dank! Niet één uit de tienduizend zou gedaan hebben wat jij toen voor
mij deedt.
JOHAN. 't Is ook wat! Waren we niet allebei jong en loszinnig? Een van
ons beiden moest de schuld toch op zich nemen....
BERNICK. Maar wie was daar nader aan toe dan de schuldige zelf?
JOHAN. Stop! Toen was de onschuldige er nader aan toe. Ik was immers
heelemaal vrij en ouderloos. En 't was een waar geluk om van die
kantoor-slavernij af te komen. Maar jij hadt je oude moeder nog, en
daarbij was je net stil geëngageerd met Betty, die zoo veel van je
hield. Wat zou ze begonnen hebben als ze te weten was gekomen...?
BERNICK. Zeker ... zeker ... alles waar, maar....
JOHAN. En was het niet juist om Betty dat je een eind ging maken aan dat
scharrelpartijtje met madam Dorf? 't Was immers daarom dat je bij haar
boven was dien avond....
BERNICK. Ja, die onzalige avond, toen die dronken kerel thuiskwam...!
Ja, Johan, dat was om Betty; maar toch ... dat je zoo grootmoedig den
schijn tegen je zelf keerde en weg ging....
JOHAN. Heb maar geen gewetensbezwaren, beste kerel. We waren het er
immers over eens dat het zoo zijn zou; je _moest_ gered worden, en je
was immers mijn vriend. Ja, op die vriendschap was ik wat trotsch! Ik
liep hier rond als een gewoon huisbakken inlander; en toen kwam jij
terug, elegant en voornaam, van je groote buitenlandsche reis. Je was in
Parijs en in Londen geweest. En toen koos je mij tot intiemen vriend,
hoewel ik vier jaar jonger was dan jij;... nou ja, dat was omdat jij
Betty het hof maakte, dat begrijp ik nu wel. Maar wat was ik daar
trotsch op! En wie zou dat niet geweest zijn? Wie zou zich niet graag
voor je opgeofferd hebben; vooral omdat er toch niet meer aan vast was
dan een maand lang wat kletspraatjes in de stad, en ik meteen de wijde
wereld kon intrekken.
BERNICK. Hm; mijn beste Johan, ik moet je eerlijk zeggen, dat die
geschiedenis nog niet zoo heelemaal vergeten is.
JOHAN. Zoo? Niet? Nou wat raakt mij dat, als ik weer daarginder op mijn
farm zit....
BERNICK. Dus je gaat weer terug?
JOHAN. Ja, stellig.
BERNICK. Maar toch niet zoo heel gauw, hoop ik?
JOHAN. Zoo gauw mogelijk. Ik ben alleen maar meegekomen om Lona plezier
te doen.
BERNICK. Zoo? Om Lona?
JOHAN. Ja, zie je, Lona is niet jong meer, en in den laatsten tijd begon
het verlangen naar haar eigen land haar te kwellen; maar zij wou het
nooit bekennen. (_Glimlachend_). Hoe zou zij zoo'n lichtzinnig wezen
durven achterlaten, dat zich, toen hij negentien jaar oud was al had
afgegeven met....
BERNICK. En...?
JOHAN. Ja, Karsten, nu moet ik je iets biechten, waarover ik me schaam.
BERNICK. Je hebt haar toch niet verteld hoe de zaak in elkaar zit?
JOHAN. Ja, dat heb ik wel. Het was verkeerd van mij maar ik kon niet
anders. Je kunt je niet voorstellen wat Lona voor mij geweest is. Jij
hebt haar nooit goed kunnen uitstaan, maar voor mij is ze als een moeder
geweest. In de eerste jaren, toen wij het zoo spaansch hadden
daarginder, wat heeft ze toen niet gewerkt. En toen ik langen tijd ziek
lag en niets kon verdienen, en het ook niet kon verhinderen, toen is zij
liederen gaan zingen in café's, voordrachten gaan houden, waar de
menschen om lachten; en toen heeft ze een boek geschreven waar zij
naderhand om gelachen en geschreid heeft,... allemaal om mij in leven te
houden. Daarom kon ik het niet langer aanzien hoe zij van den winter
verteerde van heimwee, zij, die gezwoegd en geslaafd had voor mij! Neen,
dat kon ik niet, Karsten. En daarom zei ik: ga terug Lona, je hoeft voor
mij niet bang te zijn; ik ben niet zoo lichtzinnig als je denkt. En zoo
... zoo kwam zij het te weten.
