NORA. Ga er bij zitten ... het zal lang duren. Ik heb veel met je te
bepraten.
HELMER (_gaat tegenover haar aan de tafel zitten_). Je maakt me angstig,
Nora. En ik begrijp je niet.
NORA. Neen, dat is het juist. Je begrijpt mij niet. En ik heb jou ook
nooit begrepen ... vóór van avond. Neen, je moet mij niet in de rede
vallen. Je moet alleen maar luisteren. Dit is een afrekening, Torwald.
HELMER. Hoe bedoel je dat?
NORA (_na een kort zwijgen_). Is er niet iets dat je opvalt nu wij hier
zoo zitten?
HELMER. En wat zou dat dan moeten zijn?
NORA. Wij zijn nu acht jaar getrouwd. Treft het je niet, dat het de
eerste keer is dat wij beiden, jij en ik, man en vrouw, ernstig samen
spreken?
HELMER. Ja ... ernstig ... wat bedoel je daarmee?
NORA. In volle acht jaren ... ja langer nog ... van onze eerste
kennismaking af, hebben wij nooit een ernstig woord over ernstige dingen
gewisseld.
HELMER. Moest ik je dan, zonder noodzaak, altijd in wijden in
moeilijkheden die je mij toch niet kon helpen dragen?
NORA. Ik spreek niet van moeilijkheden. Ik zeg dat wij nooit eens
ernstig bij elkaar gezeten hebben om iets grondig te bespreken.
HELMER. Maar, liefste Nora, zou dat dan iets voor jou geweest zijn?
NORA. Dat is nu juist de zaak. Je hebt me nooit begrepen.... Er is mij
groot onrecht aangedaan, Torwald. Eerst door Papa en later door jou.
HELMER. Wat! Door ons beiden ... ons beiden ... die meer van jou
gehouden hebben dan van iemand ter wereld?
NORA (_schudt het hoofd_). Je hebt mij geen van beiden ooit liefgehad.
Jij hebt het alleen prettig gevonden om op mij verliefd te zijn.
HELMER. Maar Nora, wat zijn dat voor woorden.
NORA. Ja, het is toch zoo, Torwald. Toen ik thuis was bij Papa, vertelde
hij mij hoe hij over de dingen dacht, en dan vond ik dat alles ook zoo;
of, als ik er anders over dacht, verborg ik het maar, want dat zou hij
niet prettig gevonden hebben. Hij noemde mij zijn poppekind, en hij
speelde met mij zooals ik met mijn poppen speelde. Toen ik in jouw huis
kwam....
HELMER. Wat is dat nu voor een manier om over ons huwelijk te spreken?
NORA (_onverstoorbaar_). Ik bedoel: toen ik uit Papa's handen overging
in de jouwe. Je richtte alles in naar jouw smaak, en zoo kreeg ik
denzelfden smaak als jij; of ik hield mij maar zoo ... ik weet 't zelf
niet goed ... ik geloof dat het zoowel het een als het ander was; nu
eens dit dan eens dat. Als ik er nu op terug zie, komt het me voor alsof
ik hier geleefd heb als een arm mensch ... levend van de hand in den
tand.... Ik heb geleefd van kunsten-maken voor jou, Torwald. Maar jij
wilde dat zoo. Jij en Papa hebben groote zonde aan mij begaan. Jij bent
er schuld aan dat er niets van mij is terechtgekomen.
HELMER. Nora, wat ben je onbillijk en ondankbaar! Ben je hier dan niet
gelukkig geweest?
NORA. Neen, dat ben ik nooit geweest. Ik dacht het te zijn; maar ik ben
het nooit geweest.
HELMER. Niet ... niet gelukkig?
NORA. Neen; ik had alleen maar pret. En jij bent altijd zoo lief voor
mij geweest. Maar ons huis is niets anders geweest dan een speelkamer.
Ik ben je poppe-vrouwtje geweest net als ik thuis Papa's poppekind was.
