DOM. MANDERS. Zie nu maar eens naar uw eigen zoon. Wij kunnen er gerust

over spreken in zijn bijzijn. Wat zijn voor hem de gevolgen geweest? Hij

is zes-zeven-en-twintig jaar oud geworden en heeft nooit gelegenheid

gehad een geregeld tehuis te leeren kennen.

OSWALD. Pardon, dominee,... dat heeft u glad mis.

DOM. MANDERS. Zoo? Ik dacht toch dat je zoo goed als uitsluitend in

kunstenaarskringen verkeerd had.

OSWALD. Dat heb ik ook.

DOM. MANDERS. En meest onder jongere artisten.

OSWALD. Jawel.

DOM. MANDERS. Maar ik dacht dat de meesten van die luitjes geen middelen

hadden om een huishouden op te zetten en zich te vestigen.

OSWALD. Er zijn er velen onder hen die geen middelen genoeg hebben om te

trouwen, dominee.

DOM. MANDERS. Nu ja, dat is net wat ik zeg.

OSWALD. Maar daarom kunnen zij toch wel een tehuis hebben. En dat hèbben

dan ook sommigen; en dat is een heel geregeld en een heel gezellig

tehuis.

MEVR. ALVING (_volgt in spanning het gesprek ... knikt, maar zegt

niets_).

DOM. MANDERS. Maar ik spreek niet van een jonggezellen-tehuis. Onder een

tehuis versta ik een huisgezin, waar een man leeft met zijn vrouw en

kinderen.

OSWALD. Jawel; of met zijn kinderen en de moeder van zijn kinderen.

DOM. MANDERS (_schrikt ... slaat de handen in elkaar_). Genadige Hemel!

OSWALD. Wel?

DOM. MANDERS. Leven met ... de moeder van zijn kinderen...!

OSWALD. Zou u dan liever willen dat hij de moeder van zijn kinderen

verstiet?

DOM. MANDERS. Het is dus van onwettige verhoudingen dat je spreekt! Over

een zoogenaamd leven in wilden echt!

OSWALD. Ik heb nooit iets bizonder wilds opgemerkt in het samenleven van

die lui.

DOM. MANDERS. Maar hoe is het mogelijk dat een ... een maar eenigszins

welopgevoed man of een jonge vrouw, er zich in schikken kan op die

manier te leven ... zoo maar voor het oog van iedereen!

OSWALD. Maar wat moeten ze dàn doen? Een arm jong artiste,... een arm

jong meisje.... Trouwen kost een boel geld. Wat moeten ze dan doen?

DOM. MANDERS. Wat ze moeten doen? Wel, mijnheer Alving, ik zal u zeggen

wat zij moeten doen. Zij moesten van 't begin af aan elkaar vermeden

hebben,... dàt moesten ze!

OSWALD. Met zulke praatjes komt u niet ver bij jonge, warmbloedige,

verliefde menschen!

MEVR. ALVING. Neen, daar komt u niet ver mee!

DOM. MANDERS (_voortgaand_). En dat de overheid zoo iets duldt! Dat zoo

iets openlijk geschieden mag! (_Tot mevr. Alving gewend_). Had ik dus

geen reden om in mijn hart bekommerd te zijn over uw zoon? In kringen

waar de onverhulde onzedelijkheid in zwang is en als het ware recht van

bestaan gekregen heeft....

OSWALD. Ik zal u eens iets zeggen, dominee. Ik ben een vaste zondagsgast

geweest in een paar dergelijke ongeregelde huisgezinnen....

DOM. MANDERS. En dat op zondag!

OSWALD. Ja, dat is de dag waarop men zich amuseert. Maar nooit heb ik

een aanstootelijk woord gehoord, en nog minder ben ik getuige geweest

van iets dat men onzedelijk zou kunnen noemen. Neen, weet u wanneer en

waar ik onzedelijkheid heb aangetroffen in de artistenkringen?

