laat ons dat doen. Ik zal present zijn.
RÖRLUND. _U_? Met verlof, juffrouw, wat wil _u_ in _onze_ vereeniging?
LONA. Ik wil een beetje versche lucht binnen laten, dominee.
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
[Illustratie: De Heer C. de Vos als consul Bernick in De steunpilaren
der Maatschappij]
* * * * *
TWEEDE BEDRIJF
Tuinkamer in Consul Bernick's huis.
Mevrouw Bernick zit alleen aan de groote tafel met haar naaiwerk.
Even later komt de heer Bernick van rechts met zijn hoed op het
hoofd; handschoenen en stok in de hand.
* * * * *
MEVR. BERNICK. Zoo, ben je al terug, Karsten?
BERNICK. Ja, ik heb iemand ontboden.
MEVR. BERNICK (_zuchtend_). Och ja, Johan zal zeker wel weer hier komen.
BERNICK. 't Is een man, zeg ik. (_zet zijn hoed af_). Waar blijven al de
dames van daag?
MEVR. BERNICK. Mevrouw Rummel en Hilda hadden geen tijd.
BERNICK. Zoo? Afgezegd?
MEVR. BERNICK. Ja, ze hadden thuis zooveel te doen.
BERNICK. Begrepen. En de anderen komen natuurlijk ook niet?
MEVR. BERNICK. Neen, die hebben ook verhindering van daag.
BERNICK. Dat had ik je wel vooruit kunnen vertellen. Waar is Olaf?
MEVR. BERNICK. Ik heb hem een beetje met Dina laten uitgaan.
BERNICK. Hm; Dina, dat lichtzinnige schepsel.... Om het gisteren
dadelijk zoo druk aan te leggen met Johan...!
MEVR. BERNICK. Maar, man-lief, Dina weet immers heelemaal niet....
BERNICK. Nou, maar dan moest Johan in elk geval takt genoeg gehad hebben
om geen bizondere notitie van haar te nemen. Ik zag heel goed wat voor
oogen Vigeland opzette.
MEVR. BERNICK (_met haar naaiwerk op haar schoot_). Karsten, begrijp jij
wat ze hier eigenlijk komen doen?
BERNICK. Hm; hij heeft immers daarginder een "farm", waar het nog niet
zoo heel goed mee gaat; en _zij_ vertelde gisteren dat zij tweede klasse
reizen moeten....
MEVR. BERNICK. Ja, helaas, zoo iets moet het wel zijn. Maar dat _zij_
meegekomen is! Zij! Na de doodelijke beleediging die zij je heeft
aangedaan....
BERNICK. Och, denk toch niet meer aan die oude geschiedenissen.
MEVR. BERNICK. Hoe kan ik tegenwoordig aan iets anders denken? Hij is
toch mijn broer;... och, het is niet om hèm, maar al de onaangenaamheden
die jij daardoor ondervinden kunt.... Karsten, ik ben zoo doodelijk bang
dat....
BERNICK. Waarvoor ben je bang?
MEVR. BERNICK. Kunnen zij hem niet in de gevangenis zetten, voor het
geld dat je moeder ontstolen werd?
BERNICK. Och wat, malligheid! Wie kan bewijzen dat er geld ontvreemd
werd?
MEVR. BERNICK. Och God, dat weet immers de heele stad; en je hebt het
zelf gezegd....
BERNICK. Ik heb niets gezegd. De stad weet niets van die zaken af; dat
waren allemaal maar losse praatjes.
MEVR. BERNICK. O wat sta jij toch hoog, Karsten!
