alles! Ik zeg dat het een complot tegen mij is, een wraakneming; dat je
bent overgekomen om mij geld af te persen!
LONA. Schaam je, Karsten!
BERNICK. Ik ben wanhopig, zeg ik je, en ik vecht voor mijn leven.
Ik ontken alles, alles!
JOHAN. Ik heb je twee brieven. In mijn koffer vond ik ze tusschen mijn
andere papieren. Van ochtend las ik ze nog eens door; die spreken
duidelijk genoeg.
BERNICK. En die brieven wil je overleggen?
JOHAN. Als het noodig mocht worden ... ja.
BERNICK. En over twee maanden ben je weer hier terug?
JOHAN. Dat hoop ik. De wind is goed. Over drie weken ben ik in New-York
... als de "Indian Girl" niet vergaat.
BERNICK (_schrikt_). Vergaat? Waarom zou de "Indian Girl" vergaan?
JOHAN. Ja, dat zeg ik ook.
BERNICK (_bijna onhoorbaar_). Vergaan?
JOHAN. Dus, Bernick, je weet nu wat je te wachten staat; je moet in dien
tusschentijd maar raad schaffen. Vaarwel! Betty mag je van mij groeten,
hoewel zij zich weinig zusterlijk jegens mij gedragen heeft. Maar Martha
wil ik toch nog even zien. Zij moet aan Dina zeggen ... zij moet mij
beloven.... (_hij gaat weg door de verste deur links_).
BERNICK (_in zich zelf_). "Indian Girl"...? (_snel_). Lona, je _moet_
dat verhinderen!
LONA. Je ziet het zelf, Karsten ... ik heb geen macht meer over hem
(_zij volgt Johan in de kamer links_).
BERNICK (_onrustig_). Vergaan...?
(_Aune komt op van rechts_).
AUNE. Excuseer, is meneer de consul bezig?
BERNICK (_keert zich driftig om_). Wat wil je?
AUNE. Verzoeken of ik meneer een vraag mag doen?
BERNICK. Nou ja; gauw dan. Wat wou je vragen?
AUNE. Ik wou vragen of het vast staat ... onomstootelijk vast ... of ik
afgedankt word als de "Indian Girl" morgen niet zou kunnen uitzeilen?
BERNICK. Wat is dàt? Het schip _is_ immers zeilklaar?
AUNE. Ja ... dat is zoo. Maar als het nu eens niet zoo was ... werd ik
dan ontslagen?
BERNICK. Wat moet dat met zulke doellooze vragen?
AUNE. Ik zou dat zoo graag willen weten, meneer Bernick. Zeg u alleen
maar of ik ontslagen worden zou?
BERNICK. Ben ik gewoon mijn woord te houden of niet?
AUNE. Ik zou dus morgen mijn positie verliezen in mijn huis en onder hen
die mij het naast zijn ... mijn invloed verliezen onder den
werkmansstand ... alle gelegenheid verliezen om nuttig werkzaam te zijn
onder de geringen en laaggeplaatsten in de maatschappij.
BERNICK. Aune, die zaak is afgedaan.
AUNE. Nou, dan moet de "Indian Girl" maar uitgaan.
(_Korte stilte_).
BERNICK. Hoor eens, ik kan mijn oogen niet overal hebben; kan niet voor
alles aansprankelijk zijn;... je kunt mij toch wel de verzekering geven
dat de reparaties behoorlijk uitgevoerd zijn?
AUNE. U heeft mij een erg korten termijn gesteld, meneer.
BERNICK. Maar de reparaties zijn betrouwbaar, zeg je?
AUNE. Nou ... we hebben goed weer en het is zomer.
(_Weer zwijgen_).
BERNICK. Heb je me anders niets te zeggen?
AUNE. Anders weet ik niet, meneer de consul.
BERNICK. Dus de "Indian Girl" zeilt uit?...
AUNE. Morgen?
