MEVR. LINDE. Ja, drie jaar geleden.
NORA. O, ik wist het eigenlijk wel; ik heb het in de courant gezien. Je
kunt het gerust gelooven, Kristine-lief, 'k heb er dikwijls over gedacht
je te schrijven toen ter tijd; maar ik stelde het altijd uit, en altijd
kwam er iets tusschenbeiden.
MEVR. LINDE. Och Nora-lief, dat begrijp ik zoo goed.
NORA. Neen, het was toch heel onaardig van mij. Jij arme Kristine, wat
heb je al een boel ondervonden.... En hij heeft je niets nagelaten om
van te leven, hè?
MEVR. LINDE. Neen ... niets.
NORA. Ook geen kind?
MEVR. LINDE. Neen.
NORA. Dus heelemaal niets?
MEVR. LINDE. Zelfs geen droefheid of gemis om op te teren.
NORA (_kijkt haar ongeloovig aan_). Maar Kristine, hoe is dat mogelijk?
MEVR. LINDE (_glimlacht droevig en streelt Nora over het haar_). Ja dat
gebeurt soms wel eens, Nora.
NORA. Zoo heelemaal alleen! Wat moet dat droevig zijn voor je. Ik heb
drie schatten van kinderen! Ik kan ze je nu niet laten zien; ze zijn uit
wandelen met de meid. Maar nu moet je mij eens alles vertellen....
MEVR. LINDE. Neen ... neen ... vertel jij liever.
NORA. Neen ... jij moet beginnen. Vandaag wil ik eens niet egoïst zijn.
Vandaag wil ik alleen aan jouw omstandigheden denken. Maar één ding moet
ik je toch vertellen. Weet je al van het groote geluk dat ons dezer
dagen te beurt is gevallen?
MEVR. LINDE. Neen. Wat is dat dan?
NORA. Verbeeld je, mijn man is directeur van de Hypotheekbank geworden!
MEVR. LINDE. Je man? O, wat een geluk!
NORA. Ja, kolossaal! Advocaat is toch altijd zoo'n onzeker bestaan,
vooral als je alleen goede zaken wilt aannemen. En andere zaken heeft
Torwald natuurlijk nooit gewild en daarin ben ik het ook geheel met hem
eens. Je kunt je begrijpen hoe blij wij zijn! Hij is met ingang van het
nieuwe jaar aangesteld, en dan krijgt hij een groot salaris en veel
percenten. Wij kunnen dan heel anders gaan leven dan tot nu toe ... net
zooals we willen. O, Kristine, ik voel me toch zoo luchtig en gelukkig!
Want het is toch maar heerlijk om heel veel geld te hebben en heelemaal
geen zorgen daarover. Vind je ook niet?
MEVR. LINDE. Zeker, en in elk geval moet het al heerlijk zijn om het
noodige te hebben.
NORA. Neen, niet alleen het noodige, maar een boel, een heeleboel geld!
MEVR. LINDE (_glimlacht_). Nora, Nora, ben je nog altijd niet verstandig
geworden? In onzen schooltijd was je altijd erg verkwistend.
NORA (_lacht stil_). Ja, dat zegt Torwald nu nog. Maar "Nora, Nora" is
niet zoo dwaas als jullie denkt.... O, we hebben het heusch niet zóó
gehad dat ik veel uitgeven kon. Wij hebben allebei moeten werken!
MEVR. LINDE. Jij ook?
NORA. Ja, kleinigheden ... handwerkjes ... haak- en borduurwerkjes en
zoowat; (_luchtig_) en ook nog andere dingen. Je weet wel dat Torwald
van het departement weg ging toen wij trouwden? Er was niets geen
vooruitzicht op bevordering bij zijn afdeeling en hij moest toch toen
meer geld verdienen dan te voren. Maar in het eerste jaar heeft hij zich
dan ook heelemaal overwerkt. Hij moest allerlei bijverdienste zoeken,
dat begrijp je, en werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Maar
dat kon hij niet volhouden en hij is doodziek er van geworden. En toen
zeiden de doktoren dat hij volstrekt naar het Zuiden moest.
