godsdienstoefening. Maar ik ben maar een geringe burgerman en bezit er,
God helpe mij, niet de ware gave voor, en daarom dacht ik, omdat dominee
Manders nu toch juist hier is.
DOM. MANDERS. Ja, zie je, Engstrand, ik moet je eerst eens een vraag
doen. Ben je wel in de ware stemming voor zulk een bijeenkomst? Voel je
je geweten wel vrij en zuiver?
ENGSTRAND. Och lieve God, het is toch niet de moeite waard om over mijn
geweten te spreken, dominee.
DOM. MANDERS. Jawel, het is juist daarover dat ik je spreken wil. Wat
heb je daarop te antwoorden?
ENGSTRAND. Ja, dat geweten ... dat kan leelijk genoeg opspelen soms.
DOM. MANDERS. Zoo, dus dat erken je althans. Maar wil je mij dan eens
zonder omwegen zeggen ... hoe zit die zaak met Regine?
MEVR. ALVING (_snel_). Dominee Manders!
DOM. MANDERS (_geruststellend_). Laat u mij maar begaan....
ENGSTRAND. Met Regine! Jesses, wat doet u mij daar schrikken! (_kijkt
naar mevrouw Alving_). Er is toch niets met Regine gebeurd?
DOM. MANDERS. Dat willen wij hopen. Maar ik bedoel, hoe zit dat met jou
en Regine? Je gaat immers door voor haar vader. Niet?
ENGSTRAND (_onzeker_). Ja ... hm ... dominee weet toch wel van mij en
van Johanne zaliger....
DOM. MANDERS. Geen verdraaien van de waarheid nu meer. Je overleden
vrouw heeft aan mevrouw Alving verteld hoe de zaak in elkaar zit, vóór
zij haar dienst verliet.
ENGSTRAND. Nou dan moest zij...! Deed zij dat dan toch?
DOM. MANDERS. Je bent dus ontmaskerd Engstrand.
ENGSTRAND. En zij die zwoer en vloekte bij hoog en laag....
DOM. MANDERS. Vloekte zij?
ENGSTRAND. Neen, zij zwoer alleen maar, maar toch zoo oprecht en van
harte.
DOM. MANDERS. En al die jaren lang heb je de waarheid voor mij verborgen
gehouden. Die voor _mij_ verborgen, die je volkomen in alles vertrouwd
heb.
ENGSTRAND. Ja, helaas, dat heb ik gedaan.
DOM. MANDERS. Heb ik dat aan je verdiend, Engstrand? Ben ik niet altijd
bereid geweest om je met raad en daad bij te staan, zoover het in mijn
macht stond? Antwoord mij! Is dat zoo niet?
ENGSTRAND. Het had er maar dikwijls slecht voor mij uitgezien, als ik
dominee Manders niet gehad had.
DOM. MANDERS. En dan beloon je mij op die manier. Maakt dat ik
onjuistheden inschrijf in het kerkelijk register, en onthoudt mij daarna
nog jaren lang de ophelderingen die je mij en de waarheid verschuldigd
bent. Je handelwijze is ten eenenmale onverantwoordelijk geweest,
Engstrand; en van nu af is het uit tusschen ons.
ENGSTRAND (_met een zucht_). Ja, dat zal wel ... dat begrijp ik.
DOM. MANDERS. Ja, want hoe zou je je wel kunnen rechtvaardigen?
ENGSTRAND. Maar had zij zich dan nog meer moeten vertramponeeren door er
over te babbelen? Als dominee zich nu eens wil voorstellen dat hij in
hetzelfde geval verkeerde als Johanne zaliger....
DOM. MANDERS. Ik!
ENGSTRAND. Jesses, jesses, ik meen nu niet zoo precies eender. Ik bedoel
maar dat dominee iets zou hebben om zich over te schamen tegenover de
menschen, zooals ze zeggen. Wij manspersonen moeten toch een arme vrouw
niet al te streng veroordeelen, dominee.
DOM. MANDERS. Maar dàt doe ik ook niet. Ik verwijt jou je onoprechtheid.
ENGSTRAND. Zou ik dominee eens een klein vraagje mogen doen?
DOM. MANDERS. Jawel, vraag maar.
ENGSTRAND. Is het niet goed en braaf van een man, als hij de gevallen
vrouw opricht?
DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt.
ENGSTRAND. En is een man niet verplicht eerlijk zijn woord te houden?
DOM. MANDERS. Ja natuurlijk, maar....
