KROGSTAD. Maar was het eigenlijk niet dáárom dat je mij hier besteld
hadt?
MEVR. LINDE. Jawel, in den eersten schrik; maar er ligt nu een heel
etmaal tusschen, en ik heb in dien tijd ongelooflijke dingen bijgewoond,
hier in huis. Helmer moet alles weten; dat onzalige geheim moet aan het
licht komen; het moet tot een volledige verklaring tusschen die twee
komen; het kan onmogelijk zoo blijven voortgaan met al die
verborgenheden en uitvluchten.
KROGSTAD. Nu goed dan; als jij het er op wagen wilt. Maar één ding kan
ik in elk geval doen, en dat zal terstond gedaan worden....
MEVR. LINDE (_luistert_). Haast je! Ga gauw! de dans is uit; wij zijn
geen oogenblik langer veilig.
KROGSTAD. Ik zal beneden op je wachten.
MEVR. LINDE. Ja, dat 's goed. Dan kan je mij thuis brengen.
KROGSTAD. Zoo onbegrijpelijk gelukkig ben ik nog nooit in mijn leven
geweest. (_hij gaat de buitendeur uit; de kamerdeur blijft half open
staan_).
MEVR. LINDE (_reddert een beetje op en legt haar hoed en mantel klaar_).
Wat een omkeer! Ja, wat een omkeer! Menschen om voor te werken ... om
voor te leven; een thuis dat ik gezellig maken kan. Nu, ik zal ferm
moeten aanpakken. Als ze nu maar gauw kwamen.... (_luistert_). Aha! daar
zijn ze. Gauw mijn hoed aan (_neemt hoed en mantel op_).
(_Men hoort de stemmen van Helmer en Nora buiten; een sleutel wordt
omgedraaid en Helmer duwt Nora bijna met geweld het portaal in. Zij
draagt het Italiaansche costuum met een grooten zwarten doek over alles
heen; hij is in rok-en-witte-das met een open zwarte domino er over
heen_).
NORA (_nog in de deur, tegenstribbelend_). Neen, neen, neen; niet naar
binnen! Ik wil weer naar boven. Ik wil nog niet zoo vroeg weggaan.
HELMER. Maar liefste Nora....
NORA. Hè toe, Torwald, ik bid je, ik smeek je, nog maar één enkel
uurtje!
HELMER. Geen minuut langer, mijn lieve Nora. Je weet dat was de
afspraak. Kom, ga naar binnen; als je hier blijft staan vat je kou (_hij
dringt haar trots haar tegenstribbelen zachtjes de kamer in_).
MEVR. LINDE. Goeden avond.
NORA. Kristine!
HELMER. Wat, mevrouw, is u nog zoo laat hier?
MEVR. LINDE. Ja, neem mij niet kwalijk; ik wou Nora zoo graag in haar
costuum zien.
NORA. Heb je hier op mij zitten wachten?
MEVR. LINDE. Ja, ik kwam helaas een beetje te laat; je was al naar
boven; en toen vond ik dat ik toch niet weggaan kon zonder je gezien te
hebben.
HELMER (_neemt Nora den doek af_). Ja, bekijk haar maar eens goed. Mij
dunkt zij is het bekijken waard. Is zij niet prachtig, mevrouw?
MEVR. LINDE. Ja, dat moet ik toegeven....
HELMER. Is zij niet buitengewoon mooi? Dat was ook op de partij de
algemeene opinie. Maar vreeselijk eigenzinnig is zij ... dat lieve
kleine dingske. Wat zullen wij er aan doen? Wil u wel gelooven dat ik
haast geweld moest gebruiken om haar weg te krijgen?
NORA. O Torwald, het zal je nog berouwen dat je mij nog niet, zal was 't
maar een half uurtje, hebt gegund.