DOM. MANDERS. Neen, Goddank!

OSWALD. Nu, dan zal ik mij permitteeren het u te vertellen. Ik heb die

aangetroffen, wanneer een-of-ander van onze modelechtgenooten of

huisvaders daarginder kwam, om eens een beetje op zijn eigen houtje rond

te kijken ... en dan artisten de eer aandeed hen op te zoeken in hun

armzalige café's. Daar werden wij behoorlijk ingelicht. Die heeren

wisten ons te vertellen van plaatsen en dingen waar wij nog nooit van

gedroomd hadden.

DOM. MANDERS. Wat? Wil u beweren dat eerbare mannen uit ons land

zouden...?

OSWALD. En als dergelijke eerbare mannen weer thuiskwamen ... heeft u

hen dan nooit hooren uitpakken over de hand-over-hand toenemende

onzedelijkheid in het buitenland?

DOM. MANDERS. Jawel, natuurlijk....

MEVR. ALVING. Dat heb ik ook wel gehoord.

OSWALD. Nou, u kan hen gerust op hun woord gelooven. Daar zijn menschen

onder die van die zaken op de hoogte zijn (_grijpt naar zijn hoofd_). O

... dat het mooie, heerlijke vrijheidsleven daarginder ... dat het zóó

bezoedeld moet worden!

MEVR. ALVING. Je moet je niet zoo opwinden, Oswald; dat is niet goed

voor je.

OSWALD. Neen, daarin heb je gelijk, moeder. Dat is niet gezond voor mij.

Het is die vervloekte moeheid, zie je. Ik zal een klein eindje omloopen

vóór wij aan tafel gaan. Neem mij niet kwalijk, dominee, u kan daar zoo

niet in komen; maar het kwam zoo in mij op (_hij gaat weg door de tweede

deur rechts_).

MEVR. ALVING. Mijn arme jongen ...!

DOM. MANDERS. Ja, dat mag u wèl zeggen. Zóó ver is het dus al met hem

gekomen!

MEVR. ALVING (_kijkt hem aan en zwijgt_).

DOM. MANDERS (_loopt op en neer_). Hij noemde zich de verloren zoon. Ja,

helaas ... helaas!

MEVR. ALVING (_kijkt hem steeds aan_).

DOM. MANDERS. En wat zegt u van dat alles?

MEVR. ALVING. Ik zeg dat Oswald gelijk had in ieder woord dat hij zei.

DOM. MANDERS (_blijft staan_). Gelijk? Gelijk? In zulke principes!

MEVR. ALVING. Hier in mijn eenzaamheid ben ik er toe gekomen er net

eender over te denken, dominee. Maar ik heb nooit gewaagd het onderwerp

aan te roeren. Nu, 't is goed; mijn jongen zal voor mij spreken.

DOM. MANDERS. U is een beklagenswaardige vrouw, mevrouw Alving. Maar nu

wil ik eens een ernstig woord met u spreken. Nu is het niet meer uw

zakenbeheerder en raadsman, die voor u staat. Het is de geestelijke,

zooals hij voor u stond in het moeilijkste uur van uw leven.

MEVR. ALVING. En wat heeft de geestelijke mij te zeggen?

DOM. MANDERS. Eerst wil ik uw herinneringen wakker roepen, mevrouw. Het

tijdstip is wèl gekozen. Morgen zal het tien jaar geleden zijn dat uw

man gestorven is; morgen zal het gedenkteeken onthuld worden voor hem,

die heengegaan is. Morgen zal ik spreken tot de heele verzamelde schare;

maar heden wil ik spreken tot u alleen.

MEVR. ALVING. Goed, dominee; ga u gang!

DOM. MANDERS. Weet u nog, dat u, na ter nauwernood een jaar getrouwd te

zijn geweest, aan den rand van den afgrond heeft gestaan? Dat u uw huis

en haard verliet,... dat u wegliep van uw man;... ja mevrouw Alving

wegliep, wegliep, en weigerde terug te keeren tot hem, hoezeer hij er

ook om bad en smeekte?