En de kinderen zijn weer mijn poppen geweest. Ik vond 't prettig als jij
met mij speelde, net als de kinderen het prettig vinden als ik met hen
speel. Dat is ons huwelijk geweest, Torwald.
HELMER. Er is wel iets waars in wat je zegt ... hoe overdreven en
overspannen het dan ook zijn mag. Maar voortaan zal het anders worden.
De tijd van spelen zal voorbij zijn; nu komt het opvoedingswerk.
NORA. De opvoeding van wie? Van mij of van de kinderen?
HELMER. Van allebei, mijn beste Nora, van jou en van de kinderen.
NORA. Och, Torwald, jij bent de man niet om mij op te voeden tot een
echte vrouw voor je.
HELMER. En dat zegt jij?
NORA. En ik ... ben ik in staat kinderen op te voeden?
HELMER. Nora!
NORA. Zei je dat zelf niet daar straks ... dat werk durfde jij mij niet
toevertrouwen.
HELMER. In een oogenblik van drift! Wil je daar nu aan hechten?
NORA. Ja zeker; want dat was heel juist gezegd. Die taak is te zwaar
voor mij. Er is een andere taak, die eerst moet afgedaan worden. Ik moet
mijzelf zien op te voeden. Jij bent niet de man die mij daarbij helpen
kan. Daarvoor moet ik alleen zijn. En daarom ga ik nu van je weg.
HELMER (_springt op_). Wàt zeg je daar?
NORA. Ik moet geheel alleen zijn, als ik mijzelf en alle dingen buiten
mij zal leeren zien, zoo als ze zijn. Daarom kan ik niet langer bij je
blijven.
HELMER. Nora! Nora!
NORA. Ik ga nu dadelijk weg. Kristine zal mij voor van nacht wel
logeeren....
HELMER. Je bent niet wijs! Ik permiteer het niet! Ik verbied het je!
NORA. Het helpt nu niet meer of je mij iets verbiedt. Ik zal meenemen
wat van mij zelf is. Van jou wil ik niet hebben, noch nu noch later.
HELMER. Maar dat is krankzinnigheid!
NORA. Morgen ga ik naar huis ... ik bedoel mijn oude thuis. Daar zal het
mij het gemakkelijkst vallen het een of ander te beginnen.
HELMER. O, jij verblind, onervaren schepsel!
NORA. Ik moet zien ervaring op te doen, Torwald.
HELMER. Je huis, je man en kinderen verlaten! En denk je er heelemaal
niet aan wat de menschen daarvan zullen zeggen?
NORA. Daar kan ik mij niet aan storen. Ik weet alleen dat het voor mij
noodzakelijk is.
HELMER. O, het is schandelijk. Dat je je zoo aan je heiligste plichten
onttrekken kunt!
NORA. Wat noem jij mijn heiligste plichten?
HELMER. Moet ik je dat nog zeggen? Heb je geen plichten jegens je man en
kinderen?
NORA. Ik heb nog andere even heilige plichten.
HELMER. Dat heb je niet. Wat zouden dat wel voor plichten zijn?
NORA. Plichten jegens mij zelf.
HELMER. In de eerste plaats ben je vrouw en moeder.
NORA. Daar geloof ik niet meer aan. Ik geloof dat ik in de eerste plaats
mensch ben, ik, net zoo goed als jij ... of in elk geval zal ik trachten
het te worden. Ik weet wel dat in elk geval zal trachten het te worden.
Ik weet wel dat de meeste menschen jou gelijk geven, Torwald, en dat er
iets dergelijks in de boeken staat. Maar ik kan mij niet langer tevreden
stellen met wat de menschen zeggen en wat er in de boeken staat. Ik moet
zèlf nadenken over de dingen en tot klaarheid zien te komen.
HELMER. Dus het zou je niet duidelijk zijn wat je positie in je eigen
huis is? Heb je dan bij zoo'n gewetensvraag geen onfeilbaren gids? Heb
je dan geen godsdienst?