HELMER. Daar hoort u 't nu. Zij danst haar Tarantella ... wordt
stormachtig toegejuicht ... wat ook wel verdiend was ... hoewel de
uitvoering misschien wel wat al te realistisch was ... ik bedoel, wel
iets meer dan streng genomen strookte met de eischen van de kunst. Maar
enfin. De hoofdzaak is dat zij succès heeft, groot succès. Mocht ik haar
nu daarna nog laten blijven? Den indruk verzwakken? Neen ... dank je
wel; ik nam mijn Capri-meisje ... mijn capricieus Capri-meisje zou ik
kunnen zeggen ... aan mijn arm; gauw even de zaal rond ... buigen naar
alle kanten ... en, zooals het in de boeken heet ... de mooie
verschijning was verdwenen. Een slot moet altijd effectvol zijn; maar
dàt kan ik Nora maar niet aan het verstand brengen. Poeh! wat is het
hier warm! (_hij gooit zijn domino op een stoel neer en doet de deur
naar zijn kamer open_). Wat? Hier is het nog donker. O ja, natuurlijk.
Pardon.... (_hij gaat naar binnen en steekt een paar kaarsen aan_).
NORA (_fluistert snel en ademloos_). Wel?
MEVR. LINDE (_zacht_). Ik heb hem gesproken.
NORA. En...?
MEVR. LINDE. Nora ... je moet je man alles zeggen.
NORA (_toonloos_). Ik wist 't wel.
MEVR. LINDE. Je hebt niets te vreezen van Krogstad; maar zeggen moet je
't.
NORA. Ik zeg niets.
MEVR. LINDE. Dan zal de brief het doen.
NORA. Dankje, Kristine: ik weet nu wat mij te doen staat. Sst!...
HELMER (_komt binnen_). Wel, mevrouw, heeft u haar nu bewonderd?
MEVR. LINDE. Ja; en nu ga ik u goeden nacht wenschen.
HELMER. Wat? nu al! Is dat van u, dat breiwerk?
MEVR. LINDE (_neemt het op_). Ja, dank u; dat had ik bijna vergeten.
HELMER. Dus u breit?
MEVR. LINDE. O ja.
HELMER. Weet u wat, u moest liever borduren.
MEVR. LINDE. Zoo? Waarom?
HELMER. Omdat 't zooveel mooier is. Ziet u maar; men houdt een
borduurwerk zoo, in de linkerhand, en dan haalt men met de rechterhand
de naald er door ... zóó ... in een luchtige, lange bocht ... niet
waar?...
MEVR. LINDE. Jawel, dat kan wel zijn....
HELMER. Daarentegen kan breien nooit anders dan onschoon zijn; kijk
maar: die vastgeklemde armen ... de breinaalden die op en neer gaan ...
daar is iets Chineesch in die beweging.... Ja, dat was waarlijk
uitstekende Champagne die ze daar schonken.
MEVR. LINDE. Goeden nacht Nora, en wees niet meer eigenzinnig.
HELMER. Goed gezegd, mevrouw Linde!
MEVR. LINDE. Goeden nacht, mijnheer Helmer.
HELMER (_geleidt haar tot aan de deur_). Goeden nacht, goeden nacht; ik
hoop dat u goed thuiskomen zal? Ik zou u graag ... maar u woont nog al
niet ver hier van daan. Goeden nacht, goeden nacht. (_Zij gaat weg; hij
sluit de deur en komt weer binnen_). Zie zoo; eindelijk hebben we haar
dan toch de deur uit. Ze is schromelijk vervelend, dat mensch.
NORA. Ben je niet moe, Torwald?
HELMER. Neen, in 't minst niet.
NORA. Heb je geen slaap ook?
HELMER. Heelemaal niet: ik voel me integendeel bizonder opgewekt. Maar
jij? Ja, jij ziet er echt moe en slaperig uit.
NORA. Ja, ik ben erg moe. Ik zal maar gauw gaan slapen.
HELMER. Zie je nu wel! Ik had dus toch wel gelijk om maar niet langer te
blijven.
NORA. O, het is altijd goed wat je doet.