MEVR. ALVING. Heeft u vergeten hoe grenzenloos ongelukkig ik mij

gevoelde dat eerste jaar?

DOM. MANDERS. Dat is juist de echte geest van verzet die geluk eischt

hier in het leven. Welk recht hebben wij menschen op geluk? Neen, wij

moeten onzen plicht doen, mevrouw! En uw plicht was het te blijven bij

den man, dien u eens gekozen had, en aan wien u verbonden was door

heilige banden.

MEVR. ALVING. U weet best wat voor een leven Alving leidde in dien tijd;

aan welke uitspattingen Bij zich schuldig maakte.

DOM. MANDERS. Ik weet heel goed welke geruchten er over hem rondgingen;

en ik ben zeker de allerlaatste om zijn levenswandel in zijn jeugd goed

te keuren, voor zoover die geruchten waarheid bevatten. Maar een vrouw

is niet als rechter gesteld over haar man. Het was uw plicht geweest in

nederigheid het kruis te dragen, dat een Hoogere Wil noodig voor u

geacht had. Maar in plaats daarvan wierp u in arren moede uw kruis af,

verliet den struikelende dien u had moeten steunen, zette uw goeden naam

op het spel, en ... had bijna den naam van anderen er ook bij verspeeld.

MEVR. ALVING. Van anderen? Van een ander, bedoelt u zeker.

DOM. MANDERS. Het was ongehoord roekeloos van u om een toevlucht te

zoeken bij _mij_.

MEVR. ALVING. Bij onzen geestelijke? Bij onzen huisvriend?

DOM. MANDERS. Juist.... Ja, dank uw Heer en God, dat ik de noodige

kracht bezat, dat ik u kon afbrengen van uw overspannen voornemens en

dat het mij vergund werd u op den weg van den plicht en tot uw wettigen

echtgenoot terug te voeren.

MEVR. ALVING. Ja, dominee, dàt was inderdaad uw werk.

DOM. MANDERS. Ik was maar een zwak werktuig in de hand van een Hoogere

Macht. En hoe is het u niet tot een grooten zegen geworden voor al uw

latere levensdagen, dat ik u weer deed buigen onder plicht en

gehoorzaamheid? Is het niet gegaan zooals ik u voorzegd had? Keerde

Alving niet terug van zijn afdwalingen, zooals het een man betaamt?

Leefde hij sedert niet in liefde en onberispelijk met u alle volgende

jaren? Werd hij niet een weldoener voor deze streek, en hief hij u niet

zóó tot zich op, dat u naderhand zijn medewerkster werd in alles wat hij

ondernam? En wel een bekwame medewerkster;... o, ik weet het, mevrouw;

_dien_ lof moet ik u geven. Maar nu kom ik tot den tweeden grooten

misstap in uw leven.

MEVR. ALVING. Wat bedoelt u daarmee?

DOM. MANDERS. Evenals u eens de plichten der echtgenoote verzaakt heeft,

zoo heeft u later die der moeder verzaakt.

MEVR. ALVING. Ah...!

DOM. MANDERS. U is uw levenlang beheerscht geworden door een

onheilzwangeren geest van eigenzinnigheid. Al uw streven is daarheen

gericht geweest u van dwang en wetten vrij te maken. Nooit heeft u

eenigen knellenden band kunnen velen. Alles wat u in het leven

bezwaarde, heeft u roekeloos en gewetenloos van u afgeworpen, als een

last, waarover u zelf te beschikken had. Het behaagde u niet langer

echtgenoote te zijn, en u verliet uw man. Het viel u lastig moeder te

zijn, en u zond uw kind weg onder vreemden.

MEVR. ALVING. Ja, dat is waar; dat heb ik gedaan.

DOM. MANDERS. Maar daardoor is u ook een vreemde voor hem gebleven.