BERNICK. Ja.
AUNE. Goed. (_Hij groet en gaat heen_).
(_Bernik staat een oogenblik besluiteloos; gaat dan snel naar de
entree-deur, alsof hij Aune wilde terugroepen; maar blijft onrustig
staan met de hand op den deurknop. Op hetzelfde oogenblik wordt de deur
van buiten geopend en treedt Krap binnen_).
KRAP (_gedempt_). O zoo, hij was dus hier. Heeft hij bekend?
BERNICK. Hm...; heeft u iets ontdekt?
KRAP. Waarvoor zou dat nog noodig zijn? Zag u niet aan zijn oogen dat
zijn geweten niet zuiver is?
BERNICK. Och wat;... zoo iets kan men niet zien. Heeft u iets ontdekt,
vraag ik?
KRAP. Kon er niet bij komen; was te laat; ze waren al bezig het schip
uit het dok te halen. Maar juist die haast bewijst duidelijk dat....
BERNICK. Bewijst niets. Het schip is dus gekeurd?
KRAP. Natuurlijk; maar....
BERNICK. Ziet u nu wel. En men heeft natuurlijk geen klachten over iets
uitgebracht?
KRAP. Mijnheer Bernick, u weet maar al te goed hoe dat keuren in zijn
werk gaat, vooral op een werf, die zoo'n goeden naam heeft als het onze.
BERNICK. Dat doet er niet toe. Wij zijn van de verantwoordelijkheid af.
KRAP. Mijnheer Bernick, heeft u waarlijk niet kunnen merken aan Aune,
dat...?
BERNICK. Aune heeft mij volmaakt gerustgesteld, zeg ik u.
KRAP. En ik zeg u, dat ik moreel overtuigd ben, dat....
BERNICK. Wat moet dat beteekenen, mijnheer Krap? Ik merk wel dat u iets
tegen den man heeft; maar wil u hem te lijf, dan moet u een andere
aanleiding zoeken. U weet hoeveel er mij aan gelegen is ... of beter
gezegd aan de reederij ... dat de "Indian Girl" morgen onder zeil gaat.
KRAP. Goed, goed; dan moet het maar; maar eer wij van dàt schip weer wat
hooren ... hm!
(_Vigeland komt van rechts op_).
VIGELAND. Uw dienaar, meneer Bernick. Heeft u een oogenblik tijd?
BERNICK. Tot uw dienst, mijnheer Vigeland.
VIGELAND. Ik kwam alleen maar eens hooren of u er ook niet voor is dat
"de Palmboom" morgen uitgaat?
BERNICK. Ja zeker; dat is ook zoo afgesproken.
VIGELAND. Maar nu komt de kapitein bij mij en zegt dat er storm
gesignaleerd is.
KRAP. De barometer is sedert van ochtend sterk gedaald.
BERNICK. Zoo? Wordt er storm verwacht?
VIGELAND. Een stijve koelte althans; maar geen tegenwind,
integendeel....
BERNICK. Hm; ja, wat zegt u er van?
VIGELAND. Ik zeg, zooals ik ook tegen de kapitein zei, dat "de Palmboom"
in de hand der Voorzienigheid is. En buitendien gaat ze vooreerst toch
alleen de Noordzee over; en in Engeland zijn de vrachtprijzen juist nu
nog al tamelijk hoog, zoodat....
BERNICK. Ja, het zou waarschijnlijk lijden tot verlies voor ons als wij
wachten.
VIGELAND. Het schip is immers ook solide en bovendien voor de volle
waarde geassureerd. Neen, dan is het heel wat grooter risico met de
"Indian Girl".
BERNICK. Hoe bedoelt u dat?
VIGELAND. Die zeilt immers ook morgen uit?
BERNICK. Ja, de reederij heeft er erg achter heen gezeten, en
bovendien....