HELMER (_kust haar op het voorhoofd_). Nu spreekt mijn leeuwerikje als
een groot mensch. Maar heb je opgelet hoe jolig Rank vanavond was?
NORA. Zoo? Was hij vroolijk? Ik heb hem niet gesproken.
HELMER. Ik ook bijna niet; maar ik heb hem in lang niet in zoo'n goede
bui gezien, (_kijkt haar een poosje aan; komt dan dichterbij haar_). Hm
... het is toch maar heerlijk om weer bij je eigen thuis te komen ... om
heel alleen met jou te zijn ... o jij verrukkelijk, heerlijk jong
vrouwtje.
NORA. Kijk mij niet zoo aan, Torwald!
HELMER. Mag ik niet kijken naar het liefste wat ik heb? Naar al die
heerlijkheid die van mij is, van mij alleen, heelemaal en uitsluitend
van mij.
NORA (_gaat naar den anderen kant van de tafel_). Je moet van avond niet
zulke dingen tegen mij zeggen.
HELMER (_loopt haar na_). Je hebt de Tarantella nog in je bloed, merk
ik. En dat maakt je nog verleidelijker. Hoor; nu beginnen de gasten weg
te gaan. (_Zachter_) Nora, nu wordt gauw het heele huis stil.
NORA. Ja dat hoop ik.
HELMER. Ja, niet waar, mijn eigen schat? O, weet je,... als ik zoo met
je uit ben, op een partij ... weet je waarom ik dan zoo weinig met je
spreek, me zoo ver van je houd, je alleen maar zo nu en dan eens
stilletjes een oogje geef ... weet je waarom ik dat doe? Dat doe ik
omdat ik me dan verbeeld dat je in stilte mijn geliefde bent, mijn jonge
heimelijk verloofde, en dat niemand vermoedt dat er iets tusschen ons
bestaat.
NORA. Och ja, ja, ja, ik weet wel dat al je gedachten altijd bij mij
zijn.
HELMER. En als wij dan weggaan, en ik je châle om je teere jeugdige
schoudertjes heenleg ... om dien prachtig gevormden nek ... dan stel ik
mij voor dat je mijn jonge bruid bent, dat wij zoo pas getrouwd zijn en
van de plechtigheid terug komen, en ik je voor de eerste maal binnen
leid in mijn huis ... dat ik voor de eerste maal alleen met je ben, mijn
jong sidderend prachtvrouwtje! Dezen heelen avond heb ik geen ander
verlangen gehad dan naar jou. Toen ik je in de Tarantella zoo zag
draaien en lokken ... toen kookte mijn bloed; ik hield 't niet langer
uit ... dáárom was het dat ik je zoo vroeg meenam naar huis....
NORA. Toe Torwald! Laat me nu met rust. Daar wil ik nu liever niet van
weten.
HELMER. Wat beteekent dat nu? Houd je mij een beetje voor den gek,
Noraatje? Wil ... wil? Ben ik je man dan niet? (_Er wordt geklopt aan de
buitendeur_).
NORA (_schrikt_). Hoor je dat?
HELMER (_naar het portaal gaand_). Wie is daar?
DOKTER RANK (_buiten_). Ik ben het. Mag ik een oogenblik binnen komen?
HELMER (_zachtjes, ontstemd_). Och, wat moet hij nu? (_Hardop_). Wacht
even. (_Gaat de deur opendoen_). Zoo, dat is nog eens aardig van je dat
je onze deur niet voorbij gaat.
RANK. Ik meende je stem te hooren, en toen wou ik toch nog even komen
kijken. (_Laat zijn blikken vluchtig in het rond gaan_). Ach ja; die
lieve welbekende kamers. Je hebt het hier goed en gezellig samen, jullie
met je beidjes.
HELMER. 't Leek me zoo dat je je boven ook nog al amuseerde.
