LONA. Van welk persoon, dominee?

RÖRLUND. Van den persoon dien zij, van alle menschen ter wereld, het

eerst van zich af houden moest.

LONA. Hoho!

RÖRLUND. Is dat met uw goedvinden, mijnheer Bernick?

BERNICK (_die hoed en handschoenen zoekt_). Ik weet nergens van. Pardon,

ik heb haast; ik moet naar de handelsmaatschappij.

HILMAR (_komt uit den tuin en gaat naar de verste deur links_). Betty,

Betty, hoor eens!

MEVR. BERNICK (_in de deur_). Wat is er?

HILMAR. Je moet eens naar de tuin gaan en een einde maken aan dat gevrij

van een zeker individu met die Dina Dorf. Mijn zenuwen zijn er heelemaal

door van streek, alleen maar van het aan te hooren.

LONA. Zoo? Wat heeft dat individu dan gezegd?

HILMAR. O, anders niet dan dat hij wil dat zij met hem mee naar Amerika

zal gaan. Oeh!

RÖRLUND. Hoe is het mogelijk!

MEVR. BERNICK. Wàt zeg je?

LONA. Maar dat zou juist uitstekend zijn!

BERNICK. Onmogelijk, je hebt 't niet goed verstaan.

HILMAR. Vraag het hem dan zelf. Daar komt het paartje. Maar laat mij er

alsjeblieft buiten.

BERNICK (_tegen Rummel en Vigeland_). Ik kom dadelijk ... een oogenblik

maar.... (_Rummel en Vigeland gaan af naar rechts. Johan en Dina komen

uit den tuin_).

JOHAN. Hoera, Lona, ze gaat met ons mee!

MEVR. BERNICK. Maar, Johan,... wat een onbezonnenheid...!

RÖRLUND. Is dat waar? Zoo'n verregaand schandaal! Met welke

verleidingskunsten heeft u...?

JOHAN. Nou, nou, mijnheer; let een beetje op uw woorden!

RÖRLUND. Antwoord mij Dina, is dat je plan? Heb je uit eigen beweging

die beslissing genomen?

DINA. Ik moet hier van daan.

RÖRLUND. Maar met hem ... met hém!

DINA. Noem mij eens een ander hier die den moed zou hebben om mij mee te

nemen.

RÖRLUND. Dan zal je ook weten wie hij is!

JOHAN. Zeg niets.

BERNICK. Geen woord meer.

RÖRLUND. Dan zou ik de maatschappij, voor wier zedelijkheid en

welvoegelijkheid ik waken moet, een slechten dienst bewijzen. En

onverantwoordelijk zou ik handelen jegens dit jonge meisje, wier

opvoeding ik ook voor een groot deel geleid heb, en die mij....

JOHAN. Neem u in acht voor wat u gaat doen!

RÖRLUND. Zij _moet_ het weten! Dina, dit is de man die schuld heeft aan

al de ellende en de schande van je moeder.

BERNICK. Mijnheer Rörlund...!

DINA. Hij! (_tegen Johan_). Is dat waar?

JOHAN. Karsten, geef jij antwoord.

BERNICK. Geen woord meer! Van daag zal hier verder over gezwegen worden.

DINA. 't Is dus waar.

RÖRLUND. 't Is waar ... 't is wáár. En meer nog dan dat. Die kerel, aan

wien je je vertrouwen geschonken hebt, liep niet met leege handen van

huis weg;... de kas van weduwe Bernick ... de consul kan het getuigen!

LONA. Leugenaar!

BERNICK. Ah...!

MEVR. BERNICK. O God! O God!

JOHAN (_loopt op hem toe met opgeheven arm_). En dat waag jij!...

LONA (_afwerend_). Sla hem niet, Johan!

RÖRLUND. Ja, vergrijp je maar aan mij. Maar de waarheid moet toch aan

het licht komen; en dit _is_ de waarheid; mijnheer Bernick heeft het

zelf gezegd en de heele stad weet het.... Ziezoo, Dina, nu ken je hem.