VIGELAND. Nou, als die oude kast het er op wagen kan ... en met zoo'n
bemanning op den koop toe ... dan zou het wel schande zijn als wij
niet....
BERNICK. Zeker, zeker. U heeft vermoedelijk de scheepspapieren bij u?
VIGELAND. Ja, hier zijn ze.
BERNICK. Best; wil u dan maar naar binnen gaan met mijnheer Krap.
KRAP. Alsjeblieft; komt dadelijk in orde.
VIGELAND. Dank u.... En de uitkomst geven wij over aan de Almachtige,
meneer de consul. (_Hij gaat met Krap in de voorste kamer links. Rörlund
komt door den tuin op_).
RÖRLUND. Welzoo, tref ik u om dezen tijd van den dag thuis, mijnheer
Bernick.
BERNICK (_in gedachte_). Zooals u ziet.
RÖRLUND. Ik kom eigenlijk voor mevrouw. Ik dacht zoo dat een woord van
troost haar welkom zou zijn.
BERNICK. Dat zal het zeker. Maar _ik_ zou ook wel eens graag willen
spreken.
RÖRLUND. Met genoegen, mijnheer Bernick. Maar wat scheelt u? U ziet er
zoo bleek en ontdaan uit.
BERNICK. Zoo? Waarlijk? Ja, hoe kan het ook anders ... wat stapelt zich
deze laatste dagen niet alles op elkaar om mij heen. Mijn eigen groote
zaak ... en die spoorweg.... Hoort eens, mijnheer Rörlund. Mag ik u eens
een vraag doen?
RÖRLUND. Volgaarne.
BERNICK. Ik ben over iets aan het denken geraakt. Als men voor een zaak
staat van zoo vèrstrekkenden invloed, dat de welvaart van duizenden
ermee gemoeid is.... Als dat nu een één enkel offer noodig maakte?
RÖRLUND. Hoe meent u dat?
BERNICK. Bijvoorbeeld: iemand denkt er over een groote fabriek op te
richten. Hij weet zeker ... want dat heeft de ondervinding hem geleerd
... dat vroeger of later het bedrijf in die fabriek menschenlevens
kosten zal.
RÖRLUND. Ja, dat is maar al te waarschijnlijk.
BERNICK. Of een ander gaat mijnen exploiteeren. Hij neemt zoowel
huisvaders als jonge levenslustige menschen in zijn dienst. Is het niet
met zekerheid vooruit te zeggen dat die niet allen het leven er zullen
afbrengen?
RÖRLUND. Ja, helaas, dat is maar al te waar.
BERNICK. Dus zoo iemand weet vooruit dat de zaak die hij ondernemen wil,
zonder twijfel menschenlevens kosten zal. Maar die onderneming is van
algemeen belang; voor ieder menschenleven dat ze kost zal hij evenzeer
zonder twijfel de welvaart van honderden bevorderen.
RÖRLUND. Jawel, u denkt aan de spoorweg ... aan al die gevaarlijke
uitgravingen, het laten springen van rotsen, en zoo al meer....
BERNICK. Ja ... juist, ik denk aan den spoorweg. En bovendien ... de
spoorweg zal zoowel fabrieken als bergwerken doen ontstaan. Maar denkt u
niet dat toch....
RÖRLUND. Waarde mijnheer Bernick, u is haast al te nauwgezet. Ik bedoel
dat als u de zaak overgeeft in de hand der Voorzienigheid....
BERNICK. Ja ... zeker; de Voorzienigheid....
RÖRLUND. ... dan is u verantwoord. Leg u maar gerust uw spoorweg aan.
BERNICK. Ja, maar nu stel ik eens een bizonder geval. Ik stel, dat men
op een gevaarlijke plek een rots moet laten springen; maar dat is dáár
bepaald noodzakelijk om den spoorweg tot stand te doen komen. Ik stel
dat de ingenieur weet dat het den werkman, die de mijn moet doen
ontvlammen, het leven kosten zal; maar het is de plicht van den
ingenieur den werkman er heen te zenden om het te doen.
