MEVR. RUMMEL. ... en vindt daar ... neen dat kan ik u heusch niet
vertellen!
MEVR. HOLT. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want de deur was van
binnen gesloten.
MEVR. RUMMEL. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond de deur gesloten.
En hij die binnen was, u begrijpt me wel, moest uit het raam springen.
MEVR. HOLT. Heelemaal boven uit een zolderraam!
MEVR. LYNGE. En was dat de broer van mevrouw Bernick?
MEVR. RUMMEL. Ja zeker, die was het.
MEVR. LYNGE. En is hij toen naar Amerika gegaan?
MEVR. HOLT. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u.
MEVR. RUMMEL. Want achterna werd er iets ontdekt, dat al haast even erg
was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen....
MEVR. HOLT. Ja maar, daar weet men het rechte niet van, mevrouw Rummel;
dat zijn misschien maar praatjes geweest.
MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat is nu óók! Was het dan niet bekend in de
heele stad? Is de oude mevrouw Bernick daardoor niet bijna failliet
gegaan? Dat heeft Rummel me zelf verteld. Maar _ik_ zal er wel zalig
over zwijgen....
MEVR. HOLT. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het geld niet, want
zij....
MEVR. LYNGE. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina's ouders?
MEVR. RUMMEL. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in den steek. Maar dat
mensch was zoo brutaal om nog een heel jaar hier te blijven. Op het
tooneel durfde zij zich niet meer te vertoonen. Eerst is ze gaan
wasschen en naaien voor den kost....
MEVR. HOLT. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen te geven.
MEVR. RUMMEL. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke ouders zouden hun
kinderen aan zoo'n schepsel willen toevertrouwen? Maar het duurde ook
niet lang meer met haar; die fijne madam was niet gewend te werken. Zij
kreeg het op de borst en stierf.
MEVR. LYNGE. Hè, dat zijn echt leelijke histories!
MEVR. RUMMEL. U kan begrijpen hoe naar dat allemaal was voor de
Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon, zooals Rummel het
eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit hier in huis er over spreken,
mevrouw Lynge.
MEVR. HOLT. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster!
MEVR. LYNGE. Zoo? heeft mevrouw Bernick ook nog een halve zuster?
MEVR. RUMMEL. Gehad ... gelukkig! Want nu is alle betrekking met haar
afgebroken. Ja, dat was me ook een mooie! Stel u voor, die liep met
kortgeknipte haren en hooge heerenlaarzen als 't vuil weer was!
MEVR. HOLT. En toen die halve broer van haar, dat ongeluk, er nu van
doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk diep verontwaardigd was over
hem, weet u wat zij toen deed? Toen is ze hem nagereisd!
MEVR. RUMMEL. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt heeft nog eer ze weg
ging, mevrouw Holt!
MEVR. HOLT. Sst, praat daar toch niet van.
MEVR. LYNGE. Gut, maakte zij ook al schandaal?
MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat moet u hooren, lieve mevrouw. Bernick was
net geëngageerd met Betty Tönnesen; en zoo als hij met haar aan zijn arm
bij haar tante komt om zijn meisje te presenteeren....
MEVR HOLT. ... staat Lona Hessel op van haar stoel, en geeft den
knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een oorvijg, dat hij
suizebolde.
MEVR. LYNGE. Neen maar heb je nu ooit!
MEVR. HOLT. Ja, het is heusch waar.
MEVR. RUMMEL. En toen pakte zij haar koffer en vertrok naar Amerika.
MEVR. LYNGE. Maar dan had ze misschien zelf een goed oogje op hem gehad?
MEVR. RUMMEL. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij had zich verbeeld
dat hij met haar trouwen zou als hij terugkwam uit Parijs.
MEVR. HOLT. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon! Bernick, de
jonge elegante man van de wereld ... volleerd gentleman ... de lieveling
van alle dames....
MEVR. RUMMEL. ... en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw Holt, en zoo
braaf!
MEVR. LYNGE. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in Amerika gaan
uitvoeren?
MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel zich eens
uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet worden opgelicht.
MEVR. LYNGE. Wat beteekent dat?
MEVR. RUMMEL. Alle betrekking met de familie is al lang afgebroken, dat
begrijpt u wel. Maar zooveel weet de heele stad er toch wel van, dat zij
daar ginder in café's voor geld gezongen heeft....
MEVR. HOLT. ... en lezingen gehouden....
MEVR. RUMMEL. ... en een allerdolst boek geschreven heeft....
MEVR. LYNGE. Neen, maar!