ENGSTRAND. Toen Johanne ongelukkig was gemaakt door dien Engelschman ...
of misschien was het een Amerikaander of een Russer, zooals ze ze noemen
... nou, toen kwam zij naar de stad. Het arme schepsel had mij vroeger
al een paar keer den bons gegeven, want ze keek alleen maar naar de
mooiigheid toen en ik had immers dat mankement aan mijn been. Ja,
dominee zal zich nog wel herinneren dat ik eens een keer een danshuis
binnen gegaan ben, waar matrozen en andere zeelui in dronkenschap en
gemeenheid herrie maakten om zoo te zeggen. En toen ik hen vermanen wou
om zich tot een nieuw leven te bekeeren....
MEVR. ALVING (_bij het raam_). Hm....
DOM. MANDERS. Ik weet het Engstrand, die ruwe menschen gooiden je van de
trappen. Dat voorval heb je mij vroeger al eens meegedeeld. Je draagt je
ongemak met eere.
ENGSTRAND. Ik verhoovaardig er mij niet op, dominee. Maar wat ik
vertellen wou, is dit, dat zij bij mij kwam en mij alles huilend en
tandenklapperend toevertrouwde. Ik moet zeggen, dominee, het deed mij
zoo innig leed om dat aan te hooren.
DOM. MANDERS. Zoo, deed je dat leed Engstrand. Nu, en toen?
ENGSTRAND. Nou, toen zei ik zoo tegen haar: die Amerikaander, die zwalkt
op de groote zee rond. En jij, Johanne, zeg ik, je hebt gezondigd en
bent een gevallen schepsel. Maar Jakob Engstrand, zeg ik, die staat op
twee flinke beenen;... ja, dat bedoelde ik maar zoo bij wijze van
gelijkenis weet u, dominee.
DOM. MANDERS. Dat begrijp ik wel. Ga maar voort.
ENGSTRAND. Ja ... en toen richtte ik haar weer op en liet mij eerlijk
met haar trouwen, opdat de menschen niet te weten zouden komen dat zij
zich met vreemden had afgegeven.
DOM. MANDERS. Dat was alles heel braaf van je gehandeld. Ik kan alleen
niet goedkeuren dat je dat geld wou aannemen....
ENGSTRAND. Geld? Ik? Geen roode duit.
DOM. MANDERS (_vragend mevrouw Alving aanziend_). Maar...!
ENGSTRAND. O ja,... wacht eens; nu weet ik wat u meent. Johanne had toch
wel een paar centen. Maar daar wou ik niets van weten. Foei, zei ik,
Mammon, dat is der zonde loon; dat armzalige goud ... of bankpapiertjes
of wat het mag geweest zijn ... dat gooien wij dien Amerikaander weer in
zijn gezicht, zei ik. Maar hij was weg en verdwenen, ver over de wilde
zee, dominee.
DOM. MANDERS. Zoo, was hij weg, mijn brave Engstrand?
ENGSTRAND. Ja. En toen besloten Johanne en ik, dat het geld gebruikt zou
worden voor de opvoeding van het kind. En dat gebeurde dan ook; en ik
kan van iedere cent rekenschap afleggen.
DOM. MANDERS. Dat verandert de zaak zeker aanmerkelijk.
ENGSTRAND. Zoo zit het in elkaar, dominee. En ik durf wel zeggen dat ik
een goede vader voor Regine geweest ben,... zoover mijn krachten reikten
altijd ... want ik ben maar een zwak mensch, helaas.
DOM. MANDERS. Kom, kom, mijn waarde Engstrand....
ENGSTRAND. Maar dat durf ik wel zeggen, dat ik het kind heb opgevoed en
in liefde geleefd heb met Johanne zaliger, en eerbaar, zooals er
geschreven staat. Maar nooit is het in mij opgekomen naar dominee
Manders toe te gaan en mij te verhoovaardigen en er mij iets op te laten
voorstaan dat ik eens een goede daad gedaan had. Neen, als Jakob
Engstrand zoo iets overkomt, dan zwijgt hij er over. 't Komt helaas ook
niet zoo dikwijls voor. En wanneer ik bij dominee Manders kom, heb ik
altijd al zooveel te praten over al wat er verkeerd en gebrekkig in mij
is. Want ik zeg, wat ik daar straks al zei ... dat geweten kan soms
leelijk genoeg opspelen.
DOM. MANDERS. Geef mij je hand, Jakob Engstrand.
ENGSTRAND. Jesses, dominee....
DOM. MANDERS. Geen complimenten (_drukt hem de hand_). Ziezoo!
ENGSTRAND. En als ik dominee nu heel vriendelijk om vergeving vroeg....
DOM. MANDERS. Jij? Neen, integendeel ... ik ben het die jou vergeving
vraag ...
ENGSTRAND. Och heerejé, neen!