NORA. Och, Torwald, ik weet immers niet eens goed wat godsdienst is.
HELMER. Wàt zeg je daar?
NORA. Ik weet niets anders dan wat dominé Hansen zei, toen ik voor mijn
belijdenis leerde. Hij vertelde dat godsdienst was dìt en dàt. Wanneer
ik hier vandaan ben, zal ik ook dat vraagstuk onderzoeken. Dan zal ik
zien of het waar was wat dominé Hansen zei, of in elk geval of het waar
is voor mij.
HELMER. Maar, dat is toch iets ongehoords van zoo'n jonge vrouw! Maar
als de godsdienst je dan geen wegwijzer zijn kan, laat mij dan een
beroep doen op je geweten. Want gevoel voor goed en kwaad heb je toch?
Of ... heb je dat misschien ook niet?
NORA. Och, Torwald, daarop kan ik ik moeilijk antwoorden. Ik weet 't
waarlijk niet! Ik ben heelemaal in de war met alles. Ik weet alleen dat
ik een heel andere opvatting van die dingen heb dan jij. Ik heb nu ook
gehoord dat de wet heel anders is dan ik dacht; maar dat die wet goed
zou zijn, dat wil er bij mij maar niet in. Een vrouw heeft dus niet het
recht haar ouden stervenden vader te ontzien, of het leven van haar man
te redden! Zoo iets kan ik nog niet gelooven.
HELMER. Je praat als een kind. Je begrijpt niets van de maatschappij
waarin je leeft!
NORA. Neen, dat doe ik ook niet. Maar nu wil ik die leeren kennen. Ik
moet er achter zien te komen wie gelijk heeft, de maatschappij of ik.
HELMER. Je bent ziek, Nora; je hebt de koorts; ik geloof haast dat je
hoofd een beetje in de war is.
NORA. Ik heb mij nog nooit zoo helder en zeker van mijzelf gevoeld als
van nacht.
HELMER. En in klaarheid en zekerheid verlaat je je man en kinderen?
NORA. Ja, dat doe ik.
HELMER. Dan is er nog één verklaring mogelijk.
NORA. Welke dan?
HELMER. Dat je niet meer van me houdt.
NORA. Dat is het juist.
HELMER. Nora!... En dat zeg jij!
NORA. O, het doet mij zoo zéér, Torwald; want je bent altijd zoo lief
voor mij geweest. Maar ik kan er niets aan doen. Ik houd niet meer van
je.
HELMER (_met moeite zich bedwingend_). Ben je daar ook zoo vast en zeker
van overtuigd?
NORA. Ja, volkomen vast en zeker. Dáárom wil ik niet langer hier
blijven.
HELMER. En zou je mij ook kunnen ophelderen waardoor ik je liefde
verspeeld heb?
NORA. Ja, dat zal ik. Het was van avond, toen het wonderheerlijke niet
kwam; want toen zag ik dat je niet de man was voor wien ik je gehouden
had.
HELMER. Verklaar je nader, dat begrijp ik niet.
NORA. Ik heb acht jaar lang zoo geduldig gewacht; want och hemel, ik zag
wel in dat het wonderheerlijke niet zoo iederen dag gebeurt. Toen kwam
die ellende over mij, en toen was ik zoo vast overtuigd: nu zal het
wonderheerlijke komen. Toen Krogstad's brief in de bus lag ... geen
oogenblik kwam het in mij op, dat je buigen zoudt onder de voorwaarden
van dien man. Ik was zoo vast overtuigd dat je tegen hem zeggen zoudt:
maak de zaak maar bekend aan de heele wereld. En als dat gebeurd was....
HELMER. Ja, wat dan? Als ik mijn eigen vrouw had overgegeven aan schande
en achterklap...!
NORA. Als dat gebeurd was, dan dacht ik vast en zeker, zou jij optreden
en alles op je nemen en zeggen: ik ben de schuldige!
