weduwe?
MEVR. LINDE. Ja.
HELMER. En heeft u al wat ondervinding in kantoorzaken?
MEVR. LINDE. Ja, tamelijk wel.
HELMER. Nu, dan is het heel waarschijnlijk dat ik u een betrekking zal
kunnen bezorgen....
NORA (_klapt in haar handen_). Zie je wel! Zie je wel!
HELMER. U is op een gelukkig oogenblik gekomen, mevrouw....
MEVR. LINDE. O, hoe kan ik u genoeg danken?...
HELMER. Heelemaal niet noodig. (_Trekt zijn overjas aan_). Maar vandaag
moet u mij excuseeren....
RANK. Wacht, ik ga met je mee. (_Haalt zijn pels uit het portaal en
warmt dien bij den kachel_).
NORA. Blijf niet lang weg, Torwald-lief.
HELMER. Een uurtje maar, langer niet.
NORA. Ga jij ook weg, Kristine?
MEVR. LINDE (_doet haar mantel om_). Ja ik moet weg; ik moet nog een
kamer zoeken.
HELMER. Dan kunnen wij misschien zoo ver samen gaan.
NORA (_helpt haar_). Hoe vervelend nu dat we zoo klein behuisd zijn,
maar wij kunnen je onmogelijk....
MEVR. LINDE. Och welneen. Hoe kom je er bij! Dag Nora-lief, hartelijk
dank voor alles!
NORA. Tot ziens. Ja, zeg, je komt toch van avond terug? En u ook dokter?
Wat? Of u wel genoeg zal zijn? Wel ja, natuurlijk wel; pak u maar goed
in. (_Onder algemeen gepraat gaan zij het portaal op. Buiten op de trap
klinken kinderstemmen_).
NORA. Daar zijn ze! Daar zijn ze! (_Zij gaat gauw de buitendeur
opendoen. De kindermeid Anna-Marie komt met de kinderen boven. Pakt en
kust ze_). Hier zijn mijn schatjes, mijn lievelingen!... Daar heb je ze
nu Kristine! Zijn ze niet heerlijk?
RANK. Niet hier in den tocht blijven staan praten!
HELMER. Kom mevrouw Linde, nu wordt het hier niet meer uit te houden
voor iemand die geen kinderen heeft.
(_Dokter Rank, Helmer en mevr. Linde gaan naar beneden. De kindermeid
gaat met de kinderen naar binnen. Nora ook, en sluit dan de deur_).
NORA. Wat zien jullie er frisch en lekker uit. Wat een roode wangen! Als
appeltjes en rozen. (_De kinderen praten den heelen tijd er tusschen
door_). Heb je zoo'n pret gehad? Dat is best. Och kom! heb jij Emmy en
Bob tegelijk gesleed? Neen maar, verbeeld je toch eens. Je bent een
flinke jongen, Ivar. Och, Anna-Marie, geef haar mij een beetje. Mijn
lief klein poppekindje! (_Neemt het kleinste op den arm en danst er mee
door de kamer_). Ja ... ja, mama zal ook met Bob dansen. Wat? Hebben
jullie sneeuwballen gegooid? O, daar had ik bij moeten zijn! Neen, laat
maar, ik zal ze zelf wel uitkleeden Anna-Marie. Toe ja, laat mij dat nu
eens doen ... het is zoo prettig. Ga jij maar even naar de kinderkamer;
je ziet er verkleumd uit. Er staat nog warme koffie op de kachel voor
je.
(_De meid gaat in de kamer links. Nora trekt de kinderen hun jasjes enz.
uit en gooit het goed hier en daar neer, terwijl zij hen door elkander
laat vertellen_).
NORA. Och heusch? Was er een groote hond die je achterna liep? Maar hij
beet je niet hè? Neen, de honden bijten zulke lieve zoete poppekindjes
niet. Niet in de pakjes kijken, Ivar! Wat dat is? Ja dat zou je wel eens
willen weten. Neen ... neen ... daar zit iets leelijks in. Wat? Spelen?