(_Kort zwijgen_).

JOHAN (_zachtjes, hem bij den arm pakkend_). Karsten, Karsten, wat heb

je gedaan!

MEVR. BERNICK (_gesmoord en schreiend_). O Karsten, dat ik je in al die

schande brengen moest!

SANDSTAD (_komt snel van rechts en roept met de kruk van de deur in de

hand_). Nu _moet_ u eindelijk komen, mijnheer de consul! De heele

spoorweg hangt nog maar aan een draadje!

BERNICK (_wezenloos_). Wat is er? Wat moet ik...?

LONA (_ernstig en met nadruk_). Je moet de maatschappij gaan steunen,

Bernick.

SANDSTAD. Ja, mijnheer, kom, kom; wij hebben uw heele moreele overwicht

noodig.

JOHAN (_vlak bij hem_). Bernick, morgen moeten wij samen spreken.

(_Hij gaat heen door den tuin; Bernick gaat willoos met Sandstad rechts

af_).

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

* * * * *

DERDE BEDRIJF

Tuinkamer in Bernick's huis.

* * * * *

(_Bernick met een Spaansch rietje in de hand, komt hevig vertoornd uit

de achterste kamer links en laat de deur half open staan_).

BERNICK. Ziezoo, nu is het eindelijk eens ernst geworden; dit pak zal

hem heugen, denk ik. (_Tegen iemand binnen in de kamer_). Wat zeg je?...

En ik zeg dat jij een onverstandige moeder bent! Je spreekt hem voor en

steunt hem in al zijn kwajongensstreken.... Geen kwajongensstreken? Wat

noem jij 't dan? Om 's nachts het huis uit te sluipen en met een

visschersboot mee op zee te gaan en weg te blijven tot op klaarlichten

dag,... en mij zoo'n doodelijken angst op het lijf jagen, terwijl ik

toch al zoo veel aan mijn hoofd heb. En dan waagt die deugniet het nog

mij te dreigen dat hij wegloopen zal! Laat hij 't maar eens

probeeren!... Jij? Neen, dat geloof ik graag; jij geeft er niet veel om

wat hij uithaalt! Al was zijn leven er mee gemoeid, geloof ik...! Zoo?

Maar ik heb een taak hier te vervullen; mij kan het wèl schelen of ik

een kind nalaat of niet.... Niet tegenspreken, Betty; het blijft zooals

ik gezegd heb; hij heeft huisarrest.... (_luistert_). Sst; laat niemand

iets merken.

(_Krap komt van rechts_).

KRAP. Heeft u een oogenblik tijd, mijnheer?

BERNICK (_gooit het rietje weg_). Jawel, jawel. Komt u van de werf?

KRAP. Zoo net. Hm....

BERNICK. Wel? Er is toch niets met "de Palmboom"?

KRAP. "De Palmboom" kan morgen in zee, maar....

BERNICK. Met de "Indian Girl" dus? Dacht ik het niet dat die

stijfkop....

KRAP. De "Indian Girl" kan ook uitzeilen morgen; maar ... die zal 't

niet ver brengen.

BERNICK. Wat bedoelt u?

KRAP. Neem mij niet kwalijk, mijnheer; de deur staat áán en ik geloof

dat er iemand binnen is....

BERNICK (_sluit de deur_). Ziezoo. Maar wat is het dan dat niemand

hooren mag?

KRAP. Het is dit, dat Aune van plan schijnt te zijn de "Indian Girl" met

man en muis naar den kelder te laten gaan.

BERNICK. Maar de hemel zij ons genadig, hoe kan u denken...?

KRAP. Ik kan het mij anders niet verklaren, mijnheer.

BERNICK. Maar zeg mij dan toch met een paar woorden....