RÖRLUND. Hm....
BERNICK. Ik weet wat u zeggen wil. Het zou groot zijn als de ingenieur
zelf de lont nam en er heen ging om de mijn te laten springen. Maar zoo
iets doet men niet. Hij moet dus den werkman opofferen.
RÖRLUND. Dat zou geen ingenieur bij ons ooit doen.
BERNICK. Geen enkel ingenieur in de groote landen zou zich een oogenblik
bedenken om het te doen.
RÖRLUND. In de groote landen? Neen, dat geloof ik graag. In die
verdorven en gewetenlooze maatschappij....
BERNICK. O, er is heel veel goeds in die maatschappij.
RÖRLUND. En dat kan u zeggen, u, die zelf...?
BERNICK. In de groote maatschappij heeft iemand toch de ruimte om een
nuttige onderneming te pousseeren; daar heeft men den moed iets op te
offeren voor een groote zaak; maar hier wordt men belemmerd door
allerlei onbeduidende consideraties en bedenkingen.
RÖRLUND. Is een menschenleven een onbeduidende consideratie?
BERNICK. Wanneer dit menschenleven nu als een belemmering staat
tegenover de welvaart van duizenden?
RÖRLUND. Maar u stelt gewoon ondenkbare gevallen, mijnheer! Ik begrijp u
van daag heelemaal niet. En dan wijst u op de groote maatschappij....
Ja, daarginder, wat is een menschenleven dáár waard? Daar rekent men met
menschenlevens als met kapitalen. Maar wij staan toch op een geheel
ander zedelijk standpunt, zou ik denken. Kijk maar eens naar onzen
eerwaardigen reeders-stand! Noem een enkelen reeder hier bij ons, die om
snoode winst een menschenleven zou opofferen! En denk eens aan die
schurken daarginder in de groote maatschappij, die ter wille van de
winst het eene onzeewaardige schip na het andere bevrachten....
BERNICK. Ik spreek niet van onzeewaardige schepen!
RÖRLUND. Maar _ik_ spreek er van, mijnheer Bernick.
BERNICK. Maar wat heeft dat er nu mee te maken? Dat raakt de heele zaak
niet.... O, die kleine angstvallige overwegingen! Als een generaal bij
ons zijn troepen in het vuur moest brengen en ze laten neerschieten, zou
hij er achterna slapelooze nachten van hebben. Zoo is het elders niet.
U moest eens hooren wat hij daarbinnen vertelt....
RÖRLUND. Hij? Wie? De Amerikaan?...
BERNICK. Ja, hij. U moet eens hooren hoe men in Amerika....
RÖRLUND. Is hij binnen? En dat zegt u mij niet? Ik zal dadelijk....
BERNICK. Het helpt u toch niets; met hem komt u toch niet verder.
RÖRLUND. Dat zullen wij eens zien. O daar is hij. (_Johan komt uit de
kamer links_).
JOHAN (_praat in de open deur tegen iemand daar binnen_). Ja, ja, Dina,
't is goed; maar ik laat je toch niet los. Ik kom terug, en dan zal
alles in orde komen tusschen ons.
RÖRLUND. Met verlof, wat wil u daarmee zeggen? Wat is u van plan?
JOHAN. Ik ben van plan het jonge meisje bij wie u mij gisteren belasterd
heeft, tot mijn vrouw te maken.
RÖRLUND. Tot uw?... En zou u denken dat...?
JOHAN. Ik wil dat zij mijn vrouw zal worden.
RÖRLUND. Nu, dan zal u ook hooren.... (_gaat naar de half-openstaande
deur_). Mevrouw Bernick, wil u zoo goed zijn getuige te zijn.... En u
ook, juffrouw Martha. En laat u Dina even hier komen (_ziet Lona_).
O, is u ook hier?
LONA (_in de deur_). Moet ik ook komen?
