NORA. Neen, dàt mag u stellig niet doen. U moet natuurlijk hier blijven

komen net als altijd. U weet immers te goed dat Torwald u niet missen

kan.

RANK. Ja ... maar ù?

NORA. O, ik vind het altijd dol prettig als u komt.

RANK. Dat is het juist wat mij op een verkeerd spoor gelokt heeft. U is

mij een raadsel. Menigmaal leek het mij dat u net zoo graag met mij

samen was als met Helmer.

NORA. Ja, ziet u, er zijn zoo enkele menschen van wie je het meest

houdt, en anderen met wie je bijna 't liefst wil samen zijn.

RANK. Jawel, daar is wel iets van aan.

NORA. Toen ik nog thuis was, hield ik natuurlijk het meeste van Papa.

Maar ik vond het altijd dol prettig om stilletjes bij de meiden te gaan

zitten; want die bedrilden mij nooit en die praatten altijd zoo amusant

onder elkaar.

RANK. Aha; dus ik ben voor hen in de plaats gekomen.

NORA (_springt op en gaat naar hem toe_). O lieve beste dokter, zoo

bedoelde ik 't nu heelemaal niet! Maar u kan wel begrijpen, dat het met

Torwald net is als met papa.... (_Het dienstmeisje komt binnen_).

DIENSTMEISJE. Mevrouw! (_fluistert en reikt haar een kaartje over_).

NORA (_kijkt even op het kaartje_). Och! (_steekt het in haar zak_).

RANK. Is er iets onaangenaams?

NORA. O neen ... neen ... volstrekt niet; het is maar iets ... het is

mijn nieuwe costuum....

RANK. Uw costuum? Dat ligt immers dáár?

NORA. O ja, dat; maar dit is een ander ... ik heb het besteld ...

Torwald mag het niet weten.

RANK. Haha, daar hebben wij dus het groote geheim.

NORA. Juist; gaat u maar naar hem toe, hij zit in de binnenkamer: hoû

hem zoo lang aan de praat....

RANK. Wees gerust: ik zal hem wel vast houden. (_Af naar Helmer's

kamer_).

NORA (_tegen het meisje_). Staat hij te wachten in de keuken?

DIENSTMEISJE. Ja, hij is de achtertrap opgekomen....

NORA. Maar heb je hem dan niet gezegd dat er iemand binnen was?

DIENSTMEISJE. Jawel, maar dat gaf niets.

NORA. Wou hij niet weggaan?

DIENSTMEISJE. Neen, hij gaat niet weg, voor hij mevrouw gesproken heeft.

NORA. Laat hem dan maar binnen; maar zachtjes. Helene, het moet het

tegen niemand zeggen; het is een verrassing voor mijnheer.

DIENSTMEISJE. Jawel mevrouw, ik begrijp het wel.... (_af_).

NORA. Nu zal het vreeselijkste gebeuren. Het komt toch. Neen, neen,

neen, het kán niet ... het mag niet.... (_zij schuift den grendel voor

Helmer's deur. Het dienstmeisje doet de deur open voor Krogstad en sluit

die weer achter hem. Hij is gekleed voor de reis, in pels,

met-bont-gevoerde-laarzen en een bonten muts_).

NORA (_vlak bij hem_). Spreek zachtjes; mijn man is thuis.

KROGSTAD. Nou, dat doet er niet toe....

NORA. Wat wil u van mij?

KROGSTAD. Dat u mij uitsluitsel geeft over iets.

NORA. Gauw dan. Waarover?

KROGSTAD. U weet natuurlijk dat ik ontslagen ben?

NORA. Ik kon het niet verhinderen, meneer Krogstad. Ik heb mijn uiterste

best voor u gedaan; maar het hielp allemaal niets.

KROGSTAD. Houdt uw man zoo weinig van u? Hij weet waaraan ik u kan

blootstellen, en toch waagt hij....

NORA. Hoe kan u denken dat hij er iets van weet!

KROGSTAD. O neen, ik dacht ook eigenlijk wel van niet. Het leek zoo

weinig op mijn goeden Torwald Helmer om zoo manmoedig te zijn....

