koffieservies aan te bieden. Laat het uwe tafel sieren wanneer wij in de
toekomst, zooals zoo vaak tot nog toe, het genoegen smaken in dit
gastvrije huis bijeen te komen.--En ook u, mijne heeren, die zoo
bereidwillig den grootsten man van onze maatschappij hebt bijgestaan,
verzoeken wij een klein geschenk als aandenken wel te willen aannemen.
Deze zilveren beker is voor u, mijnheer Rummel. U heeft zoo dikwijls in
veelzeggende woorden, onder 't klinken der glazen, voor onze
maatschappelijke belangen een lans gebroken; moge u nog dikwijls een
waardige gelegenheid vinden om dezen beker op te heffen en te
ledigen.--U, mijnheer Sandstad, mag ik dit album overreiken met
fotografieën van eenige medeburgers. Aan uwe bekende en erkende
humaniteit heeft u het te danken dat u vrienden telt in alle kringen der
maatschappij.--En voor u, mijnheer Vigeland, heb ik ter versiering van
uwe binnenkamer, deezen bundel preeken op velijn papier en in prachtband
aan te bieden. Onder der jaren rijpenden invloed is u tot een
hoogernstigen levensbeschouwing gekomen; uw arbeid in uw dagelijkschen
werkkring is in den loop der jaren, door de gedachte aan het hoogere en
het hiernamaals, gelouterd en geadeld (_keert zich tot de menigte_). En
hiermede, mijne vrienden: leve consul Bernick en zijn medestrijders! Een
hoera voor onze steunpilaren der maatschappij!
DE HEELE SCHARE. Leve consul Bernick! Leve de steunpilaren der
maatschappij! Hoera, hoera, hoera!
LONA. Mijn gelukwenschen, Karsten! (_Afwachtende stilte_).
BERNICK (_begint ernstig en langzaam_). Mijne medeburgers,... bij monde
van uw woordvoerder werd er gezegd dat wij heden staan aan den vooravond
van een nieuw tijdperk,... en ik hoop dat die verwachting verwezenlijkt
zal worden. Maar opdat dat zal kunnen geschieden, moeten wij de waarheid
zoeken,... de waarheid, die tot op heden doorgaans en in alle kringen
geen onderkomen gevonden heeft in deze maatschappij (_verrassing onder
de omstanders_).
BERNICK. Ik moet beginnen met de loftuigingen af te wijzen, waarmee u,
mijnheer Rörlund, volgens oud gebruik bij dergelijke gelegenheden, mij
heeft overladen. Ik verdien die niet; want ik ben tot op dezen dag geen
onzelfzuchtig man geweest. Al heb ik dan niet altijd naar geldelijk
voordeel gestreefd, dan ben ik mij nu althans wel bewust, dat de
begeerte, het verlangen naar macht, invloed, aanzien, de drijfveeren
zijn geweest bij de meeste mijner daden.
RUMMEL (_halfluid_). Wat beteekent dat?
BERNICK. Tegenover mijn medeburgers heb ik mij daarover niets te
verwijten; want ik geloof nog dat ik onder de bekwamen hier bij ons,
in de eerste rij mag plaats nemen.
VELE STEMMEN. Ja, ja, ja!
BERNICK. Maar wat ik mijzelf ten laste leg, is dat ik zoo dikwijls zwak
genoeg ben geweest om langs kronkelpaden te gaan, omdat ik bang was voor
de mij bekende neiging van onze maatschappij, om onzuivere motieven te
zoeken achter alles wat een man onderneemt. En nu kom ik tot een punt
dat daarmee samenhangt.
RUMMEL (_onrustig_). Hum ... hm!
BERNICK. Er loopen hier geruchten over groote terrein-aankoopen, in den
omtrek. Deze gronden heb ik gekocht, allemaal, ik alleen.
GEDEMPTE STEMMEN. Wat zegt hij? De consul? Consul Bernick?
BERNICK. Ze zijn voorlopig in mijn handen. Natuurlijk heb ik mijn
medewerkers, de heeren Rummel, Vigeland en Sandstad, in het vertrouwen
genomen, en zijn wij overeengekomen....