Maar wàt dan? Verstoppertje? Ja, dat is goed, we zullen verstoppertje
spelen. Bob moet zich het eerst verstoppen. Moet _ik_ het doen? Goed
dan--dan zal ik mij verstoppen.
(_Zij en de kinderen spelen lachend en juichend in de kamer en in de
aangrenzende kamer rechts. Ten slotte verstopt Nora zich onder de tafel;
de kinderen stormen naar binnen, maar kunnen haar niet vinden; zij
hooren haar gesmoord lachen, loopen naar de tafel toe, lichten het
tafelkleed op en zien haar. Stormachtig gejuich. Zij kruipt te
voorschijn alsof zij hen bang maken wil. Nieuw gejuich. Er is intusschen
geklopt; niemand heeft er op gelet. Nu wordt de deur half geopend en
Krogstad komt te voorschijn; hij wacht even; het spel wordt
voortgezet_).
KROGSTAD. Neem me niet kwalijk, mevrouw Helmer....
NORA (_met een gesmoorden kreet, keert zich om en springt half op_). Ah!
wat wou u?
KROGSTAD. Excuseer mij, maar de buitendeur stond aan; de een of ander
heeft zeker vergeten ze te sluiten....
NORA (_staat op_). Mijn man is niet thuis, meneer Krogstad.
KROGSTAD. Dat weet ik.
NORA. O ... ja? wat wou u dan eigenlijk?
KROGSTAD. Een woordje met u spreken.
NORA. Met...? (_Tegen de kinderen zachtjes_). Gaat nu zoet naar
Anna-Marie. Wat? Neen, die vreemde man zal mama heusch geen kwaad doen.
Als hij weg is gaan we weer spelen. (_Zij brengt de kinderen in de kamer
links en doet de deur achter hen dicht. Gejaagd, zenuwachtig_). Wou u
met mij spreken?
KROGSTAD. Ja.
NORA. Van daag?... Maar het is toch nog niet de eerste van de maand.
KROGSTAD. Neen ... het is kerstavond. Het zal van u zelf afhangen, of
dat een gelukkige avond voor u zijn zal.
NORA. Wat wilt u toch? Ik kan vandaag heelemaal niet....
KROGSTAD. Daar zullen wij voorloopig niet meer over spreken. Het is iets
anders. U heeft toch wel een oogenblikje tijd?
NORA. O ja, zeker, 'k heb wel een oogenblikje, hoewel....
KROGSTAD. Alsjeblieft dan. Ik zat in het restaurant van Olsen en zag uw
man voorbijgaan....
NORA. Ja?...
KROGSTAD. ... met een dame.
NORA. En wat zou dat?
KROGSTAD. Zou ik zoo vrij mogen zijn te vragen: was die dame niet een
zekere mevrouw Linde?
NORA. Jawel.
KROGSTAD. Zoo pas in de stad gekomen.
NORA. Ja ... van daag.
KROGSTAD. Zij is immers een goede vriendin van u?
NORA. Ja zeker. Maar ik zie niet in....
KROGSTAD. Ik heb haar vroeger ook gekend.
NORA. Dat weet ik.
KROGSTAD. Zoo? Is u op de hoogte van de zaak? Dat dacht ik wel. Mag ik u
dan kort en goed vragen of mevrouw Linde een betrekking krijgt bij de
Hypotheekbank?
NORA. Hoe durft u zoo vrijpostig zijn om _mij_ uit te vragen, meneer
Krogstad, u, een van mijn mans ondergeschikten? Maar omdat u er naar
vraagt, zal u 't weten ook. Ja, mevrouw Linde zal een betrekking
krijgen. En ik ben het die haar die bezorgd heeft. Nu weet u het meneer
Krogstad.
KROGSTAD. Mijn vermoeden was dus juist.