BERNICK. Laat die oude herinneringen toch rusten, zeg ik je! Je weet
niet hoe je me pijnigt met dat alles weer op te halen (_hij loopt op en
neer in de kamer ... dan gooit hij zijn stok weg_). Dat ze juist nù
moesten terugkomen ... nu ik juist in de stad en in de couranten een
onvermengd zuivere stemming jegens mij noodig heb. Er zullen in de
bladen van de omliggende plaatsen berichten over geschreven worden. Of
ik hen goed of slecht opgenomen heb ... over het een zal net zooveel
gekletst en geleuterd worden als over het ander. Ze zullen dien ouden
boel weer oprakelen,... net als jij doet. In een wereldje als het onze
... (_gooit zijn handschoenen op de tafel_). En geen enkel mensch heb ik
met wien ik praten kan of bij wien ik steun vinden kan.
MEVR. BERNICK. Heelemaal niemand, Karsten?
BERNICK. Neen ... ik zou niet weten wie. Dat ze mij nu juist op mijn dak
gestuurd zijn! Het is buiten kwestie dat ze niet op de een of andere
manier schandaal zullen maken ... vooral zij! 't Is me toch een ongeluk
zulke menschen in je familie te hebben!
MEVR. BERNICK. Ik kan het toch niet helpen dat....
BERNICK. Wat kan je niet helpen? Dat ze familie van je zijn? Neen, dat
is een heel waar woord.
MEVR. BERNICK. En ik heb hen ook niet verzocht om terug te komen.
BERNICK. Jawel! Daar hebben wij het! ik heb hen niet verzocht om terug
te komen; ik heb hun niet geschreven; ik heb hen niet bij de haren
hierheen gehaald...! O, dat heele liedje ken ik al van buiten!
MEVR. BERNICK (_barst in tranen uit_). Wat ben je vreeselijk
onaardig!...
BERNICK. Juist, zoo is 't goed; ga nou maar grienen, dat de heele stad
ook dáárover kletsen kan. Schei uit met die aanstellerij, Betty! Ga
buiten zitten; hier kan licht iemand komen. Moeten ze soms mevrouw met
rood-behuilde oogen zien zitten? Jawel, dat zou iets heerlijks zijn als
het onder de menschen kwam dat.... Wacht, daar hoor ik iemand in de gang
(_er wordt geklopt_). Binnen! (_Mevrouw gaat de tuintrap af met haar
naaiwerk. Aune komt van rechts binnen_).
AUNE. Goeden dag, meneer Bernick.
BERNICK. Goeden dag. Wel, je kunt zeker wel nagaan wat ik je te zeggen
heb, hè?
AUNE. Meneer Krap zei mij gisteren dat meneer de consul niet tevreden
was over....
BERNICK. Ik ben ontevreden over den heelen toestand op de werf, Aune. Je
schiet niets op met de reparaties. "De Palmboom" had al lang onder zeil
moeten zijn. Mijnheer Vigeland komt hier iederen dag er over zaniken;
hij is een lastige man om mee samen te werken.
AUNE. "De Palmboom" kan overmorgen in zee gaan.
BERNICK. Zoo, eindelijk. Maar die Amerikaan, de "Indian Girl," die hier
nu al vijf weken ligt en....
AUNE. De Amerikaan? Ik had begrepen dat wij in de eerste plaats al onze
krachten zouden wijden aan uw eigen schip.
BERNICK. Ik heb je toch geen aanleiding gegeven om dat te denken. Met
den Amerikaan moet ook zooveel mogelijk voortgemaakt worden, maar dat
gebeurt niet.
AUNE. De bodem van die schuit is door en door verrot, meneer; hoe meer
wij er aan lappen, hoe erger het wordt.
BERNICK. Dat is niet de ware reden. Mijnheer Krap heeft mij gezegd wat
de eigenlijke reden is. Je kunt niet overweg met de nieuwe machines die
ik heb aangeschaft,... of liever, je _wilt_ er niet mee werken.
AUNE. Meneer Bernick, ik ben nu al diep in de vijftig; van jongsaf ben
ik gewoon geweest op de oude manier te werken....