KRAP. Dat zal ik. U weet zelf hoe lamzalig het toeging op de werf sedert

wij de nieuwe machines kregen en de nieuwe, ongeoefende werklui.

BERNICK. Ja, ja.

KRAP. Maar van ochtend, toen ik op de werf kwam, merkte ik dat de

reparatie van den Amerikaan opvallend gevorderd was; het groote lek in

den bodem, u weet wel, die verrotte plek....

BERNICK. Ja, ja, wat daarvan?

KRAP. Volkomen gerepareerd,... oogenschijnlijk althans; gepantserd; zag

er uit als nieuw; hoorde dat Aune zelf den heelen nacht daar onderin met

licht gewerkt had.

BERNICK. Ja, ja, en dan...?

KRAP. k' Liep er over na te denken; het volk was juist aan 't schaften,

en zoo vond ik de gelegenheid om ongemerkt eens alles op te nemen van

binnen en van buiten; 't was moeilijk genoeg om in het ruim van die

zwaar geladen schuit te komen; maar kreeg zekerheid. Er wordt geknoeid,

mijnheer Bernick.

BERNICK. Ik kan het niet gelooven, mijnheer Krap. Ik kan en wil zoo iets

niet gelooven van Aune.

KRAP. 't Spijt me ... maar 't is de zuivere waarheid. Er wordt geknoeid,

zeg ik u. Geen nieuw hout ingezet, zoover ik kon nagaan, alleen maar

gestopt en gekalefaterd en gedekt met platen en geteerd zeildoek en zoo

al meer. Eenvoudig prutserij! "Indian Girl" haalt New-York nooit; zinkt

als een gebarsten pot.

BERNICK. Maar dat is verschrikkelijk! En wat kan hij daarmee voorhebben,

denkt u?

KRAP. Wil waarschijnlijk de machines in discrediet brengen; wil zich

wreken; wil dat die heele oude arbeiderstroep weer in genade zal worden

aangenomen.

BERNICK. En zoo zet hij misschien al die menschenlevens op het spel.

KRAP. Hij zei onlangs: daar zijn geen menschen aan boord van de "Indian

Girl", enkel beesten.

BERNICK. Ja, ja, dat kan zijn; maar heeft hij dan geen eerbied voor het

groote kapitaal dat er mee verloren gaat?

KRAP. Aune heeft maling aan het groote kapitaal, mijnheer Bernick.

BERNICK. Zeer juist; hij is een drijver en een onruststoker; maar zoo

iets gewetenloos als dit.... Hoor eens, mijnheer Krap, die zaak moet nog

eens onderzocht worden. Geen woord er over tegen wien ook. De eer van

onze werf zou er onder lijden als zoo iets bekend werd.

KRAP. Natuurlijk, maar....

BERNICK. In het middagschaftuur moet u nog eens in het schip zien te

komen; ik moet volle zekerheid hebben.

KRAP. Die zal u hebben, mijnheer. Maar permitteer mij, wat wil u dan

doen?

BERNICK. De zaak aangeven, natuurlijk. Wij kunnen ons toch niet

medeplichtig maken aan iets dat gewoon een misdaad is. Mijn geweten moet

zuiver zijn. Het zal buitendien een goeden indruk maken zoowel bij de

pers als in het algemeen op de menschen, wanneer men ziet, dat ik alle

persoonlijke belangen op zij zet en het recht zijn loop laat.

KRAP. Zeer waar, mijnheer.

BERNICK. Maar in de eerste plaats volle zekerheid. En tot zoolang

zwijgen....

KRAP. Geen woord, mijnheer; en zekerheid zal u hebben. (_Hij gaat weg

door den tuin en de straat af_).

BERNICK (_halfluid_). Ontzettend! Maar neen, dat is toch onmogelijk,...

ondenkbaar! (_Terwijl hij zijn kamer binnen wil gaan komt Hilmar van

rechts_).