MEVR. RUMMEL. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een van de zonnevlekken in
het geluk van de familie Bernick. Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw
Lynge. De hemel weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op
uw woorden zou kunnen passen.
MEVR. LYNGE. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar die arme Dina Dorf!
Ik heb heusch medelijden met haar.
MEVR. RUMMEL. Och, voor haar was het eigenlijk een groot geluk. Verbeeld
u eens dat zij bij haar ouders gebleven was! Wij hebben ons natuurlijk
allemaal veel met haar bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden.
Later zette juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam.
MEVR. HOLT. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest. Denk ook maar
eens aan ... al die slechte voorbeelden! Och, zoo'n kind is ook van zelf
heel anders dan een van de onzen; wij moeten wat toegevend voor haar
zijn, mevrouw.
MEVR. RUMMEL. Sst ... daar komt ze. (_hardop_). Ja, die Dina, dat is een
echt flinke meid. Zoo? ben jij daar Dina? Wij scheiden net uit met
werken.
MEVR. HOLT. O wat geurt je koffie heerlijk, lieve Dina! Ja, zoo'n kopje
koffie 's middags....
MEVR. BERNICK (_buiten op het terras_). Als u lust heeft om buiten te
komen dames! (_Martha en Dina hebben intusschen het dienstmeisje
geholpen het koffie-servies klaar te zetten. Al de dames gaan buiten
zitten; zij praten overdreven vriendelijk tegen Dina. Even later gaat
zij naar binnen en zoekt haar handwerk weer op_).
MEVR. BERNICK. Dina, wil jij ook niet...?
DINA. Neen, dank u ... liever niet. (_Zij gaat zitten met haar naaiwerk.
Mevr. Bernick en Rörlund wisselen een paar woorden; een oogenblik daarna
komt hij ook in de kamer_).
RÖRLUND (_verlegt iets op de tafel en zegt zachtjes_). Dina!
DINA. Ja....
RÖRLUND. Waarom wil je niet buiten zitten?
DINA. Omdat, toen ik met de koffie binnenkwam, ik kon merken aan die
vreemde mevrouw, dat er over mij gesproken was.
RÖRLUND. En heb je dan ook niet gemerkt hoe vriendelijk zij zoo even
tegen je was?
DINA. Maar dat kan ik juist niet uitstaan!
RÖRLUND. Je bent erg weerspannig van aard, Dina.
DINA. Ja.
RÖRLUND. Maar waarom ben je zoo?
DINA. Ik ben nu eenmaal niet anders.
RÖRLUND. Zou je er niet naar kunnen streven anders te worden?
DINA. Neen.
RÖRLUND. Waarom niet?
DINA (_ziet hem aan_). Ik hoor immers tot de moreel-verdorvenen.
RÖRLUND. Foei, Dina!
DINA. Mijn moeder hoorde ook tot de moreel-verdorvenen.
RÖRLUND. Wie heeft met je over zulke dingen gesproken?
DINA. Niemand; ze zeggen nooit iets. Waarom? Ze pakken me allemaal zoo
voorzichtig aan alsof ik breken zou als.... O, wat haat ik die
goedhartigheid!
RÖRLUND. Lieve Dina, ik begrijp heel goed, dat je je hier gedrukt voelt,
maar....
DINA. O, kon ik maar weggaan, ver weg! Ik zou mij wel redden en vooruit
komen, als ik maar niet hoefde te leven onder menschen die zoo ...
zoo....
RÖRLUND. Wat zoo?
DINA. Zoo fatsoenlijk en zoo braaf zijn.
RÖRLUND. Maar Dina, dat meen je toch niet!
DINA. Och, u begrijpt heel goed hoe ik het bedoel. Iederen dag komen
Netta en Hilda hier, opdat ik een voorbeeld aan hen nemen zal. Ik kan
nooit zoo hoogst fatsoenlijk worden als zij. Ik _wil_ zoo niet worden.
O, was ik toch maar ver weg, dan zou ik wel flink worden.
RÖRLUND. Maar je bent immers flink, Dina-lief.
DINA. Wat helpt mij dat hier?
RÖRLUND. Dus weggaan ... denk je daar in ernst over?
DINA. Ik zou hier geen dag langer blijven als u hier niet was.
RÖRLUND. Zeg me eens Dina ... waarom vindt je het eigenlijk zoo prettig
om met mij samen te zijn?
DINA. Omdat u mij zooveel mooie dingen leert.
RÖRLUND. Mooi? Noem je dat wat ik je leeren kan "mooie dingen"?
DINA. Ja. Of eigenlijk ... u leert mij wel niets, maar als ik u hoor
spreken, dan ga ik allerlei mooie dingen zien.
