DINA. Ik heb nooit van hem gehouden. Ik spring in het water als ik zijn

verloofde worden moet. O wat heeft hij mij gisteren vernederd met zijn

arrogante woorden! Wat liet hij mij voelen dat hij een minderwaardige

tot zich ophief. Ik duld niet langer die geringschatting. Ik wil weg.

Mag ik met je meegaan?

JOHAN. Ja, ja ... duizendmaal ja!

DINA. Ik zal je niet lang tot last zijn. Help mij alleen maar om naar

Amerika te komen; help mij een beetje terecht in het begin....

JOHAN. Hoera! Dat zal wel in orde komen, Dina!

LONA (_wijst naar Bernick's deur_). Sst; zachtjes, zachtjes!

JOHAN. Dina, ik zal je op de handen dragen!

DINA. Dat mag je niet. Ik wil zelf vooruitkomen; en daarginder kan ik

dat wel. Als ik maar eerst van hier weg ben. O, die mevrouwen ... dat

weet je nog niet ... die hebben mij ook geschreven van daag. Zij hebben

mij vermaand dat ik mijn geluk toch goed beseffen moest, mij

voorgehouden hoe grootmoedig hij zich betoond heeft. Morgen en alle

dagen zullen zij zitten op te letten om te zien of ik mij dat alles wel

waardig maak. Ik heb een afschuw van al die vroomheid!

JOHAN. Zeg mij eens, Dina, is het daarom alleen dat je weggaat? Ben ik

niets voor je?

DINA. Zeker, Johan, je bent meer voor mij dan alle andere menschen te

zamen.

JOHAN. O Dina...!

DINA. Ze zeggen hier allemaal dat ik je moet haten en verafschuwen, dat

dat mijn plicht is. Maar ik begrijp niet waarom dat mijn plicht zou

zijn, en zal dat ook nooit leeren begrijpen.

LONA. Dat moet je ook niet, mijn kind!

MARTHA. Neen, dat moet je niet; en daarom moet je ook met hem meegaan

als zijn vrouw.

JOHAN. Ja, ja!

LONA. Wat? Daarvoor moet ik je een zoen geven Martha! Dat had ik van jou

niet verwacht.

MARTHA. Neen, dat wil ik wel gelooven; ik had 't zelf ook niet verwacht.

Maar ééns moest het bij mij tot een uitbarsting komen. Ach, wat gaan wij

hier toch gebukt onder den vloek van traditie en gewoonte! Kom daar

tegen op, Dina. Word zijn vrouw. Doe iets dat al dien sleur trotseert!

JOHAN. Wat is je antwoord, Dina?

DINA. Ja, ik wil je vrouw worden.

JOHAN. Dina!

DINA. Maar eerst wil ik werken, zelf iets worden ... net als jij. Ik wil

geen ding zijn dat genomen wordt.

LONA. Braaf zoo ... zoo moet het wezen.

JOHAN. Goed; ik zal wachten en hopen....

LONA. ... en winnen, jongen! Maar nu aan boord!

JOHAN. Ja, aan boord! O, Lona! mijn lieve zuster, nog even een woordje.

Hoor eens.... (_hij gaat met haar naar den achtergrond en spreekt

haastig met haar_).

MARTHA. Dina, jij gelukkige!... laat mij je eens aanzien, je nog ééns

omhelzen ... voor 't allerlaatst....

DINA. Niet voor 't laatst; neen, lieve, beste tante, wij zullen elkaar

terugzien.

MARTHA. Nooit meer! Beloof mij dat, Dina, kom nooit meer terug (_grijpt

haar beide handen en kijkt haar aan_). Nu ga je het geluk tegemoet, mijn

lief kind ... over de groote zee. O, hoe dikwijls heb ik daar naar

verlangd, als ik in de school was! Daarginder moet het mooi zijn, een

ruimere hemel; de wolken gaan daar hooger dan hier; een vrijere lucht

waait daar over de hoofden der menschen heen....

DINA. O, tante Martha, u volgt ons nog wel eens.

MARTHA. Ik? Nooit; nooit. Hier heb ik mijn kleine levenstaak, en nu

geloof ik wel dat ik geheel en onverdeeld zal kunnen worden wat ik zijn

moet.

DINA. Ik kan er niet aan denken dat ik van u afscheid nemen moet.