BERNICK. En hoe nam zij het op?
JOHAN. Nou, ze vond, wat ook waar was, dat als ik wist niets misdaan te
hebben, ik er ook niets tegen hebben kon de reis mee te maken. Maar wees
gerust, Lona verklapt niets, en ik zal ook nu wel weer mijn mond houden.
BERNICK. Ja ... ja ... daar vertrouw ik ook op.
JOHAN. Daar heb je mijn hand er op. En nu zullen wij niet meer spreken
over die oude geschiedenis; gelukkig is dat de eenige dolle streek,
zoover ik weet, die een van ons heeft uitgehaald. Nu wil ik van de
enkele dagen dat ik hier ben ten volle genieten. Je weet niet wat een
heerlijke wandeling wij van morgen gemaakt hebben. Wie zou gedacht
hebben dat die kleine dreumes, die hier rondliep en voor engeltje
speelde op het tooneel...! Maar zeg toch eens,... hoe is het toen verder
met haar ouders afgeloopen?
BERNICK. Och, ik weet er niet meer van te vertellen dan ik je schreef
kort nadat je weg was. Je hebt immers die twee brieven wel gekregen?
JOHAN. Jawel; jawel; ik heb ze nog allebei. Die dronkenlap liep immers
van haar weg?
BERNICK. En is later in de jenever gestikt.
JOHAN. Zij stierf immers ook kort daarop? Maar jij hebt zeker alles voor
haar gedaan wat je in stilte doen kon?
BERNICK. Zij was trotsch; zij heeft nooit iets verraden en ze wilde
niets aannemen.
JOHAN. 't Is in elke geval goed dat je Dina in huis genomen hebt.
BERNICK. Ja, maar het is eigenlijk Martha geweest die dat heeft
doorgedreven.
JOHAN. Zoo was dat Martha's werk? Ja, Martha ... dat is waar ook ...
waar zit die toch van daag?
BERNICK. O, _die_,... als die niet aan 't les geven is op school, dan
is ze bij haar zieken.
JOHAN. Dus Martha heeft zich met haar bezig gehouden.
BERNICK. Ja, Martha heeft altijd een zeker zwakje gehad voor alles wat
opvoeding is. Daarom heeft zij ook een betrekking aan de volksschool
aangenomen. Dat was een groote dwaasheid van haar.
JOHAN. Ja, zij zag er gisteren erg vermoeid uit; ik vrees ook dat zij
daarvoor niet sterk genoeg is.
BERNICK. Och, wat haar gezondheid betreft zou het wel gaan. Maar het is
onaangenaam voor _mij_; 't staat net of ik, haar broer, geen lust heb om
haar te onderhouden.
JOHAN. Te onderhouden? Ik dacht dat zij zelf geld genoeg had om....
BERNICK. Geen cent. Je herinnert je nog wel wat voor een benauwde tijd
het was voor moeder toen jij weg ging. Zij hield het toen met mijn hulp
nog wel een tijdlang vol; maar dat kon op den duur toch zoo niet gaan.
Daarom liet ik mij in de firma opnemen; maar zoo ging het toen ook
alweer niet. Ik moest dus de heele zaak overnemen, en toen wij onze
balans opmaakten, bleek het dat er van het aandeel van mijn moeder zoo
goed als niets overbleef. Toen moeder kort daarna overleed, was er
natuurlijk ook voor Martha niets.
JOHAN. Die arme Martha!
BERNICK. Arme? Waarom? Je denkt toch niet dat zij iets te kort komt?
O neen, ik durf gerust zeggen dat ik een goede broer ben. Zij woont
natuurlijk bij ons in en eet aan onze tafel; van hetgeen zij verdient
kan zij ruim zich kleeden, en een vrouw alleen ... wat zal die met meer
uitvoeren?
JOHAN. Hm; in Amerika denken wij daar anders over.
BERNICK. Ja, dat geloof ik wel; in zoo'n vrijgevochten maatschappij als
de Amerikaansche. Maar hier, in ons kleine kringetje, waar Goddank de
verdorvenheid tot op heden althans, nog niet is binnengedrongen, hier
stellen de vrouwen zich er mee tevreden een gepaste, al is het dan ook
een bescheiden plaats in te nemen. Het is bovendien Martha's eigen
schuld; zij had waarachtig al lang bezorgd kunnen zijn, als zij maar
gewild had.