NORA. Mijnheer Krogstad, ik eisch respect voor mijn man.

KROGSTAD. O zeker, alle verschuldigde respect. Maar aangezien mevrouw

het zoo angstvallig verborgen houdt, durf ik wel aannemen dat u ook

beter ingelicht is dan gisteren over wat u eigenlijk gedaan heeft?

NORA. Beter althans dan u er mij van op de hoogte brengen kon.

KROGSTAD. Ja, zoo'n slecht jurist als ik....

NORA. Wat wil u van mij?

KROGSTAD. Alleen maar eens zien hoe u het maakte, mevrouw Helmer. Ik heb

den heelen dag rondgeloopen al maar denkende aan u. Een geld-inner, een

afgedankte klerk, een ... nou ja, enfin, zoo'n mensch als ik, heeft ook

nog zoo iets wat ze een hart noemen, ziet u.

NORA. Bewijs dat dan; denk aan mijn kinderen.

KROGSTAD. Heeft u of uw man aan de mijnen gedacht? Maar dat is tot

daaraan toe. Ik wou u alleen maar dit zeggen, dat u die zaak niet al te

ernstig behoeft op te nemen. Van mijn kant zal ik vooreerst geen

aangifte doen.

NORA. O neen ... niet waar ... dat wist ik wel!

KROGSTAD. De heele zaak kan in der minne geschikt worden; het hoeft

heelemaal niet onder de menschen te komen; het blijft tusschen ons

drieën.

NORA. Mijn man mag er nooit iets van te weten komen.

KROGSTAD. Hoe zal u dat kunnen voorkomen? Kan u misschien betalen wat er

nog staat?

NORA. Neen, niet zoo dadelijk.

KROGSTAD. Of weet u soms een middel om aan geld te komen een dezer

dagen?

NORA. Geen middel waarvan ik gebruik maken wil.

KROGSTAD. Nu, het zou u toch niets gebaat hebben. Al stond u hier vóór

mij met nóg zooveel contanten in uw hand, u kreeg uw schuldbekentenis

toch niet van mij terug.

NORA. Maar zeg mij dan toch wat u er mee doen wil?

KROGSTAD. Ik wil dat papier alleen maar bewaren ... het onder mij

houden. Niemand buiten ons zal er iets van weten. Mocht u dus rondloopen

met een of ander wanhopig voornemen....

NORA. Dat doe ik.

KROGSTAD ... als u er soms over denken mocht van huis en haard weg te

loopen....

NORA. Dat doe ik!

KROGSTAD. Of ... over iets ergers nog....

NORA. Hoe weet u dat?

KROGSTAD. ... laat u dat voornemen dan varen.

NORA. Hoe kan u weten dat ik over zoo iets denk?

KROGSTAD. De meesten denken in den eersten schrik dáár over. Ik dacht er

ook over, maar, och god, ik had er den moed niet toe....

NORA. Ik ook niet.

KROGSTAD (_verlicht_). Neen, niet waar; u heeft er ook den moed niet toe

... u ook niet....

NORA. Neen ... neen ... ik heb er den moed niet toe!

KROGSTAD. Het zou ook een groote dwaasheid zijn. Als de eerste

huiselijke storm maar over is.... Ik heb hier in mijn zak een brief aan

uw man....

NORA. En staat het daar allemaal in?

KROGSTAD. In de zachts mogelijke termen uitgedrukt.

NORA (_snel_). Die brief mag niet in zijn handen komen! Verscheur hem!

Ik zal toch het geld wel zien te krijgen.

KROGSTAD. Pardon mevrouw, maar ik meen u daar straks gezegd te

hebben....

NORA. O ik spreek niet van het geld dat ik u nog schuldig ben. Zeg mij

hoeveel geld u van mijn man verlangt, dan zal ik het u bezorgen.

KROGSTAD. Ik verlang geen geld van uw man.

NORA. Wat verlangt u dan?

