vreeselijken regen hebben wij deze laatste dagen.
REGINE (_volgt hem_). 't Is zulk gezegend weer voor de boeren, dominee.
DOM. MANDERS. Ja, daar heb je wel gelijk in. Daar denken wij
stadsmenschen zoo weinig aan. (_Hij begint zijn overjas uit te doen_).
REGINE. O, mag ik u even helpen?... Ziezoo. Neen maar wat is die nat! Ik
zal uw jas maar wat uithangen in de voorkamer. En uw parapluie...; die
zal ik uitzetten, dan droogt die beter.
(_Zij gaat er mee de kamer uit door de tweede deur rechts. Dom. Manders
doet het reistaschje af en legt het met zijn hoed op een stoel. In dien
tijd komt Regine weer binnen_).
DOM. MANDERS. Hè, het doet iemand goed om weer binnen te zijn. En is
alles wèl hier?
REGINE. Ja, dank u.
DOM. MANDERS. Maar erg druk, kan ik me zoo voorstellen, met het oog op
morgen.
REGINE. O ja, er is hier heel wat te doen.
DOM. MANDERS. En mevrouw Alving is toch thuis hoop ik?
REGINE. Ja, natuurlijk! Zij is maar even boven om den jongen mijnheer
zijn chocolade te geven.
DOM. MANDERS. Ja, dat is waar ... ik hoorde beneden aan de aanlegplaats
dat Oswald gekomen was.
REGINE. Ja, hij is eergisteren gekomen. Wij hadden hem niet vóór vandaag
verwacht.
DOM. MANDERS. En frisch en gezond hoop ik?
REGINE. Ja, dank u, dat wel. Maar vreeselijk vermoeid van de reis. Hij
is in ééne rek doorgereden van Parijs...; ik bedoel hij heeft de heele
route met één en denzelfden trein gemaakt. Ik geloof dat hij nu een
beetje slaapt, daarom mogen wij wel een beetje zachtjes praten.
DOM. MANDERS. Ja, sst, we zullen doodstil zijn!
REGINE (_terwijl zij een gemakkelijken stoel bij de tafel schuift_). En
gaat u zitten, alsjeblieft, dominee, en maak het u makkelijk. (_Hij gaat
zitten; zij schuift een voetenbankje onder zijn voeten_). Zie zoo! Zit
dominee nu goed?
DOM. MANDERS. Dank je, dank je, ik zit best (_bekijkt haar_). Hoor eens
Regine, ik geloof dat je heusch gegroeid bent sedert ik je het laatst
zag.
REGINE. Gelooft dominee dat? Mevrouw zegt dat ik wat gevulder ben
geworden ook.
DOM. MANDERS. Gevulder? Ja, misschien ... een beetje ... net genoeg
(_korte pauze_).
REGINE. Zal ik misschien mevrouw gaan roepen?
DOM. MANDERS. Dank je, dank je, dat heeft geen haast, kindlief. En
vertel mij nu eens, mijn goede Regine, hoe maakt het je vader hier
buiten?
REGINE. Dank u, dominee, dat gaat nog al.
DOM. MANDERS. Hij was onlangs bij mij toen hij den laatsten keer in de
stad was.
REGINE. Och ja? Was hij bij u? Hij is altijd zoo blij als hij dominee te
spreken krijgen kan.
DOM. MANDERS. En je gaat zeker overdag nog al eens naar hem toe?
REGINE. Ik? Jawel; als ik eens een oogenblikje tijd heb....
DOM. MANDERS. Je vader is geen krachtige persoonlijkheid, Regine. Hij
heeft erg behoefte aan een leidende hand.
REGINE. Och ja, dat kan misschien wel zijn.
DOM. MANDERS. Hij heeft behoefte om iemand om zich heen te hebben, van
wie hij houden kan, en aan wier oordeel hij hechten kan. Hij erkende dat
zelf zoo trouwhartig, toen hij laatst bij mij was.