MEVR. ALVING. Neen, neen, dàt ben ik niet!

DOM. MANDERS. Dat is u wèl; dat _moet_ u wel zijn. En hoe heeft u hem nu

terug gekregen! Bedenk het wel; mevrouw, u heeft veel gezondigd tegen uw

man; ... dat erkent u door dat gedenkteeken daar beneden voor hem op te

richten. Erken nu ook hoe u heeft gezondigd tegen uw zoon; het kan nog

tijd zijn om hem van zijn dwaalweg terug te brengen. Keer zelf om; en

richt op, wat er misschien nog in hem op te richten is. Want (_met

opgeheven wijsvinger_) in waarheid, mevrouw Alving, u is een met schuld

beladen moeder!... Ik heb het mijn plicht geacht u dat te zeggen.

(_Zwijgen_).

MEVR. ALVING (_langzaam en met zelfbeheersching_). Nu heeft u gesproken,

dominee; en morgen zal u openlijk spreken om mijn man te gedenken. Ik

zal morgen niet spreken. Maar nu wil ik eens even tot u spreken, zooals

u tot mij gesproken heeft.

DOM. MANDERS. Natuurlijk; u wil verontschuldigingen aanvoeren voor uwe

handelwijze....

MEVR. ALVING. Neen. Ik wil alleen maar vertellen.

DOM. MANDERS. Nu...?

MEVR. ALVING. Alles wat u zooeven hier zei, van mij en mijn man en ons

samenleven, nadat u, zooals u het noemde, mij op den weg van den plicht

had teruggevoerd ... van dat alles weet u door eigen waarneming,

volstrekt niets. Van dat oogenblik af zette u, onze dagelijksche

huisvriend,... nooit meer een voet in ons huis.

DOM. MANDERS. U heeft immers, onmiddellijk daarop, met uw man de stad

verlaten.

MEVR. ALVING. Ja, en hier buiten is u zoo lang mijn man leefde nooit bij

ons gekomen. Het zijn zaken geweest die u dwongen mij op te zoeken, toen

u in de kwestie van het gesticht is betrokken geworden.

DOM. MANDERS. Helene ... als dat een verwijt moet zijn, dan verzoek ik u

wel te overwegen....

MEVR. ALVING. ... alles wat u aan uw positie verschuldigd was; jawel. En

ook dat ik een van haar man weggeloopen vrouw was. Men kan nooit

terughoudend genoeg zijn tegenover zulke roekelooze vrouwen.

DOM. MANDERS. Lieve ... mevrouw dat is nu wel ontzettend overdreven....

MEVR. ALVING. Ja, ja, ja ... dat kan wel zijn. Ik wou alleen maar zeggen

dat toen u een oordeel uitsprak over mijn huwelijksleven, u eenvoudig

steunde op de algemeen gangbare opvatting.

DOM. MANDERS. Nu ja; en wat zou dat?

MEVR. ALVING. Maar Manders, nu zal ik u de waarheid eens zeggen. Ik heb

het mijzelf plechtig beloofd dat u het eenmaal weten zou. U alleen!

DOM. MANDERS. En wat is dan de waarheid?

MEVR. ALVING. De waarheid is, dat mijn man net zoo gedepraveerd stierf

als hij altijd geleefd had.

DOM. MANDERS (_grijpt naar een stoel_). Wàt zegt u?

MEVR. ALVING. Na een negentienjarig huwelijk nog even gedepraveerd ...

in zijn zinnelijke lusten althans ... als hij was vóór u ons trouwde.

DOM. MANDERS. En deze jeugd-afdwalingen,... deze ongeregeldheden,...

uitspattingen, als u wil, noemt u gedepraveerdheid!

MEVR. ALVING. Onze huisdokter gebruikte die uitdrukking.

DOM. MANDERS. Nu begrijp ik u niet.

MEVR. ALVING. Dat hoeft ook niet.