MEVR. LINDE. Dat 's waar; je bent samen een heel jaar in Italië geweest,
hè?
NORA. Ja. Maar het was zoo gemakkelijk niet om weg te komen, hoor! Ivar
was toen pas geboren. Maar wég moesten we natuurlijk. O, het was een
verrukkelijk mooie reis. En het heeft Torwalds leven gered. Maar het
heeft heel wat geld gekost.
MEVR. LINDE. Ja, dat kan ik wel begrijpen.
NORA. Vier-duizend-acht-honderd kronen. Dat is een schep geld, zeg.
MEVR. LINDE. Zeker ... maar in zoo'n geval is het ten minste een groot
geluk als je het hebt.
NORA. Ja maar, weet je, we kregen het van Papa.
MEVR. LINDE. Ah zoo! Het was ook juist in dien tijd dat je vader stierf,
geloof ik.
NORA. Ja juist, Kristine, dat was net in die dagen. En verbeeld je, ik
kon niet naar hem toe gaan om hem te verplegen. Ik wachtte hier iederen
dag de geboorte van kleinen Ivar af. En dan had ik nog mijn armen
doorzieken Torwald op te passen. Mijn lieve goede Papa! Ik heb hem niet
meer gezien. O, dat is mijn grootste verdriet geweest zoo lang ik
getrouwd ben.
MEVR. LINDE. Ik weet dat je heel veel van hem hieldt. Maar jullie gingt
dus naar Italië?
NORA. Ja, we hadden er nu immers het geld voor; en de dokters zaten er
erg achter heen. Een maand later zijn we toen vertrokken.
MEVR. LINDE. En is je man heelemaal hersteld teruggekomen?
NORA. O, zoo gezond als een visch!
MEVR. LINDE. Maar ... de dokter?
NORA. Hoe zoo?
MEVR. LINDE. Ik dacht dat het meisje zei dat de dokter er was, die
mijnheer die gelijk met mij aan de deur was.
NORA. O, dat was dokter Rank, maar die komt niet als dokter; dat is onze
beste vriend, en hij komt hier op zijn minst ééns per dag eens
aanloopen. Neen, Torwald heeft geen ziek uur meer gekend na dien tijd.
En de kinderen zijn frisch en gezond en ik ook. (_Springt op en klapt in
de handen_). O, Kristine, wat is het toch verrukkelijk om te leven en
gelukkig te zijn!... Neen maar ... 't is toch afschuwelijk van me ... ik
praat aldoor maar over mezelf. (_Gaat dicht bij haar zitten op een
tabouretje en legt haar armen op Kristine's schoot_). Och toe, wees niet
boos op mij!... Zeg eens, is het heusch waar dat je niet van je man
hieldt? Waarom nam je hem dan?
MEVR. LINDE. Mijn moeder leefde nog en zij was bedlegerig en
hulpbehoevend. En dan had ik nog twee jongere broers om voor te zorgen.
Ik vond mijzelf toen niet verantwoord als ik hem niet aannam.
NORA. Neen ... neen ... daar kan je wel gelijk in hebben. Dus toen was
hij rijk?
MEVR. LINDE. Ik geloof dat hij er warmpjes in zat. Maar hij had geen
vast bestaan, en zijn zaken schenen niet zoo heel goed te staan. Althans
toen hij stierf ging alles over den kop en bleef er niets over.
NORA. En toen?
MEVR. LINDE. Ja, toen moest ik er mij maar doorheen slaan met het
een-en-ander te verkoopen en een schooltje te houden en wat ik verder
zoo hier en daar te doen kon krijgen. De laatste drie jaar zijn voor mij
geweest, als één enkele lange werkdag zonder rust. Nu is die uit, Nora.