REGINE. Ja, hij heeft mij ook over zoo iets gesproken. Maar ik weet niet
of mevrouw Alving mij missen wil,... vooral nù, nu wij zooveel te doen
krijgen met het nieuwe gesticht. En ik zou het ook vreeselijk naar
vinden om van mevrouw Alving weg te gaan, want zij is toch altijd zoo
lief voor mij geweest.
DOM. MANDERS. Maar je plicht als dochter, meisjelief.... Natuurlijk
zouden wij eerst de toestemming van je mevrouw moeten vragen.
REGINE. Maar ik weet ook niet of het wel passend voor mij is, op mijn
leeftijd, het huis van een ongetrouwd man te bestieren.
DOM. MANDERS. Wat! Maar mijn lieve Regine, het is toch je eigen vader
van wien hier sprake is!
REGINE. Ja, dat kan wel zijn, maar toch.... Ja, als het nu een goed huis
was, bij een echten heer....
DOM. MANDERS. Maar, mijn goede Regine!
REGINE. ... zoo een, voor wien ik toewijding voelen en tegen wien ik
opzien kon, en als 't ware de plaats van een dochter vervullen....
DOM. MANDERS. Ja maar, mijn lieve goede kind....
REGINE. ... dan zou ik wel graag naar de stad willen. Hier buiten is het
erg eenzaam,... en dominee weet zelf ook wel wat het is om zoo alleen te
staan in de wereld. En dat durf ik wel zeggen, dat ik handig en gewillig
ben. Weet dominee niet zoo'n betrekking voor mij?
DOM. MANDERS. Ik? Neen, dat weet ik heusch niet.
REGINE. Maar lieve beste dominee ... denk in elk geval eens aan mij, als
u soms....
DOM. MANDERS (_staat op_). Ja, dat zal ik, Regine.
REGINE. Ja, want als ik....
DOM. MANDERS. Zou je nu misschien zoo vriendelijk willen zijn mevrouw te
gaan roepen?
REGINE. Die zal nu wel dadelijk komen, dominee (_zij gaat weg naar
links_).
DOM. MANDERS (_loopt een paar maal de kamer op en neer; blijft een
poosje op den achtergrond staan met de handen op den rug en kijkt uit in
den tuin. Dan komt hij weer bij de tafel terug, neemt een boek op en
kijkt naar den titel, schrikt en kijkt nog meer boeken in_). Hm,... zoo
... ja!
(_Mevrouw Alving komt binnen door de deur links, gevolgd door Regine,
die dadelijk weer weg gaat door de voorste deur rechts_).
MEVR. ALVING (_reikt hem de hand_). Welkom dominee.
DOM. MANDERS. Goeden dag, mevrouw. Daar ben ik zooals ik u beloofde.
MEVR. ALVING. Altijd op klokslag.
DOM. MANDERS. Maar 't was moeilijk genoeg om weg te komen. Al die
commissies en besturen waarin ik zit....
MEVR. ALVING. Des te vriendelijker van u dat u zoo vroeg komt. Nu kunnen
wij onze zaken afdoen vóór wij aan tafel gaan. Maar waar is uw koffer?
DOM. MANDERS. (_snel_). Mijn goed staat in den winkel, beneden bij den
steiger. Ik logeer daar van nacht.
MEVR. ALVING (_onderdrukt een glimlach_). Is u er waarlijk niet toe te
bewegen bij mij te overnachten ... ook dezen keer niet?
DOM. MANDERS. Neen, neen, mevrouw; overigens zeer veel dank. Ik blijf
maar daar beneden, zooals gewoonlijk. Dat is zoo gemakkelijk, als ik
weer aan boord moet.
MEVR. ALVING. Nu, u moet doen zooals u wil. Maar ik zou anders wel
denken dat wij twee oude menschen....
DOM. MANDERS. Och heertje ja, u maakt maar gekheid. Nu ja, u is
natuurlijk van daag uitermate blij. Eerst het inwijdingsfeest morgen, en
dan heeft u ook Oswald weer thuis, hoor ik.