RUMMEL. Dat is niet waar! Bewijs ... bewijs...!
VIGELAND. Wij zijn niets overeengekomen!
SANDSTAD. Neen, nu moet ik toch zeggen....
BERNICK. Dat is heel juist; wij zijn nog niet overeengekomen over dàt,
wat ik zeggen wilde. Maar ik hoop vast, dat de drie heeren het met mij
eens zullen zijn, als ik zeg dat ik van avond besloten heb om van dit
grondbezit een algemeene vennootschap te maken; ieder die wil kan er
aandeel in krijgen.
VELE STEMMEN. Hoera! Leve consul Bernick!
RUMMEL (_zachtjes tegen Bernick_). Zoo'n gemeen verraad!...
SANDSTAD (_evenzoo_). Ons zoo voor den gek te houden...!
VIGELAND. De duivel zal me halen...! Och lieve Heertje wat zeg ik daar!
DE MENIGTE (_buiten_). Hoera, hoera, hoera!
BERNICK. Stilte, mijne heeren. Deze hulde komt mij niet toe; want dàt,
waartoe ik nu besloten heb, was niet van den beginne af mijn plan. Mijn
plan was het allemaal zelf te houden, en ik geloof nog, dat deze
bezittingen het best geëxploiteerd kunnen worden als ze in ééne hand
blijven. Maar ik laat u de keus. Wenscht men het, dan ben ik bereid ze
te beheeren naar mijn beste krachten.
STEMMEN. Ja! Ja! Ja!
BERNICK. Maar eerst moeten mijne medeburgers mij geheel kennen. Laat dàn
ieder met zich zelf te rade gaan, en laat het vast staan, dat wij van
heden avond af een nieuw tijdperk ingaan. De oude tijd, met zijn
blanketsel, met zijn huichelarij en valschen schijn, met zijn
leugenachtig fatsoen en zijn jammerlijke overwegingen, zal voor ons
worden als een museum ... toegankelijk voor hen die leeren willen; en
aan dat museum schenken wij,... niet waar heeren?... zoowel het
koffieservies als den beker, het album en den bundel preeken op velijn
papier en in prachtband.
RUMMEL. Ja natuurlijk.
VIGELAND (_bromt_). Als u het andere ons toch heeft afgenomen, dan....
SANDSTAD. Alsjeblieft.
BERNICK. Maar nu nog de voornaamste afrekening met mijn maatschappij. Er
werd gezegd dat slechte elementen ons van avond verlaten hadden. Ik kan
er bijvoegen, wat men nog niet weet: de man, op wien deze woorden
doelden, is niet alleen weggegaan; hem volgde om zijn vrouw te
worden....
LONA (_luid_). Dina Dorf.
RÖRLUND. Wat!
MEVR. BERNICK. Wàt zeg je? (_groote beweging_).
RÖRLUND. Gevlucht? Weggelopen ... met hèm! Onmogelijk!
BERNICK. Om zijn vrouw te worden, mijnheer Rörlund. En ik voeg er nog
iets bij. (_Zachtjes_) Betty, vat moed om te dragen wat er komen gaat.
(_Luid_) Ik zeg: hoeden af voor dien man! Want hij heeft grootmoedig de
schuld van een ander op zich genomen. Mijne medeburgers, ik wil alle
leugenachtigheid nu van mij wegdoen; het heeft niet veel gescheeld of
zij had iederen druppel bloeds in mij vergiftigd. Gij zult alles weten.
_Ik_ was de schuldige vijftien jaar geleden!
MEVR. BERNICK (_zacht en bevend_). Karsten!
MARTHA (_evenzoo_). O, Johan...!
LONA. Nu heb je eindelijk jezelf overwonnen!
(_Groote verbazing van alle aanwezigen_).
BERNICK. Ja, mijne medeburgers, ik was de schuldige en hij ging heen.