RÖRLUND. Zooveel als maar willen; hoe meer hoe beter.
BERNICK. Wat is u van plan?
(_Lona, mevr. Bernick, Martha, Dina en Hilmar komen uit de kamer_).
MEVR. BERNICK. Mijnheer Rörlund, ik heb met den besten wil niet kunnen
beletten....
RÖRLUND. _Ik_ zal het hem beletten, mevrouw.... Dina, je bent een
onbezonnen meisje. Maar ik verwijt je dat niet zoo heel erg. Je hebt al
veel te lang hier den zedelijken steun ontbeerd, die je staande moest
houden. Ik maak er mezelf een verwijt van dat ik je dien steun al niet
lang gegeven heb.
DINA. U moet nu niets zeggen!
MEVR. BERNICK. Wat moet dat beteekenen?
RÖRLUND. Juist nu moet ik spreken, Dina, hoewel je gedrag gisteren en
van daag het mij tienmaal moeilijker heeft gemaakt. Maar om jou te
redden moeten alle andere overwegingen zwichten. Je herinnert je de
woorden die ik tegen je zei; je herinnert je welk antwoord je beloofde
mij te zullen geven als ik vond dat de tijd gekomen was. Nu mag ik mij
niet langer bedenken, en daarom ... (_tegen Johan_) dit jonge meisje,
dat u met uw aanzoeken lastig valt, is mijn verloofde!
MEVR. BERNICK. Wat zegt u daar?
BERNICK. Dina!
JOHAN. Zij! Uw...?
MARTHA. O neen, neen, Dina!
LONA. Leugens.
JOHAN. Dina ... zegt die man de waarheid?
DINA (_na een oogenblik_). Ja.
RÖRLUND. Hiermee zijn, naar ik hoop, alle verleidingskunsten machteloos
gemaakt. De stap, dien ik in Dina's belang besloten heb te doen, mag
volgaarne in onzen heelen kring bekend gemaakt worden. Ik voed de
stellige hoop, dat er geen verkeerden uitleg aan gegeven worden zal.
Maar nu, mevrouw, geloof ik dat wij het best zullen doen haar hier van
daan te brengen, en te trachten weer rust en evenwicht in haar ziel te
doen terugkeeren.
MEVR. BERNICK. Ja, kom mee! O, Dina, wat een geluk voor je! (_zij leidt
haar weg naar links; Rörlund gaat met hen mee_).
MARTHA. Vaarwel, Johan! (_zij gaat weg_).
HILMAR (_in de tuindeur_). Hum ... nou moet ik dan toch zeggen....
LONA (_die Dina met de oogen gevolgd heeft_). Niet den moed verliezen,
jongen. Ik blijf hier en zal op den dominee passen (_zij gaat weg naar
rechts_).
BERNICK. Johan, nu ga je toch niet weg met de "Indian Girl"?
JOHAN. Juist nu wel.
BERNICK. Maar dan kom je toch niet terug?
JOHAN. Ik kom wèl terug.
BERNICK. Na wat er gebeurd is? Wat wil je dan nu nog?
JOHAN. Me op jullie allemaal wreken; er zooveel ik maar kan van jullie
verpletteren.
(_Hij gaat naar rechts af. Vigeland en Krap komen uit Bernick's kamer_).
VIGELAND. Ziezoo, nu zijn de papieren in orde, meneer de consul.
BERNICK. Goed, goed....
KRAP (_gedempt_). En het blijft er dus bij dat de "Indian Girl" morgen
uitzeilt?
BERNICK. Die zeilt uit. (_Hij gaat in zijn kamer. Vigeland en Krap gaan
weg naar rechts. Hilmar wil met hen meegaan, maar op hetzelfde oogenblik
steekt Olaf voorzichtig zijn hoofd buiten de deur links_).
OLAF. Oom! Oom Hilmar!