MEVR. ALVING. Ja, verbeeld u, wat een geluk voor mij! Het is nu al meer
dan twee jaar geleden dat hij het laatst thuis was. En nu heeft hij
beloofd den heelen winter bij mij te zullen blijven.
DOM. MANDERS. Och ja, waarlijk? Dat is aardig en hartelijk van hem. Want
het moet wel heel wat aantrekkelijker zijn om in Rome of Parijs te
wonen, denk ik zoo.
MEVR. ALVING. Ja, maar hier thuis heeft hij zijn moeder, ziet u. Och,
mijn eigen lieve jongen,... hij heeft nog wel hart voor zijn moeder!
DOM. MANDERS. Dat zou toch ook al te treurig zijn als afwezigheid en
zich bezig houden met kunst, zulke natuurlijke gevoelens zou doen
uitslijten.
MEVR. ALVING. Ja, dat mag u wel zeggen. Maar bij hem is daar waarlijk
geen nood voor. 't Zal mij heusch benieuwen of u hem zal herkennen. Hij
komt straks beneden; hij ligt nu boven wat te rusten op de canapé....
Maar ga toch zitten, waarde dominee.
DOM. MANDERS. Dank u. 't Schikt u dus nu wel...?
MEVR. ALVING. Welzeker. (_Zij gaat aan de tafel zitten_).
DOM. MANDERS. Best; dan zal ik het u laten zien.... (_gaat naar den
stoel waar zijn reistaschje ligt, neemt er een pakje papieren uit, gaat
aan de tafel tegenover haar zitten en zoekt een open plek voor zijn
papieren_). Hier hebben we nu vooreerst.... (_afbrekend_). Zeg u mij
toch eens, Mevrouw, hoe komen _die_ boeken hier?
MEVR. ALVING. Die boeken? Dat zijn boeken die ik lees.
DOM. MANDERS. Leest u dergelijke geschriften?
MEVR. ALVING. Ja zeker.
DOM. MANDERS. Voelt u dat u beter of gelukkiger wordt door die lektuur?
MEVR. ALVING. Ik vind dat het mij rust geeft.
DOM. MANDERS. Dat is opmerkelijk. Hoe dat zoo?
MEVR. ALVING. Ja, ik krijg er als 't ware de verklaring en de
bevestiging door, van veel dat ik voor mijzelf heb uitgedacht. Want dat
is het wonderlijke, dat er eigenlijk niets nieuws staat in die boeken.
Er staat niets anders in dan dat, wat de meeste menschen denken en
gelooven. Het is maar de zaak dat de meeste menschen er zich geen
rekenschap van geven, of het niet willen weten.
DOM. MANDERS. Maar lieve Hemel! Gelooft u in vollen ernst dat de meeste
menschen...?
MEVR. ALVING. Ja, dat geloof ik stellig.
DOM. MANDERS. Maar toch niet hier in ons land? Niet hier bij ons?
MEVR. ALVING. O ja, wel zeker, hier bij ons ook.
DOM. MANDERS. Neen, dan moet ik toch zeggen...!
MEVR. ALVING. Maar wat heeft u eigenlijk _tegen_ die boeken?
DOM. MANDERS. Er tegen? U gelooft toch niet dat ik mij bezig houd met
het doorsnuffelen van dergelijke producten?
MEVR. ALVING. Dat wil zeggen dat u heelemaal niet kent wàt u
veroordeelt.
DOM. MANDERS. Ik heb genoeg _over_ deze geschriften gelezen om ze af te
keuren.
MEVR. ALVING. Ja, maar uw eigen oordeel....
DOM. MANDERS. Lieve mevrouw, er komt velerlei in het leven voor waarin
men zich moet verlaten op anderen. Dat is nu eenmaal zoo in de wereld;
en dat is ook goed. Wat zou er anders terechtkomen van de maatschappij?