HELMER. Nora...!
NORA. Je bedoelt dat ik nooit zoo'n offer van je zou aangenomen hebben?
Neen, natuurlijk niet. Maar wat zou mijn beweren waard zijn tegen het
jouwe?... Dàt was het wonderheerlijke, waarop ik hoopte met vrees en
beven. En om dat te verhinderen wou ik een einde aan mijn leven maken.
HELMER. Ik zou graag nacht en dag voor je werken, Nora,... zorgen en
verdriet voor je op me nemen. Maar geen mensch offert zijn eer op voor
iemand die hij liefheeft.
NORA. Dat hebben toch honderd-duizenden vrouwen gedaan.
HELMER. Och, je denkt en je praat als een onverstandig kind....
NORA. 't Kan zijn. Maar jij denkt noch spreekt als de man, aan wien ik
mij moet kunnen verbinden. Toen je schrik over was... niet voor wat
_mij_ dreigde, maar voor wat er voor jou uit voort vloeien kon, en toen
alle gevaar voorbij was ... toen was het voor jou, alsof er niets
gebeurd was. Ik was weer net als te voren je zangvogeltje, je pop, die
je voortaan dubben voorzichtig op de handen dragen zoudt, omdat ze zoo
teer en broos was. (_Staat op_). Torwald, op dat oogenblik werd het mij
duidelijk, dat ik hier acht jaar lang geleefd had met een vreemden man,
en dat ik drie kinderen bij hem gekregen had.... O, ik kan er niet aan
denken! Ik zou mijzelf in stukken kunnen scheuren!
HELMER (_bedroefd_). Ik zie 't wel ... ik zie 't wel. Er is zeer zeker
een diepe kloof tusschen ons ontstaan.... Maar Nora, zou die niet te
overbruggen zijn?
NORA. Zóó als ik nù ben, kan ik je vrouw niet zijn.
HELMER. Ik heb de kracht om een ander mensch te worden.
NORA. Misschien ... als je pop je wordt afgenomen.
HELMER. O scheiden ... scheiden van jou! Neen, neen, Nora, die gedachte
kan ik nog niet in mij opnemen.
NORA (_gaat de kamer rechts binnen_). Des te zekerder moet het gebeuren.
(_Zij komt terug met hoed en mantel en een klein valies, dat zij op een
stoel bij de tafel zet_).
HELMER. Nora! Nora! nog niet! Wacht tot morgen.
NORA (_doet haar mantel aan_). Ik kan niet den nacht overblijven in de
kamers van een vreemden man.
HELMER. Maar kunnen wij hier dan niet samen wonen als broer en
zuster...?
NORA (_zet haar hoed op_). Je weet heel goed dat dat niet lang zou
duren.... Vaarwel, Torwald. Ik wil de kinderen niet meer zien. Ik weet
dat ze in betere handen zijn dan bij mij. Zóó als ik nu ben, kan ik
niets voor hen zijn.
HELMER. Maar later, Nora ... later...?
NORA. Hoe kan ik dat weten? Ik weet immers nog heelemaal niet wat er van
mij worden zal.
HELMER. Maar je bent toch mijn vrouw, zoowel nu als later.
NORA. Hoor eens, Torwald;... wanneer een vrouw het huis van haar man
verlaat zóó als ik nu doe, dan is hij, heb ik gehoord, volgens de wet
ontslagen van alle verplichtingen jegens haar. Je mag je in niets meer
gebonden voelen, evenmin als ik het zijn zal. Er moet volle vrijheid
zijn aan beide kanten. Hier heb je je ring terug. Geef mij nu ook den
mijnen.
HELMER. Ook dat nog?
NORA. Ook dat.
HELMER. Daar heb je hem.
NORA. Zoo. Dus nu is alles voorbij. De sleutels leg ik dáár neer. De
meiden weten alles wat het huishouden betreft ... beter dan ik. Morgen
als ik weg ben zal Kristine hier komen om in te pakken wat ik van thuis
heb meegebracht. Dat moet mij opgezonden worden.