Mijn arme moeder heeft mij niet meer noodig, want zij is heengegaan. En
de jongens hebben mij ook niet meer noodig; zij zijn in betrekking en
kunnen voor zichzelf zorgen.
NORA. Wat moet je je nu opgelucht voelen....
MEVR. LINDE. Och neen; alleen niet-te-zeggen leeg. Niemand meer om voor
te leven. (_Staat zenuwachtig op_). Daarom hield ik het daarginder in
dien uithoek niet meer uit. Hier moet het toch gemakkelijker zijn om
iets te vinden dat je heelemaal in beslag neemt en je gedachten bezig
houdt. Als ik maar zoo gelukkig was een vaste betrekking te krijgen,
iets op een kantoor of zoo....
NORA. O maar Kristine, dat is zoo vreeselijk inspannend; en je ziet er
nu al zoo vermoeid uit. Het zou heel wat beter voor je zijn als je eerst
eens een poosje naar een badplaats ging.
MEVR. LINDE (_gaat naar het raam_). Ik heb geen Papa die mij reisgeld
geven kan.
NORA (_staat op_). O, wees niet boos op mij.
MEVR. LINDE (_naar haar toegaand_). Lieve Nora, wees jij niet boos op
mij. Dat is het ergste in een positie als de mijne, dat je gemoed zoo
verbitterd wordt. Je hebt niemand om voor te werken, en toch moet je
naar alle kanten heen werk zoeken. Je moet toch leven, en dan wordt je
egoïst. Toen je mij vertelde van die gelukkige verandering in je positie
... wil je 't wel gelooven?... was ik er minder blij over voor jou dan
voor mijzelf.
NORA. Hoe meen je dat? O, nu begrijp ik je. Je bedoelt dat Torwald
misschien wat voor je zou kunnen doen?
MEVR. LINDE. Ja, daar dacht ik aan.
NORA. Dat zal hij ook wel Kristine. Laat dat maar aan mij over; ik zal
hem dat zoo netjes bijbrengen, zoo netjes ... eens iets heel liefs
bedenken dat hij erg graag heeft. O, ik wil je zoo innig graag van
dienst zijn.
MEVR. LINDE. Wat is dat lief van je, Nora, dat je je zoo hartelijk voor
mij interesseert ... dubbel lief van jou, die zelf zoo weinig weet van
de moeilijkheden van het leven.
NORA. Ik?... weet ik daar zoo weinig van?...
MEVR. LINDE (_glimlachend_). Nou ... dat beetje handwerken en zoo ... Je
bent nog een kind, Nora.
NORA (_loopt door de kamer met het hoofd in den nek_). Dat moest je niet
op zoo'n hoogen toon zeggen.
MEVR. LINDE. Zoo? Niet?
NORA. Je bent net als de anderen. Je denkt allemaal dat ik niet deug
voor iets ernstigs.
MEVR. LINDE. Och kom....
NORA. ... dat ik nog niets gedaan heb in deze moeilijke wereld.
MEVR. LINDE. Maar lieve Nora, je hebt immers daar straks al je
tegenspoeden verteld.
NORA. Och wat ... die bagatellen! (_Zachtjes_). Ik heb je het groote
niet verteld.
MEVR. LINDE. Het groote? Wat bedoel je daarmee?
NORA. Je kijkt op me neer Kristine, maar dat moest je toch niet doen.
Jij bent er trotsch op dat je zoo hard en zoo lang voor je moeder hebt
gewerkt.
MEVR. LINDE. Ik kijk heusch op niemand neer. Maar dat is waar: ik ben
zoowel trotsch als blij, als ik er aan denk, dat het mij vergund was de
laatste jaren van mijn arme moeder althans vrij van zorgen voor haar te
maken.
NORA. En je bent ook trotsch als je er aan denkt wat je gedaan hebt voor
je broers.