DOM. MANDERS. 't Begint mij haast te duizelen. Uw heele huwelijk,... het

heele veeljarige samenleven met uw man zou niets anders zijn dan een

overdekte afgrond!

MEVR. ALVING. Absoluut niets anders. Nu weet u het.

DOM. MANDERS. Daar ... daar kan ik nog niet bij. Ik kan het niet in me

opnemen! Niet vasthouden! Maar hoe was het dan mogelijk dat...? Hoe

heeft zoo iets verborgen kunnen blijven?

MEVR. ALVING. Dat is juist mijn voortdurende dagelijksche strijd

geweest. Toen Oswald geboren was, meende ik dat het wat beter ging met

Alving. Maar dat duurde niet lang. En nu moest ik dubbel strijden,

strijden op leven en dood, dat maar niemand zou te weten komen, wat voor

een mensch de vader van mijn kind was. En u weet wel hoe innemend Alving

was. Niemand scheen ooit iets anders dan goeds van hem te kunnen

gelooven. Hij was een van die menschen, wiens reputatie er niet onder

lijdt, hoe hij ook leeft. Maar toen, Manders,... dat moet u óók weten

... toen kwam het afschuwelijkste van alles.

DOM. MANDERS. Iets nog afschuwelijker dan dat!

MEVR. ALVING. Ik had alles verdragen, hoewel ik zeer goed wist wat er in

het geheim buitenshuis gebeurde. Maar toen het schandaal binnen onze

eigen vier muren begon....

DOM. MANDERS. Wat zegt u! Hier!

MEVR. ALVING. Ja, hier in ons eigen huis. Daar, (_zij wijst naar de

eerste deur rechts_) in de eetkamer was het, dat ik het 't eerst merkte.

Ik had iets te doen in die kamer en de deur stond áán. Toen hoorde ik

ons kamermeisje de tuintrap opkomen met water voor de bloemen daarginds.

DOM. MANDERS. Ja, en...?

MEVR. ALVING. Even daarna hoorde ik dat Alving ook kwam. Ik hoorde dat

hij zachtjes iets tegen haar zei. En toen hoorde ik (_met een kort

lachje_). O, het klinkt mij nog altijd zoo schrijnend en toch zoo

belachelijk ook;... toen hoorde ik mijn eigen dienstmeisje fluisteren:

Laat me los, mijnheer! Laat mij met rust!

DOM. MANDERS. Wat een ongepaste lichtzinnigheid van hem! O, maar meer

dan lichtzinnigheid was dat niet, mevrouw. Geloof wat ik u zeg.

MEVR. ALVING. Ik kwam gauw genoeg te weten wat ik er van gelooven moest.

Mijn man kreeg gedaan wat hij wou van het meisje,... en die relatie had

gevolgen dominee.

DOM. MANDERS (_als versteend_). En dat alles hier in huis! Hier in huis!

MEVR. ALVING. Ik had al veel uitgestaan in dit huis. Want om hem 's

avonds thuis te houden ... en 's nachts ... moest ik meedoen met zijn

geheime drinkpartijen boven op zijn kamer. Daar heb ik moeten zitten,

alléén met hem, met hem moeten klinken en drinken, zijn vuile

dronkemanspraat moeten aanhooren, en met hem moeten worstelen om hem

eindelijk in bed te krijgen....

DOM. MANDERS (_geschokt_). Dat u dat alles heeft kunnen uithouden!

MEVR. ALVING. Ik had mijn kleinen jongen voor wien ik het uithield. Maar

toen die laatste beleediging er bij kwam; toen mijn eigen dienstmeisje

... toen beloofde ik mij zelf dat er een eind aan komen zou! En toen nam

ik het gezag in handen in huis ... geheel en al ... over hem en over al

het verdere. Want nu had ik een wapen tegen hem, ziet u; hij durfde niet

meer kikken. Toen was het dat ik Oswald van huis wegzond. Hij werd haast

zeven jaar en begon op te merken en te vragen, zooals kinderen dat doen.