RANK. Buitengewoon. En waarom ook niet? Waarom zal een mensch niet van
alles genieten op de wereld? In elk geval zooveel hij kan en zoo lang
hij kan. De wijn was uitstekend....
HELMER. Vooral de Champagne.
RANK. Heb jij dat ook opgemerkt? Het is haast niet te gelooven zooveel
als ik er van doorspoelen kon.
NORA. Torwald heeft ook veel Champagne gedronken van avond.
RANK. Zoo?
NORA. Ja, en dan is hij naderhand altijd zoo vroolijk gestemd.
RANK. Nou, waarom zou een mensch zich niet eens een vroolijken avond
permiteeren na een goed gebruikten dag?
HELMER. Een goed gebruikten dag ... daar durf ik mij helaas niet op
beroemen.
RANK (_klopt hem op den schouder_). Maar dat durf ik, zie je.
NORA. Dokter, u heeft zeker een wetenschappelijk onderzoek gedaan
vandaag.
RANK. Ja juist.
HELMER. Kijk eens aan, kleine Nora praat over wetenschappelijke
onderzoekingen!
NORA. En mag ik u geluk wenschen met den uitslag?
RANK. Ja, waarachtig, dat mag u.
NORA. Het was dus goed.
RANK. Het allerbeste zoowel voor den dokter als voor den patiënt ...
zekerheid.
NORA (_snel en verschrikt_). Zekerheid?
RANK. Volkomen zekerheid. Mocht ik daarna niet eens een vroolijken avond
hebben?
NORA. Ja, daar had u gelijk in, dokter.
HELMER. Dat zeg ik ook; als het je morgen dan maar niet opbreekt.
RANK. Och, een mensch heeft niets om niet in het leven.
NORA. Dokter, u houdt zeker veel van gemaskerde partijen?
RANK. Ja, als er een heeleboel dwaze maskers zijn.
NORA. Hoor eens; hoe zullen wij tweeën ons verkleeden op een volgende
partij?
HELMER. Jij kleine pretmaakster ... denk je nu alweer over de volgende?
RANK. Wij tweeën? Wacht, dat zal ik u eens vertellen. U moet een
gelukskind zijn.
HELMER. Ja, maar bedenk dan een costuum dat dat uitdrukt.
RANK. Laat je vrouw maar komen zoo als ze is....
HELMER. Dat was nu eens mooi gezegd. Maar weet je nog niet wat je dan
zelf zijn zult?
RANK. Jawel, beste kerel, dat heb ik met mezelf al uitgemaakt.
HELMER. Wat dan?
RANK. Op de volgende gemaskerden partij zal ik onzichtbaar zijn.
HELMER. Dat is een komieke inval!
RANK. Er bestaat ergens iets als een groote zwarte hoed ... heb je nooit
gehoord van een onzichtbaar-makende hoed? Dien doen ze dan over je heen,
en dan is er niemand die je zien kan.
HELMER (_met een onderdrukt lachje_). Ja, dat zal wel waar zijn.
RANK. Maar ik zou glad vergeten waarvoor ik eigenlijk kom. Helmer, toe
geef mij een sigaar, een van je donkere Havanna's.
HELMER. Met het grootste genoegen (_biedt hem zijn koker aan_).
RANK (_neemt er een en snijdt er het puntje af_). Dank je.
NORA (_strijkt een lucifer af_). Laat ik u eens een vlammetje geven.
RANK. Heel vriendelijk. Dank u wel. (_Zij houdt de lucifer bij; hij
steekt op_). En nu adieu.
HELMER. Adieu, adieu beste vriend!
NORA. Slaap wel, dokter.
RANK. Dank voor dien wensch.
NORA. Wensch mij hetzelfde toe.
RANK. U? O ja, als u dat graag wil ... slaap wel. En dank voor het
vlammetje (_hij knikt hun beiden toe en gaat heen_).
HELMER (_halfluid_). Hij had wel wat veel gedronken.
NORA (_verstrooid_). Misschien wel.