HILMAR. Oeh ben jij het? Waarom blijf je niet boven? Je hebt immers
huisarrest.
OLAF (_een paar passen naar voren_). Stil! Oom Hilmar, weet u 't nieuws?
HILMAR. Ja, ik weet dat je een pak slaag hebt gehad van daag.
OLAF (_kijkt dreigend naar de kamer van zijn vader_). Hij zal me niet
dikwijls meer slaan. Maar weet u dat oom Johan morgen uitzeilt met de
Amerikanen?
HILMAR. Wat raakt jou dat? Maak dat je naar boven komt.
OLAF. Ik zal misschien toch nog wel eens meegaan op buffeljacht, oom!
HILMAR. 't Mocht wat; zoo'n papkind als jij....
OLAF. Ja, wacht maar; morgen zal u eens wat hooren!
HILMAR. Lummel!
(_Hij gaat weg door den tuin. Olaf gaat de kamer weer in en sluit de
deur als hij Krap ziet, die van rechts komt_).
KRAP (_gaat naar de deur van Bernick's kamer en doet die half open_).
Excuseer dat ik nog eens terugkom, mijnheer Bernick ... maar er komt een
geweldige storm opzetten. (_Wacht een oogenblik; geen antwoord_). Moet
de "Indian Girl" toch uitgaan? (_na een korte pauze antwoordt:_)
BERNICK. De "Indian Girl" gaat toch uit.
(_Krap sluit de deur en gaat weer weg naar rechts_).
EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
[Illustratie: Mevr. Th. Mann-Bouwmeester als Lona in De steunpilaren
der Maatschappij, 4e Bedrijf]
* * * * *
VIERDE BEDRIJF.
Tuinkamer bij Bernick. De groote tafel is weggenomen. Het is een
stormachtige namiddag en al schemerdonker. De duisternis neemt toe
onder het volgende.
Een bediende steekt de kroon aan; een paar dienstmeisjes brengen
bloempotten, lampen en kaarsen, die zij op de tafels en guéridons
langs de wanden neerzetten. Rummel, in rok en witte das, met
handschoenen aan, staat in de kamer en geeft aanwijzingen.
* * * * *
RUMMEL (_tegen den knecht_). Niet alle kaarsen, Jacob, om den anderen
maar. Het mag er niet àl te feestelijk uitzien, het moet een verrassing
zijn. En al die bloemen...? Nou ja, laat die maar staan; de menschen
kunnen denken dat die er alle dag staan....
(_Bernick komt uit zijn kamer_).
BERNICK (_nog in de deur_). Wat beteekent dat?
RUMMEL. O jé, ben jij daar al? (_tegen het personeel_). Ja, nu moet je
zoo lang maar heengaan. (_De knecht en de meisjes gaan door de verste
deur links weg_).
BERNICK (_komt naderbij_). Maar Rummel, wat beteekent dat toch?
RUMMEL. Dat beteekent dat het mooiste oogenblik van je leven gekomen is.
De stad brengt van avond aan zijn voornaamsten burger een serenade.
BERNICK. Wàt zeg je?
RUMMEL. Een serenade met muziek! Fakkels zouden wij er ook bij gehad
hebben, maar dat durfden wij niet te wagen met dit stormachtige weer.
Maar geïllumineerd wordt er; en dat klinkt ook allemaal heel goed als
het in de couranten komt.
BERNICK. Hoor eens, Rummel, daar wil ik niets mee te maken hebben.
RUMMEL. Ja, het is nu te laat; over een half uur hebben wij ze hier.
BERNICK. Maar waarom heb je mij daar vooruit niets van gezegd?
RUMMEL. Juist omdat ik bang was dat je er iets tegen zoudt hebben. Maar
ik heb met je vrouw gecomplotteerd. Zij stond mij toe een-en-ander te
arrangeeren en zal ook voor ververschingen zorgen.