De leelijke en onware geruchten, die later uitgestrooid werden nu nog te
logenstraffen, daartoe is geen mensch meer bij machte. Maar daarover mag
ik mij niet beklagen. Vijftien jaar geleden heb ik van deze geruchten
gebruik gemaakt om mij naar boven te werken ... of ik nu daarmee ook
vallen moet, daarover moet een ieder maar met zichzelf te rade gaan.
RÖRLUND. Wat een donderslag! De eerste man van de stad...! (_gedempt
tegen mevr. Bernick_) Ach, wat beklaag ik u, mevrouw!
HILMAR. Zoo'n bekentenis! Nou, ik moet zeggen...!
BERNICK. Maar van avond geen beslissing. Ik verzoek iedereen naar huis
te gaan ... kalm na te denken ... en in zich zelf te kijken. Wanneer de
gemoederen tot rust zullen gekomen zijn, dan zal het blijken of ik
verloren of gewonnen heb door te spreken. Het ga u wèl! Er is nog veel,
veel waarover ik berouw gevoel; maar dat gaat alleen mijn eigen geweten
aan. Goeden nacht! Weg met alle feestelijkheid. Wij voelen nu allen wel
dat zoo iets hier niet op zijn plaats is.
RÖRLUND. Zeer zeker niet. (_gedempt tegen mevr. Bernick_) Weggelopen!
Zij was dus toch mijner geheel onwaardig. (_halfluid tegen de
feestcommissie_) Ja, heeren, mij dunkt na hetgeen er nu heeft
plaatsgehad, doen wij het best maar in alle stilte te vertrekken.
HILMAR. Hoe men na zoo iets nog de vaan der idee hoog zal kunnen houden,
dat.... Oeh!
(_Wat Bernick gezegd heeft is intusschen fluisterend van mond tot mond
gegaan. Alle deelnemers aan den stoet gaan door den tuin weg. Rummel,
Sandstad en Vigeland gaan heen, gedempt maar heftig met elkaar pratend.
Hilmar sluipt weg naar rechts. Bernick, Mevr. Bernick, Martha, Lona en
Krap zijn, onder stilzwijgen, in de kamer achtergebleven_).
BERNICK. Betty, kan je mij vergeven?
MEVR. BERNICK (_ziet hem glimlachend aan_). Weet je wel, Karsten, dat je
mij in al die jaren, niet zoo'n heerlijk vooruitzicht hebt geopend als
nu?
BERNICK. Hoezoo?
MEVR. BERNICK. Vele jaren lang heb ik geloofd dat ik je eens gehad had
en je weer had verloren. Nu weet ik dat ik je nooit gehad heb, maar nu
zal ik je weten te winnen.
BERNICK (_slaat zijn armen om haar heen_). O, Betty! je _hebt_ me al
gewonnen! Door Lona heb ik je eerst goed leeren kennen. Maar laat nu
Olaf komen!
MEVR. BERNICK. Ja, nu zal je hem terug hebben...! Mijnheer Krap! (_zij
spreekt op den achtergrond met hem. Hij gaat weg door de tuindeur. Onder
het volgende worden achtereenvolgens alle lichten en transparanten in de
huizen uitgedoofd_).
BERNICK (_gedempt_). Dank Lona, jij hebt het beste in mij ... en voor
mij ... gered.
LONA. Heb ik dan anders gewild?
BERNICK. Ja ... of neen? Ik kan niet goed wijs uit je worden....
LONA. Hm....
BERNICK. Dus geen haat? Geen wraak? Waarom ben je dan toch teruggekomen?
LONA. Oude liefde roest niet.
BERNICK. Lona!
LONA. Toen Johan mij dat van die leugen vertelde, toen zwoer ik bij
mezelf: de held van mijn jonge jaren _zal_ weer vrij voor mij staan,
vrij en waar!
BERNICK. O, hoe weinig heb ik, ellendig mensch, dat aan je verdiend!
LONA. Ja, Karsten, als wij vrouwen er naar vroegen wat verdiend is...!
(_Aune komt met Olaf uit den tuin_).
BERNICK (_loopt op hem toe_). Olaf!
OLAF. Vader, ik beloof u, dat ik nooit meer....
BERNICK. ... zal wegloopen?