(_Helmer haalt zijn sleutelring uit zijn zak en gaat naar het portaal_).
NORA. Torwald, wat ga je daar doen?
HELMER. Ik moet de brievenbus leeg maken; ze is heelemaal vol; er is
geen plaats meer voor de courant morgen ochtend....
NORA. Ga je nu nog werken van nacht?
HELMER. Je weet wel dat ik daar geen plan op heb ... wat is dat? Er is
iemand aan het slot geweest.
NORA. Aan het slot?...
HELMER. Ja, bepaald. Wie kan dat zijn? Ik kan toch niet denken dat de
meiden...? Hier ligt een afgebroken haarspeld. Die is van jou Nora....
NORA (_snel_). Dan moeten de kinderen 't gedaan hebben....
HELMER. Dat moet je hun dan toch heusch afleeren. Hm; hm;... ha, daar
heb ik 't toch open (_neemt den inhoud er uit en roept in de keuken_).
Helene!... Helene! doe het licht uit op het portaal (_hij komt de kamer
binnen en sluit de deur naar het portaal_).
HELMER (_met de brieven in zijn hand_). Kijk eens hier, wil je eens zien
hoe zich dat opgehoopt heeft? (_kijkt ze na_). Wat is dat?
NORA (_bij het raam_). De brief! O neen, neen, Torwald!
HELMER. Twee visitekaartjes ... van Rank.
NORA. Van dokter Rank?
HELMER (_bekijkt ze_). Doctor medicinae Rank. Die lagen boven op; hij
moet ze er in gestoken hebben toen hij wegging.
NORA. Staat er iets op?
HELMER. Er staat een zwart kruis boven zijn naam. Kijk. Dat is toch een
sombere aardigheid. 't Is net of hij zijn eigen doodsbericht zendt.
NORA. Dat doet hij ook.
HELMER. Wat? Weet jij er van? Heeft hij je er iets van gezegd?
NORA. Ja, wanneer wij die kaartjes ontvingen, had hij afscheid van ons
genomen. Hij wil zich opsluiten om te sterven.
HELMER. Mijn arme vriend! Ik wist wel dat ik hem niet lang meer houden
zou. Maar zoo gauw.... En nu verstopt hij zich als een gewond dier!
NORA. Als het toch gebeuren moet, is het maar het best het zonder veel
woorden te doen. Vind je ook niet Torwald?
HELMER (_loopt op en neer_). Hij was zoo samengegroeid met ons. Ik zal
mij niet kunnen voorstellen dat hij weg is. Hij, met zijn lijden en zijn
eenzaamheid maakte als 't ware den donkeren achtergrond uit, waartegen
ons zonnig geluk zoo helder uitkwam. Ja, het is misschien toch zoo het
beste. Voor hem althans. (_Blijft staan_). En misschien voor ons, Nora.
Nu zijn wij beiden heel alleen voor elkander (_slaat zijn armen om haar
heen_). O, jij, mijn lieve, lieve vrouw, 't is mij of ik je niet stevig
genoeg vasthouden kan. Weet je, Nora ... dikwijls wensch ik dat een
onmiddellijk gevaar je mocht dreigen, om alles, mijn leven, mijn goed en
bloed en alles voor je op het spel te kunnen zetten.
NORA (_maakt zich los en zegt vast en besloten_). Nu moet je je brieven
gaan lezen, Torwald.
HELMER. Neen, neen ... van nacht niet. Van nacht wil ik bij jou blijven,
mijn lieve vrouwtje!
NORA. Met doodsgedachten aan je vriend?
HELMER. Je hebt gelijk; dat heeft ons beiden geschokt. Er is iets
storends tusschen ons gekomen ... gedachten aan dood en verwording. Daar
moeten wij ons van zoeken te bevrijden. Tot zoo lang ... zullen wij
ieder naar onze eigen kamer gaan.
NORA (_aan zijn hals hangend_). Torwald,... goeden nacht! Goeden nacht!