BERNICK. Daar kunnen wij het tegenwoordig niet meer mee doen. Je moet
niet denken, Aune, dat het mij te doen is om het grootere voordeel; dat
heb ik gelukkig niet noodig; maar ik moet rekening houden met de
maatschappij waarin ik leef, en met de zaak waarvan ik aan het hoofd
sta. 't Is van mij dat de vooruitgang moet uitgaan, anders komt er nooit
iets tot stand.
AUNE. Ik ben ook zeer voor vooruitgang, meneer.
BERNICK. Ja, voor je eigen kleinen kring, voor den werkmansstand. O, ik
ben wel op de hoogte van je drijven; je houdt toespraken; je stookt de
menschen op; maar als het er op aan komt iets nieuws aan te pakken,
zooals nu met onze machines, dan wil je er niet aan meedoen, dan wordt
je bang.
AUNE. Ja, ik word nèt bang, meneer Bernick. Ik word bang voor velen wie
de machines het brood uit den mond nemen. Meneer de consul spreekt zoo
dikwijls van rekening houden met de maatschappij, maar ik geloof dat de
maatschappij toch ook wel haar plichten heeft. Hoe durven de wetenschap
en het kapitaal het wagen die nieuwe uitvindingen in te voeren, vóór de
maatschappij een geslacht heeft opgekweekt dat ze weet te gebruiken?
BERNICK. Je leest en denkt te veel, Aune; dat doet je geen goed;
daardoor wordt je ontevreden met je stand.
AUNE. Neen meneer, dat is het niet; maar ik kan het niet aanzien dat de
eene brave werkman na den andere wordt weggezonden en broodeloos gemaakt
om die machines.
BERNICK. Hm; toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, werden er ook heel
wat schrijvers broodeloos gemaakt.
AUNE. Zou meneer zich over die kunst zoo verheugd hebben, als hij toen
een schrijver was geweest?
BERNICK. Ik heb je niet laten komen om met je te redetwisten. Ik heb je
laten roepen om je te zeggen dat de in reparatie liggende "Indian Girl"
klaar moet zijn om overmorgen uit te zeilen.
AUNE. Maar, meneer....
BERNICK. Overmorgen, hoor je, gelijk met ons eigen schip; geen uur
later. Ik heb goede redenen om daar achter heen te zitten. Heb je van
ochtend de courant gelezen? Zoo; dan weet je ook dat de Amerikanen weer
opstootjes gemaakt hebben. Die bandelooze troep zet de heele stad
overeind; er gaat geen nacht om dat er niet gevochten wordt in de
herbergen en op straat; van andere gemeene dingen spreek ik nu maar
niet.
AUNE. Ja, het is gemeen volk, dat is zeker.
BERNICK. En wie krijgt de schuld van dat alles? Ik natuurlijk. Ja, op
mij wordt er over gescholden. De krantenschrijvers schimpen er in
bedekte termen op, dat wij al onze werkkracht aan "de Palmboom"
besteden. Ik, op wie de taak rust, door mijn voorbeeld invloed uit te
oefenen op mijn medeburgers, ik moet mij zulke dingen onder den neus
laten wrijven. Dat duld ik niet. Ik ben er niet van gediend dat mijn
naam op die manier beklad wordt.
AUNE. O, meneer's naam is zoo best ... die kan daar wel tegen ... en nog
wel tegen veel meer!
BERNICK. Nù niet. Juist tegenwoordig heb ik alle achting en
welwillendheid, die mijn medeburgers mij schenken willen, zeer noodig.
Ik heb, zooals je misschien al gehoord hebt, plannen voor een groote
onderneming; maar gelukt het slecht-gezinde menschen het onbepaalde
vertrouwen in mij aan het wankelen te brengen, dan kunnen daaruit voor
mij de grootste moeilijkheden voortkomen. Daarom wil ik, het koste wat
het wil, de kwaadaardige en lasterende krantenschrijvers geen vat op mij
geven, en daarom heb ik de termijn op overmorgen bepaald.