HILMAR. Dag Bernick! Ik feliciteer je met je overwinning in de

Handelsmaatschappij gisteren.

BERNICK. O, dank je.

HILMAR. Het was een schitterende overwinning, hoor ik, de overwinning

van de verstandige liefde voor je eigen stad over egoïsme en

vooroordeel,... iets als een razzia van de Franschen tegen de Kabylen.

Merkwaardig dat je na die onaangename scène hier in huis....

BERNICK. Nu ja ... zwijg daar nu maar liever over.

HILMAR. Maar de groote slag is toch nog niet geleverd.

BERNICK. In de spoorweg-kwestie bedoel je?

HILMAR. Ja, je weet toch wel wat Hammer tegen je in zijn schild voert?

BERNICK. Neen, wat dan?

HILMAR. Hij heeft zich vastgeklampt aan een praatje dat hier rondgaat,

en daar wil hij een courantenartikel van maken.

BERNICK. Welk praatje?

HILMAR. Wel, natuurlijk van den grooten aankoop van terreinen langs de

zijlijn.

BERNICK. Wat zeg je? Loopt daar een praatje over?

HILMAR. Ja, 't is al door de heele stad. Ik hoorde het op de societeit,

waar ik even binnen liep. Een notaris van hier moet in alle stilte in

commissie alle bosschen, ertslagen en watervallen opgekocht hebben....

BERNICK. Is 't ook bekend voor wie?

HILMAR. Op de societiet dachten ze dat 't voor een consortium was, lui

van buiten de stad, die van je plannen de lucht gekregen hadden en zich

nu vóór de prijzen stegen.... Hoe gemeen toch ... oeh!

BERNICK. Gemeen?

HILMAR. Ja, dat vreemden zich op die manier indringen in onze streken,

en dat zelfs een notaris hier uit de stad zich daartoe leenen wil! Nou

gaan die vreemde lui met de winst strijken.

BERNICK. Maar het is toch maar een los praatje.

HILMAR. Dat intusschen geloofd wordt, en morgen of overmorgen spijkert

Hammer het vast als een feit. Op de societeit waren ze er allemaal al

nijdig over. Ik hoorde verscheidene lui zeggen dat als het praatje

waarheid bleek te zijn, dan zouden zij zich laten schrappen van de

lijsten.

BERNICK. Onmogelijk!

HILMAR. Zoo? Waarom waren deze winkelierszielen zoo bereid om met je mee

te gaan in je plannen, denk je? Geloof je niet dat ze zelf hun neus er

al op gespitst hadden....

BERNICK. Onmogelijk, zeg ik je. Zóóveel gemeenschapszin bestaat hier

toch nog wel in onze kleine maatschappij....

HILMAR. Hier? Ja, jij bent nu eenmaal een optimist, en oordeelt anderen

naar je zelf. Maar ik, die een vrij geoefend opmerker ben.... Hier is er

geen één,--met uitzondering van ons beiden natuurlijk,--geen één zeg ik

je, die de vaan der idee hoog houdt. (_Gaat naar den achtergrond_). Oeh!

daar zie ik ze alweer aankomen!

BERNICK. Wie?

HILMAR. De twee Amerikanen (_kijkt naar rechts_). En met wie loopen ze?

Ja, lieve God, is dat niet de kapitein van de "Indian Girl"? Oeh!

BERNICK. Wat hebben ze met hèm te maken?

HILMAR. O, dat is juist heel geschikt gezelschap. Die man moet

slavenhandelaar of zeeroover geweest zijn; en wie weet wat die twee al

die jaren hebben uitgevoerd.

BERNICK. Ik moet zeggen dat het je heel leelijk staat om zoo slecht over

hen te denken.

HILMAR. Ja, jij bent nu eenmaal een optimist. Maar nu hebben wij ze weer

op ons dak natuurlijk. Ik zal me daarom maar bij tijds.... (_gaat naar

de deur links_).