MEVR. LINDE. Mij dunkt dat ik daar ook wel het recht toe heb.
NORA. Dat dunkt mij ook. Maar nu zal ik je eens wat vertellen, Kristine.
Ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn.
MEVR. LINDE. Daar twijfel ik geen oogenblik aan. Maar hoe bedoel je dat?
NORA. Spreek zachtjes. Verbeeld je dat Torwald het eens hoorde! Hij mag
het om niets ter wereld hooren ... niemand mag het weten. Kristine;
niemand dan jij....
MEVR. LINDE. Maar wat _is_ het dan toch?
NORA. Kom eens hier. (_Trekt haar op de sofa naast zich_). Weet je, ik
heb ook iets om trotsch en blij over te zijn. _Ik_ heb Torwald's leven
gered.
MEVR. LINDE. Gered? Hoezoo gered?
NORA. Ik vertelde je immers van die reis naar Italië. Torwald zou er
nooit boven op gekomen zijn als hij er niet heen gegaan was....
MEVR. LINDE. Nu ja; en je vader gaf je het noodige geld er voor....
NORA (_glimlacht_). Ja, dat gelooft Torwald en alle andere menschen
gelooven het; maar....
MEVR. LINDE. Maar?...
NORA. Papa gaf ons geen rooie duit. _Ik_ ben 't geweest die het geld
bijeen heb gescharreld.
MEVR. LINDE. Jij? Heel die groote som?
NORA. Vier duizend acht honderd kronen. Wat zeg je daarvan?
MEVR. LINDE. Maar Nora, hoe heb je dàt kunnen doen? Had je dan een prijs
uit de loterij getrokken?
NORA (_verachtelijk_). Uit de loterij? (_Geringschattend_). Wat zou dáár
nu voor kunst aan geweest zijn?
MEVR. LINDE. Maar waar haalde je het dàn van daan?
NORA (_neuriet zacht en geheimzinnig_). Hm! tra la la la!
MEVR. LINDE. Want leenen kon je toch ook niet.
NORA. Zoo? En waarom niet?
MEVR. LINDE. Welneen, een vrouw kan immers geen leening aangaan zonder
medeweten van haar man.
NORA (_werpt het hoofd in den nek_). O, als het maar een vrouw is die
een beetje verstand van zaken heeft ... een vrouw die een beetje handig
is ... dan....
MEVR. LINDE. Maar Nora, ik begrijp er heelemaal niets van.
NORA. Dat hoeft ook niet. Ik heb immers niet gezegd dat ik het geld
_geleend_ héb? Ik kan het toch ook wel op een andere manier gekregen
hebben. (_Gooit zich achterover op de sofa_). Ik kan het gekregen hebben
van een of anderen bewonderaar. Als je er zoo lief uitziet als ik....
MEVR. LINDE. Wat ben je toch een dwaasje, Nora!
NORA. Nu ben je zeker woest nieuwsgierig, hè?
MEVR. LINDE. Ja maar, hoor eens even, Nora-lief, heb je toch niet een
beetje onbezonnen gehandeld?
NORA (_zit weer rechtop_). Onbezonnen om je man's leven te redden?
MEVR. LINDE. Mij dunkt dat het onbezonnen is om zonder zijn
voorkennis....
NORA. Maar hij mócht er juist niets van weten! Lieve hemel, begrijp je
dat dan niet? Hij mocht niet eens weten hoe slecht hij er aan toe was.
't Was bij _mij_ dat de dokters kwamen en zeiden dat zijn leven in
gevaar was ... dat niets anders hem kon redden dan een verblijf in het
Zuiden. Geloof je niet dat ik eerst probeerde op een andere manier mij
uit den brand te redden? Ik zei tegen hem hoe heerlijk het voor mij zijn
zou om eens naar het buitenland te gaan, net als andere jonge vrouwen;
ik huilde en smeekte; ik zei dat hij toch alsjeblieft moest denken aan
mijn positie en hij lief voor mij moest wezen en mij mijn zin geven. En
toen werd hij bijna boos. Hij zei dat ik lichtzinnig was, en dat het
zijn plicht als getrouwd man was, om mij niet toe te geven in grillen en
kuren ... zoo noemde hij het geloof ik. Jawel, dacht ik, gered worden
moet je toch, en toen heb _ik_ een uitweg gezocht.