NORA (_loopt in de kamer op en neer_). O, een klein beetje invloed heeft
iemand toch altijd nog wel, zou ik denken. Al ben ik dan maar een vrouw,
daarom is het nog volstrekt niet gezegd dat.... Als men in een
ondergeschikte positie verkeert, meneer Krogstad, mag men zich waarlijk
wel wachten om iemand voor het hoofd te stooten, die ... hm....
KROGSTAD. ... die invloed heeft?
NORA. Juist, ja.
KROGSTAD (_met veranderde stem_). Mevrouw Helmer, wil u zoo goed zijn om
uw invloed te mijnen behoeve te gebruiken?
NORA. Wat bedoelt u?
KROGSTAD. Wil u zoo goed zijn er voor te zorgen dat ik mijn
ondergeschikte betrekking bij de Bank behoud?
NORA. Wat beteekent dat? Wie denkt er aan u uw betrekking te ontnemen?
KROGSTAD. O, u hoeft tegenover mij niet te doen alsof u van niets weet.
Ik begrijp heel goed dat het uw vriendin niet aangenaam kan zijn zich
bloot te stellen aan een ontmoeting met mij; en ik begrijp nu ook aan
wie ik het te danken zal hebben als ik weggejaagd word.
NORA. Maar ik geef u de verzekering....
KROGSTAD. Jawel, jawel ... kort en goed: het is nu nog tijd, en ik geef
u den raad uw invloed te gebruiken om het te verhinderen.
NORA. Maar meneer Krogstad, ik heb volstrekt geen invloed.
KROGSTAD. Zoo? Ik dacht dat u daar straks zelf zei....
NORA. Dat was natuurlijk zóó niet op te vatten. Ik! Hoe kan u gelooven
dat ik zóó'n invloed op mijn man heb?
KROGSTAD. O, ik ken uw man al van onzen studententijd af. Ik denk niet
dat meneer de Bankdirecteur vaster in zijn schoenen staat dan andere
getrouwde mannen.
NORA. Als u geringschattend over mijn man spreekt, wijs ik u de deur.
KROGSTAD. Mevrouw is dapper.
NORA. Ik ben niet langer bang voor u. Na Nieuwjaar zal ik gauw van de
heele geschiedenis af zijn.
KROGSTAD (_zich beheerschend_). Luister nu eens, mevrouw. Als de nood
aan den man komt, ben ik van plan een strijd op leven en dood te voeren
om mijn postje aan de Bank te behouden.
NORA. Ja, dat begint er heusch naar uit te zien.
KROGSTAD. Het is niet alleen om het salaris; daar is het mij het minst
om te doen. Maar er is iets anders.... Nou ja, ik zal 't maar zeggen.
Ziet u, het is dit: u weet natuurlijk evengoed als iedereen dat ik mij,
vele jaren geleden, aan een onbezonnenheid heb schuldig gemaakt.
NORA. Ik geloof dat ik daar wel eens iets van gehoord heb.
KROGSTAD. De zaak is niet voor het gerecht gekomen; maar toch waren
terstond alle wegen voor mij afgesloten, als 't ware. Zoo kwam ik er toe
mij in te laten met het soort van zaken dat u weet. Iets moest ik wel
aanpakken, en ik durf zeggen dat ik nog niet een van de slechtsten in
mijn soort ben. Maar nu wil ik dien heelen boel aan kant doen. Mijn
zoons beginnen groot te worden; om hunnentwil moet ik mijn best doen om
zooveel mogelijk weer in de algemeene achting te rijzen. Dat postje bij
de Bank was om zoo te zeggen de eerste sport op de ladder daartoe. En nu
wil uw man mij van de ladder afschoppen, zoodat ik weer beneden in de
modder kom te liggen.
NORA. Maar, goede hemel, meneer Krogstad, het staat heusch niet in mijn
macht om u te helpen.
KROGSTAD. Dat komt eenvoudig omdat u niet wil. Maar ik bezit de middelen
om u te dwingen.