DOM. MANDERS. Jawel ... zeker. En ik doe het van ganscher harte. Vergeef
mij dat ik je zoo kon miskennen. En ik wou dat ik je op de eene of
andere manier een bewijs kon geven van mijn oprecht berouw en mijn
goeden wil om je te helpen....
ENGSTRAND. Zou dominee dat waarlijk willen?
DOM. MANDERS. Met het grootste genoegen.
ENGSTRAND. Ja, daarvoor zou nu juist een mooie gelegenheid zijn. Met het
geluksgeld dat ik hier heb kunnen overleggen, dacht ik een soort van
tehuis voor zeelui op te richten in de stad.
MEVR. ALVING. Jij?
ENGSTRAND. Ja, dat zou om zoo te zeggen een soort van asyl moeten
worden. De verleidingen zijn zoo menigvuldig voor den zeeman, als hij
aan land vertoeft. Maar in dat huis bij mij zou hij dan kunnen zijn als
onder vaderlijk toezicht, dacht ik zoo.
DOM. MANDERS. Wat zegt u dáárvan, mevrouw!
ENGSTRAND. Het is wel niet bar veel wat ik heb om mee te beginnen, God
beter 't; maar als nu maar een weldadige hand mij helpen wou, dan....
DOM. MANDERS. Nu ja, wij zullen die zaak nog eens nader overwegen. Je
plan lacht mij buitengewoon toe. Maar ga nu vast vooruit en maak alles
in orde en steek licht aan, dat het er een beetje feestelijk uitziet, en
dan zullen wij een stichtelijk uurtje samen doorbrengen, mijn waarde
Engstrand, want nu ben je, geloof ik, wel in de ware stemming.
ENGSTRAND. Ja, dat geloof ik ook. Vaarwel dan, mevrouw, en dank voor
alles: En blijf u maar goed op Regine passen, alsjeblieft, (_veegt een
traan weg_). 't Kind van Johanne zaliger ... hm, het is wonderlijk ...
maar het is net alsof ze mij zoo aan het hart vast gegroeid is. Ja,
waarachtig, zoo is het (_groet en gaat weg door de voorkamer_).
DOM. MANDERS. Wel, wat zegt u nu van den man, mevrouw? Dát was een heel
andere verklaring die wij daar kregen.
MEVR. ALVING. Ja, dat was het wèl.
DOM. MANDERS. Daar ziet u nu alweer, hoe uitermate voorzichtig men zijn
moet in het veroordeelen van zijn medemenschen. Maar het is toch ook een
ware vreugde des harten te zien, dat men zich vergist heeft. Wat zegt u
er van?
MEVR. ALVING. Ik zeg dat je bent en blijft een groot kind, Manders.
DOM. MANDERS. Ik?
MEVR. ALVING (_legt beide handen op zijn schouders_). En ik zeg dat ik
lust zou hebben mijn beide armen om je hals te slaan.
DOM. MANDERS (_trekt zich haastig terug_). Neen, neen, God zegen u...;
zulke begeerten....
MEVR. ALVING (_glimlachend_). O, u hoeft niet bang voor mij te zijn.
DOM. MANDERS (_bij de tafel_). U heeft soms zoo'n overdreven manier om u
uit te drukken. Nu zal ik eerst de stukken bij elkaar zoeken en ze in
mijn taschje bergen (_doet aldus_). Ziezoo. En nu, tot straks. Let goed
op als Oswald terug komt. Ik zie u dan nog wel even (_hij neemt zijn
hoed en gaat heen door de voorkamer_).
MEVR. ALVING (_zucht, kijkt een oogenblik uit het raam, ruimt wat op in
de kamer, en wil de eetkamer in gaan, maar blijft met een gesmoorden
uitroep in de deur staan_). Oswald, zit je nog aan tafel!
OSWALD (_in de eetkamer_). Ik rook maar even mijn sigaar uit.
MEVR. ALVING. Ik dacht dat je een eindje was gaan loopen.
OSWALD. In dat weer?
(_Men hoort een glas klinken. Mevr. Alving laat de deur open en gaat met
haar breiwerk op de canapé zitten bij het raam_).
OSWALD (_binnen_). Was het dominee Manders niet die daar wegging?
MEVR. ALVING. Ja, hij ging naar het gesticht.
OSWALD. Hm. (_Men hoort weer een glas en karaf klinken_).
MEVR. ALVING. Lieve Oswald, je moet een beetje voorzichtig zijn met die
likeur. Die is erg sterk.
OSWALD. Die is goed tegen de vochtigheid.
OSWALD. Wil je niet liever hier bij mij komen zitten?
OSWALD. Ik mag daar immers niet rooken.
MEVR. ALVING. Een sigaar mag je hier wel rooken, dat weet je toch wel.