(_Lona komt van rechts op_).

LONA. Hoe is 't, Hilmar, jaag ik je de kamer uit.

HILMAR. Volstrekt niet. Ik had juist een beetje haast; ik moet Betty

even spreken. (_Gaat de verste kamer links binnen_).

BERNICK (_na een kort zwijgen_). Wel, Lona?

LONA. Ja?

BERNICK. Hoe sta ik van daag voor je?

LONA. Net als gisteren. Een leugen meer of minder....

BERNICK. Ik zal je opheldering geven. Waar is Johan?

LONA. Hij komt straks. Hij moest nog iemand spreken.

BERNICK. Na wat je gisteren hoorde, zal je begrijpen, dat mijn heele

bestaan verwoest is als de waarheid aan het licht komt.

LONA. Dat begrijp ik.

BERNICK. 't Spreekt natuurlijk van zelf, dat _ik_ mij niet schuldig

gemaakt heb aan de misdaad waarover hier gebabbeld wordt.

LONA. Dat spreekt. Maar wie was dan de dief?

BERNICK. Er was heelemaal geen dief; er is geen geld gestolen; geen cent

is er vermist.

LONA. Wàt zeg je?

BERNICK. Geen cent, zeg ik je.

LONA. Maar dat praatje dan? Hoe kwam dan dat schandelijke praatje in de

wereld dat Johan...?

BERNICK. Lona, aan jou geloof ik te kunnen zeggen wat ik aan niemand

anders zeg. Ik wil voor jou niets verzwijgen. _Ik_ ben voor een deel

schuld er aan dat dat praatje werd uitgestrooid.

LONA. Jij? En dat kon je hèm aandoen, die voor jou...!

BERNICK. Je moet mij niet veroordeelen zonder te bedenken hoe de zaken

toen stonden. Ik vertelde je dat immers gisteren. Ik kwam thuis en vond

mijn moeder gewikkeld in een heele serie van onverstandige

ondernemingen; allerlei ongelukken kwamen er bij. Het was of alles ons

opeens moest tegenloopen. Ons huis stond op vallen. Ik was half

onverschillig en half wanhopig. Lona, ik geloof heusch dat 't

voornamelijk was om mij te verdooven, dat ik mij inliet met die relatie,

die Johan er toe bracht weg te gaan.

LONA. Hm....

BERNICK. Je kunt je wel voorstellen, hoe er allerlei praatjes werden

uitgestrooid toen je allebei weg waart. Er werd gezegd dat dit niet zijn

eerste lichtzinnige streek was. Dorf zou een groote som geld van hem

gekregen hebben om zijn mond te houden en weg te gaan, heette het.

Anderen hielden vol dat _zij_ het gekregen had. In dienzelfden tijd

bleef het geen geheim meer dat ons huis moeite had zijn verplichtingen

na te komen. Wat was natuurlijker dan dat de kwaadsprekers deze twee

dingen met elkaar in verband brachten? Toen nu de vrouw hier bleef en

maar armelijk leefde, beweerde men dat hij het geld meegenomen had naar

Amerika; en onder al die praatjes werd de som al grooter en grooter.

LONA. En jij, Karsten?

BERNICK. Ik greep dat praatje aan als een reddingsplank.

LONA. En strooide het verder uit?

BERNICK. Ik sprak het niet tegen. De schuldeischers begonnen ons lastig

te vallen; 't kwam er op aan hen te kalmeeren. In geen geval mocht de

soliditeit van het huis verdacht worden. Wij verkeerden in een

oogenblikkelijke verlegenheid; men moest alleen maar niet te veel

aandringen ... ons een beetje tijd laten; ieder zou het zijne krijgen.

LONA. En kreeg ieder het zijne ook?

BERNICK. Ja, Lona, dat praatje redde ons huis en maakte mij tot den man

die ik nu ben.

LONA. Een leugen heeft je dus gemaakt tot den man die je nu bent?