KROGSTAD. Dat zal ik u zeggen. Ik wil er weer boven op, mevrouw, ik wil

vooruit, en daarin moet uw man mij behulpzaam zijn. Sedert anderhalf

jaar heb ik niets gedaan waarop iets te zeggen valt. Ik heb al dien tijd

nagenoeg gebrek geleden, maar ik was tevreden met er mij stap voor stap

boven op te werken. En nu ben ik weggejaagd. Maar nu neem ik er geen

genoegen meer mee alleen uit genade weer te worden aangenomen. Ik wil

vooruit zeg ik u. Ik wil weer bij de Bank terugkomen ... maar in een

hoogere positie; uw man moet maar een betrekking voor mij creëren.

NORA. Dat doet hij van zijn leven niet!

KROGSTAD. Dat doet hij wel; ik ken hem. Hij durft niet te kikken. En ben

ik er maar eerst weer in, mèt hem, dan zal u eens wat zien! Binnen het

jaar ben ik de rechterhand van den directeur. En dan zal Nils Krogstad

de man zijn, die de zaken leidt aan de Bank en niet Torwald Helmer.

NORA. Maar dat zal u nooit beleven!

KROGSTAD. Wil u soms...?

NORA. Nù heb ik er den moed toe.

KROGSTAD. O, u maakt mij niet bang! Een fijn verwend dametje als u....

NORA. U zal het zien; u zal het zien!

KROGSTAD. Onder het ijs misschien? In het diepe, ijskoude, pikzwarte

water? En dan in het voorjaar boven komen drijven, leelijk,

onherkenbaar, met uitgevallen haar...?

NORA. U maakt mij toch niet bang.

KROGSTAD. Maar u maakt mij ook niet bang. Zoo iets doet men niet,

mevrouw Helmer. Bovendien, waartoe zou het dienen? Ik heb hem nu immers

toch in mijn macht.

NORA. Daarnà? Als ik er niet meer...?

KROGSTAD. Vergeet u dan, dat ik ook dàn nog over uw goeden naam kan

beschikken?

NORA (_staat sprakeloos ... ziet hem aan_).

KROGSTAD. Zoo ... nu weet u er alles van. Bega dus geen dwaasheden. Als

Helmer mijn brief ontvangen heeft, wacht ik bericht van hem. En onthoud,

dat het uw man zelf is die mij weer dwingt tot dergelijke praktijken.

Dat vergeef ik hem nooit! Vaarwel mevrouw! (_af door het portaal_).

NORA (_bij de deur ... opent die op een kier en luistert_). Hij gaat weg

... geeft den brief niet af.... O, neen ... neen, dat zou ook àl te erg

zijn! (_opent de deur hoe langer hoe verder_). Wat is dat nu?... Hij

blijft buiten staan ... gaat nog niet naar beneden. Zou hij zich

bedenken? Zou hij.... (_er valt een brief in de bus; daarop hoort men

Krogstad de trappen afgaan_).

NORA (_met een gesmoorden kreet, loopt door de kamer naar de sofa ...

kleine pauze_). In de brievenbus. (_Sluipt schuw naar de buitendeur_).

Daar ligt hij ... Torwald, Torwald ... nu is er geen uitkomst meer!

MEVR. LINDE (_komt met het costuum uit de kamer links_). Nu weet ik er

verder niets meer aan te doen. Wil je het misschien eens passen?

NORA (_heesch en zachtjes_). Kristine, kom eens hier.

MEVR. LINDE (_legt de japon op de sofa neer_). Wat is er? Je ziet er

heelemaal ontdaan uit.

NORA. Kom eens hier. Zie je dien brief? Dáár, kijk, achter het glas van

de brievenbus.

MEVR. LINDE. Jawel; ik zie hem wel.

NORA. Dat is een brief van Krogstad....

MEVR. LINDE. Nora ... het is Krogstad die je het geld geleend heeft!

NORA. Ja, en nu komt Torwald alles te weten.

MEVR. LINDE. O, geloof mij, Nora, dat is voor jullie allebei het beste.

NORA. Er is nog veel meer dan je weet. Ik heb een valsche handteekening

gemaakt.