OLAF. Ja, ja, dat beloof ik u, vader!
BERNICK. En ik beloof je dat je er nooit meer reden voor hebben zult.
Voortaan zal je vrij zijn om op te groeien, niet als erfgenaam van
_mijn_ levenstaak, maar als iemand die zijn eigen levenstaak hebben zal.
OLAF. En mag ik dan ook worden wat ik wil?
BERNICK. Ja, dat mag je.
OLAF. Dank u. Dan wil ik geen steunpilaar der maatschappij worden.
BERNICK. Zoo? En waarom niet?
OLAF. O, omdat mij dat zoo vervelend lijkt!
BERNICK. Je zult jezelf worden Olaf; de rest moet dan maar gaan zooals
het kan.--En jij Aune?
AUNE. Ik weet 't, meneer de consul, ik ben ontslagen.
BERNICK. Wij blijven bij elkaar, Aune; en vergeef mij....
AUNE. Hoezoo? Het schip gaat van avond niet meer uit.
BERNICK. En ook morgen nog niet. Ik stelde je een veel te korte termijn.
Het moet grondiger gerepareerd worden.
AUNE. Dat zal gebeuren, meneer de consul ... en mét de nieuwe machines!
BERNICK. Zoo is het best. Maar grondig en nauwkeurig! Er is veel dat bij
ons grondige en nauwkeurige reparatie noodig heeft. Nu, goeden nacht,
Aune.
AUNE. Goeden nacht, meneer de consul;... en dank, dank, dank! (_hij gaat
weg naar rechts_).
MEVR. BERNICK. Nu zijn ze allemaal weg.
BERNICK. En wij zijn alleen. Mijn naam schittert niet langer in vurige
letters; alle lichten zijn uitgedoofd in de ramen.
LONA. Zou je ze weer aangestoken willen hebben?
BERNICK. Voor geen geld van de wereld! Wat ben ik ver weg geweest! Je
zult er van verbijsterd staan als je het hoort. 't Is me nu of ik na een
vergiftiging weer tot bezinning en tot mezelf gekomen ben. Maar ik voel
het ... ik kàn nog weer jong en gezond worden. O, komt dichterbij ...
vlak naast mij. Kom Betty! Kom Olaf, mijn jongen! En jij, Martha;... 't
is of ik je in al die jaren niet gezien heb.
LONA. Neen, dat geloof ik ook. Jullie maatschappij is er een van oude
jonggezellen; jullie kijkt niet naar de vrouw.
BERNICK. 't Is waar ... heel waar; en juist daarom ... ja, hoor, dat
staat vast, Lona, je mag niet weer weggaan van Betty en mij.
MEVR. BERNICK. Neen, Lona, je mag niet meer weg.
LONA. Neen; hoe zou ik het ook kunnen verantwoorden weg te gaan van
jullie jonge luitjes die nu pas je jonge leven gaat beginnen. Ben ik
niet de pleegmoeder? Jij en ik, Martha, wij twee oude tantes.... Waar
kijk je naar?
MARTHA. Hoe de lucht opklaart. Hoe het licht wordt over de zee! "De
Palmboom" is een geluksschip.
LONA. En heeft het geluk aan boord.
BERNICK. En wij ... wij hebben een langen, ernstigen werkdag vóór ons;
_ik_ vooral. Maar die mag komen; blijft maar dicht om mij heen, jullie
trouwe, brave vrouwen. Dát heb ik ook geleerd in deze dagen; jullie
vrouwen zijn de ware steunpilaren van de maatschappij.
LONA. Dan heb je toch maar gebrekkige wijsheid opgedaan, Karsten. (_Legt
haar handen zwaar op zijn schouders_) Neen, hoor; waarheid en vrijheid
... dàt zijn de steunpilaren der maatschappij!
EINDE VAN HET VIERDE OF LAATSTE BEDRIJF
* * * * *
NORA
(EEN POPPENHUIS)
DRAMA IN DRIE BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
Advocaat HELMER.
NORA, zijne vrouw.
Dokter RANK.
Mevrouw LINDE.
Zaakwaarnemer KROGSTAD.