AUNE. Meneer de consul, u zou evengoed de termijn op van middag kunnen
bepalen.
BERNICK. Je bedoelt dat ik iets onmogelijks verlang?
AUNE. Ja, met het aantal werklui, waarover wij nu kunnen beschikken....
BERNICK. Goed ... best;... dan zullen wij ons van elders voorzien.
AUNE. Wil u waarlijk nog meer van onze oude werklui ontslaan?
BERNICK. Neen, daar denk ik niet over.
AUNE. Want ik geloof zeker dat het kwaad bloed zetten zou, zoowel in de
stad als in de kranten, als u dat deed.
BERNICK. Dat 's niet onmogelijk. Daarom zullen wij het dan ook niet
doen. Maar, als de "Indian Girl" overmorgen niet zeilklaar is, dan
ontsla ik jou.
AUNE (_met een schok_). Mij! (_hij lacht_). Dat zeit meneer toch zeker
maar voor de grap.
BERNICK. Daar zou ik maar niet te veel op vertrouwen, als ik jou was.
AUNE. Zou u er waarlijk over denken om _mij_ weg te zenden? Mij, terwijl
mijn vader en mijn grootvader hun leven lang op de werf gediend hebben,
en ik zelf ook....
BERNICK. En wie is het, die er mij toe noodzaakt?
AUNE. U verlangt het onmogelijke, meneer.
BERNICK. O, met wat goeden wil is niets onmogelijk. Ja of neen; geef mij
een bepaald antwoord, of ik ontsla je op slag.
AUNE (_een stap nader_). Meneer de consul, heeft u goed bedacht wat het
beteekent, een oud werkman te ontslaan? U denkt, dan moet hij maar wat
anders zoeken. O ja, dat kan hij ook wel; maar is het daarmee afgedaan?
U moest er eens bij zijn, in het huis van zoo'n weggestuurden werkman,
als hij 's avonds thuiskomt en zijn gereedschapskist binnen zijn deur
zet.
BERNICK. Denk je dat ik zoo maar luchthartig-weg laat gaan? Ben ik niet
altijd een goede patroon geweest?
AUNE. Des te erger, meneer. Juist daarom zullen ze thuis niet _u_ de
schuld geven; zij zullen er mij niet over aanspreken, want dat durven
zij niet; maar ze zullen naar me kijken als ik het niet merk, en denken:
dat zal zeker wel verdiend zijn. En ziet u, dàt,--dat kan ik niet
verdragen. Al ben ik maar een burgerman, toch ben ik altijd gewend
geweest thuis nommer één te zijn. Mijn eenvoudig thuis is ook een
maatschappij in het klein, meneer. Die kleine maatschappij heb ik kunnen
steunen en er boven op houden, omdat mijn vrouw in mij geloofde en mijn
kinderen in mij geloofd hebben. En nu moet dat alles in duigen vallen.
BERNICK. Ja, als het niet anders kan, dan moet het mindere voor het
meerdere wijken; het bizondere moet in Gods naam voor het algemeene
opgeofferd worden. Anders weet ik je niet te antwoorden, en het gaat ook
niet anders toe in de wereld. Maar je bent een koppige kerel, Aune! Je
verzet je tegen mij, niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet
wilt erkennen, dat machinewerk boven handenarbeid staat.
AUNE. En u houdt er juist zoo aan vast, omdat u weet, dat u de pers
althans uw goeden wil toont, als u mij weg jaagt.
BERNICK. En al was dat zoo? Je hoort immers wat er voor mij aan vast is
... of de pers mij aanvalt of welwillend voor mij gestemd wordt op een
oogenblik dat ik voor een groote zaak van algemeen belang werkzaam ben.
Zeg zelf: kan ik dan anders handelen dan ik doe? Ik kan je zeggen, het
is een kwestie van òf jouw thuis staande te houden, zooals je het noemt,
òf misschien honderden te beletten zich een eigen thuis te maken, een
eigen haard te bezitten, indien het mij niet gelukt dàt door te zetten,
waar ik nu voor werk. Daarom is het dat ik je voor de keus stel.