HELMER. Voorbij ... voorbij! Nora, zal je nooit meer aan mij denken?
NORA. Ik zal wel heel dikwijls nog denken aan jou en de kinderen en dit
huis.
HELMER. Mag ik je schrijven, Nora?
NORA. Neen ... nooit. Dat sta ik je niet toe.
HELMER. Maar, ik mag je toch zenden....
NORA. Niets ... niets.
HELMER. ... je helpen als je het noodig mocht hebben.
NORA. Neen ... zeg ik. Ik neem niets aan van vreemden.
HELMER. Nora ... kan ik dan nooit iets meer dan een vreemde voor je
worden?
NORA (_neemt haar valies op_). Och Torwald, dan zou het
allerwonderheerlijkste moeten gebeuren....
HELMER. Noem mij dat wonderheerlijkste!
NORA. Dan zouden wij beiden, jij zoowel als ik, zooveel veranderd moeten
zijn dat.... Och Torwald, ik geloof niet meer aan iets wonderheerlijks.
HELMER. Maar ik wil er aan gelooven. Noem het! Zooveel veranderd zijn
dat...?
NORA. Dat ons samenleven een huwelijk kon worden. Vaarwel. (_Zij gaat
weg door het portaal_).
HELMER (_valt neer op een stoel bij de deur en bedekt zijn gezicht met
de handen_). Nora! Nora! (_Kijkt om zich heen en staat op_). Weg. Zij is
weg. (_Met een straal van hoop_). Het wonderheerlijkste...?
(_Beneden hoort men met een bons een deur in het slot vallen_).
EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.
* * * * *
SPOKEN
EEN FAMILIE-DRAMA
IN DRIE BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
Mevrouw HELENE ALVING, weduwe van den heer Alving,
in leven kapitein en kamerheer.
OSWALD ALVING, haar zoon, schilder.
Dominee MANDERS.
ENGSTRAND, schrijnwerker.
REGINE ENGSTRAND, bij Mevr. Alving in huis wonend.
Het stuk speelt op het landgoed van Mevr. Alving, aan een groote
fjord in westelijk Noorwegen.
* * * * *
EERSTE BEDRIJF.
Een ruime kamer met een deur in den linker zijmuur en twee deuren
in den muur rechts. Midden in de kamer een ronde tafel met stoelen
er omheen; op de tafel liggen boeken, tijdschriften en couranten.
Op den voorgrond links een raam en daarbij een klein canapé met een
werktafeltje er voor. Achter de kamer een glazen serre met bloemen
en planten, iets smaller dan de kamer. Aan de rechterkant daarvan
een deur die naar den tuin leidt. Door de glazen wanden heen ziet
men een somber fjord-landschap, omsluierd door een dichten regen.
Engstrand staat bij den tuindeur. Zijn linkerbeen is een beetje
verdraaid; onder den hak van zijn laars heeft hij een houten klos.
Regine met een leeg gietertje in de hand, houdt hem tegen als hij
de serre binnenkomen wil.
* * * * *
REGINE (_met gedempte stem_). Wat kom je hier doen? Blijf daar staan. Je
druipt van den regen.
ENGSTRAND. 't Is de regen van Onze Lieve Heertje, kindlief.
REGINE. Zeg liever dat het de regen van den duivel is.
ENGSTRAND. Jesses Regine, wat een praat (_komt een paar stappen
vooruit_). Maar wat ik je nou zeggen wou....
REGINE. Stamp toch zoo niet, mensch! De jonge mijnheer ligt boven te
slapen.
ENGSTRAND. Ligt hij te slapen? Op klaarlichten dag?
REGINE. Dat gaat jou niet aan.
ENGSTRAND. Ik ben aan de zwier geweest gisterenavond....
REGINE. Dat geloof ik graag.