JOHAN. Je bedoelt dat zij had kunnen trouwen?
BERNICK. Ja, zij had zelfs meer dan eens een heel goede partij kunnen
doen; zij heeft verscheidene goede aanzoeken gehad. Merkwaardig genoeg;
een onbemiddeld meisje, niet jong meer, en daarbij hoogst onbeduidend.
JOHAN. Onbeduidend?
BERNICK. Nou, ik maak er haar geen verwijt van. Ik verlang haar niet
anders dan ze is. Je begrijpt, in een groot huis als het onze, is het
altijd gemakkelijk zoo'n eenvoudig persoontje te hebben die je voor
alles gebruiken kunt.
JOHAN. Jawel, maar zij...?
BERNICK. Zij? Hoe dat?... Nu ja, zij heeft natuurlijk ook wel wat om
zich voor te interesseren. Zij heeft mij toch, en Betty en Olaf en mij.
Een mensch moet niet altijd in de eerste plaats aan zich zelf denken, en
allerminst een vrouw. Wij hebben toch allemaal een kleinere of grootere
maatschappij om te steunen en voor te werken. Zoo doe _ik_ althans
(_wijst naar Krap, die van rechts komt_). Daar heb je net het bewijs
voor mijn stelling. Denk je dat het mijn eigen zaken zijn die mij in
beslag nemen? Volstrekt niet. (_Snel tegen Krap_). Wel?
KRAP (_zacht, laat een pak papieren zien_). Alle koopcontracten in orde.
BERNICK. Prachtig! Uitmuntend!... Ja, beste jongen, nu moet je mij
heusch voor een poosje excuseeren. (_Gedempt en met een handdruk_).
Dank, dank, Johan; en wees er van overtuigd, dat ik alles, waarmee ik je
van dienst kan zijn,... nu, je begrijpt mij wel.... Kom, mijnheer Krap.
(_Zij gaan Bernick's kamer binnen_).
JOHAN (_kijkt hen een poos na_). Hm.... (_hij wil den tuin ingaan. Op
hetzelfde oogenblik komt Martha met een mandje aan haar arm van
rechts_).
JOHAN. Kijk eens aan, Martha!
MARTHA. O ... Johan ... ben jij het?
JOHAN. Ook al zoo vroeg op het pad?
MARTHA. Ja. Wacht maar even, als je wilt; de anderen zullen wel dadelijk
komen. (_Wil naar links weggaan_).
JOHAN. Hoor eens, Martha, heb je altijd zoo'n haast?
MARTHA. Ik?
JOHAN. Gisteren liep je ook al weg, zoodat ik geen woord met je kon
praten, en van daag....
MARTHA. Ja, maar....
JOHAN. Vroeger waren wij toch altijd bij elkaar, wij twee oude
speelkameraden.
MARTHA. Och, Johan, dat is zoo heel, heel lang geleden.
JOHAN. Wel, het is op den kop af vijftien jaar geleden, niet meer en
niet minder. Vindt je soms dat ik zoo erg veranderd ben?
MARTHA. Jij? O ja, jij ook, hoewel....
JOHAN. Nou wat?
MARTHA. Och ... niets.
JOHAN. Je schijnt niet erg blij te zijn om me terug te zien.
MARTHA. Je heb zoo lang gewacht ... _te_ lang.
JOHAN. Gewacht? Dat ik terugkomen zou?
MARTHA. Ja.
JOHAN. En waarvoor dacht je dat ik terugkomen zou?
MARTHA. Om goed te maken wat je misdaan hebt.
JOHAN. Ik?
MARTHA. Heb je vergeten dat er een vrouw in ellende en schande gestorven
is door jouw schuld? Heb je vergeten, dat door jouw schuld de beste
jaren van een opgroeiend meisje vergald werden?
JOHAN. En dat moet ik van jou hooren? Martha, heeft je broer dan
nooit...?
MARTHA. Wat?
JOHAN. Heeft hij nooit...; nu ja, ik bedoel, heeft hij nooit zooveel als
een woord tot mijn verontschuldiging gezegd?
MARTHA. Och, Johan, je kent immers Karsten's strenge principes wel.
JOHAN. Hum..., ja zeker, zeker ken ik de strenge principes van mijn
ouden vriend Karsten wel.... Maar dat is toch...! Wel!... Ik sprak zoo
even met hem. Ik vind dat hij opvallend veranderd is.