BERNICK. Wien deed dat toen kwaad? Johan's plan was om nooit weer terug

te komen.

LONA. Je vraagt wien dat kwaad deed? Kijk eens in je zelf en zeg me of

het jou geen kwaad gedaan heeft.

BERNICK. Kijk in welken man je wilt, en in een ieder zal je op zijn

minst één donkeren plek vinden die hij verbergen moet.

LONA. En jullie noemt je de steunpilaren der maatschappij!

BERNICK. De maatschappij heeft toch geen betere.

LONA. En wat doet het er toe of zoo'n maatschappij gesteund wordt of

niet? Wàt is het, waar hier aan gehecht wordt? Schijn en leugen ... en

anders niets. Hier leef jij nu, de eerste man van de stad, in

heerlijkheid en vreugde, in macht en aanzien, jij die een onschuldige

als misdadiger gebrandmerkt hebt.

BERNICK. Denk je soms dat ik 't niet diep voel dat ik hem onrecht

aangedaan heb? En denk je soms dat ik niet bereid ben dat onrecht weer

goed te maken?

LONA. Waarmee? Met de waarheid te zeggen?

BERNICK. En zoo iets zou je van mij kunnen vergen?

LONA. Waarmee anders kan je zoo'n onrecht weer goed maken?

BERNICK. Ik ben rijk, Lona. Johan kan van mij eischen wat hij wil....

LONA. Ja, bied hem eens geld aan, dan zal je eens hooren wat hij je

antwoordt.

BERNICK. Weet jij wat zijn plannen zijn?

LONA. Neen, sedert gisteren zegt hij niets meer. Het is of dat alles hem

opeens tot een volwassen man gemaakt heeft.

BERNICK. Ik moet hem spreken.

LONA. Daar heb je hem. (_Johan komt van rechts_).

BERNICK (_naar hem toegaand_). Johan...!

JOHAN (_afwerend_). Eerst ik. Gisteren ochtend gaf ik je mijn woord dat

ik zwijgen zou.

BERNICK. Dat deed je.

JOHAN. Maar toen wist ik nog niet....

BERNICK. Johan, laat mij met een paar woorden maar zeggen, hoe de zaak

in elkaar zit....

JOHAN. Dat 's niet noodig; ik begrijp het heel best. Het huis Bernick

had toen een moeilijken tijd; en omdat ik weg was en jij met den naam

van een weerlooze doen kon wat je wou.... Wel, ik wil je daarover niet

zoo heel hard vallen; we waren allebei jong en lichtzinnig in die dagen.

Maar _nu_ heb ik de waarheid noodig en nu moet je spreken.

BERNICK. En juist nù heb ik mijn heele prestige noodig en daarom kàn ik

nu niet spreken.

JOHAN. Van die verzinsels die je over mij hebt uitgestrooid trek ik mij

niet veel aan. Maar dat andere ... dáárin moet je schuld bekennen. Dina

moet mijn vrouw worden en hier, hier in de stad, wil ik met haar leven

en huishouden.

LONA. Wil je dat heusch?

BERNICK. Met Dina? Als je vrouw? Hier in de stad?

JOHAN. Ja ... hier; juist hier wil ik blijven om al die leugenaars en

kwaadsprekers te trotseeren. Maar om haar tot mijn vrouw te kunnen

maken, is het noodzakelijk dat jij mij rehabiliteert.

BERNICK. Heb je bedacht dat als ik het ééne beken ik daarmee ook het

andere op mij nemen moet? Je zult zeggen dat ik uit onze boeken kan

bewijzen dat er geen onregelmatigheden hebben plaats gehad? Maar dat kan

ik niet; onze boeken zijn in dien tijd niet zoo heel nauwkeurig

bijgehouden. En zelfs al kon ik dat ... wat zou daarmee gewonnen zijn?