HELMER's drie kleine kinderen.
ANNA-MARIE, kindermeid bij Helmer.
HELENE, dienstmeisje.
Besteller.
(Speelt in HELMER's huis.)
* * * * *
EERSTE BEDRIJF.
Een gezellig en smaakvol maar niet kostbaar gemeubelde kamer.
Rechts een deur op den achtergrond leidt naar het portaal; een
tweede deur links achter leidt naar Helmer's werkkamer. Tusschen
deze beide deuren een piano. Midden in den linkerwand een deur en
verderop een raam. Bij het raam een ronde tafel met leunstoelen en
een kleine sofa. In den rechterwand een deur, en aan denzelfden
kant, iets meer op den voorgrond een porceleinen kachel met een
paar gemakkelijke stoelen en een schommelstoel. Tusschen de kachel
en de zijdeur een klein tafeltje. Kopergravures aan de wanden. Een
étagère met kleine snuisterijen; een boekenkastje met boeken in
prachtbanden. Een kleed op den vloer; vuur in de kachel. Het is
winter.
Er wordt gebeld op het portaal; even daarna hoort men dat er wordt
open gedaan; Nora komt vroolijk neuriënd de kamer binnen; zij is
gekleed met hoed en mantel en draagt een massa pakjes, die zij op
de tafel rechts neerlegt. Zij laat de deur naar het portaal open
staan, en men ziet een besteller staan met een kerstboom en een
mand, die hij overgeeft aan het dienstmeisje, dat de deur heeft
open gedaan.
* * * * *
NORA. Stop den kerstboom goed weg, Helene. De kinderen mogen hem vooral
niet te zien krijgen voor van avond, als hij opgesierd is. (_Tegen den
besteller, terwijl zij haar portemonnaie voor den dag haalt_). Hoeveel?
BESTELLER. Een halve kroon.
NORA. Daar heb je een kroon. Houd maar. (_De besteller bedankt en
vertrekt. Nora sluit de deur, terwijl zij haar hoed afdoet lacht zij
vergenoegd in zichzelf_).
NORA (_haalt een zakje bonbons uit haar zak en eet er een paar van; gaat
dan voorzichtig naar de deur van Helmers kamer en luistert_). Jawel hij
is thuis. (_Begint weer te neuriën terwijl zij naar de tafel rechts
gaat_).
HELMER (_in zijn kamer_). Is dat mijn leeuwerikje dat daar zingt?
NORA (_bezig haar pakjes open te maken_). Ja!
HELMER. Is dat mijn eekhorentje dat daar rondtrippelt?
NORA. Ja-a!
HELMER. Wanneer is het eekhorentje thuis gekomen?
NORA. Daar net pas. (_Stopt het zakje in haar zak en veegt haar mond
af_). Kom eens hier, Torwald, kom eens kijken wat ik gekocht heb.
HELMER. Stil, even wachten! (_Even daarna doet hij de deur open en kijkt
naar binnen, met de pen in de hand_). Gekocht zeg je? Dat allemaal? Is
mijn verspilstertje weer eens aan 't geld verdoen geweest?
NORA. Ja maar, Torwald, dit jaar mogen wij nu wel eens een beetje uit
den band springen. Dit is het eerste kerstfeest dat wij niet zuinig
hoeven te zijn.
HELMER. Ja maar, weet je, ook vooral niet verkwistend.
NORA. Jawel, Torwald, een beetje verkwistend kunnen wij nu wel zijn. Is
't niet? Maar een heel, heel klein beetje. Je krijgt immers nu een groot
salaris en gaat heel veel geld verdienen.
HELMER. Ja, met Nieuwjaar; maar dan moeten er nog een heele drie maanden
verloopen eer ik mijn salaris ontvang.
NORA. Poeh! tot zoolang kunnen we immers wel wat leenen.
HELMER. Nora! (_Gaat naar haar toe en pakt haar schertsend bij haar
oor_). Heeft de lichtzinnigheid je weer te pakken? Stel nu eens dat ik
duizend kronen leende en jij zoudt ze in den kersttijd opmaken, en ik
kreeg op Oudejaarsavond een dakpan op mijn hoofd, die me dood....