ENGSTRAND. Och ja, wij zijn maar zwakke schepsels, kindlief....
REGINE. Ja, dat zijn wij wel.
ENGSTRAND. ... en de verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, zie
je...; maar toch was ik, zoo waar als God, om half zes van morgen vroeg
al weer aan het werk.
REGINE. Nou ja, 't is goed; maak nu maar dat je wegkomt. Ik wil hier
geen rendez-vous-tjes met je hebben.
ENGSTRAND. Wat wil je niet hebben, zeg je?
REGINE. Ik wil niet dat iemand je hier zien zal. Kom, ga nu heen.
ENGSTRAND (_een paar passen dichterbij_). Neen, om de bliksem, ik ga
niet weg vóór ik met je gesproken heb. Van middag kom ik klaar met het
werk daarginder in het schoolgebouw, en dan ga ik van nacht met de
stoomboot naar de stad terug.
REGINE (_mompelt_). Goede reis!
ENGSTRAND. Dank je wel, kind. Morgen zal het gesticht immers ingewijd
worden en dan zal het hier waarschijnlijk een groote herrie worden met
veel drinken, zie je. En niemand moet van Jakob Engstrand kunnen zeggen
dat hij zich niet onthouden kan als de verleiding komt.
REGINE. Ho!
ENGSTRAND. Want morgen komen er hier zooveel van de grootheid bij
elkaar. En dominee Manders wordt ook verwacht.
REGINE. Die komt van daag al.
ENGSTRAND. Zoo waarlijk. En ik wil om de bliksem niet dat hij iets op me
te zeggen zal kunnen hebben, begrijp je.
REGINE. O zoo, is dat de zaak!
ENGSTRAND. Is wat de zaak?
REGINE (_kijkt hem strak aan_). Waarvoor moet je dominee Manders nou
weer in de luren leggen?
ENGSTRAND. Stil, stil; ben je gek? Zou ik dominee Manders in de luren
willen leggen? O, neen, dominee Manders is veel te vriendelijk tegen mij
voor zoo iets. Maar waar ik nu eigenlijk over spreken wou is dit, zie
je, dat ik dus van nacht weer naar huis terug ga.
REGINE. Vertrek hoe eer hoe liever wat mij betreft.
ENGSTRAND. Ja, maar ik wil dat jij meegaat, Regine.
REGINE (_met open mond_). Dat ik meega...? Wat zeg je nòu?
ENGSTRAND. Ja, ik wil dat je mee naar huis gaat, zeg ik.
REGINE (_honend_). Nooit in der eeuwigheid krijg je mij mee naar huis.
ENGSTRAND. Dat zullen we eens zien.
REGINE. Ja, dat zal je net eens zien. _Ik_, die opgegroeid ben bij
mevrouw Alving, de vrouw van een kamerheer...? _Ik_, die hier bijna als
kind in huis ben.... Zou _ik_ met _jou_ naar huis gaan? Naar zóó'n huis.
Dank je lekker!
ENGSTRAND. Wat bliksem is dat? Wou jij opstaan tegen je vader, deern?
REGINE (_zonder hem aan te zien, bromt_). Je hebt dikwijls genoeg gezegd
dat ik je niks aanging.
ENGSTRAND. Nou, wat kan je dát schelen....
REGINE. Heb je me niet dikwijls uitgescholden voor een...? Fi donc!
ENGSTRAND. Neen, zoo waarachtig als God, zoo'n leelijk woord heb ik
nooit gebruikt.
REGINE. O, ik weet heel goed wat voor een woord je gebruikte.
ENGSTRAND. Nou ja, dat was alleen maar als ik wat aangeschoten was
... hm. De verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, Regine.
REGINE. Bah!
ENGSTRAND. En dat was dan als je moeder onhandelbaar was. Iets moest ik
dan toch zoeken om haar te pesten. Ze deed altijd zoo fijn en voornaam
(_nabootsend_). "Laat me los, Engstrand! Laat me met rust! Ik heb drie
jaar gediend bij mijnheer Alving, den kamerheer, op Rozenheuvel, hoor!"