MARTHA. Hoe kan je dat zeggen? Karsten is toch altijd zoo'n uitstekend
mensch geweest.
JOHAN. Zoo was het eigenlijk niet bedoeld; maar dat doet er niet toe.
Hm; nu begrijp ik pas in welk licht je mij gezien hebt; je hebt gewacht
en uitgekeken naar de terugkomst van den verloren zoon.
MARTHA. Johan, ik zal je zeggen in welk licht ik je gezien heb (_wijst
naar den tuin_). Zie je haar, die daarginder in het gras met Olaf
speelt? Dat is Dina. Herinner je je nog dien verwarde brief dien je mij
schreef toen je weg ging? Je schreef dat ik in je gelooven moest. Ik heb
in je geloofd, Johan. Al die slechte dingen die later van je verteld
werden, moeten in de verwarring, zonder nadenken, zonder overleg gebeurd
zijn....
JOHAN. Wat voor dingen bedoel je?
MARTHA. Och, je begrijpt mij heel goed;... daarover praat ik niet meer.
Maar je moest immers weg, van voren af aan beginnen, een nieuw leven.
Zie je, Johan, ik ben je plaatsvervangster hier geweest, ik, je oude
speelkameraad. De plichten die jij hier verzuimde te vervullen, of niet
vervullen kon, die heb ik op mij genomen en voor je vervuld. Ik vertel
je dit omdat je je ook niet dàt nog te verwijten zoudt hebben. Voor het
arme, verongelijkte kind, ben ik een moeder geweest; ik heb haar
opgevoed zoo goed als ik kon....
JOHAN. En je heele leven daaraan verspild....
MARTHA. Dat is niet verspild. Maar je bent laat gekomen, Johan.
JOHAN. Martha ... als ik je alles zeggen kon.... Wel, laat ik je in elk
geval danken voor je trouwe vriendschap.
MARTHA (_met een droevig lachje_). Hm.... Zoo, nu heb ik ten minste
gezegd wat ik op 't hart had. Sst; daar komt iemand. Adieu; ik kan nu
niet.... (_zij gaat weg door de verste deur links. Lona Hessel komt uit
den tuin, gevolgd door Mevr. Bernick_).
MEVR. BERNICK (_nog in den tuin_). Maar om 's hemels wil, Lona, wat
verzin je toch!
LONA. Laat mij toch maar begaan; ik wil en moet met hem spreken.
MEVR. BERNICK. Maar dat zou toch het grootst mogelijke schandaal geven!
O Johan, ben jij daar nog?
LONA. Maak dat je wegkomt, jongen; blijf niet hier in de kameratmosfeer
omhangen; ga den tuin in en praat een beetje met Dina.
JOHAN. Dat was ik juist van plan.
MEVR. BERNICK. Maar....
LONA. Hoor eens, Johan, heb je Dina al eens goed aangekeken?
JOHAN. Ik geloof van ja.
LONA. Je moet haar maar eens heel nauwkeurig opnemen, jongen. Dàt zou
iets voor jou zijn!
MEVR. BERNICK. Maar Lona!
JOHAN. Iets voor mij?
LONA. Ja, om naar te kijken, meen ik. Ga nu maar!
JOHAN. Maar al te graag! (_hij gaat den tuin in_).
MEVR. BERNICK. Lona, ik sta verstomd over je. Dit kan je toch onmogelijk
ernst zijn.
LONA. Ja waarachtig is het mij ernst. Is zij niet frisch en gezond en
braaf? Zij is net een vrouw voor Johan. Zoo een heeft hij daarginder net
noodig; dat zal wat anders zijn dan een oude stiefzuster!
MEVR. BERNICK. Dina! Dina Dorf! Denk toch eens aan!...
LONA. Ik denk in de eerste plaats aan het geluk van mijn jongen. Want
hem een beetje helpen moet ik wel; zelf is hij niet heel handig in zulke
dingen; voor meisjes en vrouwen heeft hij nooit veel oog gehad.
MEVR. BERNICK. Hij niet? Johan! Nou, mij dunkt dat wij van het tegendeel
de treurige bewijzen wel gehad hebben....
LONA. Naar den drommel met die malle geschiedenis! waar is Bernick? Ik
moet hem spreken.
MEVR. BERNICK. Lona, je doet het niet, zeg ik je!
LONA. Ik doe het wèl. Heeft de jongen zin in haar ... en zij in hem ...
dan zullen ze elkaar krijgen ook. Bernick is immers zoo'n knappe man;
die moet dan maar een uitweg vinden....