HELMER (_kust haar op het voorhoofd_). Goeden nacht, mijn zangvogeltje.
Slaap wel, Nora. Nu ga ik de brieven doorlezen. (_Hij gaat met het pak
in zijn kamer en sluit de deur achter zich_).
NORA (_loopt door de kamer met verwilderde oogen--grijpt Helmer's
domino, slaat die om, en fluistert haastig, heesch en afgebroken_): Hem
nooit meer zien. Nooit. Nooit. Nooit. (_Gooit haar châle over haar
hoofd_). De kinderen ook nooit meer zien. Hen óók niet. Nooit, nooit....
O, dat koude donkere water! O, die ijzige diepte!... Die.... O, was het
maar voorbij!... Nu heeft hij den brief ... nu leest hij hem.... O, neen
... neen... nog niet. Torwald, vaarwel ... vaarwel mijn kleintjes! (_Zij
wil de deur uitstormen ... op hetzelfde oogenblik rukt Helmer de zijne
open met een open brief in de handen_).
HELMER. Nora!
NORA (_gilt_). Ah...!
HELMER. Wat is dat? Weet je wat er in dezen brief staat?
NORA. Ja, ik weet het. Laat mij gaan! Laat mij er uit!
HELMER (_houdt haar tegen_). Waar wil je heen?
NORA (_tracht zich los te rukken_). Je màg mij niet redden, Torwald!
HELMER (_tuimelt terug_). Waar dus! Is het waar, wat hij schrijft? Neen,
neen; dat kan onmogelijk waar zijn...!
NORA. Het is waar. Ik heb je lief gehad boven _alles_ in de wereld.
HELMER. O, kom mij niet aan boord met zulke armzalige uitvluchten.
NORA (_doet een stap naar hem toe_). Torwald...!
HELMER. Jij rampzalige ... wat heb je gedaan?
NORA. Laat mij weggaan. Jij mag er niet voor boeten. Jij mag het niet op
je nemen.
HELMER. Geen comedie-vertooningen alsjeblieft. (_Sluit de deur af_).
Hier zal je blijven en mij rekenschap geven. Begrijp je wat je gedaan
hebt? Antwoord me! Heb je er eenig begrip van?
NORA (_kijkt hem onafgebroken aan en zegt met een uitdrukking van
verstarring_): Ja, nu begin ik het pas goed te begrijpen.
HELMER (_loopt op en neer_). O, wat een vreeselijk ontwaken! Al deze
acht jaren lang ... zij, die mijn vreugd en mijn trots was ... een
huichelaarster, een leugenaarster ... erger, erger nog ... een
misdadigster! O, hoe niet-in-te-denken afschuwelijk is dat alles!...
Foei! Foei!
NORA (_zwijgt en kijkt hem maar steeds onafgewend aan_).
HELMER (_blijft vlak voor haar staan_). Ik had moeten bedenken dat zoo
iets gebeuren kon. Ik had het moeten voorzien. Al de lichtzinnige
opvattingen van je vader.... Zwijg! Al de lichtzinnige opvattingen van
je vader heb jij geërfd. Geen godsdienst, geen moraal, geen
plichtgevoel.... O, wat word ik er voor gestraft dat ik zijn
tekortkomingen door de vingers zag. Voor jou deed ik het, en zóó beloon
je er mij voor.
NORA. Ja ... zóó.
HELMER. Mijn heele geluk heb je nu verwoest. Mijn heele toekomst heb je
bedorven. O, het is ontzettend daaraan te denken. Een gewetenlooze kerel
heeft mij in zijn macht; hij kan met mij doen wat hij wil; alles van mij
eischen, over mij bevelen en heerschen naar zijn goedvinden ... en ik
durf niet te kikken. En zoo jammerlijk diep moet ik zinken en te gronde
gaan door de schuld van een lichtzinnige vrouw!
NORA. Als ik uit de wereld ben, dan ben je vrij.