(_lacht_). Jesses, ja, ze kon maar nooit vergeten dat de kapitein
kamerheer geworden was terwijl zij daar diende.
REGINE. Arme moeder;... die heb je gauw genoeg in het graf geholpen.
ENGSTRAND (_zich oprichtend_). O ja, dat spreekt, ik ben natuurlijk de
schuld van alles.
REGINE (_afgewend, halfluid_). Ajakkes! en dan dat been.
ENGSTRAND. Wat zeg je, kindlief?
REGINE. Pied de mouton.
ENGSTRAND. Is dat Engelsch?
REGINE. Ja.
ENGSTRAND. Ja ... ja; geleerdheid heb je hier opgedaan, en dat kan je nu
goed te pas komen, Regine.
REGINE (_na even zwijgen_). En waarvoor wou je me dan eigenlijk mee naar
de stad hebben?
ENGSTRAND. Kan je nog vragen waarom een vader zijn eenig kind thuis
hebben wil? Ben ik geen eenzame verlaten weduwnaar?
REGINE. Och, kom mij toch niet met zulke praatjes aan boord. Waarvoor
wil je mij thuis hebben?
ENGSTRAND. Dat zal ik je zeggen. Ik dacht er over wat nieuws te
beginnen.
REGINE. Dat heb je al zoo dikwijls geprobeerd; maar 't ging toch altijd
weer mis.
ENGSTRAND. Ja, maar dezen keer zal je eens wat zien, Regine!...
De duivel haal me....
REGINE (_stampvoetend_). Schei toch uit met dat gevloek!
ENGSTRAND. Nou ja, nou ja; daar heb je groot gelijk in kindlief! Ik wou
alleen maar zeggen ... ik heb nog al een aardig duitje op zij gelegd van
het werk in het nieuwe gesticht.
REGINE. Zoo, heb je? Nou, dat tref je dan.
ENGSTRAND. Waaraan zal een mensch ook zijn geld uitgeven hier buiten?
REGINE. Nou, en dan?
ENGSTRAND. Wel, zie je, zoo kwam ik er over te denken om het ergens in
te steken dat wat opbrengen kon. Ik dacht zoo iets van een soort
logement voor zeelui....
REGINE. Ajakkes!
ENGSTRAND. Een echt fijn logement, zie je;... niet zoo'n gewoon smerig
ding voor matrozen. Neen, wat bliksem,... het zou iets moeten zijn voor
scheepskapiteins en stuurlui en ... en echt nette menschen, zie je.
REGINE. En dan zou ik...?
ENGSTRAND. Jij zou mij daarbij moeten helpen, ja. Alleen zoo maar voor
den schijn, dat begrijp je wel. Je zult het waarachtig niet moeilijk
hebben, kindlief. Je kunt het net zoo goed hebben als je maar wilt.
REGINE. Jawel ... o ja!
ENGSTRAND. Maar vrouwen moeten er in huis zijn, dat is zoo klaar als de
dag. Want 's avonds zullen wij het een beetje prettig maken met zingen
en dansen en zoowat meer. Je moet denken, het zijn zeelui die
rondzwalken op alle zeeën (_dichterbij_). Wees nou niet dom, en gooi je
eigen glazen niet in, Regine. Wat zal er hier buiten van je worden? Zal
je er hier iets aan hebben, dat mevrouw je van alles heeft laten leeren?
Je hebt niet veel lust om op de kinderen te passen in het nieuwe
gesticht, hoor ik. Is dat dan ook iets voor jou, om je af te beulen voor
die smerige kinderen?
REGINE. Neen, als het ging zoo als ik 't graag wou, dan.... Nou, dat kan
nog komen. Dat kan nog komen!
ENGSTRAND. Wat kan nog komen?