NORA (_houdt hem de hand voor den mond_). Hè foei! wil je wel eens niet
zulke akelige dingen zeggen.
HELMER. Jawel maar, stèl nu eens dat zoo iets gebeurde ... wat dan?
NORA. Als er zoo iets vreeselijks gebeurde, zou het mij totaal
onverschillig zijn of ik schulden had of niet.
HELMER. Goed ... maar de menschen van wie ik het geleend had?
NORA. Die? wat gaan die mij aan! Dat zijn toch maar vreemden.
HELMER. Nora! Nora! Je bent toch een echte vrouw! Neen, maar in vollen
ernst Nora, je weet hoe ik over die dingen denk. Geen schulden maken!
Nooit leenen! Er komt een gevoel van onvrijheid en ook iets dat niet
mooi is in een huishouden, dat berust op schulden en geleend geld. Wij
hebben ons tot nu toe flink weten te redden, en dat zullen wij ook
verder doen, den korten tijd dat het nog noodig is.
NORA (_gaat naar de kachel_). 't Is goed Torwald. Zooals je wilt.
HELMER (_volgt haar_). Maar nu mag mijn leeuwerikje daarom de
vleugeltjes niet laten hangen, hoor! Wat? Pruilt mijn eekhorentje?
(_haalt zijn portemonnaie uit zijn zak_).... Nora, wat denk je wel dat ik
hier heb?
NORA (_wendt zich vlug om_). Geld!...
HELMER. Ziedaar. (_Telt haar eenig papiergeld uit_). Ik weet immers wel,
kindje, dat er heel wat geld noodig is in een huishouden in den
kersttijd.
NORA (_telt_). Tien ... twintig ... dertig ... veertig. O, dank je, dank
je, Torwald; daar kom ik een heelen tijd mee toe!
HELMER. Maar dat moet dan nu ook in ernst, hoor!
NORA. Ja zeker, dat zal ik ook wel. Maar kom nu eens hier, dan zal ik je
alles eens laten zien wat ik gekocht heb. En zoo goedkoop! Kijk, hier is
een nieuw pakje voor Ivar ... en dan nog een sabel. Hier is een paard en
een trompet voor Bob. En hier is een pop en een poppenbedje voor Emmy;
dat is nu niet zoo erg mooi, maar zij maakt toch dadelijk alles kapot.
En hier heb ik goed voor japonnen en zakdoeken voor de meiden; de oude
Anna-Marie mocht eigenlijk wel wat meer hebben.
HELMER. En wat zit er in dat pakje daar?
NORA (_met een gilletje_). Neen, Torwald, dat mag je niet zien vóór van
avond!
HELMER. Zoo, zoo. Maar vertel me nu eens, jij kleine verspilster, wat
zou je nu zelf graag hebben?
NORA. O, ik? Ik geef eigenlijk nergens om.
HELMER. Jawel, dat doe je wel. Noem nu eens iets voor mijn beurs
beschikbaars dat je erg graag zoudt willen hebben.
NORA. Neen, ik weet 't heusch niet. Ja toch ... hoor eens, Torwald....
HELMER. Ja?
NORA (_speelt met de knoopen van zijn jas zonder hem aan te zien_). Als
je me dan volstrekt iets geven wilt, dan zou je ... zou je....
HELMER. Nou dan ... voor den dag er mee!...
NORA (_haastig_). Dan zou je mij geld kunnen geven, Torwald. Alleen maar
zoo veel als je denkt dat je missen kunt; dan zal ik er dezer dagen wel
eens wat voor koopen.
HELMER. Neen maar, Nora....
NORA. Och toe, doe het maar, Torwald-lief; ik wou het zoo heel graag.
Dan zal ik het geld in een mooi goud papiertje pakken en aan den
kerstboom hangen. Zal dat niet leuk zijn?
HELMER. Hoe noemen we ook weer iemand die zoo graag te veel geld
uitgeeft?