OSWALD. Nou ja, dan kom ik. Nog maar een enkel droppeltje.... Ziezoo
(_hij komt met een sigaar de kamer in en sluit de deur achter zich. Even
zwijgen_).
OSWALD. Waar is de dominee naar toe?
MEVR. ALVING. Dat zeg ik je daar net: hij ging naar het gesticht.
OSWALD. O ja, dat 's waar.
MEVR. ALVING. Je moet niet zoo lang aan tafel blijven zitten, Oswald.
OSWALD (_de sigaar achter zijn rug houdend_). Maar dat vind ik zoo
gezellig, moedertje (_streelt en liefkoost haar_). Denk eens aan, wat
dat voor mij is, weer thuis te zijn, aan moeders eigen tafel te zitten,
in moeders kamer, en te eten van moeders lekkere schotels.
MEVR. ALVING. Mijn lieve, lieve jongen!
OSWALD (_een beetje ongedurig, loopt te rooken_). En wat zal ik anders
uitvoeren hier. Ik kan niets doen....
MEVR. ALVING. Kan je niets doen?
OSWALD. Met zulk grauw weer? Zonder een enkelen zonnestraal den heelen
dag? (_loopt heen en weer_). O dàt ... niet te kunnen werken...!
MEVR. ALVING. Misschien was het toch niet verstandig van je dat je naar
huis kwam.
OSWALD. Jawel moeder; dat moest.
MEVR. ALVING. Want tienmaal liever zou ik mij het geluk van je bij mij
te hebben ontzeggen, dan dat jij....
OSWALD (_blijft bij de tafel staan_). Zeg eens, moeder,... is het heusch
zoo'n groot geluk voor je om mij thuis te hebben?
MEVR. ALVING. Of dat een geluk voor mij is!
OSWALD (_verfrommelt een courant_). Mij dunkt, het moet al haast
hetzelfde voor je zijn, of ik er ben of niet.
MEVR. ALVING. Hoe kan je het over je hart verkrijgen dat tegen je moeder
te zeggen, Oswald!
OSWALD. Maar je hebt toch altijd zoo goed zonder mij kunnen leven.
MEVR. ALVING. Ja; ik heb zonder je geleefd;... dat is waar.
(_Zwijgen. De schemering begint langzaam te vallen. Oswald loopt heen en
weer. Zijn sigaar heeft hij weggelegd_).
OSWALD (_blijft bij mevr. Alving staan_). Moeder, mag ik bij je op de
canapé komen zitten?
MEVR. ALVING (_maakt plaats voor hem_). Ja, graag, jongen-lief.
OSWALD (_gaat zitten_). Nu moet ik je iets zeggen, moeder.
MEVR. ALVING (_in spanning_). Wel?
OSWALD (_staart voor zich uit_). Want ik kan het niet langer uithouden.
MEVR. ALVING. Wat uithouden? Wat is er?
OSWALD (_als voren_). Ik heb er niet toe kunnen komen je er over te
schrijven; en sedert ik weer thuis ben....
MEVR. ALVING (_grijpt zijn arm_). Oswald, wat is er?
OSWALD. Gisteren al en van daag heb ik getracht die gedachten van mij af
te schudden ... mij er van los te maken. Maar het gaat niet.
MEVR. ALVING (_staat op_). Nu moet je eens ronduit zeggen wat er is,
Oswald.
OSWALD (_trekt haar op de canapé terug_). Blijf zitten, dan zal ik
probeeren het je te zeggen.... Ik heb zoo geklaagd over vermoeidheid na
de reis....
MEVR. ALVING. Nu ja! En?...
OSWALD. Maar dat is het niet wat mij mankeert; niet een gewoon
moe-zijn....
MEVR. ALVING (_wil opspringen_). Je bent toch niet ziek, Oswald!
OSWALD (_trekt haar weer terug_). Blijf zitten, moeder. Neem het maar
kalm op. Ik ben ook niet eigenlijk ziek, niet wat men gewoonlijk ziek
noemt (_slaat de handen samen om zijn hoofd_). Moeder ik ben geestelijk
gebroken ... òp ... ik kan nooit meer werken! (_hij valt met de handen
voor zijn gezicht in haar schoot en barst in snikken uit_).
MEVR. ALVING (_bleek en bevend_). Oswald, kijk mij eens aan! Neen, neen,
dat is niet waar!
OSWALD (_kijkt op met wanhopende oogen_). Nooit meer te kunnen werken!
Nooit meer ... nooit meer! Levend dood te zijn! Moeder, kan je je zoo
iets vreeselijks voorstellen?
MEVR. ALVING. Mijn arme, ongelukkige jongen! Hoe is dat vreeselijke over
je gekomen?