MARTHA. Ach, een mensch kan van veel afscheid nemen, Dina (_kust haar_).

Maar dàt zal je, hoop ik, nooit ondervinden, mijn lief kind. Beloof mij

dat je hem gelukkig maken zult.

DINA. Ik wil niets beloven; ik heb een hekel aan beloven; alles moet

gaan zooals het gaan kan.

MARTHA. Ja, ja; dat is zoo. Blijf jij maar zooals je bent ... waar en

trouw tegenover je zelf.

DINA. Dat zal ik, tante.

LONA (_verbergt, terwijl zij terug komt, eenige papieren die Johan haar

gegeven heeft_). Braaf, braaf, mijn beste jongen! Maar nu moet je weg!

JOHAN. Ja, nu hebben wij geen tijd meer te verliezen. Vaarwel, Lona;

dank voor al je liefde. Vaarwel Martha, en dank, jij ook, voor je trouwe

vriendschap.

MARTHA. Vaarwel, Johan! Vaarwel, Dina! En veel geluk je leven lang!

(_Zij en Lona dringen hen zachtjes naar de deur in den achtergrond.

Johan en Dina gaan snel den tuin door. Lona sluit de deur en trekt het

gordijn er voor_).

LONA. Nu zijn wij alleen, Martha. Jij hebt haar verloren en ik hem.

MARTHA. Jij hèm...?

LONA. O, ik had hem daarginder al half verloren. De jongen begon te

verlangen om op eigen beenen te staan; daarom maakte ik hem wijs dat ik

heimwee had.

MARTHA. Daarom? Ja dan begrijp ik dat je terugkwam. Maar hij zal naar

jou terug verlangen Lona.

LONA. Naar een oude stiefzuster?... wat zou hij daar nù nog aan hebben?

Om hun geluk te bereiken, verscheuren mannen zoo gemakkelijk wat hen

bindt.

MARTHA. Ja; dat gebeurt wel eens.

LONA. Maar wij blijven bij elkaar, Martha.

MARTHA. Kan ik dan iets voor je zijn?

LONA. Voor wie zou je méér kunnen zijn? Wij twee pleegmoeders ... hebben

wij niet allebei onze kinderen verloren? Nu zijn wij alleen.

MARTHA. Ja, alleen. En daarom zal jij het ook weten ... ik heb hem boven

alles in de wereld lief gehad.

LONA. Martha! (_grijpt haar arm_). Is dat waar?

MARTHA. Mijn heele leven ligt in die woorden. Ik heb hem liefgehad en op

hem gewacht. Iederen zomer heb ik verwacht dat hij komen zou. En toen

kwam hij eindelijk;... maar hij zag mij niet.

LONA. Hem liefgehad! En jij zelf was het die hem het geluk in handen

gaf.

MARTHA. Zou ik hem het geluk niet geven als ik hem toch liefhad? Ja, ik

heb hem liefgehad. Heel mijn leven is een leven voor hèm geweest, van

het oogenblik af dat hij wegging. Of ik reden had om te hopen, denk je?

O ja, ik geloof wel dat ik daar reden toe had. Maar toen hij nu

terugkwam ... toen was het of alles uit zijn herinnering was weggevaagd.

Hij zag mij niet.

LONA. Het was Dina die je in de schaduw stelde, Martha.

MARTHA. 't Was goed dat zij het deed. Toen hij wegging indertijd, waren

wij van gelijken leeftijd. Toen ik hem terugzag.... O, dat vreeselijke

oogenblik!... werd het mij duidelijk dat ik nu tien jaar ouder was dan

hij. Hij had daarginder gewerkt in den helderen warmen zonneschijn, en

jeugd en gezondheid ingedronken met iederen ademtocht. En terwijl zat ik

hier binnen en spon en spon....

LONA. ... den draad van zijn geluk, Martha.

MARTHA. Ja, het was goud dat ik spon, Lona. Geen bitterheid! Niet waar,

wij zijn allebei goede zusters voor hem geweest?

LONA (_slaat de armen om haar heen_). Martha!

(_Bernick komt uit zijn kamer_).

BERNICK (_tegen de heeren binnen_). Ja, ja, beschik alles maar zooals je

't best vindt. Als het tijd is zal ik wel.... (_sluit de deur_). O, is

daar iemand? Hoor eens, Martha, je moet je een beetje gaan verkleeden.