MEVR. LINDE. Groote hemel...!

NORA. Nu wil ik je één ding zeggen, Kristine, jij moet mijn getuige

zijn.

MEVR. LINDE. Hoezoo je getuige? Wat moet ik...?

NORA. Als ik soms gek worden mocht ... en dat zou wel eens kunnen

gebeuren....

MEVR. LINDE. Nora!

NORA. Of als er iets anders met mij gebeurde ... iets ... waardoor ik

niet hier kon zijn....

MEVR. LINDE. Nora, Nora, je bent buiten jezelf!

NORA. Als er dan iemand was die alles op zich wou nemen, de schuld van

alles, begrijp je....

MEVR. LINDE. Ja ... Ja ... maar hoe kan je denken?

NORA. Dan moet jij getuigen, dat het niet waar is, Kristine. Ik ben

volstrekt niet buiten mezelf; ik ben bij mijn volle verstand nu; ik

alleen heb het allemaal gedaan. Onthoud dat goed.

MEVR. LINDE. Zeker zal ik dat. Maar ik begrijp er niets van.

NORA. Och, hoe zou jij dat ook kunnen begrijpen? Wat nu gebeuren zal,

dat is juist het wonderbare.

MEVR. LINDE. Het wonderbare?

NORA. Ja, het wonderbare. Maar dat is zoo vreeselijk, Kristine; dat màg

niet gebeuren, om alles in de wereld niet!

MEVR. LINDE. Ik zal terstond met Krogstad gaan spreken.

NORA. Ga niet naar hem toe; hij zou je kwaad doen!

MEVR. LINDE. Er is een tijd geweest dat hij graag alles, wat het ook

was, voor mij zou gedaan hebben.

NORA. Hij?

MEVR. LINDE. Waar woont hij?

NORA. Och, ik weet 't niet ... ja toch (_tast in haar zak_). hier is

zijn kaartje. Maar de brief, de brief!...

HELMER (_in zijn kamer, klopt op de deur_). Nora!

NORA (_gilt van angst_). Wat is er? Wat wou je van me?

HELMER. Nou, nou, schrik maar zoo niet! We komen immers niet binnen; je

hebt den grendel op de deur gedaan; ben je soms aan het passen?

NORA. Ja, ja; ik ben aan het passen. Het wordt zoo mooi, Torwald!

MEVR. LINDE (_die het kaartje heeft gelezen_). Hij woont hier vlak bij,

even den hoek om.

NORA. Och ja; maar het helpt immers toch niets. Wij zijn verloren. De

brief ligt in de bus.

MEVR. LINDE. En heeft je man den sleutel?

NORA. Ja, altijd.

MEVR. LINDE. Krogstad moet zijn brief ongelezen terug vragen, hij moet

maar een voorwendsel zien te vinden....

NORA. Maar juist om dezen tijd gaat Torwald altijd....

MEVR. LINDE. Houdt hem dan op; ga zoolang bij hem binnen. Ik kom zoo

gauw mogelijk terug (_gaat snel heen door het portaal_).

NORA (_gaat naar Helmer's deur, opent die en kijkt naar binnen_).

Torwald!

HELMER (_in de binnenkamer_). Zoo mag een mensch eindelijk weer zijn

eigen kamer binnen gaan? Kom Rank, nu krijgen we wat te zien.... (_in de

deur_). Wat is dat nu?

NORA. Wat Torwald-lief?

HELMER. Rank had mij voorbereid op een prachtige verkleedpartij.

RANK (_in de deur_). Ik had dat zoo begrepen, maar dan heb ik mij zeker

vergist.

NORA. Neen, niemand krijgt mij te bewonderen in al mijn pracht vóór

morgen.

HELMER. Maar lieve Nora, je ziet er zoo moe uit. Heb je te lang

gerepeteerd?

NORA. Neen, ik heb nog heelemaal niet gerepeteerd.

HELMER. Dat zal toch noodig zijn.

NORA. Ja, dat is zeker noodig, Torwald. Maar ik kan er zonder jouw hulp

niet komen; ik heb het allemaal glad vergeten.