MEVR. BERNICK. En geloof je dat zulke Amerikaansche onwelvoegelijkheden
hier geduld zullen worden....
LONA. Leuterpraat, Betty.
MEVR. BERNICK. ... dat een man als Karsten, met zijn streng moreele
begrippen....
LONA. Och wat! Die zullen wel zoo overdreven streng niet zijn.
MEVR. BERNICK. Wat durf je daar te zeggen?
LONA. Ik durf zeggen dat Bernick wel niet zooveel braver zal zijn dan
andere mannen.
MEVR. BERNICK. Zoo diep zit dus de haat nog in je! Maar wat wil je dan
toch eigenlijk hier, als je nooit hebt kunnen vergeten dat...? Ik
begrijp niet dat je hem onder de oogen durfde komen na de schandelijke
beleediging die je hem hebt aangedaan.
LONA. Ja, Betty, toen heb ik mij leelijk vergaloppeerd.
MEVR. BERNICK. En hoe grootmoedig heeft hij het je niet vergeven, hij,
die toch nooit iets misdaan had! Want hij kon toch niet helpen dat jij
je hier illusies gemaakt hadt. Maar sinds dien tijd heb je ook een hekel
aan mij. (_Begint te schreien_). Je hebt mij mijn geluk nooit gegund. En
nu kom je hier om mij al die narigheid te bezorgen ... om de heele stad
te laten zien in wat voor een familie ik Karsten gebracht heb. Ik zal er
op aangezien worden, en dat is het juist wat je wilt. O, het is
afschuwelijk van je! (_Ze gaat schreiend weg door de verste deur
links_).
LONA (_haar nakijkend_). Arme Betty! (_Bernick komt uit zijn kamer_).
BERNICK (_nog in de deur_). Ja, ja, dat is best mijnheer Krap; dat is
uitstekend. Stuur vierhonderd kronen voor voedsel voor de armen. (_keert
zich om_). Lona! (_dichterbij_). Ben je alleen? Komt Betty niet hier?
LONA. Neen. Zal ik haar soms gaan halen?
BERNICK. Neen, neen, neen, niet doen! O Lona, je weet niet hoe ik er
naar verlangd heb eens openhartig met je te praten ... om je vergeving
af te smeeken.
LONA. Hoor eens, Karsten, laat ons niet sentimenteel worden; dat staat
ons niet.
BERNICK. Je _moet_ mij aanhooren, Lona. Ik weet wel hoezeer de schijn
tegen mij is, nu je gehoord hebt van die zaak met Dina's moeder. Maar
ik zweer je, dat het maar een korte opwinding geweest is; ik heb ééns
heusch eerlijk en oprecht van je gehouden.
LONA. Waarvoor denk je dat ik teruggekomen ben?
BERNICK. Wat je ook van plan bent, ik smeek je niets te ondernemen vóór
ik mij gerechtvaardigd heb. Ik kan het, Lona, ik kan mij in elk geval
verontschuldigen.
LONA. Nu ben je bang.... Je hebt eens van mij gehouden, zeg je. Ja, dat
heb je me dikwijls genoeg verzekerd in je brieven; en misschien was het
ook wel waar ... in zekeren zin ... zoolang je nog daarginder in een
ruimer en vrijer wereld leefde, die je den moed gaf zelf vrij en ruim te
denken. Je vondt misschien bij mij meer karakter en eigen wil en
zelfstandigheid, dan bij de meesten hier. En dan was het ook een geheim
tusschen ons beiden; niemand kon je uitlachen over je slechten smaak.
BERNICK. Lona, hoe kan je toch denken...?
LONA. Maar toen je terugkwam, toen je allerlei spotternijen hoorde, die
als hagel op me neervielen, toen je hoorde hoe er gelachen werd over
alles wat ze hier mijn dwaasheden noemden....
BERNICK. Maar je wàs toen ook erg excentriek.
LONA. Toch voornamelijk om al die stijve harken te ergeren, die in
pantalons en rokken door de stad slenterden. En toen je dan die jonge
verleidelijke actrice ontmoette....
BERNICK. Het was een kwajongensstreek ... anders niets; ik zweer dat er
geen tiende deel waar was van al de praatjes en den laster die in omloop
waren.