Zou ik dan toch niet voor alle menschen staan als de man die zich eens

door een onwaarheid gered had en die vijftien jaar lang die onwaarheid

en alles wat er mee samenhing had laten voortwoekeren en wortel

schieten, zonder ook maar een enkelen stap gedaan te hebben om dat te

stuiten? Je kent ons wereldje niet meer, anders zou je weten dat dat

mijn volslagen ondergang ten gevolge zou hebben.

JOHAN. Ik kan je alleen zeggen dat ik met de dochter van madam Dorf

trouwen wil en met haar wonen hier in de stad.

BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Hoor eens, Johan ... en jij ook

Lona. Het zijn geen alledaagsche omstandigheden waarin ik dezer dagen

juist verkeer. De zaken staan zoo, dat je mij vernietigt als je dat

tegen mij gaat beginnen. En niet mij alléén, maar ook een mooie en

zegenrijke toekomst voor de heele stad, die toch ook je beider

geboorteplaats is.

JOHAN. En ontzie ik jou, dan vernietig ik zelf mijn eigen geluk en mijn

heele toekomst.

LONA. Ga voort, Karsten.

BERNICK. Luistert dan. Het hangt allemaal samen met de spoorweg-kwestie,

en dat is niet zoo'n onverschillige zaak als jullie wel denkt. Je hebt

zeker wel gehoord dat er het vorige jaar kwestie was van een lijn langs

de kust? Daar waren veel stemmen vóór, die meetelden hier in de stad en

ook in de omgeving; en ook voornamelijk in de dagbladen. Maar ik wist

dat plan te verhinderen, omdat het onze kustvaart schade gedaan zou

hebben.

LONA. Ben je zelf geïnteresseerd in die kustvaart?

BERNICK. Ja. Maar niemand durfde mij daarom verdacht maken; mijn

algemeen geachte naam was als een scherm en schild boven mijn hoofd. Ik

had overigens de schade wel kunnen dragen, maar de plaats zelf had die

niet kunnen lijden. Zoo werd er besloten een binnenlandsche lijn aan te

leggen. Toen dat gebeurd was, ben ik eens in het geheim gaan opnemen of

er een zijlijn aan te leggen was.

LONA. Waarom in het geheim, Karsten?

BERNICK. Heb je hooren spreken over den grooten aankoop van

boschgronden, groeven en watervallen...?

JOHAN. Ja, dat gaat immers uit van een consortium buiten de stad?...

BERNICK. Zóó, als die gronden daar nù liggen, zijn ze zoo goed als

waardeloos voor de overal verspreid wonende eigenaars. Daardoor zijn ze

betrekkelijk goedkoop verkocht. Was er gewacht, totdat die zijlijn een

uitgemaakte zaak was, dan zouden de eigenaars ongehoorde prijzen

gevraagd hebben.

LONA. Jawel, jawel. Maar verder?

BERNICK. Nu komt dat, wat op verschillende manier uitgelegd kan worden

... dat, wat een man in onze kringen alleen kan doen en bekennen,

wanneer hij steunen kan op een vlekkenloozen en geachten naam.

LONA. Wel?

BERNICK. Ik ben 't die dat alles heb opgekocht.

LONA. Jij?

JOHAN. Voor eigen rekening?

BERNICK. Voor eigen rekening. Komt die zijlijn tot stand, dan ben ik

millionnair; komt die niet tot stand, dan ben ik geruïneerd.

LONA. Dat is een waagstuk, Karsten.

BERNICK. Mijn heele vermogen heb ik er aan gewaagd.

LONA. Ik dacht niet zoozeer aan je vermogen, maar als het aan het licht

komt, dat....

BERNICK. Ja, dáár zit de knoop. Met een vlekkenloozen naam, zooals de

mijne tot nog toe was, kan ik die zaak op mij nemen, er mee voor den dag

komen en tegen mijn medeburgers zeggen: "Kijk, dat heb ik gewaagd in het

belang van de maatschappij!"