NORA. U wil toch niet aan mijn man gaan vertellen dat ik u geld schuldig
ben?
KROGSTAD. Hm; en als ik dat nu eens deed?
NORA. Dat zou een schandelijke manier van doen zijn. (_Met tranen in
haar stem_). Dat geheim dat mijn vreugde en mijn trots is, dat zou hij
op zoo'n leelijke en plompe manier te weten komen ... te weten door _u_.
U zal mij aan de vreeselijkste onaangenaamheden bloot stellen....
KROGSTAD. Enkel maar onaangenaamheden?
NORA (_heftig_). Maar doe het maar; het zal voor u zelf het ergst zijn;
want dan zal mijn man pas eens goed zien wat voor een slecht mensch u
is, en dan zal u heel zeker uw betrekking niet behouden.
KROGSTAD. Ik vroeg of het enkel huiselijke onaangenaamheden waren, waar
u bang voor is?
NORA. Als mijn man het te weten komt, zal hij natuurlijk terstond
betalen wat er nog staat; en dan hebben wij verder niets meer met u te
maken.
KROGSTAD (_een beetje dichterbij_). Hoor eens, mevrouw Helmer; u heeft
òf geen heel sterk geheugen, òf heelemaal geen begrip van zaken. Ik zal
u de zaak eens wat duidelijker maken.
NORA. Hoe dan?
KROGSTAD. Toen uw man ziek was, kwam u bij mij om vijfduizend kronen te
leen.
NORA. Ik wist niemand anders.
KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen.
NORA. En dat deed u ook.
KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen onder zekere
voorwaarden. U was toen zoo bezet met de ziekte van uw man en zoo
verlangend om het geld voor de reis in handen te krijgen, dat u, geloof
ik, geen gedachte meer over had voor alle bijkomende omstandigheden. Het
kan daarom niet misplaatst zijn u daaraan nog eens te herinneren. Dus:
ik beloofde u het geld te bezorgen tegen een schuldbekentenis, die ik u
opmaakte.
NORA. En die ik onderteekende.
KROGSTAD. Juist. Maar onderaan voegde ik er eenige regels bij, waarin
stond dat uw vader borg bleef voor de som. Deze regels moest uw vader
onderteekenen.
NORA. Moest?... Hij heeft ze immers onderteekend.
KROGSTAD. Ik had den datum in blanco gelaten; d.w.z. uw vader moest zelf
invullen op welken dag hij het papier teekende. Herinnert mevrouw zich
dat?
NORA. Ja ... ik geloof 't wel....
KROGSTAD. Daarna gaf ik u de schuldbekentenis om die per post op te
sturen aan uw vader. Was het zoo niet?
NORA. Jawel.
KROGSTAD. En dat deed u natuurlijk ook terstond; want al vijf of zes
dagen later bracht u mij de schuldbekentenis met de onderteekening van
uw vader terug. En toen betaalde ik u het geld uit.
NORA. Nu ja; heb ik dan niet behoorlijk afbetaald?
KROGSTAD. Zoo tamelijk, jawel. Maar ... om nog eens terug te komen op
dat waar wij over spraken ... dat was toen wel een moeilijke tijd voor
u, mevrouw.
NORA. Dat was het zeker.
KROGSTAD. Uw vader was toen ook heel ziek, meen ik.
NORA. Hij lag op sterven.
KROGSTAD. En stierf ook kort daarna?
NORA. Ja.
KROGSTAD. Herinnert u zich toevallig den sterfdag van uw vader? Welke
dag van de maand het was, bedoel ik.
NORA. Papa stierf den 29sten September.
KROGSTAD. Dat komt precies uit; ik heb het nagevraagd. En daarom is er
iets zonderlings in de zaak (_haalt een papier voor den dag_) dat ik mij
volstrekt niet verklaren kan.
NORA. Wat voor zonderlings? Ik weet niet....
KROGSTAD. Het zonderlinge, mevrouw, is dat uw vader deze
schuldbekentenis heeft onderteekend drie dagen na zijn dood.