En zeg aan Betty dat zij het ook doet. Ik verlang natuurlijk geen groot

toilet ... alleen maar een nette huisjapon. Maar je moet je haasten.

LONA. En een vroolijk, opgeruimd gezicht er bij zetten, Martha, en een

paar blijde oogen.

BERNICK. Olaf moet ook beneden komen; ik wil dat hij naast mij zal

staan.

LONA. Hm; Olaf....

MARTHA. Ik zal het Betty gaan zeggen (_zij gaat weg door de verste deur

links_).

LONA. Dus nu is het gewichtige, plechtige oogenblik gekomen.

BERNICK (_die onrustig op en neer loopt_). Ja ... nu is het er dan.

LONA. Ik kan mij voorstellen dat een man zich op zoo'n oogenblik trotsch

en gelukkig voelt.

BERNICK (_kijkt haar aan_). Hm.

LONA. De heele stad zal geïllumineerd zijn, hoor ik.

BERNICK. Ja, zoo iets zijn ze van plan.

LONA. Alle vereenigingen met hun banieren zullen zich aansluiten bij den

stoet. Je naam zal in vurige letters prijken. Van nacht zal er naar alle

kanten getelegrafeerd worden: "In den kring zijner gelukkige familie

ontving Consul Bernick de hulde van zijn medeburgers als een der

steunpilaren der maatschappij."

BERNICK. Dat zal wel; en buiten zullen ze hoera roepen, en de menigte

zal net zoo lang juichen tot ik mij daar in de deur vertoon, en dan ben

ik wel gedwongen om te gaan buigen en bedanken.

LONA. O, gedwongen....

BERNICK. Denk je soms dat ik mij op dit oogenblik gelukkig voel?

LONA. Neen, ik geloof niet dat je je zoo echt heelemaal gelukkig voelen

kunt.

BERNICK. Lona, je veracht me.

LONA. Nog niet.

BERNICK. Daartoe heb je ook niet het recht. Niet om mij te

_verachten_!... Lona, je kunt niet begrijpen hoe onzegbaar eenzaam ik

hier sta in deze benauwde bekrompen maatschappij ... hoe ik jaar op jaar

mijn eischen voor een bevredigende levenstaak lager heb moeten stellen.

Wat heb ik eigenlijk gedaan, al lijkt het ook nog zooveel? Lapwerk ...

prutserijen! Wat anders of wat méér wordt hier niet geduld. Als ik een

stap verder zou willen gaan dan strookt met de stemming van de

opvatting, die juist aan de orde van den dag zijn, dan was het uit met

mijn macht. Weet je wat wij zijn, wij, die beschouwd worden als de

steunpilaren van de maatschappij? Wij zijn het werktuig der maatschappij

... niets meer en niets minder.

LONA. Hoe komt het dat je dat nu pas inziet?

BERNICK. Doordat ik veel nagedacht heb den laatsten tijd ... sedert jij

terug kwam--en vooral van avond.... O, Lona, waarom heb ik jou niet

heelemaal gekend indertijd ... in dien ouden tijd!

LONA. En wat dan?

BERNICK. Dan had ik je nooit losgelaten; en had ik jou gehad, dan stond

ik nu niet waar ik sta.

LONA. En denk je er niet aan wat _zij_ voor je had kunnen worden, zij,

die je koos in mijn plaats?

BERNICK. Ik weet in elk geval, dat zij voor mij niet is geworden dàt,

waaraan ik zoozeer behoefte had.

LONA. Omdat je nooit je levenstaak met haar gedeeld hebt; omdat jullie

verhouding nooit open en waar is geweest; omdat je haar laat verkwijnen

onder het verwijt van de schande, die jij gebracht hebt over haar naaste

betrekkingen.

BERNICK. Ja ... ja ... ja; dat komt allemaal van de leugen en den

valschen schijn.

LONA. En waarom breek je dan niet met al die leugens en valschen schijn?

BERNICK. Nu nog? Nu is het te laat, Lona.

LONA. Karsten, zeg me toch eens, wat voor bevrediging geeft het toch die

schijn en dat bedrog?

BERNICK. Mij geven ze niets. Ik moet ten onder gaan net als deze heele

knoei-maatschappij. Maar er groeit een geslacht op dat na ons komt. Het

is voor mijn zoon dat ik werk; voor hèm maak ik een levenstaak klaar.