NORA. Jawel, een verspilstertje, dat weet ik nu wel. Maar laten wij het
nu zóó maar doen, Torwald; dan heb ik den tijd om eens te bedenken wat
ik het best kan gebruiken. Is dat nu niet heel verstandig? Zeg?
HELMER (_glimlachend_). Ja zeker ... dat wil zeggen, als je heusch dat
geld kon bewaren en er dan werkelijk iets voor je zelf van kocht. Maar
zoo wordt het toch weer in het huishouden en voor allerlei onnoodige
dingen gebruikt en dan moet ik later maar wéér opdokken.
NORA. Hè toch, Torwald!
HELMER. 't Is niets anders, mijn lieve Noraatje. Mijn leeuwerikje is
allerliefst, maar het is een duur hoûbeestje. Niemand zou kunnen
gelooven dat het een man zooveel geld kost er zoo'n lief diertje op na
te houden.
NORA. Hè, hoe kan je dat nu zeggen? Ik spaar toch heusch zooveel ik maar
kan.
HELMER (_lacht_). Ja ... dat is een waar woord. Zooveel je maar kunt.
Maar je kunt het heelemaal niet!
NORA. Hm ... ja... je moest maar eens weten hoeveel uitgaven wij
leeuweriken en eekhorens hebben!
HELMER. Je bent een wonderlijk klein ding. Precies je vader. Je bent er
altijd op uit om aan geld te komen, maar zoo als je het hebt, glijdt het
je letterlijk door de vingers; je weet nooit wat je er mee uitvoert. Nou
... wij moeten je maar nemen zooals je bent. Dat zit in 't bloed. Ja
heusch, zoo iets is erfelijk.
NORA. Ik wou dat ik maar een heeleboel eigenschappen van Papa geërfd
had.
HELMER. En ik wou je niet graag anders hebben dan je bent, net zooals je
bent, mijn lief klein zangvogeltje. Maar hoor eens eventjes; ik bedenk
me daar wat. Je ziet er zoo ... zoo ... hoe zal ik het noemen ... zoo
verdacht uit vandaag....
NORA. Ik?
HELMER. Ja. Kijk mij eens goed aan?
NORA (_doet het_). En dan?
HELMER (_dreigt met den vinger_). Heeft mijn lekkerbekje vandaag niet
gesnoept toen ze in de stad was?
NORA. Welneen, hoe kom je er bij!
HELMER. Is mijn lekkerbekje heusch niet eens eventjes bij een
banketbakker binnen gegaan?
NORA. Neen, heusch niet, Torwald.
HELMER. Niet een beetje confituren gesnoept?
NORA. Neen, heelemaal niet.
HELMER. Zelfs niet eens wat bonbons geknabbeld?
NORA. Och neen, Torwald, heusch niet....
HELMER. Nou ... nou ... nou ... ik zeg 't natuurlijk maar voor de
grap....
NORA (_gaat naar de tafel_). 't Zou toch immers niet in mij opkomen iets
te doen dat jij niet graag hebt.
HELMER. Neen, dat weet ik ook wel; en je hebt mij immers je woord
gegeven.... (_Gaat naar haar toe_). Bewaar jij je verrassingen en
geheimpjes dan maar, mijn lieveling. Die komen van avond, als de
kerstboom aangestoken is, wel aan het licht, denk ik.
NORA. Heb je er aan gedacht dokter Rank te inviteeren?
HELMER. Neen. Maar dat hoeft ook niet; het spreekt toch van zelf dat hij
bij ons eet. Toch zal ik het hem straks nog vragen als hij komt. Fijnen
wijn heb ik besteld. O, Nora, je weet niet hoe ik mij op van avond
verheug!
NORA. Ik ook. En wat zullen de kinderen een pret hebben!
HELMER. Hè, het is toch een heerlijke gedachte dat ik nu een goede vaste
positie heb, met een ruim salaris. Niet waar? Het is een waar genot
daaraan te denken.
NORA. O, het is héérlijk.
HELMER. Weet je wel verleden jaar kerstmis? Drie weken te voren ging jij
je elken avond opsluiten en zat tot diep in den nacht bloemen te maken
voor den kerstboom en allerlei andere mooiigheden om ons te verrassen.