NORA. Hoe dat? Ik begrijp niet....
KROGSTAD. Uw vader stierf den 29sten September. Maar kijk nu eens hier.
Hier heeft uw vader zijn handteekening gedateerd op den 2den October. Is
dat niet vreemd, mevrouw?
NORA (_zwijgt_).
KROGSTAD. Kan u mij dat verklaren?
NORA (_blijft zwijgen_).
KROGSTAD. Opvallend is het ook, dat de woorden 2 October en het jaartal
niet geschreven zijn met de hand van uw vader, maar met een hand die ik
meen te kennen. Nu, er is wel een verklaring voor te vinden; uw vader
kan vergeten hebben den datum er bij te zetten, en de een of ander heeft
dien op de gis ingevuld, eer zijn dood nog bekend was. Daar steekt geen
kwaad in. Waar het op aan komt is de handteekening. En die is toch wel
echt, niet waar mevrouw? Het is toch inderdaad uw vader, die daar zelf
zijn naam heeft neergeschreven?
NORA (_na eenig zwijgen--werpt het hoofd in den nek en ziet hem
uitdagend aan_). Neen ... die is niet echt. Ik ben het die papa's naam
geschreven heb.
KROGSTAD. Mevrouw ... weet u wel dat dat een gevaarlijke bekentenis is?
NORA. Waarom? U zal uw geld gauw genoeg krijgen.
KROGSTAD. Mag ik u een vraag doen?... Waarom zond u dat papier niet aan
uw vader?
NORA. Dat was onmogelijk. Papa was immers al zoo zwaar ziek. Als ik hem
om zijn onderteekening had gevraagd, had ik hem ook moeten zeggen
waarvoor ik het geld gebruiken moest. Maar ik kòn hem toch niet zeggen,
zoo ziek als hij was, dat het leven van mijn man in gevaar was. Dat wàs
toch onmogelijk.
KROGSTAD. Dan was het beter geweest voor u als u die reis maar had
opgegeven.
NORA. Neen ... dat kon heelemaal niet. Die reis moest immers het leven
van mijn man redden. Die kòn ik niet opgeven.
KROGSTAD. Maar heeft u er dan niet aan gedacht dat het een bedrog was
tegenover mij?
NORA. Daar kon ik mij heusch niet mee ophouden. Aan u dacht ik in 't
geheel niet. Ik kon u niet uitstaan om al die gevoellooze bezwaren die u
maakte, hoewel u wist hoe slecht mijn man er aan toe was.
KROGSTAD. Mevrouw Helmer, u heeft blijkbaar geen duidelijke voorstelling
van dat waaraan u zich heeft schuldig gemaakt. Maar ik kan u zeggen dat
wat _ik_ eens misdeed, dat wat mijn heele maatschappelijke positie
verwoestte, niets meer en niets erger was dan dit.
NORA. U? Zou u mij willen wijs maken dat u eens een moedige daad heeft
gedaan om het leven van uw vrouw te redden?
KROGSTAD. De wet vraagt niet naar beweegredenen.
NORA. Dat moet dan al een heel slechte wet zijn.
KROGSTAD. Slecht of niet ... breng ik dit stuk papier voor het gerecht,
dan wordt u volgens de wet veroordeeld.
NORA. Daar geloof ik niets van. Een dochter zou het recht niet hebben
haar armen doodzieken vader te bewaren voor angsten en zorgen? Zou een
vrouw het recht niet hebben het leven van haar man te redden? Ik ken de
wet zoo precies niet; maar ik ben er zeker van dat daarin ergens wel
iets moet staan, dat zóó iets geoorloofd is. En dat zou u niet weten, u,
die zaakwaarnemer is? U moet al een heel slecht jurist zijn, meneer
Krogstad.