AUNE. Ja ... als de zaken zoo staan, dan heb ik niets meer te zeggen.
BERNICK. Hm;... mijn waarde Aune, het doet mij oprecht leed dat wij nu
van elkaar moeten gaan.
AUNE. Wij zullen niet van elkaar gaan, meneer.
BERNICK. Hoezoo?
AUNE. Een eenvoudig man heeft ook iets hoog te houden in de wereld.
BERNICK. Zeker,... zeker...; en je denkt dus te kunnen beloven...?
AUNE. De "Indian Girl" kan overmorgen uitgaan.
(_Hij groet en gaat af naar rechts_).
BERNICK. Ziezoo! Dien stijfkop heb ik dan toch doen buigen. Dat neem ik
als een goed voorteeken aan....
(_Hilmar, met een sigaar in den mond, komt door de tuindeur op_).
HILMAR (_op de trap_). Dag Betty! Dag Bernick!
MEVR. BERNICK. Goeden dag.
HILMAR. Zoo, jij hebt gehuild, zie ik. Je weet 't dus zeker al?
MEVR. BERNICK. Wàt weet ik al?
HILMAR. Dat het schandaal in vollen gang is? Oeh!
BERNICK. Wat beteekent dat?
HILMAR (_binnenkomend_). Jawel, de twee Amerikanen loopen de stad rond
en vertoonen zich in de straten in gezelschap van Dina Dorf.
MEVR. BERNICK (_loopt hem na_). Maar Hilmar, dat kan toch niet waar
zijn...?
HILMAR. Jawel, het is helaas volkomen waar. Lona was daarbij nog zoo
taktloos om mij aan te roepen; maar ik deed natuurlijk alsof ik het niet
hoorde.
BERNICK. En dat is zeker niet onopgemerkt gebeurd?
HILMAR. Neen, dat kan je begrijpen. De menschen stonden stil om hen na
te kijken. 't Leek wel als een loopend vuurtje door de stad te zijn
gegaan ... ongeveer zooals een brand in de prairieën in het verre
Westen. In alle huizen stonden de menschen te wachten voor de ramen tot
de optocht voorbij zou komen; hoofd aan hoofd achter de gordijnen ...
oeh! Ja, je moet me niet kwalijk nemen, Betty, dat ik oeh! zeg, want dat
alles maakt me zenuwachtig;... als dat nog lang duren moet, dan zal ik
genoodzaakt zijn plannen te maken om een tijdlang op reis te gaan.
MEVR. BERNICK. Maar je hadt hem toch liever eens moeten toespreken en
hem onder het oog brengen....
HILMAR. In 't publiek? Op straat? Neen ... dat moet je me niet kwalijk
nemen. Maar dat die man zich hier nog in de stad durft vertoonen! Nou,
we zullen eens zien of de pers er niet een stokje voor steken kan. Ja,
neem me niet kwalijk, Betty, maar....
BERNICK. De pers, zeg je? Heb je dan al iets van dien aard gehoord?
HILMAR. Jawel, er hangt wel zoo iets in de lucht. Toen ik gisteren avond
van je weg ging, liep ik nog even binnen in de societeit, om beter te
kunnen slapen. Ik merkte best aan de stilte die ontstond, dat er over de
twee Amerikanen gesproken was. Daar komt die onbeschaamde kerel, Hammer,
de redacteur, binnen en feliciteert mij hardop met de terugkomst van
mijn rijken neef.
BERNICK. Rijken...?
HILMAR. Ja, dat zei hij. Ik keek hem eens goed van onderen naar boven
aan en gaf hem te verstaan dat ik niets wist van Johan Tönnesen's
rijkdom. "Zoo," zei hij, "dat is toch vreemd; in Amerika maken de
menschen toch gewoonlijk fortuin als zij iets hebben om mee te beginnen,
en uw neef ging immers niet met lege handen weg."