Er zal een tijd komen dat in het maatschappelijke leven waarheid zal

heerschen, en daarop zal hij een gelukkiger bestaan grondvesten dan dat

van zijn vader was.

LONA. Met een leugen als onderlaag? Bedenk toch wàt je je zoon als

erfenis achterlaat.

BERNICK (_met onderdrukte wanhoop_). Ik laat hem nog duizendmaal

slechter erfenis na dan je weet. Maar eens moet toch de vloek worden

opgeheven. En toch ... toch.... (_uitbarstend_). Hoe kon jullie mij dat

alles toch aandoen! Maar 't is gebeurd. Nu moet ik verder. Het zàl

jullie niet gelukken mij er onder te krijgen!

(_Hilmar met een open briefje in de hand komt haastig en ontsteld van

rechts_).

HILMAR. Maar dat is toch ... Betty, Betty!

BERNICK. Wat is er? Komen ze al?

HILMAR. Neen, neen; maar ik moet noodzakelijk iemand spreken.... (_hij

gaat weg door de verste deur links_).

LONA. Karsten, je praat er van dat wij gekomen zouden zijn om je er

onder te krijgen. Laat mij je eens zeggen, van welk metaal hij is

gemaakt, die verloren zoon, dien jullie brave maatschappij schuwt als

een pestlijder. Hij kan jullie missen want hij is nu weg.

BERNICK. Maar hij wou terugkomen....

LONA. Johan komt nooit meer terug. Hij is voor goed weg en Dina is met

hem meegegaan.

BERNICK. Komt hij niet terug? En is Dina met hem mee?

LONA. Ja, om daarginder zijn vrouw te worden. Zoo geven die twee je

deugdzame maatschappij een slag in het gezicht ... net als ik indertijd

... nou ja!

BERNICK. Weg ... zij ook ... met de "Indian Girl"...!

LONA. Neen; zoo'n kostbaren last durfde hij niet aan die roekelooze

bende toe te vertrouwen. Johan en Dina zijn vertrokken met "de

Palmboom".

BERNICK. Ah...! Dus voor niets.... (_loopt snel heen, rukt de deur van

zijn kamer open en roept naar binnen_). Krap, hou de "Indian Girl" op;

die moet van avond niet uitzeilen!

KRAP (_binnen in de kamer_). "Indian Girl" is al in zee, mijnheer.

BERNICK (_sluit de deur en zegt met matte stem_): Te laat ... en

onnoodig....

LONA. Wat meen je?

BERNICK. Niets, niets. Ga weg...!

LONA. Hm; kijk eens Karsten. Johan laat je zeggen dat hij mij zijn

reputatie toevertrouwt die hij jou eens leende, en ook den eerlijken

naam dien je hem ontnam toen hij weg was. Johan zal zwijgen; en ik kan

doen en laten in die zaak wat ik wil. Kijk, hier heb ik je beide brieven

in mijn hand.

BERNICK. Heb jij die? En nu ... nu wil je ... van avond al ... misschien

als de serenade....

LONA. Ik kwam niet hier om je te verraden, maar om je wakker te schudden

dat je uit eigen beweging de waarheid zoudt zeggen. Dat is mij niet

gelukt. Blijf dan voortleven in je leugen! Kijk ... ik verscheur beide

brieven. Neem de stukken ... daar heb je ze. Nu is er niets meer dat

tegen je getuigen kan, Karsten. Nu kan je gerust zijn; wees nu ook

gelukkig ... als je kunt.

BERNICK (_ontroerd_). Lona ... waarom heb je dat niet eerder gedaan! Nu

is het te laat; nu heb ik mijn heele leven verspeeld; ik kan niet meer

leven na dezen dag.

LONA. Wat is er dan gebeurd?

BERNICK. Vraag het mij niet.... Maar ik _moet_ tòch verder leven! Ik

_wil_ leven ... voor Olaf. Hij moet alles weer goed maken, boete doen

voor alles....

LONA. Karsten...!

(_Hilmar komt haastig terug_).

HILMAR. Nergens te vinden; weg; Betty ook niet!

BERNICK. Wat scheelt je?

HILMAR. Ik durf het je niet zeggen.

BERNICK. Wat is dat? Je moet en zult het mij zeggen!

HILMAR. Nu dan; Olaf is er van door met de "Indian Girl".