MEVR. LINDE. En kwam je man het niet te weten van je vader, dat het geld
niet van hem kwam?
NORA. Neen ... nooit. Papa stierf juist in die dagen. Ik was van plan
hem op de hoogte te brengen van de zaak en hem te vragen niets te
verraden. Maar hij was al zoo ziek.... 't Was helaas toen ook niet meer
noodig.
MEVR. LINDE. En heb je er later nooit iets van verteld aan je man?
NORA. Neen! lieve hemel, hoe verzin je het! Hij die zoo streng is op dat
punt! En bovendien ... Torwald met zijn sterk ontwikkeld gevoel van
eigenwaarde ... hoe pijnlijk en vernederend zou het voor hem zijn als
hij wist dat hij iets aan mij te danken had. Dat zou de verhouding
tusschen ons heelemaal verstoren; ons mooi lief thuis zou dan niet meer
zijn wat het nu is.
MEVR. LINDE. Zal je het hem dan nooit zeggen?
NORA (_nadenkend, half glimlachend_). Jawel ... later misschien;... over
vele jaren als ik niet meer zoo mooi ben als nu.... Daar moet je niet om
lachen! Ik bedoel natuurlijk: als Torwald niet meer zooveel met mij op
heeft; als hij er geen plezier meer in heeft dat ik voor hem dans, of me
verkleed, of wat voordraag. Dan kon het wel goed zijn om nog iets achter
de hand te hebben.... (_Uitbarstend_). Och malligheid! Die tijd komt
nooit.... Maar hoe vindt je nu eigenlijk mijn groot geheim, Kristine?
Kan ik nu ook niet iets flinks doen?... Ik verzeker je dat die zaak mij
al heel wat moeilijkheden bezorgd heeft. 't Is heusch zoo gemakkelijk
niet voor mij geweest om op tijd aan mijn verplichtingen te voldoen.
Weet je, in de zaken-wereld is er iets dat ze driemaandelijksche rente
noemen en iets dat afbetaling heet, en dat is altijd zoo verschrikkelijk
moeilijk bij te brengen. Daarom heb ik zoo'n beetje op alles moeten
bezuinigen, waar ik maar kon, zie je. Van het huishoudgeld kon ik
natuurlijk niets op zij leggen, want Torwald moest het toch goed hebben.
De kinderen konden toch ook niet slecht gekleed gaan; wat ik voor hen
kreeg moest ik allemaal gebruiken vond ik. Die lieve, schattige
kleintjes.
MEVR. LINDE. Dus moest je het wel vinden op je eigen uitgaven, arme
Nora?
NORA. Ja natuurlijk. Ik was er dan ook het naaste aan toe. Telkens als
Torwald mij geld gaf voor nieuwe japonnen of zoo iets, gebruikte ik
nooit meer dan de helft; kocht altijd de eenvoudigste en goedkoopste
dingen. Een waar geluk is het dat alles mij zoo goed kleedt, zoodat
Torwald er niets van merkte. Maar het viel mij dikwijls moeilijk
Kristine; want het is toch erg prettig om mooi gekleed te gaan, niet
waar?
MEVR. LINDE. Dat zal waar zijn!
NORA. Nu maar, ik heb ook andere bronnen van inkomsten gehad. Verleden
winter was ik zoo gelukkig een heeleboel copieerwerk te krijgen. Dan
sloot ik mij op en zat den heelen avond te schrijven tot diep in den
nacht. O ik was dikwijls zoo moe, zoo moe! Maar het was toch verbazend
vermakelijk om zoo te zitten werken en er geld mee te verdienen. Het was
haast net of ik een man was.