BERNICK. Hm; doe mij nu een plezier....
MEVR. BERNICK (_bezorgd_). Nu, zie je toch eens Karsten....
HILMAR. Ja, mij heeft hij alvast een slapeloozen nacht bezorgd. En dan
loopt hij daar door de straten met een gezicht alsof er nooit iets met
hem gebeurd was. Waarom bleef hij nu maar niet voor goed weg? Sommige
menschen zijn toch ook zoo onuitstaanbaar taai!
MEVR. BERNICK. Maar Hilmar, wat zeg je dáár nu!
HILMAR. O, niemendal. Maar zoo'n kerel ontkomt daar heelhuids aan
treinongelukken, Californische beren en Zwart-Voet Indianen, ja is zelfs
niet eens gescalpeerd.... Oeh! daar heb je ze!
BERNICK (_kijkt de straat op_). Olaf is er ook bij!
HILMAR. Ja natuurlijk; ze willen de menschen laten zien dat ze tot de
eerste familie van de stad behooren. Kijk, kijk, daar komen al de
dagdieven uit de apotheek om ze aan te gapen en het hunne er van te
zeggen. Dat is heusch te veel voor mijn zenuwen; hoe een man onder zulke
omstandigheden de vaan der idee hoog houden moet, dat....
BERNICK. Zij komen hier naar toe. Hoor eens Betty, het is mijn
uitdrukkelijk verlangen dat je ze zoo vriendelijk mogelijk bejegent.
MEVR. BERNICK. Mag ik dat doen, Karsten?
BERNICK. Ja zeker; zeker; en jij ook, Hilmar. Zij zullen hier, hoop ik,
niet zoo heel lang blijven; en als wij onder elkaar zijn geen
toespelingen alsjeblieft; wij mogen hen op geen manier kwetsen.
MEVR. BERNICK. O Karsten, wat ben jij toch grootmoedig.
BERNICK. Nu ja ... nu ja ... 't is goed.
MEVR. BERNICK. Neen, laat mij je danken; en vergeef mij dat ik daar
straks zoo driftig was. O, je hadt immers alle reden om....
BERNICK. 't Is goed; 't is goed ... laat dat nu maar rusten!
HILMAR. Oeh!
(_Johan Tönnesen en Dina, daar achter Lona Hessel en Olaf, komen den
tuin door_).
LONA. Goeden dag, goeden dag, lieve menschen!
JOHAN. Wij zijn er op uit geweest en hebben al de oude plekjes eens
opgezocht, Karsten.
BERNICK. Ja, dat hoor ik. Heel wat veranderingen, niet waar?
LONA. Consul Bernick's groote en goede daden overal. Wij zijn boven in
het plantsoen geweest dat jij de stad cadeau gedaan hebt.
BERNICK. Zoo? Daar?
LONA. "Geschenk van Karsten Bernick," zooals er boven den ingang staat.
Ja, jij bent hier wel de Groote Piet.
JOHAN. En prachtige schepen heb je ook. Ik ontmoette den kapitein van
"de Palmboom", een ouden schoolkameraad van me....
LONA. En een nieuw schoolgebouw heb je ook laten zetten; en de
gasleiding en ook de waterleiding hebben ze aan jou te danken, hoor ik.
BERNICK. Nu, men moet toch wàt doen voor de maatschappij waarin men
leeft.
LONA. Ja, dat is flink, Bernick. Maar het is ook verblijdend om te zien
hoe trotsch de menschen op je zijn. Ik ben niet ijdel, geloof ik; maar
ik kon toch niet nalaten om sommige menschen met wie wij praatten, te
laten hooren dat wij familie waren.
HILMAR. Oeh!
LONA. Zeg jij daar oeh! voor?
HILMAR. Neen, ik zeg hm....