HELMER. O, we zullen dat wel gauw weer eens opknappen.

NORA. Ja, help mij weer eens een beetje op gang, Torwald. Beloof je mij

dat? Ik ben zoo bang. Al die menschen.... Je moet je van avond eens

geheel aan mij wijden. Niets van zaken of zoo, geen pen in de hand

nemen. Hé? Doe je 't Torwald-lief?

HELMER. Dat beloof ik je; van avond zal ik gansch en al tot je

beschikking zijn, jij klein hulpeloos ding!... Hm, ja ... één ding moet

ik toch eerst.... (_gaat naar de buitendeur_).

NORA. Wat wil je daar nu doen?

HELMER. Alleen maar eens kijken of er geen brieven gekomen zijn.

NORA. Neen, neen, niet doen, Torwald!

HELMER. Wat moet dat?

NORA. Toe, Torwald, er zijn er geen.

HELMER. Laat mij toch even zien (_wil gaan_).

NORA (_bij de piano, slaat de eerste maten van de Tarantella aan_).

HELMER (_bij de deur ... blijft staan_). Aha!

NORA. Ik kan morgen niet dansen als ik niet met jou gerepeteerd heb.

HELMER (_gaat naar haar toe_). Ben je heusch zoo bang, kindje-lief?

NORA. Ja, onwijs bang. Laat ons nu dadelijk even repeteeren; er is nog

net tijd voor wij aan tafel gaan. Toe, ga nu aan de piano zitten en

accompagneer mij; wijs mij terecht en dirigeer mij, zooals vroeger.

HELMER. Graag ... als je het verlangt (_gaat voor de piano zitten_).

NORA (_ haalt de tamboerijn uit de doos en ook een lange kleurige

écharpe waarin zij zich haastig drapeert; dan doet zij een sprong

vooruit en roept:_) Speel nu! Dan zal ik dansen!

(_Helmer speelt en Nora danst; dokter Rank staat bij de piano, achter

Helmer, en ziet toe_).

HELMER (_spelend_). Langzamer, langzamer!

NORA. 'k Kan niet anders!

HELMER. Niet zoo woest, Nora!

NORA. Zoo moet het juist!

HELMER (_houdt op_). Neen, neen, neen ... dat gaat heelemaal niet.

NORA (_lacht en zwaait met de tamboerijn_). Heb ik het niet gezegd?

RANK. Laat mij eens voor haar spelen.

HELMER (_staat op_). Ja, dat 's goed; dan kan ik haar beter dirigeeren.

(_Rank gaat voor de piano zitten en speelt; Nora danst hoe langer hoe

wilder. Helmer is bij de kachel gaan staan en roept haar voortdurend

terechtwijzingen en aanmerkingen toe; zij schijnt ze niet te hooren;

haar haar gaat los en valt over haar schouders; zij merkt het niet op en

danst maar door. Mevrouw Linde komt binnen_).

MEVR. LINDE (_blijft verstomd staan in de deur_). Ah...!

NORA (_onder het dansen door_). 't Is hier een vroolijke partij,

Kristine!

HELMER. Maar liefste Nora, je danst alsof je leven op het spel stond....

NORA. Dat doet het ook.

HELMER. Rank, houd op; dit is gewoon gekkenwerk. Toe, schei uit. (_Rank

houdt op met spelen, en Nora staat plotseling stil_).

HELMER (_naar haar toegaand_). Dat had ik nu toch nooit gedacht. Je hebt

alles vergeten wat ik je geleerd heb.

NORA (_gooit de tamboerijn neer_). Nu zie je het zelf.

HELMER. Ja, je mag nog wel eens een lesje hebben.

NORA. Je ziet hoe noodig het is. Je moet tot het laatst toe met me

repeteeren. Beloof je mij dat Torwald?

HELMER. Daar kan je vast op rekenen.

NORA. Je moet je noch vandaag noch morgen, met iets anders bemoeien dan

met mij; je moet geen brief open maken ... zelfs de brievenbus niet....