MEVR. LINDE. Maar hoeveel heb je op die manier kunnen afbetalen?
NORA. Ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen. Weet je, het is erg
moeilijk om uit zaken wijs te worden. Ik weet alleen dat ik alles
betaald heb wat ik maar bij elkaar kon schrapen. Dikwijls heb ik geen
raad geweten. (_Glimlacht_). Dan zat ik mij hier maar te verbeelden dat
een oude rijke heer verliefd op me geworden was....
MEVR. LINDE. Wat! Wat voor een heer?
NORA. Och malligheid!... en dat hij nu gestorven was en zijn testament
geopend werd, en daar stond met groote letters: "Al mijn geld moet aan
de beminnelijke mevrouw Nora Helmer worden uitbetaald terstond contant."
MEVR. LINDE. Maar Nora-lief ... wat was dat voor een heer?
NORA. Lieve hemel, begrijp je het dan niet? Die oude heer bestond
heelemaal niet; dat was maar zoo iets waar ik dan aldoor aan dacht, als
ik niet wist waar ik het geld vandaan moest halen. Maar dat doet er nu
niets meer toe; die oude vervelende sinjeur kan voor mijn part blijven
waar hij is; noch hij noch zijn testament kan mij iets meer schelen,
want nu heb ik geen zorgen meer. (_Springt op_). O god, Kristine, dat is
toch een zalige gedachte! Geen zorgen meer! Vrij te zijn, heelemaal
vrij! Te kunnen spelen en stoeien met de kinderen; alles mooi en netjes
in huis te kunnen hebben, alles net zooals Torwald het graag heeft! En
dan wordt het gauw weer lente en de lucht heelemaal blauw. Misschien
gaan wij dan wel een reisje maken ... mogelijk wel naar de zee, die ik
zoo graag nog eens terugzien wou! O ja, ja, het is toch maar
verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn!
(_Er wordt gebeld aan de voordeur_).
MEVR. LINDE (_staat op_). Daar wordt gebeld; nu zal ik maar heengaan.
NORA. Welneen, blijf maar; hier komt stellig niemand; het zal wel voor
Torwald zijn....
DIENSTMEISJE (_in de deur_). Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw ... maar
hier is een heer die wil meneer de advocaat spreken.
NORA. Meneer de directeur, meen je.
DIENSTMEISJE. Jawel, mevrouw, meneer de directeur; maar ik wist niet ...
omdat de dokter binnen is....
NORA. Wie is die meneer?
Zaakwaarnemer KROGSTAD (_in de deur_). Ik ben het mevrouw.
(_Mevr. Linde schrikt en gaat bij het raam staan_).
NORA (_gaat hem een paar passen te gemoet; gespannen half-luid_). U? Wat
beteekent dat? Waarover wou u mijn man spreken?
KROGSTAD. Over bankzaken ... tot op zekere hoogte. Ik heb een klein
postje bij de Hypotheekbank, en uw man wordt nu onze chef, naar ik
hoor....
NORA. Het is dus over....
KROGSTAD. Over zaken, droge kantoorzaken, mevrouw; anders niets.
NORA. Ja, wil u dan maar zoo goed zijn even in het kantoor te gaan.
(_Groet onverschillig, terwijl zij de deur naar het portaal opendoet;
dan gaat zij naar de kachel kijken_).
MEVR. LINDE. Nora ... wie was die man?
NORA. Dat is een zekere zaakwaarnemer Krogstad.
MEVR. LINDE. Dus was hij het heusch!
NORA. Ken je dien man?
MEVR. LINDE. Ik heb hem gekend ... vele jaren geleden. Hij was een
tijdlang zaakwaarnemer daarginder bij ons.
NORA. Ja dat was hij ook.
MEVR. LINDE. Wat is hij veranderd!