LONA. 't Kan zijn; maar toen nu Betty thuis kwam, mooi, bloeiend, door
allen vergood ... en het bekend werd dat zij het heele fortuin van tante
erven zou, en ik niets zou krijgen....
BERNICK. Ja, dat is nu juist de zaak, Lona; en nu zal je ook alles
zonder omwegen hooren. Ik had Betty toen niet lief. Ik maakte het niet
af met jou om een nieuwe verliefdheid. Ronduit gezegd, het was om het
geld. Ik was er toe gedwongen; ik _moest_ dat geld hebben.
LONA. En dat zeg je mij zoo maar vlak in mijn gezicht?
BERNICK. Ja, dat doe ik. Luister eens, Lona....
LONA. En toch schreef je mij dat een onoverwinnelijke liefde voor Betty
zich meester van je gemaakt had, deed je een beroep op mijn
grootmoedigheid, bezwoer je mij ter wille van Betty te zwijgen over wat
er tusschen ons geweest was....
BERNICK. Ik _moest_ het wel doen, zeg ik je immers.
LONA. Nou, dan weet de hemel dat ik er geen berouw van heb dat ik mij
toen zoo vergaloppeerde.
BERNICK. Laat ik je eens koel en kalm vertellen hoe de toestand was in
die dagen. Mijn moeder stond, zooals je je herinnert, aan het hoofd van
de zaak; maar zij had absoluut geen verstand van zaken. Ik werd haastig
teruggeroepen uit Parijs; de tijden waren kritiek; ik moest de zaak weer
op de been helpen. Wat vond ik? Ik vond, wat natuurlijk diep geheim
gehouden moest worden, een zoo goed als geruïneerd huis. Ja, het was zoo
goed als geruïneerd, dit oude aanzienlijke huis, dat al sedert drie
geslachten had bestaan. Wat had ik, de zoon, de éénige zoon, anders te
doen dan òm te zien naar een reddingsmiddel?
LONA. En zoo redde je het huis Bernick ten koste van een vrouw.
BERNICK. Je weet wel dat Betty van mij hield.
LONA. Maar ik dan?
BERNICK. Geloof mij ... Lona ... je zoudt met mij nooit gelukkig
geworden zijn.
LONA. Was het uit bezorgdheid voor mijn geluk dat je mij losliet?
BERNICK. Denk je soms dat ik uit egoïsme handelde zoo als ik het deed?
Als ik toen alleen gestaan had, dan zou ik flink en moedig van voren af
aan begonnen zijn. Maar je hebt geen idee hoe een zakenman, onder den
druk van een onmogelijke zware verantwoordelijkheid, samengroeit met de
zaak die hij erft. Weet je wel dat het wèl en wee van honderden, ja
duizenden, van hem afhangt? En bedenk je wel dat de heele maatschappij,
die wij allebei ons thuis noemen, op de gevoeligste manier de gevolgen
van den val van het huis Bernick zou ondervonden hebben?
LONA. En is het ook ter wille van de maatschappij dat je al vijftien
jaar lang die leugen volgehouden hebt?
BERNICK. Die leugen?
LONA. Wat weet Betty van alles, wat te grond ligt aan je vereeniging met
haar, en daaraan vooraf ging?
BERNICK. Waarom zou ik haar zonder eenig nut pijn doen, met haar die
dingen te vertellen?
LONA. Zonder eenig nut, zeg je? Ja, ja, je bent een man van zaken; jij
moet weten wat nuttig is of niet.... Maar hoor nu eens, Karsten, nu zal
ik ook eens koel en kalm spreken. Zeg mij eens ... ben je nu ook heusch
gelukkig?
BERNICK. In mijn gezin, bedoel je?
LONA. Ja.
BERNICK. Ja, Lona, dat ben ik. O, je bent niet voor niets zoo'n
opofferende vriendin voor mij geweest. Ik durf zeggen dat ik ieder jaar
gelukkiger ben geworden. Betty is lief en meegaande. En wat heeft zij in
den loop der jaren geleerd zich naar mijn eigenaarigheden te voegen...!
LONA. Hm.
BERNICK. Vroeger had zij een heeleboel overspannen idees over de liefde;
zij kon zich maar niet vereenigen met de gedachte dat die zachtjes aan
moest overgaan in een kalme vriendschap.
LONA. Maar berust zij nu daarin?
BERNICK. Volkomen. Je kunt begrijpen dat de dagelijksche omgang met mij,
haar ook veel heeft gerijpt en niet zonder invloed op haar gebleven is.