HELMER. Ah ... dat is nog de angst voor dien kerel....

NORA. O ja ... dat ook.

HELMER. Nora, ik zie het aan je gezicht, er ligt al een brief van hem.

NORA. Ik weet 't niet; ik geloof 't; maar je mag nu zoo iets niet lezen.

Er mag niets leelijks tusschen ons komen voor alles voorbij is.

RANK (_zacht tegen Helmer_). Doe haar zin nu maar.

HELMER (_slaat zijn armen om haar heen_). Nou, 't kindje zal haar zin

hebben. Maar morgen avond, als je gedanst hebt....

NORA. Dan ben je vrij.

DIENSTMEISJE (_in de deur rechts_). Mevrouw, het eten is opgedaan.

NORA. Breng een flesch Champagne, Helene.

DIENSTMEISJE. Ja, mevrouw. (_af_)

HELMER. Zoo, zoo ... groot feest dus?

NORA. Een champagne-fuif tot aan den lichten morgen! (_Roept in het

portaal_). En ook wat bonbons, Helene, een heelen boel ... voor dezen

keer!

HELMER (_grijpt haar handen_). Kalm, kalm, kalm, kindje; niet zoo woest

opgewonden. Wees nu weer mijn lieve kleine leeuwerik, zooals anders.

NORA. Ja, ja strakjes. Maar ga nu maar naar binnen, en u ook dokter.

Kristine, jij moet me even helpen mijn haar weer op te steken.

RANK (_zacht, terwijl zij weggaan_). Is er soms iets ... iets aan de

hand?

HELMER. Och wel neen! beste kerel; het is alleen die kinderachtige

angst, waarvan ik je vertelde. (_Zij gaan rechts af_).

NORA. Wel!?

MEVR. LINDE. Uit de stad.

NORA. Ik zag het aan je.

MEVR. LINDE. Morgen avond komt hij thuis. Ik liet een briefje achter.

NORA. Dat hadt je wel kunnen laten. Je moet niet meer trachten iets

tegen te houden. Eigenlijk is het toch iets heerlijks dat wachten op de

komst van het wonderbare.

MEVR. LINDE. Wat is dat toch waar je op wacht?

NORA. Och, dat kan jij toch niet begrijpen. Ga vast naar hen toe; ik kom

dadelijk ook. (_Mevr. Linde gaat naar de eetkamer_).

NORA (_staat even stil als om tot zichzelf te komen; dan kijkt zij op de

klok_). Vijf uur. Nog zeven uur eer het middernacht is. Dan nog

vier-en-twintig uur tot morgen nacht. Dan is de Tarantella uit.

Vier-en-twintig en zeven? Dus nog een-en-dertig uren te leven.

HELMER (_in de deur rechts_). Maar waar blijft mijn leeuwerikje dan

toch?

NORA (_met open armen naar hem toe_). Hier is je leeuwerikje!

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

[Illustratie: Mejuffr. Rika Hopper als Nora (einde van het 2de Bedrijf)]

* * * * *

DERDE BEDRIJF.

Zelfde kamer. De canapé-tafel staat midden in de kamer met stoelen

er om heen. Brandende lamp op tafel. De deur naar het portaal staat

open. Van de bovenverdieping klinkt dansmuziek.

Mevr. Linde zit aan de tafel en bladert in een boek; probeert te

lezen, maar schijnt haar gedachten er niet bij te kunnen houden.

Een paar maal luistert zij gespannen naar den kant van de

buitendeur.

* * * * *

MEVR. LINDE (_kijkt op de klok_). Nog al niet. En 't wordt toch hoog

tijd. Als hij maar niet.... (_luistert weer_). Ah! daar is hij. (_Zij

gaat naar het portaal en opent voorzichtig de buitendeur; men hoort

zachtjes loopen op de trap; zij fluistert_): Kom binnen. Er is niemand.

KROGSTAD (_in de deur_). Ik vond thuis een briefje van u. Wat beteekent

dat?

Mevr. LINDE. Ik moet U noodzakelijk spreken.

KROGSTAD. En moest dat volstrekt hier in huis gebeuren?