HELMER. Och, verkoop geen kunsten. Zulke mooie praatjes had je vader ook
altijd bij de hand. Wat zou het mij helpen of jij al uit de wereld was,
zooals je zegt? Dat helpt mij hoegenaamd niets! Hij kan de zaak immers
toch bekend maken; en doet hij dat dan word ik misschien nog wel
verdacht van de hand in jouw misdadig spel gehad te hebben. Misschien
zullen de menschen nog denken dat ik er achter zat ... dat ik je er toe
aangezet heb! En dat alles heb ik aan jou te danken, aan jou, die ik op
de handen heb gedragen zoolang wij getrouwd zijn. Begrijp je nu wat je
mij aangedaan hebt?
NORA (_koel en kalm_). Ja.
HELMER. Het is zoo ongelooflijk, dat ik 't nog niet in me opnemen kan.
Maar wij moeten zien hoe wij er ons uitredden. Doe dien doek af. Dien
doek af, zeg ik. Ik moet zien dat ik hem op de een andere manier
tevreden stel. De zaak moet in de doos, hoe dan ook.... En wat jou en
mij betreft, moet uiterlijk alles maar blijven zooals vroeger. Maar
natuurlijk alleen voor het oog van de wereld. Je blijft dus hier in
huis, dat spreekt van zelf. Maar de kinderen mag je niet opvoeden, die
durf ik je niet toevertrouwen.... O, dat te moeten zeggen tegen háár,
die ik zoo lief gehad heb en nog...! Nou ... dat moet nu uit zijn. Van
geluk is voortaan geen kwestie meer; alleen moeten we trachten de
restjes, den schijn nog te redden. (_Er wordt buiten gebeld_).
HELMER (_schrikt_). Wat is dat? Zoo laat nog. Zou het vreeselijkste...?
Zou hij...? Verberg je Nora! Zeg dat je ziek bent.
(_Nora blijft onbewegelijk staan. Helmer gaat de voordeur open doen_).
DIENSTMEISJE (_half ontkleed in het portaal_). Een brief voor mevrouw.
HELMER. Geef mij dien (_grijpt den brief en sluit de deur_). Ja, dat is
van hem. Jij krijgt hem niet; ik zal hem zelf lezen.
NORA. Lees jij maar.
HELMER (_bij de lamp_). Ik heb er haast geen moed toe. Misschien zijn we
wel verloren, jij en ik allebei. Neen, ik _moet_ 't toch weten (_breekt
den brief open; kijkt enkele regels door bekijkt een inliggend papier;
een vreugdekreet_). Nora!
NORA (_ziet hem vragend aan_).
HELMER. Nora!... Neen, ik moet het nog eens overlezen.... Ja, ja ... het
is zoo. We zijn gered! Nora, ik ben gered!
NORA. En ik?
HELMER. Jij ook, natuurlijk; we zijn allebei gered. Kijk maar. Hij
stuurt je je schuldbekentenis terug. Hij schrijft dat hij het betreurt
en berouw heeft ... dat een gelukkige omkeer in zijn leven ... och, wat
kan het ons schelen wat hij schrijft! wij zijn gered, Nora! Niemand kan
je meer iets doen. O, Nora, Nora! Neen, eerst moet al die ellende de
wereld uit. Laat mij eens zien.... (_kijkt even naar de
onderteekening_). Och neen; ik wil 't liever niet zien; alles moet maar
als een droom voor mij geweest zijn (_scheurt de schuldbekentenis en
beide brieven in stukken, gooit alles in de kachel en kijkt er naar
terwijl het verbrandt_). Ziezoo; nu is het weg.... Hij schreef dat jij
sedert Kerstavond.... O, dat moeten drie vreeselijke dagen voor je
geweest zijn, Nora.
NORA. Ik heb een hevigen strijd gestreden deze drie laatste dagen.
HELMER. En je hebt je ellendig gevoeld en geen anderen uitweg gezien
dan.... Neen, wij willen niet meer denken aan al die afschuwelijke
dingen. Wij willen alleen maar juichen en herhalen: het is voorbij!