BERNICK (_luistert_). Wat is dat? Zijn ze daar al? 't Is of ik hoor
zingen.
RUMMEL (_bij de tuindeur_). Zingen? O, dat zijn de Amerikanen maar. Dat
is de "Indian Girl" die uitgaat.
BERNICK. Gaat die uit? Ja ... neen, ik kan van avond niet, Rummel, ik
ben ziek.
RUMMEL. Ja, je ziet er werkelijk slecht uit. Maar je moet je een beetje
opmonteren. Wat bliksem, kerel, je _moet_. Sandstad en Vigeland en ik
hechten het grootste gewicht aan het gelukken van die ovatie. Onze
tegenstanders moeten verpletterd worden onder den druk van een zoo
algemeen mogelijke uiting van sympathie. Er komen al geruchten in
omloop; het bericht van de terrein-aankoopen is niet langer stil te
houden. Je moet noodzakelijk al van avond, onder gezang en mooie
toespraken en het klinken van glazen, enfin, onder den indruk van een
gloeiende feeststemming, hen laten weten wat je voor het welzijn der
maatschappij geriskeerd hebt. Onder den indruk van zoo'n gloeiende
feeststemming, zooals ik zoo even zei, kan men hier bij ons ontzettend
veel bereiken. Maar die hoort er dan ook bij, anders gaat het niet.
BERNICK. Jawel, jawel....
RUMMEL. En vooral als je met zoo'n delicate en netelige zaak voor den
dag moet komen. Nou, je hebt Goddank, een naam die een duwtje velen kan.
Maar luister eens; we moesten toch eerst eens het een-en-ander
afspreken. Hilmar Tönnesen heeft een vers op je gemaakt. Het begint heel
mooi met de woorden: "Houdt hoog het vaandel der idee." En Rörlund heeft
de opdracht gekregen de feestrede te houden. Daar moet je natuurlijk op
antwoorden.
BERNICK. Dat kan ik niet van avond, Rummel. Zou jij 't niet...?
RUMMEL. Onmogelijk, al zou ik 't graag doen. De toespraak wordt, zooals
je wel denken kunt, voornamelijk tot jou gericht. Nou, misschien krijgen
wij anderen ook wel een paar woorden. Ik heb er met Vigeland en Sandstad
over gesproken. Wij dachten zoo dat jij met een "leve het welzijn van
onze maatschappij" zou kunnen antwoorden; Sandstad zal eenige woorden
spreken over de eendracht tusschen de verschillende klassen onzer
maatschappij; Vigeland zal dan iets zeggen van hoe gewenscht het is dat
de nieuwe onderneming het moreele fondament waarop wij staan, niet zal
doen wankelen, en ik denk met een paar gepaste woorden de vrouwen te
gedenken, wier meer bescheiden werkkring ook niet zonder beteekenis is
voor de maatschappij. Maar je luistert heelemaal niet....
BERNICK. Jawel ... zeker. Maar zeg eens, geloof je dat het zwaar weer is
op zee?
RUMMEL. O, je bent bang voor "de Palmboom"? Die is immers goed
geassureerd.
BERNICK. Geassureerd, ja; maar....
RUMMEL. En een flink schip; en dat is het voornaamste.
BERNICK. Hm.... Als er iets gebeurt met een schip, dan is het daarom nog
niet gezegd dat er menschenlevens mee verloren gaan. Het schip en de
lading kunnen verloren gaan ... en men kan koffers en papieren
verliezen....
RUMMEL. Wat drommel, koffers en papieren beteekenen toch zooveel niet.
BERNICK. Dat niet! Neen, neen, ik wou maar zeggen.... Stil ... daar
zingen ze weer.
RUMMEL. Dat is aan boord van "de Palmboom".
(_Vigeland komt van rechts_).
VIGELAND. Ja, "de Palmboom" loopt aanstonds uit. Goeden avond, meneer de
consul.
BERNICK. En u, die een zeevaartkundige is, blijft u er bij dat...?