MEVR. ALVING. Jawel, daarin kan u gelijk hebben.
DOM. MANDERS. Overigens ontken ik natuurlijk niet dat er veel
aantrekkelijks in deze boeken zijn kan. En ik kan er u ook geen verwijt
van maken dat u op de hoogte wenscht te blijven van de geestelijke
stroomingen, die zooals men zegt, in de groote buitenwereld omgaan,...
waar u uw zoon zoo langen tijd heeft laten rondtrekken. Maar....
MEVR. ALVING. Maar...?
DOM. MANDERS (_zachter sprekend_). Maar men spreekt er niet over,
mevrouw. Men behoeft toch waarlijk niet Jan-en-alleman rekenschap te
geven van wat men leest en wat men denkt binnen zijn eigen vier muren.
MEVR. ALVING. Neen, natuurlijk niet; dat zou ik ook denken.
DOM. MANDERS. Maar bedenk nu alleen maar eens wat u verplicht is
tegenover dat gesticht, dat u besloot op te richten in een tijd, toen
uwe zienswijze in geestelijke dingen nog zoo heel anders was dan nu;...
zoover ik althans kan nagaan.
MEVR. ALVING. Ja, ja, dat geef ik volmaakt toe. Maar wij zouden over het
gesticht....
DOM. MANDERS. Wij zouden over het gesticht spreken, ja. Dus ...
voorzichtig zijn, lieve mevrouw! En nu gaan wij over tot de zaken
(_opent de portefeuille en neemt er eenige papieren uit_). Ziet u deze
papieren?
MEVR. ALVING. De stukken?
DOM. MANDERS. Allemaal. En alles in orde. U kan gerust gelooven dat het
moeite gekost heeft om ze op tijd in handen te krijgen. De ambtenaren
zijn haast pijnlijk nauwgezet in het afdoen van zulke zaken. Maar hier
hebben wij ze dan toch (_bladert in de massa_). Ziet u, hier is de in
het grondboek ingeschreven akte van schenking, voor het deel van het
goed Solvik, behoorend tot het landgoed Rozenheuvel, met de daarop zich
bevindende nieuwopgetrokken gebouwen van woonhuizen, schoollokalen,
onderwijzerswoning en kapel. En hier is het bewijs van het legaat en van
de statuten der stichting. Hier, ziet u maar alsjeblieft.... (_leest
voor_). De statuten van Het Tehuis voor Kinderen "Kapitein Alving's
Stichting"....
MEVR. ALVING (_kijkt op het papier_). Dat is het dus.
DOM. MANDERS. Ik heb den titel kapitein gekozen en niet kamerheer.
Kapitein staat eenvoudiger.
MEVR. ALVING. Ja, ja; net als u goed vindt.
DOM. MANDERS. En hier heeft u het spaarbankboekje van het te beleggen
kapitaal, dat uitgezet is om de bedrijfskosten van het gesticht te
bestrijden.
MEVR. ALVING. Dank u, maar wees zoo vriendelijk dat voor het gemak maar
te bewaren.
DOM. MANDERS. Heel gaarne. Mij dunkt wij moesten het geld voorloopig op
de spaarbank laten. De rentevoet is wel niet erg uitlokkend, vier
procent met halfjarige opzegging. Als wij er later een solide hypotheek
voor konden krijgen.... Het zou natuurlijk een eerste en in alle
opzichten sekure moeten zijn ... dan konden wij er nog eens verder over
spreken.
MEVR. ALVING. Ja, ja, dominee; van al die dingen heeft u veel meer
verstand dan ik.
DOM. MANDERS. Ik zal in elk geval wel eens goed uit mijn oogen
kijken.... Maar dan is er nog iets wat ik al meermalen heb willen
vragen.
MEVR. ALVING. En wat is dat dan?
DOM. MANDERS. Moeten de gebouwen geassureerd worden of niet?
MEVR. ALVING. Ja, natuurlijk moeten ze geassureerd worden.