Bah, dat was de vervelendste tijd dien ik ooit beleefd heb.
NORA. Maar ik verveelde mij heelemaal niet.
HELMER (_glimlachend_). Maar het viel toch wel een beetje povertjes uit,
hè?
NORA. Moet je mij daar nù nog mee plagen? Kon ik het helpen dat de kat
binnen gekomen was en alles kapot had gemaakt?
HELMER. Neen, zeker niet, mijn arme Noraatje. Jij hadt de lieve
bedoeling ons allemaal blij te maken, en dat is de hoofdzaak. Maar het
is toch maar goed dat die benauwde tijden voorbij zijn.
NORA. Ja, dat is echt héérlijk.
HELMER. Nu hoef ik niet meer alleen te zitten en mij te vervelen, en jij
hoeft je lieve oogen en je mooie fijne handjes niet meer te
vermoeien....
NORA (_klapt in de handen_). Neen, hè? dat hoeft nu niet meer. O, wat is
dat toch innig heerlijk om te hooren! (_Grijpt zijn arm_). Nu zal ik je
eens vertellen, Torwald, hoe ik had gedacht dat wij het hier moesten
inrichten. Zoodra het Nieuwjaar is.... (_Bellen vóór_). O, daar wordt
gebeld. (_Reddert de kamer wat op_). Daar is zeker visite! Hoe
vervelend!
HELMER. Ik ben niet thuis voor visite, dat weet je.
DIENSTMEISJE (_in de deur_). Mevrouw daar is een vreemde dame.
NORA. Laat mevrouw binnen.
DIENSTMEISJE (_tegen Helmer_). En de dokter is er ook.
HELMER. Is hij naar mijn kamer gegaan?
DIENSTMEISJE. Ja mijnheer.
(_Helmer gaat naar zijn kamer. Het meisje laat mevrouw Linde binnen die
in reistoilet is, en doet de deur acht zich dicht_).
MEVR. LINDE (_beschroomd en een beetje aarzelend_). Dag Nora.
NORA (_weifelend_). Dag ... e....
MEVR. LINDE. Je kent me zeker niet meer.
NORA. Neen ... ik weet niet goed.... O ja, ik meen toch van wel.
(_Uitbarstend_). Wat! Kristine! Ben jij het heusch?
MEVR. LINDE. Ja, ik ben het.
NORA. Kristine! En ik die je niet herkende! Maar hoe kon ik ook....
(_Zachter_). Wat ben je veranderd, Kristine!
MEVR. LINDE. Ja, dat ben ik zeker. In negen ... tien lange jaren....
NORA. Is het al zóó lang geleden dat wij elkaar gezien hebben? Ja ...
dat moet wel. Och, de laatste acht jaren zijn zoo'n gelukkige tijd
geweest! En ben je nu ook hier in de stad gekomen? Die heele lange reis
in den winter ... dat is een dapper stuk.
MEVR. LINDE. Ja, ik ben net van ochtend met de boot aangekomen.
NORA. Natuurlijk om het kerstfeest mee te vieren. Dat is heerlijk! Nu we
zullen ons stellig best amuseeren. Maar doe je hoed toch af! Je hebt het
toch niet te koud? (_Helpt haar_). Zie zoo; nu gaan we eens gezellig bij
de kachel zitten. Neen, dáár in dien gemakkelijken stoel ... ik hier in
den schommelstoel. (_Vat haar handen_). Ja, nu heb je je oude bekende
gezicht toch weer ... het was maar zoo in 't eerste oogenblik.... Een
beetje bleeker ben je wel geworden ... en misschien een beetje magerder
ook.
MEVR. LINDE. En veel, veel ouder, Nora.
NORA. Ja, misschien een beetje ouder ook; een heel heel klein beetje;
lang niet zoo erg veel. (_Houdt plotseling op--ernstig_). O maar waar
heb ik toch mijn hersens ... ik zit hier zoo maar te babbelen!... Lieve,
beste Kristine kan je het mij vergeven?
MEVR. LINDE. Wat bedoel je Nora?