Dat kon ik niet meer dragen, Manders. 't Leek mij of het kind vergiftigd

worden moest alleen maar door te ademen in dit bezoedelde huis. Daarom

zond ik hem weg. En nu begrijpt u ook waarom hij nooit een voet in huis

heeft gehad zoo lang zijn vader leefde. Niemand weet wat mij dat gekost

heeft.

DOM. MANDERS. U heeft in waarheid het leven leeren kennen.

MEVR. ALVING. Ik zou het nooit hebben uitgehouden als ik mijn werk niet

gehad had. Ja, want ik mag wel zeggen dat ik gewerkt heb! Al deze

vermeerderingen van ons grondbezit, alle verbeteringen, al die

practische inrichtingen, waarvoor Alving geprezen en geroemd werd,...

denkt u dat _hij_ daarvoor energie had? _Hij_, die den heelen dag op de

canapé lag te lezen in een ouden staatsalmanak! Neen; nu zal ik u dàt

ook vertellen; _ik_ was het die hem dien weg opdreef, wanneer hij nu en

dan zijn heldere oogenblikken had; _ik_ was het die den heelen last

moest voortslepen, wanneer hij weer begon met zijn uitspattingen of in

elkaar zakte in jammer en ellende.

DOM. MANDERS. En voor dien man richt u een gedenkteeken op!

MEVR. ALVING. Daarin ziet u de macht van het kwade geweten....

DOM. MANDERS. Het kwade geweten? Hoe meent u dat?

MEVR. ALVING. Het stond mij altijd voor den geest dat het onmogelijk

anders kon, of de waarheid _moest_ eens uitkomen en geloofd worden.

Daarom moest het gesticht als het ware alle geruchten te niet doen en

allen twijfel op zij zetten.

DOM. MANDERS. Daarin heeft u zeer zeker uw doel niet gemist, mevrouw.

MEVR. ALVING. En ik had nog een andere reden. Ik wou niet dat Oswald,

mijn eigen jongen, iets hoegenaamd van zijn vader zou erven.

DOM. MANDERS. Het is dus Alving's vermogen, dat...?

MEVR. ALVING. Ja. De sommen die ik jaar op jaar aan het gesticht

geschonken heb, overtreffen het fortuin, ik heb het nauwkeurig

uitgerekend ... dat in zijn tijd luitenant Alving tot een goede partij

maakte.

DOM. MANDERS. Ik begrijp u....

MEVR. ALVING. Dat was de koopsom.... Ik wil niet dat dat geld in

Oswald's handen zal overgaan. Mijn zoon moet alles van mij alleen

hebben.

(_Oswald komt door de tweede deur rechts; van hoed en overjas heeft hij

zich ontdaan_).

MEVR. ALVING (_hem tegemoet gaand_). Ben je daar al terug? mijn beste

lieve jongen!

OSWALD. Ja, wat moet je buiten uitvoeren in dien eeuwigdurenden regen?

Maar ik hoor dat wij aan tafel zullen gaan. Dat is uitstekend!

REGINE (_met een pakje uit de eetkamer komend_). Er is een pakje voor

mevrouw gekomen (_reikt het haar over_).

MEVR. ALVING (_met een blik op dominee Manders_). De feestzangen voor

morgen waarschijnlijk.

DOM. MANDERS. Hm....

REGINE. En er is opgedaan.

MEVR. ALVING. Goed; wij komen dadelijk; ik wil maar even.... (_begint

het pakje open te maken_).

REGINE (_tegen Oswald_). Verlangt mijnheer witte of roode port?

OSWALD. Allebei, alsjeblieft.

REGINE. Bien...; heel goed mijnheer (_zij gaat de eetkamer binnen_).

OSWALD. Ik zal wel eens even helpen met het opentrekken van de flesschen

(_gaat de eetkamer in waarvan de deur weer halfopen glijdt achter hem_).