KROGSTAD. Dat kan zijn. Van _mijn_ zaken ... van zulke zaken als u en ik
samen hebben, gelooft u toch zeker wel dat ik verstand heb? Goed. Doe u
nu maar wat u wil. Maar _dit_ zeg ik u: word ik voor den tweeden keer
uitgestooten, dan zal u mij gezelschap houden. (_Hij groet en gaat heen
door het portaal_).
NORA (_een poosje nadenkend; schudt dan het hoofd_). Och wat!... Hij wil
mij bang maken; zóó dom bèn ik nu niet. (_Gaat de kleeren van de
kinderen bij elkaar leggen--houdt dan in-eens op_). Maar?... Neen, dat
is toch onmogelijk! Ik deed het immers uit liefde.
DE KINDEREN (_in de deur links_). Mama, nu is die vreemde man weg!
NORA. Ja, ja, ik weet 't wel. Maar niet over dien vreemden man spreken,
hoor, tegen niemand, ook niet tegen Papa!
DE KINDEREN. Neen Maatje; maar wil u nu weer met ons spelen?
NORA. Neen ... nu niet.
DE KINDEREN. Hè Maatje, u heeft 't toch beloofd!
NORA. Ja, maar ik kan nu niet. Gaat nu naar binnen; ik heb nog zoo veel
te doen. Toe, gaat nu zoet naar de kinderkamer, mijn lieve schatjes!
(_Zij dringt hen zachtjes de andere kamer in en sluit de deur achter
hen. Gaat op de sofa zitten, neemt een borduurwerkje op, doet enkele
steken, maar scheidt er dadelijk weer mee uit_). Neen! (_Gooit haar werk
neer, staat op, loopt naar de deur en roept_). Helene! breng den
kerstboom eens binnen. (_Gaat naar de tafel links en doet de lâ open;
wacht dan weer_). Neen ... maar dat kàn toch niet mogelijk zijn!
DIENSTMEISJE (_met den boom_). Waar moet ik hem neerzetten, mevrouw?
NORA. Daar, midden op den grond.
DIENSTMEISJE. Moet ik nog iets anders halen?
NORA. Neen, dankje; ik heb alles wat ik noodig heb.
(_Het meisje zet den boom neer en gaat heen. Nora bezig den kerstboom op
te sieren_). Hier lichtjes, en dáár bloemen. Die afschuwelijke kerel!
Allemaal kletspraatjes! Er is niets van aan. De boom zal prachtig
worden. Ik zal alles doen waar je plezier in hebt, Torwald ... ik zal
voor je zingen, voor je dansen....
(_Helmer komt van buiten met een pak papieren onder den arm_).
NORA. Zoo, ben je al terug?
HELMER. Ja. Is er iemand geweest?
NORA. Hier? Neen.
HELMER. Dat is vreemd. Ik zag Krogstad de straatdeur uitgaan.
NORA. Zoo? O ja, dat 's waar, Krogstad was even hier.
HELMER. Nora, ik kan het je aanzien dat hij hier is geweest om je te
vragen een goed woord voor hem te doen.
NORA. Ja.
HELMER. En dat moest je doen alsof het uit jezelf kwam, hè? Je moest
voor mij verzwijgen dat hij hier was geweest. Heeft hij je dat ook niet
gevraagd?
NORA. Jawel, Torwald, maar....
HELMER. Nora, Nora, hoe kon je je daar nu mee inlaten? Zoo'n kerel te
woord te staan en hem iets te beloven! En dan nog op den koop toe mij
een onwaarheid te zeggen!
NORA. Een onwaarheid?
HELMER. Zei je dan niet dat er niemand geweest was? (_Dreigt met zijn
vinger_). Dat moet mijn zangvogeltje nooit meer doen. Een zangvogeltje
moet nooit valsche tonen laten hooren! (_Slaat zijn arm om haar heen_).
Is het zoo niet? Ja, dat wist ik immers wel. (_Laat haar los_). En nu
praten wij er niet meer over. (_Gaat bij de kachel zitten_). Hè, wat is
het hier gezellig en lekker. (_Kijkt zijn papieren vluchtig door_).