DOM. MANDERS. Ja, wacht eens even, mevrouw. Laat ons die zaak nog eens
nader beschouwen.
MEVR. ALVING. Bij mij is alles geassureerd, de gebouwen, de roerende
goederen, de oogst en het vee.
DOM. MANDERS. Natuurlijk. Op uw eigen landgoed. Dat doe ik ook,... dat
spreekt van zelf. Maar hier, ziet u, is het een heel andere zaak. Het
gesticht zal toch als het ware gewijd worden tot een hoogere
levensroeping.
MEVR. ALVING. Ja, maar omdat....
DOM. MANDERS. Wat mij persoonlijk betreft, zou ik er zeer zeker in de
verte niets aanstootelijks in vinden om ons tegen alle mogelijkheden te
verzekeren....
MEVR. ALVING. Neen, dat dunkt mij ook.
DOM. MANDERS. ... Maar hoe staat het met den geest van de menschen hier
in den omtrek. Dat weet u stellig beter dan ik.
MEVR. ALVING. Hm, de geest....
DOM. MANDERS. Zijn hier betrekkelijk nog al veel menschen, met wier
opinie werkelijk rekening moet gehouden worden, die er aanstoot aan
zouden kunnen nemen?
MEVR. ALVING. Wat verstaat u eigenlijk onder menschen met wier opinie
rekening moet gehouden worden?
DOM. MANDERS. Wel, ik denk in de eerste plaats aan mannen die in zoover
onafhankelijk en invloedrijk genoeg zijn, dat men moeilijk nalaten kan
eenige rekening te houden met hunne opinie.
MEVR. ALVING. Van die zijn er hier verscheidene, aan wie het misschien
wel aanstoot zou kunnen geven, indien....
DOM. MANDERS. Nu, ziet u nu wel! Bij ons in de stad zijn er heel wat van
dat slag. Denk maar eens aan al de volgelingen van mijn ambtsbroeder!
Men zou er waarlijk licht toe kunnen komen het op te vatten alsof noch u
noch ik, het ware vertrouwen op een hoogere bestiering bezat.
MEVR. ALVING. Maar wat u betreft, waarde dominee, weet u althans voor u
zelf dat....
DOM. MANDERS. Ja, ik weet; ik weet;... ik heb mijn overtuiging; dat is
waar. Maar wij zouden toch niet kunnen verhinderen dat er een verkeerden
en ongewenschten uitleg aan gegeven werd. En die zou dan weer allicht
een belemmerenden invloed uitoefenen op de heele stichting.
MEVR. ALVING. Ja, als dat het gevolg zou zijn, dan....
DOM. MANDERS. Ik kan ook niet geheel uit het oog verliezen de
moeilijke,... ja, ik mag wel zeggen pijnlijke verhouding, waarin ik
misschien geraken zou. In de toonaangevende kringen van de stad, houdt
men zich veel bezig met de gestichtskwestie. Het gesticht is immers voor
een deel ook opgericht ten bate van de stad, en het is te hopen dat het
in niet geringe mate onze gemeentelijke armenlasten zal verlichten. Maar
daar ik nu uw raadsman ben geweest en het practische deel van de zaak
beheerd heb, moet ik vreezen dat de benijders in de allereerste plaats
zich op mij zullen werpen....
MEVR. ALVING. Neen, daaraan mag u zich niet blootstellen....
DOM. MANDERS. ... Om nog niet eens te spreken van de aanvallen, die zeer
stellig op mij gericht zullen worden in zekere bladen en tijdschriften,
die....
MEVR. ALVING. Al genoeg dominee; deze laatste overweging is al ruim
voldoende.
DOM. MANDERS. U wil dus dat het geassureerd worden zal?
MEVR. ALVING. Neen, wij zullen het dan maar laten.
DOM. MANDERS (_leunt achterover in zijn stoel_). Maar als er nu eens een
ongeluk gebeurde? Men kan toch nooit weten.... Zou u dan de schade weer
kunnen vergoeden?