RÖRLUND. Wat versta je eigenlijk onder iets moois?
DINA. Daar heb ik nooit over nagedacht.
RÖRLUND. Denk daar dan nu eens over na. Wat versta je onder iets moois?
DINA. Mooi is iets dat groot is ... en ver weg.
RÖRLUND. Hm!... Lieve Dina, ik maak mij erg bezorgd over je.
DINA. Anders niets dan dàt?
RÖRLUND. Je weet toch wel, hoe onuitsprekelijk lief je mij bent.
DINA. Maar als ik Hilda of Netta was, zou u niet bang zijn het aan
iemand te laten merken.
RÖRLUND. Ach Dina, je kunt zoo weinig al de consideraties beoordeelen
die ik in acht nemen moet.... Als een man een positie bekleedt, waarin
hij moet optreden als zedelijke steunpilaar van de wereld, waarin hij
verkeert, dan ... kan hij niet voorzichtig genoeg zijn. Als ik er maar
zeker van was, dat men mijn motieven goed zou begrijpen en er geen
verkeerden uitleg aan geven.... Maar dat is tot daaraan toe. Je _moet_
en _zult_ voort geholpen worden. Dina, zal dit onze afspraak zijn, dat,
als ik kom ... als de omstandigheden mij toestaan te komen ... en ik
zeg: hier is mijn hand ... dat je die dan wilt aannemen en mijn vrouw
worden? Beloof je me dat, Dina?
DINA. Ja.
RÖRLUND. Dank je, dank je! Want ook voor mij.... Och Dina, ik hoû toch
zoo veel van je.... Sst; daar komt iemand. Toe, Dina, doe 't voor mij
... ga naar de anderen toe. (_zij gaat naar de koffietafel. Op hetzelfde
oogenblik komen de heeren Rummel, Sandstad en Vigeland uit de eerste
kamer links, gevolgd door den heer Bernick, die een pak papieren in de
hand houdt_).
BERNICK. Nou, de zaak is dus afgedaan.
VIGELAND. Ja. In 's hemels naam dan maar.
RUMMEL. 't Is afgedaan, Bernick! Het woord van een Noor staat vast als
een rots in de zee, dat weet je!
BERNICK. En niemand zwicht, niemand wordt afvallig, hoeveel tegenstand
wij ook ontmoeten.
RUMMEL. Wij staan en vallen met elkaar, Bernick!
HILMAR (_in de tuindeur_). Vallen? Permitteert! Is het dan niet de
spoorweg die valt?
BERNICK. Integendeel; die zullen wij wel aan het rollen krijgen....
RUMMEL. Met stoom, mijnheer Tönnesen.
HILMAR (_dichterbij_). Zóó?
RÖRLUND. Hoe dat?
MEVR. BERNICK (_in de tuindeur_). Maar Karsten-lief, wat beteekent dat
eigenlijk?
BERNICK. Och, Betty-lief, wat kan jou dat nu interesseeren? (_tot de
drie heeren_). Maar nu moeten wij de lijsten opmaken, hoe eer hoe beter.
't Spreekt van zelf dat wij vieren het eerst teekenen. De positie die
wij in de maatschappij bekleeden, maakt het ons tot plicht hierin voor
te gaan.
SANDSTAD. Natuurlijk, mijnheer Bernick.
RUMMEL. Het mòèt gaan, Bernick; dat staat vast.
BERNICK. O ja, ik ben heelemaal niet bang voor den uitslag. Wij moeten
er ons best voor doen, ieder in zijn eigen kring van kennissen; en als
wij maar eerst eens kunnen wijzen op een levendige deelneming in alle
maatschappelijke kringen, dan volgt daaruit van zelf, dat ook de
gemeente het hare moet bijdragen.
MEVR. BERNICK. Maar Karsten, nu moet je ons toch eigenlijk eens
vertellen....
BERNICK. Och, lieve Betty, dat is iets waar dames heelemaal niet in
komen kunnen.
HILMAR. Je wilt je dus toch met die spoorweggeschiedenis inlaten?
BERNICK. Ja, natuurlijk.
RÖRLUND. Maar verleden jaar, mijnheer Bernick....
BERNICK. Verleden jaar was dat heel iets anders. Toen was er sprake van
een lijn langs de kust....
VIGELAND. ... die ten eenenmale overbodig zou zijn, meneer; want wij
hebben immers de stoombooten....
SANDSTAD. ... en die zoo onzinnig veel geld gekost zou hebben....
RUMMEL. ... ja, en die inderdaad de wezenlijke belangen van de stad zou
geschaad hebben....