MEVR. LINDE. Bij mij thuis kon het niet; mijn kamer heeft geen

afzonderlijken opgang. Kom binnen; we zijn heel alleen; de meiden slapen

en de Helmers zijn op 't bal hier boven.

KROGSTAD (_gaat de kamer binnen_). Kijk eens aan! Dansen de Helmers van

avond?

MEVR. LINDE. Ja, waarom niet?

KROGSTAD. Och ja; waarom ook niet?

MEVR. LINDE. Zeg, Krogstad, laat ons nu eens samen praten.

KROGSTAD. Hebben wij elkaar dan nog iets te zeggen?

MEVR. LINDE. Ja. Wij hebben elkaar heel veel te zeggen.

KROGSTAD. Ik dacht van niet.

MEVR. LINDE. Omdat je mij nooit goed begrepen hebt.

KROGSTAD. Was er dan nog iets anders te begrijpen dan dat wat zoo

dood-gewoon is in de wereld? Een vrouw zonder hart, die een man laat

loopen, als er zich iets anders voordoet dat voordeeliger is?

MEVR. LINDE. Geloof je dat ik zoo heelemaal zonder hart ben? En geloof

je dat ik het zoo maar luchtig-weg afmaakte?

KROGSTAD. Deed je dat dan niet?

MEVR. LINDE. Krogstad heb je dat waarlijk gedacht?

KROGSTAD. Als het niet zoo was waarom schreef je mij dan zóó als je

deedt?

MEVR. LINDE. Ik kón immers niet anders. Als ik 't met jou afmaakte, was

het toch ook mijn plicht alles bij je uit te roeien wat je voor mij

voelde.

KROGSTAD (_wringt de handen_). Zóó was het dus gemeend. En dat alles ...

alles alleen om het geld!

MEVR. LINDE. Je moet niet vergeten dat ik een zieke, hulpbehoevende

moeder had en twee kleine broertjes. Wij konden niet op je wachten,

Krogstad. Je hadt toen immers nog heelemaal geen vooruitzichten.

KROGSTAD. Al was het zoo, dan hadt je toch niet het recht mij te

verstooten voor een ander.

MEVR. LINDE. Ik weet het niet. Menigmaal heb ik mij afgevraagd òf ik het

recht er toe had.

KROGSTAD (_zachter_). Toen je mij losliet, was het of de grond onder

mijn voeten weggleed. En zie nu eens wat er van mij geworden is: een

schipbreukeling op een wrak.

MEVR. LINDE. Er kon wel hulp nabij zijn.

KROGSTAD. Die wàs nabij; maar toen ben jij tusschenbeiden gekomen.

MEVR. LINDE. Buiten mijn weten, Krogstad. Pas van daag heb ik gehoord

dat ik in jouw plaats kom bij de Bank.

KROGSTAD. Ik geloof 't als je het zegt. Maar nu je het weet, trek je je

nu terug?

MEVR. LINDE. Neen, want dat zou je toch niets baten.

KROGSTAD. Baten, baten ... ik zou het toch graag willen.

MEVR. LINDE. Ik heb geleerd met overleg te handelen. Het leven en de

harde, bittere noodzakelijkheid hebben mij dat geleerd.

KROGSTAD. En het leven heeft mij geleerd niet aan mooie woorden te

gelooven.

MEVR. LINDE. Dan heeft het leven je iets heel verstandigs geleerd. Maar

aan daden mag je toch gelooven?

KROGSTAD. Wat meen je daarmee?

MEVR. LINDE. Je zei, dat je stond als een schipbreukeling op een wrak.

KROGSTAD. En ik had alle reden om dat te zeggen.

MEVR. LINDE. Ik zit ook als een schipbreukelinge op een wrak. Niemand om

voor te zorgen en niemand die om mij geeft.

KROGSTAD. Je hebt zelf gekozen.

MEVR. LINDE. Ik hàd toen geen andere keus.

KROGSTAD. Nou ... maar wat wou je zeggen?

MEVR. LINDE. Krogstad, als wij twee schipbreukelingen nu eens tot elkaar

konden komen?