LONA. Nou, ga jij je gang maar, sukkel! Maar ben jullie van daag zoo
heel alleen?
MEVR. BERNICK. Ja, van daag zijn wij alleen.
LONA. O, we ontmoetten zoowaar een paar van die "moreelen" op de markt;
zij deden of zij het ijselijk druk hadden. Maar we hebben nog heelemaal
niet eens samen kunnen praten. Gisteren waren eerst die drie
spoorwegmannen hier, en toen kwam die dominee....
HILMAR. Hulpprediker....
LONA. _Ik_ noem hem dominee. Maar wat zeg jullie nu wel van _mijn_ werk
in deze vijftien jaar? Is hij niet een flinke kerel geworden? Wie zou
den wildzang nog herkennen die van hier wegliep?
HILMAR. Hm...!
JOHAN. Zeg, Lona, bluf nou maar niet te veel.
LONA. Ja, ik ben daar nu echt trotsch op. Lieve Hemel, dat is het eenige
wat ik uitgevoerd heb in de wereld; maar dat geeft mij toch wel een
beetje recht van bestaan. Ja, Johan, zeg, als wij daaraan terug denken
hoe wij tweeën daarginder begonnen met onze vier leege klavieren....
HILMAR. Handen.
LONA. Ik zeg klavieren, want smerig waren ze.
HILMAR. Oeh!
LONA. En leeg waren ze ook.
HILMAR. Leeg? Nou ik moet zeggen...!
LONA. Wat moet je zeggen?
BERNICK. Hm!
HILMAR. Ik moet zeggen ... oeh! (_gaat de tuintrap af_).
LONA. Wat mankeert die vent?
BERNICK. Och, stoor je maar niet aan hem; hij is een beetje zenuwachtig
tegenwoordig. Maar wil je den tuin niet eens zien? Daar ben je nog niet
geweest, en ik heb nu nog een uurtje vrij.
LONA. Ja, heel graag; je kunt denken dat ik genoeg met mijn gedachten
hier in den tuin bij jullie ben geweest.
MEVR. BERNICK. Daar is ook veel veranderd, dat zal je zien.
(_Bernick, Mevr. Bernick en Lona gaan den tuin in, waar men hen af en
toe ziet gedurende het volgende_).
OLAF (_in den tuindeur_). Oom Hilmar, weet u wat oom Johan mij vroeg?
Hij vroeg of ik met hem mee wou gaan naar Amerika.
HILMAR. Jij, zoo'n lummel die hier aan je moeders rokken hangt....
OLAF. Maar dat wil ik nu ook niet langer. U zal eens zien als ik groot
ben....
HILMAR. Nonsens; jij hebt geen aanleg in je voor dat stalende dat er
gelegen is in.... (_zij gaan den tuin in_).
JOHAN (_tegen Dina die haar hoed heeft afgezet en in de deur rechts
staat, terwijl zij het stof van haar japon schudt_). U heeft het knapjes
warm gekregen van de wandeling.
DINA. Ja; het was een heerlijke wandeling. Zoo'n heerlijke wandeling heb
ik nog nooit gemaakt.
JOHAN. U wandelt misschien niet dikwijls zoo in den voormiddag?
DINA. Jawel, maar enkel met Olaf.
JOHAN. Zoo.... U heeft misschien ook lust om in den tuin te gaan, of
blijft u liever hier?
DINA. Neen, ik heb veel meer lust om hier te blijven.
JOHAN. Ik ook. En dat is dus afgesproken, dat ik u iederen ochtend kom
afhalen om te wandelen.
DINA. Neen, mijnheer Tönnesen, dat moet u niet doen.
JOHAN. Waarom niet? U heeft het toch beloofd.
DINA. Jawel; maar nu ik er over nadenk ... neen, u moet niet met mij
uitgaan.
JOHAN. Maar waarom dan toch niet?