REGINE. Bemoei je daar maar niet mee.... Heb je hier veel geld verdiend?
ENGSTRAND. Alles bij elkaar kan het wel een zeven of achthonderd kronen
zijn.
REGINE. Dat is nog zoo kwaad niet.
ENGSTRAND. Het is genoeg om mee op gang te komen, kindlief.
REGINE. Zou je er niet eens over denken mij wat van dat geld te geven?
ENGSTRAND. Neen, waarachtig niet, daar denk ik niet over.
REGINE. Zou je mij niet eens wat zenden voor één armzalig japonnetje?
ENGSTRAND. Kom maar bij mij in de stad wonen, zeg, dan kan je
japonnetjes genoeg krijgen.
REGINE. Poeh! Dat kan ik op mijn eigen houtje ook wel, als ik er lust in
heb.
ENGSTRAND. Neen, aan een leidende vaderhand gaat dat beter, Regine. Nu
kan ik een mooi huis krijgen in de Kleine Havenstraat. Veel contanten
zijn daar niet voor noodig; en dáár konden wij dan een soort van tehuis
voor zeelui van maken, zie je.
REGINE. Maar ik _wil_ niet met je mee! Ik heb niets met je te maken. Ruk
uit!
ENGSTRAND. Je zoudt waarachtig niet lang bij mij blijven, kindlief. Dat
kan zoo lang niet duren. Als je 't maar handig aanlegt. Zoo'n knappe
meid als jij in de paar laatste jaren geworden bent....
REGINE. Nou?...
ENGSTRAND. 't Zou zoo lang niet duren vóór er een stuurman kwam,... of
misschien een kapitein....
REGINE. Ik dank je om met zoo'n vent te trouwen. Zeelui hebben geen
savoir-vivre.
ENGSTRAND. Wat hebben ze niet?
REGINE. Ik zeg dat ik weet wat zeelui zijn. Dat zijn geen menschen om
mee te trouwen.
ENGSTRAND. Dan trouw je ze niet. 't Kan toch nog wel de moeite waard
zijn (_vertrouwelijker_). Hij ... die Engelschman ... die met zijn
pleizierjacht ... hij gaf wel driehonderd thalers ... en zij was niks
mooier dan jij, zeg.
REGINE (_op hem toeloopend_). Er uit, zeg ik je!
ENGSTRAND (_wijkt terug_). Nou, nou; jij zal me toch niet gaan slaan,
hé?
REGINE. Jawel! Als je nog iets van moeder zegt, dan sla ik je. Er uit,
zeg ik je! (_dringt hem naar de tuindeur_). En sla niet met de deuren;
de jonge mijnheer Alving....
ENGSTRAND. ... die slaapt, jawel. Je bent verbazend bezorgd voor den
jongen mijnheer Alving.... (_zachter_). Oho; is _hij_ 't misschien
die...?
REGINE. Er uit, en maak dat je wegkomt! Je bent niet goed snik mensch!
Neen, niet dien kant. Daar komt dominee Manders aan. Gauw de keukentrap
af!
ENGSTRAND (_naar rechts_). Ja, ja, ik ga al. Maar praat eens met hem die
daar aankomt. _Hij_ is de man die je zeggen zal wat een kind zijn vader
verschuldigd is. Want ik ben toch je vader, zie je, dat kan ik bewijzen
uit je geboorteakte.
(_Hij gaat weg door de tweede deur, die Regine heeft opengedaan en weer
achter hem sluit_).
(_Regine kijkt gauw even in den spiegel, waait zich met haar zakdoek en
trekt haar halsboordje wat recht; dan doet zij of ze bezig is met de
bloemen_).
(_Dominee Manders, in overjas en met een parapluie en een klein
reistaschje met een riem over zijn schouders, komt door de tuindeur in
de serre_).
DOM. MANDERS. Dag Regine.
REGINE (_keert zich blij verrast om_). Neen maar!... Dag dominee! Is de
boot al aan?