VIGELAND. Ik houd mij aan de Voorzienigheid, meneer de consul. Bovendien
ben ik zelf aan boord geweest en heb eenige traktaatjes uitgedeeld, die,
naar ik hoop, een gezegende uitwerking zullen hebben.
(_Sandstad en Krap komen van rechts_).
SANDSTAD (_nog in de deur_). Ja, als dàt goed gaat, dan gaat alles goed.
Zoo, goeden avond, goeden avond!
BERNICK. Is er iets aan de hand, mijnheer Krap?
KRAP. Ik zeg niemendal, mijnheer Bernick.
SANDSTAD. De heele bemanning op de "Indian Girl" is dronken. Ik zal geen
eerlijk man zijn als die beesten er levend afkomen.
(_Lona komt van rechts_).
LONA (_tegen Bernick_). Zoo ... nu kan ik je van hem groeten.
BERNICK. Al aan boord?
LONA. Zoo dadelijk ten minste. We namen afscheid voor de deur van het
hôtel.
BERNICK. En zijn plan staat vast?
LONA. Vast als een rots.
RUMMEL (_bij het raam_). De drommel hale die nieuwmodische inrichtingen!
Ik kan die gordijnen niet naar beneden krijgen.
LONA. Moeten ze naar beneden? Ik dacht juist....
RUMMEL. Eerst naar beneden, juffrouw. U weet immers wat er gebeuren
gaat?
LONA. Jawel, laat mij u eens helpen. (_Pakt de koorden beet_). Ik laat
het gordijn zakken voor mijn zwager ... hoewel ik het liever zou
ophalen.
RUMMEL. Dat kan u ook doen, straks. Als de tuin vol menschen is gaan de
gordijnen op, en dan zien zij binnen een verraste en blijde familie ...
het huis van een stadsburger moet zijn als een glazen huis.
BERNICK (_schijnt iets te willen zeggen, maar keert snel om en gaat naar
zijn kamer_).
RUMMEL. Laat ons nu nog even voor het laatst alles afspreken. Kom mee,
mijnheer Krap, u moet ons helpen met een paar inlichtingen.
(_Al de heeren gaan de kamer van Bernick binnen. Lona heeft de gordijnen
voor het raam dichtgetrokken en wil juist ook dat voor de openstaande
glazen deur dichttrekken, als Olaf van bovenaf op de tuinpad springt.
Hij heeft een plaid over de schouders en een bundel in de hand_).
LONA. O! Goede Hemel, jongen, is me dat doen schrikken!
OLAF (_verbergt zijn bundel_). Sst! tante!
LONA. Spring je uit het raam? Waar moet je naar toe?
OLAF. Stil; niets zeggen. Ik ga naar oom Johan ... even maar naar de
steiger, weet u ... alleen maar even afscheid nemen. Goeden nacht,
tante! (_Hij loopt weg door den tuin_).
LONA. Neen, blijf hier! Olaf!... Olaf!
(_Johan, gekleed voor de reis, met een tasch over zijn schouders, komt
voorzichtig door de deur rechts_).
JOHAN. Lona!
LONA (_keert zich om_). Wat! Kom je terug?
JOHAN. Ik heb nog een paar minuten tijd. Ik moet haar nog ééns zien. Wij
kunnen zóó niet van elkaar gaan.
(_Martha en Dina, allebei met mantels om, en de laatste met een klein
valies in de hand, komen door de verste deur links_).
DINA. Naar hem toe! naar hém!
MARTHA. Ja, Dina, je zult naar hem toe!
DINA. Daar is hij!
JOHAN. Dina!
DINA. Neem me mee!
JOHAN. Wat...!
LONA. Wil je dat?
DINA. Ja, neem me mee! Die andere heeft mij geschreven ... heeft gezegd
dat van avond alle menschen het weten zullen....
JOHAN. Dina, hou je niet van hem?