NORA (_bezig met den kerstboom--na een kleine pauze_). Torwald!
HELMER. Ja.
NORA. Ik verheug mij zoo dol op het gecostumeerde bal bij de Stenborgs
overmorgen.
HELMER. En ik ben dol nieuwsgierig om te zien waarmee je mij verrassen
zult.
NORA. Och, 't is eigenlijk mal ... maar....
HELMER. Wat dan?
NORA. Ik kan niets goeds bedenken; ik vind 't allemaal zoo flauw, zoo
onbeduidend.
HELMER. Is kleine Nora tot die slotsom gekomen?
NORA (_achter zijn stoel met de armen op de leuning rustend_). Heb je
het erg druk, Torwald?
HELMER. Och....
NORA. Wat zijn dat voor papieren?
HELMER. Zaken van de Bank.
NORA. Nu al?
HELMER. Ik heb mij door het aftredende bestuur volmacht laten geven om
de noodige veranderingen in het personeel en in de regeling van de
werkzaamheden te kunnen maken. Daar moet ik de feestweek voor gebruiken.
Met Nieuwjaar wil ik alles in orde hebben.
NORA. Dus was het daarom dat die arme Krogstad....
HELMER. Hm.
NORA (_heelemaal leunend op den rug van zijn stoel, speelt met haar
vingers met zijn nekharen_). Als je het niet zoo druk hadt, zou ik je om
een heel grooten dienst willen vragen, Torwald.
HELMER. Laat eens hooren. Wat zou dat zijn?
NORA. Je weet wel dat niemand zoo'n goeden smaak heeft als jij. En nu
zou ik er zoo graag goed uitzien op het gecostumeerde bal. Zou jij me nu
niet een beetje willen helpen en zeggen, als wat ik gaan zal en hoe mijn
costuum gemaakt moet worden?
HELMER. Oho, is mijn eigenzinnig kindje aan 't zoeken naar een reddenden
engel?
NORA. Ja, Torwald; ik kan niet klaar komen zonder jouw hulp.
HELMER. Goed dan; ik zal er over denken; wij zullen wel raad schaffen.
NORA. Hè, dat is lief van je. (_Gaat weer naar den boom--een pauze_).
Wat doen die roode bloemen daar mooi hè? Zeg eens, is het heusch zoo
iets ergs wat die Krogstad gedaan heeft?
HELMER. Valsche handteekeningen gemaakt. Heb je er eenig begrip van wat
dat beteekent?
NORA. Kan hij dat niet uit gebrek gedaan hebben?
HELMER. Jawel, of, zooals zooveel anderen, uit onbezonnenheid. Ik ben
niet zoo harteloos, dat ik iemand onvoorwaardelijk zou veroordeelen,
voor een dergelijke op zichzelf staande daad.
NORA. Neen, hè, Torwald?
HELMER. Menigeen kan zich zedelijk weer opheffen, als hij openlijk zijn
schuld bekent en zijn straf ondergaat.
NORA. Straf?...
HELMER. Maar dien weg volgde Krogstad niet; hij redde zich er uit door
geknoei en gedraai; en dat is juist wat hem moreel te gronde deed gaan.
NORA. Geloof je dàt?...
HELMER. Stel je maar eens voor hoe zoo iemand, met zoo iets op zijn
geweten, moet liegen en huichelen en naar alle kanten comedie spelen,
altijd een masker dragen, zelfs voor die hem het naast zijn, ja zelfs
voor zijn vrouw en kinderen. En voor de kinderen is dat juist het
vreeselijkst, Nora.
NORA. Waarom?
HELMER. Omdat zoo'n atmosfeer van leugen in het huiselijke leven ziekte
en besmetting brengt. Met iederen ademtocht krijgen de kinderen in zoo'n
huis kiemen van slechtheid binnen.
NORA (_heel dicht achter hem_). Ben je daar zeker van?