MEVR. ALVING (_die het pakje geopend heeft_). Jawel, juist; hier hebben

we de feestzangen, dominee.

DOM. MANDERS (_met gevouwen handen_). Hoe ik morgen met een opgewekt

gemoed mijn toespraak zal kunnen houden, dat...!

MEVR. ALVING. Och, dat zal wel gaan.

DOM. MANDERS (_zachtjes om niet in de eetkamer gehoord te worden_). Ja,

schandaal mogen wij toch niet verwekken.

MEVR. ALVING. Neen. Maar dàn is ook dit lange leelijke comediespel uit.

Van overmorgen af, zal het voor mij zijn alsof de doode nooit in dit

huis geleefd had. Hier zal niemand meer zijn dan mijn jongen en zijn

moeder.

(_Men hoort in de eetkamer leven van een stoel die omvalt;

tegelijkertijd hoort men_:)

REGINE's stem (_duidelijk maar fluisterend_). Maar Oswald! Ben je gek?

Laat me los!

MEVR. ALVING (_schrikt hevig_). Ah...!

(_Zij staart als verbijsterd naar de halfopen deur. Men hoort Oswald

hoesten en neurieën daarbinnen. Een flesch wordt opengetrokken_).

DOM. MANDERS (_verontwaardigd_). Maar wat _is_ dat toch? Wat gebeurt

daar toch! mevrouw?

MEVR. ALVING (_heesch_). Spoken. Het paar uit de serre waart daar weer

om.

DOM. MANDERS. Wat zegt u! Regine...? Is _zij_...?

MEVR. ALVING. Ja. Kom. Geen woord...!

(_Zij grijpt den arm van dominee Manders en gaat wankelend de eetkamer

binnen_).

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.

* * * * *

TWEEDE BEDRIJF

Zelfde kamer. Een mist van regen ligt nog altijd dicht over het

heele landschap.

Dominee Manders en mevrouw Alving komen uit de eetkamer.

* * * * *

MEVR. ALVING (_nog in de deur_). Wel mag het u bekomen, dominee

(_spreekt in de eetkamer_). Kom je niet bij ons, Oswald?

OSWALD (_binnen_). Dankje, neen; ik denk dat ik een eindje uitga.

MEVR. ALVING. Ja, dat is goed; 't is nu net een beetje droog (_sluit de

deur van de eetkamer en gaat naar de deur van de voorkamer. Roept_:)

Regine!

REGINE (_buiten_). Ja mevrouw?

MEVR. ALVING. Ga naar beneden in de strijkkamer aan de kransen

meehelpen.

REGINE. Ja mevrouw.

MEVR. ALVING (_vergewist zich dat Regine weggaat, daarna sluit zij de

deur_).

DOM. MANDERS. Hij kan daarginder toch niets hooren?

MEVR. ALVING. Niet als de deur dicht is. En hij gaat bovendien uit.

DOM. MANDERS. Ik ben er nog ontsteld van. Ik begrijp niet hoe ik nog een

stuk van uw lekker diner door mijn keel heb kunnen krijgen.

MEVR. ALVING (_haar onrust beheerschend loopt op en neer_). Ik ook niet.

Maar wat is er aan te doen?

DOM. MANDERS. Ja, wat is er aan te doen? Ik weet het waarlijk niet; ik

ben zoo volstrekt onervaren in dergelijke gevallen.

MEVR. ALVING. Ik ben overtuigd dat er nog geen ongeluk gebeurd is.

DOM. MANDERS. Neen, dat verhoede de Hemel! Maar een ongepaste verhouding

is het toch zeer zeker.

MEVR. ALVING. De heele geschiedenis is maar een losse inval van Oswald;

daar kan u zeker van zijn.

DOM. MANDERS. Ja, ik ben, zooals gezegd, niet op de hoogte van

dergelijke dingen; maar ik vind toch met uw verlof....

MEVR. ALVING. Zij moet natuurlijk het huis uit. En wel dadelijk. Dat is

zoo klaar als de dag....

DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt.

MEVR. ALVING. Maar waarheen? Wij kunnen het niet verantwoorden dat....

DOM. MANDERS. Waarheen? Natuurlijk naar huis, naar haar vader.

MEVR. ALVING. Naar wien, zei u?

DOM. MANDERS. Naar haar.... Maar neen, Engstrand, is niet haar.... Maar

Heer in den Hemel, mevrouw, hoe is dat mogelijk? U moet u daarin toch

vergissen.

MEVR. ALVING. Helaas, ik vergis mij in geen enkel opzicht, Johanne moest

het mij wel bekennen,... en Alving kon het niet loochenen. Dus bleef er

niets anders te doen over dan de zaak te smoren.

DOM. MANDERS. Ja, dat was het eenig mogelijke.

MEVR. ALVING. Het meisje moest terstond uit haar dienst en kreeg een

tamelijk groote som geld om tot nader orde te zwijgen. Voor de rest

zorgde zij zelf toen zij in de stad kwam. Zij knoopte de oude kennis met

Engstrand weer aan, liet er wel iets van verluiden, denk ik, dat zij

zooveel geld had, en maakte hem zoowat wijs van den een of anderen

vreemdeling, die hier met een pleizierjacht gelegen had in den zomer.

Zoo werden zij en Engstrand in der haast getrouwd. Ja, u heeft hen

immers zelf ingezegend.

DOM. MANDERS. Maar hoe moet ik mij dan verklaren...? Ik herinner mij

duidelijk dat Engstrand kwam om over de inzegening te spreken. Hij was

zoo vol bitter berouw, en betreurde zoo oprecht de lichtzinnigheid

waaraan hij en zijn verloofde zich hadden schuldig gemaakt.

MEVR. ALVING. Ja, hij moest toch de schuld op zich nemen.

DOM. MANDERS. Maar zulk een onoprechtheid van hem! En dat tegenover

_mij_! Dat had ik met verlof niet van Jakob Engstrand gedacht. Nu, ik

zal hem eens ernstig onderhanden nemen; daar kan hij op rekenen.... En

dan die onzedelijkheid van zoo'n vereeniging! Om het geld!... Hoe groot

was het bedrag waarover het meisje te beschikken had?

MEVR. ALVING. Drie honderd thaler.

DOM. MANDERS. Verbeeld u toch,... voor een armzalige driehonderd thaler

zich te laten trouwen met een gevallen vrouw!

MEVR. ALVING. Wat zegt u dan wel van mij, die zich liet trouwen met een

gevallen man?

DOM. MANDERS. Maar de Hemel beware ons! Wat zegt u nu? Een gevallen man!

MEVR. ALVING. Denkt u misschien dat Alving reiner was, toen ik met hem

naar het altaar ging, dan Johanne was, toen Engstrand zich met haar liet

trouwen?

DOM. MANDERS. Ja, maar dat is toch een hemelsbreed verschil....

MEVR. ALVING. Volstrekt niet. Er was wel een groot verschil in den

prijs,... een armzalige driehonderd thaler en een heel fortuin.

DOM. MANDERS. Maar hoe kan u nu twee zoo ongelijke gevallen vergelijken.

U was toch te rade gegaan met uw hart en met uw bloedverwanten.

MEVR. ALVING (_ziet hem niet aan_). Ik meende dat u begreep waarheen

dat, wat u mijn hart noemt, toen verdwaald was.

DOM. MANDERS (_koud_). Indien ik zoo iets begrepen had, zou ik nooit een

dagelijksche gast in het huis van uw man geworden zijn.

MEVR. ALVING. Nu, zooveel is althans zeker, dat ik met mijzelf in

waarheid niet te rade ging.

DOM. MANDERS. Nu, maar dan toch met wie u het naast bestonden; zooals

voorgeschreven is; met uw moeder en uw beide tantes.

Dramatische werken · 第 19 / 30 段