BERNICK (_tuimelt achteruit_). Olaf ... met de "Indian Girl"! Neen ...

neen!

LONA. Ja, 't is waar! Nu begrijp ik het ... ik zag dat hij uit het raam

sprong.

BERNICK (_in de deur van zijn kamer roept in wanhoop_). Krap, hou de

"Indian Girl" op om alles in de wereld.

KRAP (_komt naar buiten_). Onmogelijk, mijnheer. Hoe kan u denken

dat....

BERNICK. Wij _moeten_ het schip ophouden.... Olaf is aan boord!

KRAP. Wàt zegt u!

RUMMEL (_komt naar buiten_). Olaf weggeloopen? Niet mogelijk!

SANDSTAD (_komt ook_). Hij zal wel met den loods teruggestuurd worden,

mijnheer Bernick.

HILMAR. Neen, neen; hij heeft mij geschreven; (_laat het briefje zien_)

hij zegt dat hij zich in het ruim verstoppen zal tot zij in volle zee

zijn.

BERNICK. Ik zie hem nooit terug!

RUMMEL. Och wat, onzin! Een sterk, flink schip, pas gerepareerd....

VIGELAND (_ook buiten gekomen_). ... van uw eigen werf, meneer de

consul!

BERNICK. Ik zie hem nooit terug, zeg ik jullie! Ik ben hem kwijt, Lona,

en ... nu zie ik het in ... ik heb hem nooit gehad (_luistert_). Wat is

dat?

RUMMEL. Muziek. Daar komt de serenade.

BERNICK. Ik kan niet, ik wil niemand ontvangen.

RUMMEL. Waar denk je aan! Dat is onmogelijk.

SANDSTAD. Onmogelijk, meneer; bedenk toch wat er voor u op het spel

staat.

BERNICK. Wat kan mij dat alles nu nog schelen! Wien heb ik nu nog om

voor te werken?

RUMMEL. Hoe kan je zoo iets vragen? Wij zijn er toch nog en de

maatschappij!

VIGELAND. Dat was een waar woord.

SANDSTAD. En meneer vergeet toch zeker niet dat wij.... (_Martha komt

door de verste deur links. Men hoort de muziek in de verte_).

MARTHA. Daar komt de stoet; maar Betty is niet thuis; ik begrijp niet

waar zij....

BERNICK. Niet thuis! Daar zie je het nu Lona, geen steun ... noch in

vreugde, noch in leed!

RUMMEL. Haal de gordijnen op! Help mij eens even, mijnheer Krap. U ook

mijnheer Sandstad. Doodjammer dat de familie nu juist zoo verspreid is!

Heelemaal niet volgens het programma.

(_De gordijnen van de deur en de ramen worden weggetrokken. Men ziet de

heele straat geïllumineerd. Tegen het huis aan de overzijde is een groot

transparant geplaatst met het opschrift: "Leve Consul Bernick, de steun

onzer maatschappij!"_).

BERNICK (_wijkt schuw terug_). Weg met dat alles! Ik wil het niet zien!

Doe uit! Doe uit!

RUMMEL. Met alle respect, Bernick, is het je in 't hoofd geslagen?

MARTHA. Wat scheelt hem, Lona?

LONA. Sst! (_zij praat zachtjes met haar_).

BERNICK. Weg met die honende opschrift, zeg ik! Zie jullie niet dat die

lichten de tongen naar ons uitsteken?

RUMMEL. Neen maar, nu moet ik toch bekennen....

BERNICK. Och, wat begrijpen jullie ook...! Maar ik, ik...! Lichten in

een sterfkamer zijn het!

KRAP. Hm....

RUMMEL. Neen, maar, hoor eens, Bernick, je trekt je dat al te erg aan.

SANDSTAD. De jongen maakt een plezierreisje over den Oceaan, en dan

krijgt u hem weer terug.

VIGELAND. Maar vertrouwen op den Almachtige, meneer de consul.

RUMMEL. En op de schuit, Bernick; die zal toch wel niet zoo dadelijk

zinken, vermoed ik.

KRAP. Hm....

RUMMEL. Ja, als het nu een van die drijvende lijkkisten was, waar je zoo

van hoort in de groote maatschappij....

BERNICK. Ik voel dat mijn haar grijs wordt in dit uur. (_Mevrouw

Bernick, met een grooten doek over haar hoofd, komt de tuindeur door_).