MEVR. ALVING. Neen; dat zeg ik ronduit, dat zou ik zeer stellig niet
doen.
DOM. MANDERS. Ja, maar ... dan is het toch een bedenkelijke
verantwoordelijkheid, die wij op ons nemen.
MEVR. ALVING. Maar vindt u dan dat wij anders _kunnen_?
DOM. MANDERS. Neen; dat is het juist; we _kunnen_ eigenlijk niet anders.
Wij mogen ons toch niet blootstellen aan een verkeerd oordeel; en het is
ons volstrekt niet geoorloofd ergernis te verwekken in de gemeente.
MEVR. ALVING. U, als dominee, in elk geval niet.
DOM. MANDERS. En ik vind dan toch werkelijk ook, dat wij er op moeten
vertrouwen dat op zulk een stichting zegen zal rusten,... ja zelfs, dat
die onder bizondere bescherming staat.
MEVR. ALVING. Laat ons dat hopen, dominee.
DOM. MANDERS. Zullen wij het er dus maar bij laten?
MEVR. ALVING. Ja, zeker.
DOM. MANDERS. Best. Zooals u wil (_noteert_). Dus ... niet assureeren.
MEVR. ALVING. 't Is anders wonderlijk dat u daar juist van daag over
komt spreken....
DOM. MANDERS. Ik heb er al dikwijls over gedacht het u te vragen....
MEVR. ALVING. ... want gisteren hadden wij daarginder bijna brand gehad.
DOM. MANDERS. Wat zegt u!
MEVR. ALVING. Nu, het had overigens niets te beteekenen. Een hoop
houtkrullen had vuur gevat in de timmermanswerkplaats.
DOM. MANDERS. Waar Engstrand werkt?
MEVR. ALVING. Ja. Hij moet dikwijls heel onvoorzichtig zijn met
lucifers, zeggen ze.
DOM. MANDERS. Hij heeft zooveel aan zijn hoofd, die man ... zoo velerlei
verzoekingen. Goddank legt hij er zich nu op toe een onberispelijk leven
te leiden, naar ik hoor.
MEVR. ALVING. Zoo? Wie zegt dat?
DOM. MANDERS. Dat heeft hij mij zelf verzekerd. En een knap werkman is
hij toch ook.
MEVR. ALVING. O ja, zoo lang hij nuchter is....
DOM. MANDERS. Ja, die treurige zwakheid; maar hij is er dikwijls toe
genoodzaakt voor dat akelige been, zegt hij. Den laatsten keer dat hij
in de stad was, deed hij mij waarlijk aan. Hij kwam bij mij en bedankte
mij zoo hartelijk omdat ik hem hier werk verschaft had, zoodat hij nu
met Regine samen kon zijn.
MEVR. ALVING. Hij merkt anders niet veel van haar.
DOM. MANDERS. Jawel, hij spreekt haar iederen dag, dat vertelde hij mij
zelf.
MEVR. ALVING. Nu ja ... dat kan ook wel zijn.
DOM. MANDERS. Hij voelt zoo goed dat hij behoefte heeft aan iemand die
hem terughouden kan als de verleiding nabij is. Dat is het beminnelijke
in Jakob Engstrand, dat hij zoo volslagen hulpeloos bij iemand komt en
zich aanklaagt en zijn eigen zwakheid bekent. Laatst was hij bij mij en
sprak met mij.... Hoor eens, mevrouw, als het hem een hartsbehoef te
zijn zou om Regine bij zich thuis te hebben....
MEVR. ALVING (_staat snel op_). Regine!
DOM. MANDERS. ... dan moet u zich daar niet tegen verzetten.
MEVR. ALVING. Jawel, daar zal ik mij zeer zeker tegen verzetten. En
bovendien,... Regine krijgt immers een betrekking in het gesticht.
DOM. MANDERS. Maar denk toch eens aan, hij is toch haar vader....