NORA. Hij is heel ongelukkig getrouwd geweest.
MEVR. LINDE. Nu is hij immers weduwnaar?
NORA. Met een heeleboel kinderen. Zie zoo, nu vlamt het weer. (_Zij
sluit de deur van de kachel en schuift den schommelstoel een beetje op
zij_).
MEVR. LINDE. Hij heeft allerlei zaken aan de hand, zeggen ze.
NORA. Zoo? Ja dat kan wel zijn; ik weet er niet van ... maar laat ons nu
niet aan zaken denken; dat is zoo vervelend.
(_Dokter Rank komt uit Helmer's kamer_).
DOKTER RANK (_nog in de deur_). Neen, neen zeg ik; ik wil je niet
hinderen. Ik ga liever even binnen bij je vrouw. (_Sluit de deur en
bemerkt mevr. Linde_). O, pardon; ik zie dat ik hier ook ongelegen kom.
NORA. Welneen, heelemaal niet. (_Stelt voor_). Dokter Rank--Mevrouw
Linde.
RANK. Och zoo. Een naam die hier in huis dikwijls genoemd wordt. Ik
geloof dat ik mevrouw voorbij liep op de trap.
MEVR. LINDE. Ja, ik loop heel langzaam een trap op; ik kan niet goed
stijgen.
RANK. Zoo? Is u niet goed in orde van binnen?
MEVR. LINDE. Eigenlijk meer wat overwerkt.
RANK. Anders niet? Dan is u zeker naar de stad gekomen om eens wat
ontspanning te nemen met de kerstfeesten.
MEVR. LINDE. Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken.
RANK. Moet dat een geneesmiddel zijn voor iemand die al overwerkt is?
MEVR. LINDE. Men moet toch leven, dokter.
RANK. Ja, dat is zoo de algemeene opinie, dat dat noodzakelijk is.
NORA. Nou maar, dokter Rank ... u wil toch ook wel graag leven.
RANK. Ja zeker wil ik dat. Zoo ellendig als ik ben, wil ik toch graag
mijn kwaal zoo lang mogelijk rekken. Al mijn patiënten zijn net eender.
En zoo gaat het de moreel-aangetasten ook. Daar is nu juist op dit
oogenblik zoo'n moreel-melaatsche bij Helmer....
MEVR. LINDE (_gedempt_). Ah!
NORA. Wie meent u?
RANK. O, dat is een zaakwaarnemer, Krogstad, iemand die heelemaal buiten
uw sfeer leeft. Die man is moreel in den grond bedorven, maar zelfs hij
begon er over, alsof 't iets hooggewichtigs was, dat hij toch _leven_
moest.
NORA. Zoo? Waar kwam hij eigenlijk Torwald over spreken?
RANK. Ik weet het heusch niet: ik hoorde alleen dat het iets over de
Hypotheekbank was.
NORA. Ik wist niet dat Krog ... dat die zaakwaarnemer Krogstad iets met
de Hypotheekbank te maken had.
RANK. Ja, hij heeft daar een soort betrekking. (_Tegen mevr. Linde_). Ik
weet niet of u daarginder, waar u vandaan komt, ook zulk slag van
menschen heeft, die blazend en hijgend overal rondloopen om moreele
verwording en onpluize zaakjes op te snorren en dan de betrokken
personen als 't ware ter observatie op te sluiten in een of andere (voor
de speurders) voordeelige betrekking. De gezonden mogen dan netjes
buiten blijven staan toekijken.
MEVR. LINDE. Het zijn toch ook de zieken die het 't meest noodig hebben
opgesloten te worden.
RANK (_haalt de schouders op_). Ja, daar hebben wij de kwestie. _Die_
opvatting maakt nu juist een ziekenhuis van de maatschappij.
(_Nora, in haar eigen gedachten verdiept, barst uit in een halfluid
lachen en klapt in haar handen_).
RANK. Hoe lacht u daar zoo om? Weet u eigenlijk wel wat de maatschappij
is?