MEVR. BERNICK. Karsten, Karsten! Weet je...!

BERNICK. Ja, ik weet ... maar jij;... jij, die niets ziet,... jij, die

geen moederoog voor hem hebt...!

MEVR. BERNICK. O, luister toch...!

BERNICK. Waarom heb je niet over hem gewaakt? Nu heb ik hem verloren.

Geef hem mij terug als je kunt!

MEVR. BERNICK. Ja, dat kan ik, ik heb hem!

DE HEEREN. Ah...!

HILMAR. Nou, dat dacht ik ook wel.

MARTHA. Karsten, je hebt hem terug!

LONA. Ja; maar weet hem nu ook voor je te winnen.

BERNICK. Je hebt hem! Is het waar wat je zegt? Waar is hij?

MEVR. BERNICK. Dat zeg ik je niet vóór je hem vergeven hebt.

BERNICK. Och wat, vergeven...! Maar hoe kwam je te weten...?

MEVR. BERNICK. Denk je dat een moeder niets ziet? Ik was in doodsangst

dat je er iets van merken zoudt. Een paar woorden die hij gisteren

losliet ... en toen zijn kamer leeg was en zijn ransel en zijn kleeren

weg waren....

BERNICK. Ja ... ja...?

MEVR. BERNICK. ... ging ik loopen; haalde Aune op; wij zijn met zijn

zeilboot uitgegaan; het Amerikaansche schip wou juist uitzeilen. Goddank

kwamen wij nog bijtijds ... ging aan boord, liet het ruim doorzoeken ...

vond hem.... O Karsten, je moet hem niet straffen!

BERNICK. Betty!

MEVR. BERNICK. En ook Aune niet!

BERNICK. Aune? Wat weet je van hem? Is de "Indian Girl" weer onder zeil?

MEVR. BERNICK. Neen, dat is juist de zaak....

BERNICK. Toe zeg ... gauw!

MEVR. BERNICK. Aune was net zoo ontdaan als ik; het onderzoek nam nog al

tijd; het begon donker te worden zoodat de loods bezwaren begon te

opperen, en zoo verstoutte Aune zich ... om in jou naam....

BERNICK. Wat?

MEVR. BERNICK. Het schip tot morgen op te houden.

KRAP. Hm....

BERNICK. O, wat een onuitsprekelijk geluk!

MEVR. BERNICK. Ben je niet boos?

BERNICK. O Betty, wat een overstelpend geluk!

RUMMEL. Je bent ook veel te nauwgezet.

HILMAR. Ja, zoodra er sprake is van een kleinen strijd met de elementen,

dan ... oeh!

KRAP (_bij het raam_). Daar komt de stoet door het tuinhek, mijnheer.

BERNICK. Ja, nu mag hij komen.

RUMMEL. De heele tuin loopt vol menschen.

SANDSTAD. De heele straat is propvol.

RUMMEL. De heele stad is op de been, Bernick. Het is waarlijk een

verheffend oogenblik.

VIGELAND. Laat ons het in deemoed aannemen, meneer Rummel.

RUMMEL. Alle banieren zijn er bij. Wat een stoet! Daar hebben we de

feestcommissie met mijnheer Rörlund aan het hoofd.

BERNICK. Laat ze nu maar komen, zeg ik!

RUMMEL. Maar hoor eens, in den opgewonden toestand, waarin je

verkeert....

BERNICK. Wat dan?

RUMMEL. Zou ik niet ongenegen zijn het woord in jou plaats te voeren.

BERNICK. Neen, dank je; van avond wil ik zelf spreken.

RUMMEL. Maar weet je ook wat je zeggen moet?

BERNICK. Jawel, wees maar gerust, Rummel,... nu weet ik wel wat ik

zeggen moet.

(_De muziek is intusschen opgehouden. De tuindeur wordt geopend. Rörlund

treedt binnen aan het hoofd van de feestcommissie, vergezeld van een

paar huurbedienden, die een overdekte mand dragen. Achter hen komen de

burgers van de stad van alle standen, zooveel als de kamer maar bergen

kan. Een onafzienbare menigte met banieren en vlaggen ontwaart men

buiten in den tuin en op de straat_).