LONA. Van de maatschappij?

BERNICK. Ja; en geen één zal er twijfelen aan mijn bedoelingen.

LONA. Dan zijn hier toch mannen die eerlijker gehandeld hebben dan jij,

zonder bijgedachten of nevenbedoelingen.

BERNICK. Wie dan?

LONA. Wel, zoowel Rummel als Sandstad en Vigeland.

BERNICK. Om hen voor mijn plan te winnen ben ik genoodzaakt geweest hen

in te wijden in de zaak.

LONA. En...?

BERNICK. Zij hebben een vijfde van de winst voor zich bedongen.

LONA. O, die steunpilaren van de maatschappij!

BERNICK. En is het dan de maatschappij zelf niet die ons dwingt langs

kronkelpaden te gaan? Wat zou er gebeurd zijn als ik niet in het geheim

gehandeld had? Allemaal zouden zij op die zaak aangevallen zijn, en den

heelen boel verdeeld, verspreid, bedorven en verknoeid hebben. Hier in

de stad is er buiten mij geen enkel man die zoo'n groote zaak als dit

worden zal, zou weten te leiden. Hier in 't land hebben over 't algemeen

alleen de van buiten-af gekomen families aanleg voor groote

ondernemingen. Daarom spreekt mijn geweten mij dan ook vrij op dit punt.

Alleen in _mijn_ handen kunnen deze bezittingen een ware en blijvende

zegen worden voor de velen die zij brood verschaffen zullen.

LONA. Ik geloof dat je daarin gelijk hebt, Karsten.

JOHAN. Maar ik ken die velen niet en mijn levensgeluk staat op het spel.

BERNICK. Het welzijn van je geboorteplaats staat ook op het spel. Komen

er nu dingen voor den dag, die een schaduw werpen op mijn vroeger leven,

dan zullen al mijn tegenstanders met vereende krachten mij aanvallen.

Een jeugdige afdwaling wordt in onze maatschappij nooit uitgewischt. Zij

zullen mijn heele leven, tusschen toen en nu, gaan napluizen, allerlei

kleine voorvallen oprakelen, en ze in het licht van wat er nu bekend

geworden is gaan beschouwen en beoordeelen. Ze zullen mij onder het

gewicht van geruchten en lasterpraatjes trachten te verpletteren. Van

die spoorwegzaak moet ik mij terugtrekken; en als _ik_ mijn hand daarvan

aftrek, dan valt die, en ik ben met één slag geruïneerd en

maatschappelijk dood.

LONA. Johan, na wat je gehoord hebt, moet je heengaan en zwijgen.

BERNICK. Ja, o ja, Johan, dat moet je!

JOHAN. Goed; ik zal weggaan en zwijgen; maar ik kom terug en dan zal ik

spreken.

BERNICK. Blijf daarginder, Johan; blijf zwijgen, en ik ben bereid alles

met je te deelen....

JOHAN. Hou je geld maar; maar geef mij mijn goeden naam terug.

BERNICK. Door den mijnen op te offeren!

JOHAN. Dat moet je maar met je eigen wereldje zien klaar te spelen.

Ik moet en kan en wil Dina hebben. Daarom ga ik morgen al weg met de

"Indian Girl".

BERNICK. Met de "Indian Girl"?

JOHAN. Ja. De kapitein heeft beloofd mij mee te nemen. Ik ga terug,

verkoop mijn farm en regel mijn zaken. Over twee maanden ben ik weer

hier.

BERNICK. En zal je dan spreken?

JOHAN. Dan moet de schuldige zelf maar de schuld op zich nemen.

BERNICK. Vergeet je dat ik dan ook dát op mij nemen moet, waaraan ik mij

niet schuldig heb gemaakt?

JOHAN. Wie was het die vijftien jaar geleden profiteerde van dat

schandelijke praatje?

Dramatische werken · 第 8 / 30 段