NORA. Wat kan mij die vervelende maatschappij schelen? Ik lachte om heel
iets anders ... iets vreeselijk vermakelijks.... Zeg u nu eens, dokter
... worden al die menschen die werkzaam zijn bij de Hypotheekbank nu
afhankelijk van Torwald?
RANK. Vindt u dàt zoo vreeselijk vermakelijk?
NORA (_glimlacht en neuriet_). Waarom niet? (_Loopt rond door de
kamer_). Ja, dat is toch ontzettend grappig om te denken, dat wij ...
dat Torwald nu zooveel invloed op zooveel menschen krijgt. (_Haalt de
bonbons uit haar zak_). Dokter heeft u ook trek in bonbons?
RANK. Kijk eens aan, bonbons.... Ik dacht dat dat verboden waar was
hier.
NORA. Ja, maar deze heeft Kristine voor mij meegebracht.
MEVR. LINDE. Wat?... Ik?...
NORA. Nou ... nou ... schrik maar niet. Jij kon immers niet weten, dat
Torwald ze mij verboden heeft. Weet je, hij is bang dat ik er leelijke
tanden van krijgen zal. Maar och ... voor een enkel keertje.... Niet
waar dokter? Alsjeblieft. (_Stopt hem een bonbon in den mond_). En jij
ook Kristine. En ik mag er ook eentje ... een kleintje maar ... één ...
of op zijn hoogst twee! (_Loopt weer rond_). Nu ben ik toch zoo
in-gelukkig. Nu is er maar één ding in de wereld waar ik zoo'n dollen
lust in zou hebben.
RANK. En dat is?
NORA. Het is iets dat ik zoo dolgraag zou willen zeggen, zoo, dat
Torwald het hoorde.
RANK. En wáárom zegt u het dan niet?
NORA. Neen ... ik durf niet ... het is zoo leelijk.
MEVR. LINDE. Leelijk?
RANK. Ja, dan is het niet geraden. Maar tegen ons kan u 't toch wel....
Wat is het dan dat u zoo graag wou zeggen, zoo, dat Helmer het hoorde?
NORA. Ik heb zoo'n dollen lust om te zeggen: bliksems!
RANK. Hoe heb ik het nu met u!
MEVR. LINDE. 't Is zonde Nora.
RANK. Zeg u 't dan nu maar. Daar is hij!
NORA (_stopt de bonbons weg_). Sst, sst, sst!
(_Helmer komt uit zijn kamer met zijn overjas op den arm en zijn hoed in
de hand_).
NORA (_naar hem toegaand_). Wel Torwald-lief, ben je van hem af?
HELMER. Ja hij is weg.
NORA. Mag ik je even voorstellen: dat is Kristine die in de stad gekomen
is.
HELMER. Kristine?... Pardon, ik weet niet goed....
NORA. Mevrouw Linde, Torwald-lief; mevrouw Kristine Linde.
HELMER. Ach zoo. Vermoedelijk een vriendin van mijn vrouw uit haar
kindertijd?
MEVR. LINDE. Ja, wij hebben elkaar vroeger gekend.
NORA. En verbeeld je, nu heeft zij die lange reis hierheen gemaakt om
eens met jou te kunnen spreken.
HELMER. Dat wil zeggen?
MEVR. LINDE. Dat nu juist niet....
NORA. Kristine is namelijk zoo vreeselijk handig met kantoorwerk, en nu
wou ze zoo dolgraag onder de leiding komen van een knappen man, om er
zich nog verder in te bekwamen....
HELMER. Heel verstandig mevrouw.
NORA. En toen ze hoorde dat je directeur van die Bank was geworden--dat
was daar door een telegram bekend gemaakt--reisde zij, zoodra zij kon,
hier heen en.... Niet waar Torwald, je wilt, om mij plezier te doen, wel
wat voor Kristine doen? Zeg?