Luister toch eens naar me Nora, het is of je het nog niet recht
begrijpt: het is voorbij! wat is er toch ... dat je gezicht zoo strak
staat? Och, mijn arme kleine Nora, ik begrijp het wel; je kunt nog niet
gelooven dat ik 't je vergeven heb. Maar dat heb ik heusch, Nora; ik
zweer 't je: ik heb je alles vergeven. Ik weet immers wel dat wat je
deedt dat deedt je uit liefde voor mij.
NORA. Dat is waar.
HELMER. Je hebt van mij gehouden zooals een vrouw van haar man houden
moest. Je hadt alleen geen voldoende inzicht in de keus van de middelen.
Maar denk je dat je mij minder lief bent omdat je niet in staat bent
zelfstandig te handelen? Neen, hoor. Steun maar op mij; ik zal je wel
raden en leiden. Ik zou geen man moeten zijn als juist die vrouwelijke
hulpeloosheid je niet nog dubbel aantrekkelijk maakte in mijn oogen. Je
moet je de harde woorden die ik zei in mijn eersten schrik, toen ik
dacht dat alles boven mijn hoofd instortte, maar niet aantrekken. Ik heb
je vergeven Nora; ik zweer je dat ik je vergeven heb.
NORA. Ik dank je voor je vergiffenis (_zij gaat weg door de deur
rechts_).
HELMER. Neen, blijf nu.... (_kijkt naar binnen_). Wat ga je in de
slaapkamer doen?
NORA. Mijn maskeradepak uit doen.
HELMER (_bij de open deur_). Ja, dat is goed; tracht tot rust en weer in
evenwicht te komen, mijn arm verschrikt zangvogeltje. Rust maar eens
lekker uit; ik heb breede vleugels om je mee te dekken (_loopt rond
dichtbij de deur blijvend_). O, wat is ons huis toch gezellig en mooi,
Nora. Hier ben je veilig; hier zal ik je houden als een opgejaagde duif,
die ik ongedeerd uit de klauwen van een havik heb gered; ik zal je arm
kloppend hartje wel tot kalmte brengen. Zoo zachtjes aan, Nora, geloof
me maar. Morgen zal je alles al in een heel ander licht zien; al gauw
zal alles weer net zijn als vroeger; ik zal je niet dikwijls meer
behoeven te herhalen dat ik je vergeven heb; je zult zelf wel heel goed
voelen dat ik het gedaan heb. Hoe ben je toch op het idee gekomen dat ik
je verstooten zou of je ook maar iets verwijten? Och Noraatje, je kent
het hart van een echten man nog niet. Er is voor een man zoo iets
onbeschrijfelijk zoets en bevredigends in het gevoel dat hij zijn vrouw
vergiffenis geschonken heeft, zoo van ganscher harte, zie je. Zij is
daarmee om zoo te zeggen dubbel zijn eigendom geworden; hij heeft haar
als 't ware op nieuw haar plaats in de wereld gegeven; zij is in zekeren
zin nu zoowel zijn kind als zijn vrouw geworden. Zóó zal jij voortaan
voor mij zijn, jij mijn klein hulpeloos wezentje. Wees maar niet bang,
Nora, wees alleen maar openhartig tegen mij; ik zal zoowel je wil als je
geweten zijn.... Wat is dat nu? Ben je niet naar bed gegaan? Heb je je
verkleed?
NORA (_in haar daagsche japon_). Ja, Torwald, ik heb mij verkleed.
HELMER. Maar waarom, nu nog zoo laat?...
NORA. Ik ga van nacht niet slapen.
HELMER. Maar, lieve Nora....
NORA (_kijkt op de klok_). Het is nog niet zoo heel laat. Ga hier eens
zitten, Torwald; wij hebben een heelen boel te bespreken (_zij gaat
zitten aan den eenen kant van de tafel_).