MEVR. ALVING. O, ik weet best wat voor soort van een vader hij voor haar
geweest is. Neen, naar hem zal zij nooit teruggaan met mijn goedvinden.
DOM. MANDERS (_staat op_). Maar lieve mevrouw, wind u daarover toch niet
zoo op. Het is bedroevend zoo als u Engstrand miskent. Het is of ik u
een schrik op het lijf jaag....
MEVR. ALVING. Dat doet er niet toe. Ik heb Regine tot mij genomen, en
bij mij zal zij blijven (_luistert_). Sst, dominee, spreek daar nu niet
meer over. (_Haar gezicht verheldert_). Hoor! Daar komt Oswald de trap
af. Nu houden wij ons verder alleen met hem bezig.
(_Oswald Alving in een overjas, met zijn hoed in de hand en rookend uit
een groote meerschuimen pijp, komt binnen door de deur links_).
OSWALD (_blijft in de deur staan_). O pardon ... ik dacht dat u in het
kantoor zat (_komt naderbij_). Goeden dag, dominee.
DOM. MANDERS. Ah...! Dat is merkwaardig....
MEVR. ALVING. Wel, wat zegt u nu van hem, dominee?
DOM. MANDERS. Ik zeg ... ik zeg.... Neen maar, is dat nu waarlijk...?
OSWALD. Jawel, het is heusch de verloren zoon, dominee.
DOM. MANDERS. Maar, mijn waarde jonge vriend....
OSWALD. Nou, dan de teruggekomen zoon.
MEVR. ALVING. Oswald denkt er aan dat u er toen zooveel tegen had dat
hij schilder werd.
DOM. MANDERS. Voor menschelijke oogen kan menige stap in het leven
bedenkelijk schijnen, die toch later.... (_schudt hem de hand_). Nu,
welkom, welkom! Neen, mijn waarde Oswald.... Ja, mag ik je nog wel bij
je voornaam noemen?
OSWALD. Hoe zou u mij dan anders noemen?
DOM. MANDERS. Heel goed. 't Was dit dat ik zeggen wilde, mijn waarde
Oswald,... je moet niet denken dat ik onvoorwaardelijk den
kunstenaarsstand veroordeel. Ik neem aan dat er velen zijn, die hun
innerlijk wezen onbedorven bewaren kunnen ook in dien stand.
OSWALD. Dat zullen wij moeten hopen.
MEVR. ALVING (_stralend van vreugde_). Ik ken er een die zoowel zijn
innerlijke als zijn uiterlijke wezen onbedorven bewaard heeft. Kijk hem
maar eens aan, dominee.
OSWALD (_loopt heen en weer_). Ja, ja, moederlief, laat dat nu maar
rusten.
DOM. MANDERS. Nu, met verlof ... dat kan niet ontkend worden. En je bent
al begonnen naam te maken ook. In de dagbladen is er dikwijls over je
gesproken, en wel buitengewoon gunstig ook. Hoewel ... ik moet zeggen
... in den laatsten tijd heb ik er zooveel niet meer van gezien.
OSWALD (_in de serre_). In den laatsten tijd heb ik niet zoo veel meer
geschilderd.
MEVR. ALVING. Een schilder moet tusschenbeiden ook eens wat rust nemen.
DOM. MANDERS. Dat kan ik begrijpen. En dan bereidt men zich voor en
verzamelt kracht voor iets groots.
OSWALD. Ja.--Moeder, gaan wij nog niet haast eten?
MEVR. ALVING. Over een klein half uurtje. Eetlust heeft hij gelukkig.
DOM. MANDERS. En de tabak smaakt hem ook.
OSWALD. Ik vond papa's pijp boven op de kamer, en zoo....
DOM. MANDERS. Aha, dàt was het dus!
MEVR. ALVING. Wat?
DOM. MANDERS. Toen Oswald daar de deur in kwam met de pijp in den mond,
was het of ik zijn vader in levenden lijve zag.