DINA. U is hier vreemd; u begrijpt dat niet; maar ik zal u zeggen....
JOHAN. Wel?
DINA. Och neen ... ik spreek er liever niet over.
JOHAN. O, tegen mij kan u gerust over alles spreken wat u wil.
DINA. Dan zal ik het u zeggen: ik ben niet zooals andere jonge meisjes;
er is iets ... er is iets bizonders met mij. Daarom moet u het niet
doen.
JOHAN. Daar begrijp ik heelemaal niets van. U heeft toch niets misdaan?
DINA. Neen, ik niet, maar ... ik kan er niets meer van zeggen. U komt
het wel te weten door de anderen.
JOHAN. Hm.
DINA. Maar er was nog iets anders dat ik u graag vragen zou.
JOHAN. En wat is dat dan?
DINA. In Amerika is het immers zoo gemakkelijk om een betrekking te
krijgen?
JOHAN. Nou, zoo heel gemakkelijk is het nu altijd niet; in het begin
moet je dikwijls heel wat uitstaan en hard werken.
DINA. Daar zou ik ook niet tegen opzien....
JOHAN. U?
DINA. Ik kan wel werken; ik ben gezond en sterk, en tante Martha heeft
mij van alles geleerd.
JOHAN. Maar, wat drommel, ga dan met ons mee!
DINA. Och, nu maakt u maar gekheid; dat heeft u tegen Olaf ook gezegd.
Maar wat ik eigenlijk wilde weten is, of de menschen daarginder erg ...
erg braaf zijn?
JOHAN. Braaf?
DINA. Ja, ik bedoel of ze ook zoo fatsoenlijk en in den vorm zijn, als
hier?
JOHAN. Nou, ze zijn in elk geval niet zoo slecht als ze hier denken.
Daar hoeft u niet bang voor te zijn.
DINA. U begrijpt mij niet. Ik zou juist willen dat ze niet zoo
fatsoenlijk en braaf waren.
JOHAN. Niet? En hoe moeten ze dan zijn?
DINA. Ik zou willen dat ze natuurlijk waren.
JOHAN. Jawel, jawel, dat zijn ze misschien juist wel.
DINA. Dan zou het goed voor mij zijn om er heen te gaan.
JOHAN. Welzeker, en daarom moet u met ons meegaan.
DINA. Neen, met u ga ik niet mee; ik moet alleen gaan. O, ik zou het nog
wel tot iets kunnen brengen; ik zou wel flink worden....
BERNICK (_beneden aan de tuintrap bij de beide dames_). Blijf maar,
blijf; ik zal het wel halen, Betty-lief. Je zoudt licht kou kunnen
vatten. (_Hij komt de kamer binnen en zoekt naar een châle_).
MEVR. BERNICK (_in den tuin_). Jij moet ook meegaan, Johan. Wij gaan
naar de grot.
BERNICK. Neen, Johan moet nu eens hier blijven! Hier, Dina, neem jij de
châle mee van mijn vrouw en ga met haar meer. Johan blijft bij mij,
Betty-lief. Ik moet nog eens het een-en-ander hooren over de toestanden
daarginder.
MEVR. BERNICK. Goed! Maar kom gauw weer bij ons; je weet waar wij te
vinden zijn. (_Mevr. Bernick, Lona en Dina gaan door den tuin links
af_).
BERNICK (_kijkt hen een oogenblik na, gaat dan de verste deur links
sluiten; dan gaat hij naar Johan toe, grijpt zijn beide handen die hij
schudt en drukt_). Johan, nu zijn wij alleen: laat mij je nu eens
danken.
JOHAN. Ach wat!
BERNICK. Mijn huis en haard, mijn huiselijk geluk, mijn heele positie in
de maatschappij ... heb ik aan jou te danken.
JOHAN. Wel, dat doet mij plezier, beste Karsten, dan is er toch nog iets
goeds uit die gekke geschiedenis voortgekomen.