RÖRLUND. Hoog vereerde Heer Consul! Ik zie aan de verrassing die zich op

uw gelaat afspiegelt, dat wij hier als onverwachte gasten binnen dringen

in uw gelukkigen familiekring, aan uw vredigen haard, omringd door

achtenswaardige en werkzame vrienden en medeburgers. Maar het was ons

een behoefte des harten u onze hulde te brengen. Het is niet de eerste

keer dat zoo iets gebeurt, maar wel voor het eerst in zoo veelomvattende

mate. Wij hebben u menigmaal onzen dank gebracht voor den breeden

moreelen grondslag, waarop u om zoo te zeggen, onze maatschappij heeft

opgebouwd. Dezen keer huldigen wij u in het bizonder als de

helderziende, onvermoeide, onzelfzuchtige, ja zelfopofferende

medeburger, die het initiatief heeft genomen in een onderneming, die,

volgens de meening van alle deskundigen, een machtigen stoot vooruit

geven zal aan de tijdelijke welvaart van onze maatschappij.

STEMMEN UIT DE MENIGTE. Bravo, bravo!

RÖRLUND. En juist die glorieschijn van onzelfzuchtigheid, die over heel

uw levenswandel ligt, is wat zoo onuitsprekelijk weldadig werkt, vooral

in den tegenwoordigen tijd. U is nu bezig ons een ... ja, ik zie er geen

bezwaar in het woord prozaïsch en rondweg uit te spreken ... een

spoorweg te bezorgen.

VELE STEMMEN. Bravo, bravo!

RÖRLUND. Maar die onderneming schijnt op moeilijkheden te zullen

stuiten, inderdaad alleen te berde gebracht door bekrompen, zelfzuchtige

overwegingen.

STEMMEN. Ha! ha!

RÖRLUND. Het is namelijk niet onbekend gebleven dat zekere individuën,

niet tot onze maatschappij behoorend, de nijvere burgers van onze stad

zijn vóór geweest, en zich in bezit van sommige voordeelen gesteld

hebben, die rederlijkerwijze onze eigen stad ten goede hadden moeten

komen.

STEMMEN. Ja, ja!

RÖRLUND. Deze betreurenswaardige zaak is natuurlijk ook u ter oore

gekomen, mijnheer de consul. Maar niettemin streeft u onvervaard uw doel

na, wel wetende dat een staatsburger niet alleen zijn eigen

gemeentebelangen voor oogen hebben moet.

VERSCHEIDENE STEMMEN. Hm! Neen, neen! Jawel: jawel!

RÖRLUND. Zoo is het dan den mensch zoowel als den staatsburger,...

zooals de man moet en behoort te zijn ... dien wij dezen avond onze

hulde brengen. Moge uw onderneming tot een waar en blijvend geluk voor

deze onze maatschappij worden! De spoorweg kan inderdaad een weg worden,

die ons blootstelt aan het binnendringen van vreemde, verderfelijke

elementen, maar tevens een weg, die ons snel weer van hen bevrijdt. En

tegen slechte elementen van buitenaf kunnen wij ons toch ook nu niet

beveiligen. Maar dat wij juist op dezen feestavond, zooals verteld

wordt, gelukkig en spoediger dan te verwachten was, zekere elementen van

dien aard zijn kwijtgeraakt....

STEMMEN. Sst! Sst!

RÖRLUND. ... dat neem ik aan als een gelukkig voorteeken voor de

onderneming. Als ik dit punt hier aanroer, bewijst dit, dat wij ons

bevinden in een huis, waar de eischen van het gemoed hooger worden

gesteld dan familiebanden.

STEMMEN. Bravo!

BERNICK (_tegelijkertijd_). Permitteer mij....

RÖRLUND. Nog maar enkele woorden, mijnheer de consul. Wat u voor deze

gemeente gedaan heeft, dat deed u zeker niet met de bijgedachte dat het

u een tastbaar voordeel zou brengen. Maar een gering bewijs van

erkentelijkheid van uwe dankbare medeburgers mag u toch niet versmaden,

en allerminst in zulk een gewichtig oogenblik, nu wij, volgens

verzekering van mannen van de praktijk, aan den vooravond van een nieuw

tijdperk staan.

VELE STEMMEN. Bravo! Bravo!

(_Hij geeft den bedienden een wenk; zij dragen de mand aan; de leden van

de feestcommissie halen onder het volgende de voorwerpen waarvan

gesproken wordt, er uit en bieden ze aan_).

Dramatische werken · 第 10 / 30 段