HELMER. Och, lieve, dat heb ik dikwijls genoeg ondervonden als advocaat.
Bijna alle vroeg-verdorven menschen hebben leugenachtige moeders gehad.
NORA. Waarom juist moeders?
HELMER. Dat komt meestal van de moeders; maar ook van de vaders kunnen
zij het natuurlijk overerven; dat weet ieder jurist. En toch heeft die
Krogstad jarenlang thuis zijn eigen kinderen vergiftigd met leugens en
comediespel; daarom noem ik hem moreel verworden. (_Steekt haar beide
handen toe_). Daarom moet mijn kleine lieve Nora mij beloven niet meer
voor hem te pleiten. Je hand er op. Nou, wat is dat nu? Geef mij je
hand! Zie zoo. Afgedaan. Ik verzeker je dat het mij onmogelijk zou zijn
met hem samen te werken; ik voel letterlijk en physiek onwelzijn in de
nabijheid van zulke menschen.
NORA (_trekt haar hand terug en gaat naar den anderen kant van den
boom_). Wat is het hier warm! En ik heb nog zooveel te doen.
HELMER (_staat op en neemt zijn papieren op_). Ja, ik moet ook zien dat
ik dit nog een beetje doorkijk voor wij aan tafel gaan. Over je costuum
zal ik ook denken. En iets om in een goud papiertje aan den boom te
hangen heb ik misschien ook wel bij de hand. (_Legt zijn hand op haar
hoofd_). O, jij, mijn éénig, lief zangvogeltje! (_Hij gaat in zijn kamer
en sluit de deur achter zich_).
NORA (_zachtjes, na eenig zwijgen_). Och wat! Het is niet waar. Het is
onmogelijk. Het _moet_ onmogelijk zijn.
DE KINDERMEID (_in de deur links_). De kleintjes vragen toch zóó, of ze
bij Mama mogen komen.
NORA. Neen ... neen ... neen ... laat ze niet hier komen! Toe, ga jij
bij hen, Anna-Marie.
DE KINDERMEID. Goed mevrouw. (_Sluit de deur_).
NORA (_bleek van schrik_). Mijn lieve kleintjes slecht maken! Mijn huis
vergiftigen? (_Korte pauze; dan heft zij het hoofd op_). Dat is niet
waar. Dat kan nooit in der eeuwigheid waar zijn!
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF
* * * * *
TWEEDE BEDRIJF
Zelfde kamer. In den hoek bij de piano staat de kerstboom, leeg
geplukt, verfonfaaid en met afgebrande kaarsjes. Nora's hoed en
mantel liggen op de sofa.
Nora alleen in de kamer, loopt onrustig heen en weer; blijft ten
slotte staan bij de sofa en neemt haar mantel op.
* * * * *
NORA (_laat haar mantel weer los_). Daar komt iemand! (_Luistert aan de
deur_). Neen ... toch niet.... Natuurlijk... van daag komt er geen
mensch, eersten kerstdag ... en morgen ook niet.... Maar misschien....
(_Doet de deur open en kijkt buiten_). Neen ... niets in de brievenbus;
heelemaal leeg. (_Loopt door de kamer_). Och malligheid! Hij doet 't
immers niet. Zoo iets kàn immers niet gebeuren. 't Is een
onmogelijkheid. Ik heb immers drie kleine kinderen.
DE KINDERMEID (_komt met een groote kartonnen doos uit de kamer links_).
Eindelijk heb ik toch de doos met uw costuum gevonden.
NORA. O dank je; zet ze maar op de tafel.
DE KINDERMEID. 't Is zonde, mevrouw; het kan nog heel goed in orde
gemaakt worden; 't is alleen een geduldwerkje.
NORA. Ja, ik zal mevrouw Linde gaan vragen of die mij een beetje helpen
wil.
DE KINDERMEID. Wou u nu weer uitgaan? In dit leelijke weer? Mevrouw Nora
zal nog kou vatten ... en ziek worden.