KROGSTAD. Wat zeg je?!

MEVR. LINDE. Twee menschen samen op één wrak zijn er toch beter aan toe,

dan ieder afzonderlijk op het zijne.

KROGSTAD. Kristine!

MEVR. LINDE. Waarvoor denk je dat ik in de stad gekomen ben?

KROGSTAD. Zou je waarlijk een gedachte voor mij gehad hebben?

MEVR. LINDE. Ik moet werken om het leven te kunnen dragen. Al mijn

levensdagen, zoo lang ik mij herinneren kan, heb ik gewerkt, en dat is

mijn grootste en eenige genot geweest. Maar nu sta ik heel alleen in de

wereld, zoo ontzettend leeg en verlaten. Alleen voor je zelf te werken

geeft geen genot. Krogstad, geef mij iemand en iets om voor te werken.

KROGSTAD. Dat kan ik niet gelooven. Dat is alleen maar de

zelfverheerlijkende overspanning van een vrouw, die zich opofferen wil.

MEVR. LINDE. Heb je ooit gemerkt dat ik overspannen was?

KROGSTAD. Zou je dat waarlijk willen doen? Zeg eens eerlijk ... weet je

alles van mijn verleden?

MEVR. LINDE. Ja.

KROGSTAD. En weet je ook voor wat ik hier doorga?

MEVR. LINDE. Je zei daar straks iets, alsof je meende dat je met mij een

ander mensch hadt kunnen worden.

KROGSTAD. Dat weet ik zeker.

MEVR. LINDE. Zou dat niet nu nòg kunnen gebeuren?

KROGSTAD. Kristine ... zeg je dat na rijp overleg? Ja ... dat doe je. Ik

zie het je aan. Heb je er waarlijk moed toe?

MEVR. LINDE. Ik heb behoefte voor iemand een moeder te zijn en je

kinderen hebben behoefte aan een moeder. Wij beiden hebben behoefte aan

elkaar. Krogstad, ik geloof in het goede in je;... ik durf gerust verder

met jouw door het leven te gaan.

KROGSTAD (_grijpt haar handen_). Dankje, dankje, Kristine! O, nu zal ik

mij ook in de oogen van anderen weer kunnen oprichten ... O maar ik

vergat....

MEVR. LINDE (_luistert_). Sst! De Tarantella! Ga nu weg, gauw!

KROGSTAD. Waarom? Wat is dat?

MEVR. LINDE. Hoor je dat dansen hier boven? Als dat uit is, kunnen ze

ieder oogenblik terugkomen.

KROGSTAD. O ja ... ik zal heengaan. 't Is toch alles vergeefs. Je weet

natuurlijk niet wat ik tegen de Helmers op touw gezet heb.

MEVR. LINDE. Ja wel, Krogstad, ik weet het.

KROGSTAD. En toch heb je moed?...

MEVR. LINDE. Ik begrijp best waartoe de wanhoop een man als jij bent,

drijven kan.

KROGSTAD. O, 'k wou dat ik het ongedaan kon maken!

MEVR. LINDE. Dat zou je wel kunnen; want je brief ligt nog in de bus.

KROGSTAD. Weet je dat zeker?

MEVR. LINDE. Heel zeker; maar....

KROGSTAD (_ziet haar uitvorschend aan_). Moet ik het misschien zóó

verstaan, dat je je vriendin redden wilt tot elken prijs? Zeg het dan

liever ronduit. Is dat zoo?

MEVR. LINDE. Krogstad, wie zich ééns ter wille van anderen verkocht

heeft, doet het niet voor een tweeden keer.

KROGSTAD. Ik zal mijn brief terug vragen.

Mevr. LINDE. Neen, neen....

KROGSTAD. Jawel, natuurlijk; ik blijf hier tot Helmer beneden komt; dan

zeg ik hem dat hij mij dien brief terug geven moet ... dat ik het daarin

alleen heb over mijn ontslag ... dat hij hem niet moet lezen....

Dramatische werken · 第 15 / 30 段