OSWALD. Och kom?
MEVR. ALVING. O, hoe kan u het zeggen! Oswald lijkt toch op mij.
DOM. MANDERS. Ja; maar er is een trek om de mondhoeken, iets om de
lippen, dat zoo eigenaardig aan Alving herinnert ... althans nu hij
rookt.
MEVR. ALVING. Heelemaal niet. Oswald heeft eerder iets van een
geestelijke om den mond, vind ik.
DOM. MANDERS. O ja, o ja, verscheidene van mijn ambtsbroeders hebben een
dergelijken trek.
MEVR. ALVING. Maar leg je pijp liever weg, mijn jongen; ik heb hier niet
graag tabaksrook.
OSWALD. Met genoegen. Ik wou die pijp alleen maar eens probeeren, omdat
ik als kind er eens uit gerookt heb.
MEVR. ALVING. Jij?
OSWALD. Ja. Ik was toen nog heel klein. Maar ik herinner mij dat ik
boven bij papa op de kamer kwam op een avond, en hij zoo vroolijk en
jolig was.
MEVR. ALVING. Och kom, je herinnert je niets meer van die jaren.
OSWALD. Jawel, ik herinner mij duidelijk dat hij mij op zijn knieën
zette en liet rooken uit zijn pijp. Rook, jongen, zei hij ... flink
rooken, jongen! En ik rookte wat ik kon, totdat ik voelde dat ik
heelemaal bleek werd en het zweet in groote droppels op mijn voorhoofd
stond. Toen lachte hij dat hij schaterde....
DOM. MANDERS. Dat was toch al heel vreemd.
MEVR. ALVING. Och dominee, dat heeft Oswald gedroomd!
OSWALD. Neen, moeder, ik heb het volstrekt niet gedroomd. Want ...
herinner je je dat dan niet meer ... toen kwam jij binnen en droeg me
naar de kinderkamer. Daar werd ik toen onpasselijk en zag ik dat je
huilde.... Haalde papa dikwijls zulke grappen uit?
DOM. MANDERS. In zijn jeugd was hij een bizonder levenslustig mensch....
OSWALD. ... en heeft toch nog zooveel gedaan in de wereld. Zooveel goeds
en nuttigs tot stand gebracht; en was toch nog jong toen hij stierf.
DOM. MANDERS. Ja, je hebt in waarheid den naam van een werkzaam en
bekwaam man geërfd, mijn waarde Oswald. Nu, dat zal, naar wij hopen, je
een spoorslag zijn....
OSWALD. Dat behoorde het ten minste te zijn, ja.
DOM. MANDERS. Het is in elk geval mooi van je dat je thuis komt voor
zijn eere-dag.
OSWALD. Minder kon ik al niet voor papa doen.
MEVR. ALVING. En dat ik hem zoo lang mag houden ... dat is nu nog het
allermooiste van hem.
DOM. MANDERS. Ja, je blijft den heelen winter hier, hoor ik.
OSWALD. Ik blijf thuis voor onbepaalden tijd, dominee.... O, het is toch
zoo heerlijk om weer bij moeder thuis te zijn!
MEVR. ALVING (_stralend_). Ja, hè, mijn jongen?
DOM. MANDERS (_kijkt hem deelnemend aan_). Je bent al vroeg de wijde
wereld ingegaan, mijn waarde Oswald.
OSWALD. Dat is zoo. Soms denk ik wel eens of het niet wat àl te vroeg
was.
MEVR. ALVING. O, wel neen, volstrekt niet. Dat is juist goed voor een
flinken jongen. En vooral voor een eenig kind. Die moet niet thuis aan
moeders rokken blijven hangen om zich te laten bederven.
DOM. MANDERS. Dat is een bewering die wel voor tegenspraak vatbaar is,
mevrouw. Het ouderlijk huis is en blijft toch de ware plaats voor een
kind.
OSWALD. Daarin ben ik het geheel met den dominee eens.