De menschen moeten leeren van beide kanten wat water in hun wijn te
doen, als zij in de maatschappij waarin zij leven waardig hun plaats
zullen innemen. Dat heeft Betty later ook leeren inzien, en daarom is
ons huis nu een voorbeeld voor onze medeburgers.
LONA. Maar die medeburgers weten niets van de leugen?
BERNICK. Van de leugen?
LONA. Ja, van de leugen waarin je nu al vijftien jaar volhardt.
BERNICK. En dat noem je...?
LONA. Een leugen, noem ik het. Een drievoudige leugen. Eerst tegen mij;
toen tegen Betty, en dan de leugen tegen Johan.
BERNICK. Betty heeft nooit verlangd dat ik spreken zou.
LONA. Omdat zij niets wist.
BERNICK. En jij zult het ook niet verlangen ... uit consideratie voor
haar.
LONA. Neen, zeker niet. Ik zal hun spot nog wel langer verdragen; ik heb
een breeden rug.
BERNICK. En Johan zal het ook niet eischen; dat heeft hij mij beloofd.
LONA. Maar jij zelf, Karsten? Is er niets in je binnenste dat verlangt
uit dien toestand van leugen te komen?
BERNICK. Ik zou vrijwillig mijn huiselijk geluk en mijn positie in de
maatschappij opgeven!
LONA. Welk recht heb je om die positie te behouden?
BERNICK. Gedurende vijftien jaar heb mij iederen dag een beetje recht
daarop gekocht met mijn levenswandel en met wat ik bereikt heb.
LONA. Ja, je hebt veel gedaan en bereikt, zoowel voor je zelf als voor
de anderen. Je bent de eerste en rijkste man van de stad; niemand durft
zich tegen jouw wil te verzetten, omdat je doorgaat voor iemand zonder
smet of blaam. Je thuis gaat door voor een modelthuis, je levenswandel
voor een voorbeeld. Maar al die heerlijkheid, en jij er bij, rust op een
onvasten moerasgrond. Een oogenblik kan er komen, één woord gesproken
worden ... en jij met al je heerlijkheid gaat naar de diepte, als je je
niet bij tijds bergt.
BERNICK. Lona, wat kom je hier eigenlijk doen?
LONA. Ik wil je helpen om vasten grond onder je voeten te krijgen,
Karsten.
BERNICK. Wraak nemen! Je wilt je wreken? Ik dacht het al. Maar dat zal
je niet gelukken! Er is maar één mensch die met autoriteit zou kunnen
optreden, en hij zal zwijgen.
LONA. Johan?
BERNICK. Ja, Johan. Indien iemand anders mij aanklaagt, dan ontken ik
alles. Als ze mij willen vernietigen dan zal ik vechten op leven en
dood. Maar het zal je nooit gelukken, zeg ik je! Hij, die mij zou kunnen
neervellen, zwijgt ... en hij gaat weer ver weg.
(_Rummel en Vigeland komen van rechts_).
RUMMEL. Goeden dag, goeden dag, m'n waarde Bernick; je moet met ons mee
naar de handelsmaatschappij; we hebben vergadering over de
spoorweg-kwestie, zooals je weet.
BERNICK. Ik kan niet. Onmogelijk op 't oogenblik.
VIGELAND. U _moet_ waarlijk, mijnheer Bernick....
RUMMEL. Je moet, Bernick. Er zijn menschen die ons tegenwerken. Hammer,
de redacteur en de anderen die voor de kustlijn waren, beweren dat er
particuliere belangen steken achter het nieuwe plan.
BERNICK. Nu, leg hun dan uit....
VIGELAND. Dat geeft niets wat wij zeggen, mijnheer de consul....
RUMMEL. Neen neen, je moet zelf komen; van jou waagt natuurlijk niemand
zoo iets te veronderstellen.
LONA. Neen, dat zou ik ook denken.
BERNICK. Ik kan niet, zeg ik je; ik ben onwèl;...
(_Rörlund komt van rechts_).
RÖRLUND. Pardon, mijnheer Bernick, u ziet mij hier hevig ontsteld....
BERNICK. Ja ... wat scheelt u?
RÖRLUND. Ik moet u een vraag doen, mijnheer Bernick. Is het met uw
goedvinden dat het jonge meisje, dat een toevlucht onder uw dak gevonden
heeft, zich op de openbare straat vertoont in gezelschap van een
persoon, die....