BERNICK. De hoofdzaak was dat die in wijder kring geen nut gedaan zou
hebben. Daarom verzette ik er mij tegen; en zoo werd toen de binnenlijn
aangenomen.
HILMAR. Die zal de steden in den omtrek toch niet aandoen.
BERNICK. Maar die zal ònze stad aandoen, mijn waarde Hilmar, want nu
wordt er een zijlijn aangelegd.
HILMAR. O zoo; een nieuw plan dus.
RUMMEL. En wat een prachtig plan ook, hè?
RÖRLUND. Hm....
VIGELAND. 't Kan niet ontkend worden dat de Voorzienigheid als 't ware
het terrein heeft klaar gemaakt voor een zijlijntje.
RÖRLUND. Meent u dat in ernst, mijnheer Vigeland?
BERNICK. Ja, ik moet toegeven, dat ik het ook als een bestiering
beschouw dat ik in 't voorjaar voor zaken op reis was op 't land, en
toevallig langs een weg door 't dal kwam, waar ik vroeger nooit geweest
was. Als een lichtstraal kwam het denkbeeld in mij op, dat hier een
zijlijn naar onze stad te maken moest zijn. Ik heb een ingenieur er heen
gezonden en den weg laten opnemen; hier heb ik de voorloopige
berekeningen en kostenopgaven; niets staat den aanleg in den weg.
MEVR. BERNICK (_met de andere dames vooruitgekomen in de tuindeur_).
Maar lieve man, dat je dat alles zoo voor ons verborgen hebt gehouden.
BERNICK. Och, mijn goede kind, jullie zoudt immers toch niet begrepen
hebben hoe dat alles in elkaar zat. Ik heb er overigens met geen levende
ziel over gesproken, vóór van daag. Maar nu is het beslissende oogenblik
gekomen, nu moet er openlijk en met alle kracht gewerkt worden. Ja, al
moest ik mijn heele bestaan er aan geven, ik zal de zaak doorzetten.
RUMMEL. Wij ook, Bernick, daar kan je op vertrouwen.
RÖRLUND. Heeft u dan waarlijk zooveel verwachtingen van die onderneming,
heeren?
BERNICK. Ja, dat zal waar zijn. Wat een hefboom zal die niet kunnen
worden voor onze heele maatschappij? Denk maar eens aan de groote
bosschen die toegankelijk gemaakt zullen worden; denk aan de rijken
ertslagen die in exploitatie kunnen worden genomen; denk aan de rivier
met haar talrijke watervallen! Wat een industrie kan zich daar
ontwikkelen!
RÖRLUND. En vreest u niet dat een drukker verkeer met een verdorven
buitenwereld...?
BERNICK. Neen, wees maar gerust, mijnheer Rörlund. Ons klein nijver
stadje staat, Goddank, tegenwoordig op een standpunt van gezonde
moraliteit. Wij hebben allen ons best gedaan om den bodem te draineeren,
als ik 't zoo noemen mag; en dat zullen wij ook verder doen, ieder op
zijn manier. U, mijnheer Rörlund, blijft voortgaan met uw zegenrijk werk
in school en huisgezin. Wij, de mannen der praktijk, steunen de
maatschappij door welvaart onder de menschen te brengen in de wijdst
mogelijken kring;... en onze vrouwen, ja, komt maar dichterbij dames, u
moogt het wel hooren,... onze vrouwen, zeg ik, onze echtgenooten en
dochters,... ja, u moet ongestoord voortwerken in den dienst der
weldadigheid, en zijt verder een hulp en een troost voor die u het naast
staan, zooals mijn lieve Betty en Martha dat voor mij en Olaf zijn....
(_Kijkt rond_). Waar zit Olaf vandaag?
MEVR. BERNICK. O, nu in de vacantie is het niet mogelijk hem in huis te
houden.
BERNICK. Dan is hij zeker weer beneden aan den waterkant! Je zult zien,
hij laat het niet voor er een ongeluk gebeurd is.
HILMAR. Kom ... laat hij zich maar eens meten met de natuurkrachten....
MEVR. RUMMEL. Wat vind ik het mooi van u, dat u zooveel gevoel voor het
gezin heeft, mijnheer Bernick!
BERNICK. O, het gezin is immers de kern der maatschappij. Een goed
tehuis, achtenswaardige en trouwe vrienden, een kleine, gesloten kring,
waarin geen storende elementen hun schaduw werpen....
(_Krap komt met brieven en couranten van rechts_).
KRAP. De buitenlandsche post, mijnheer de consul;... en een telegram van
New-York.
BERNICK (_neemt het aan_). Ah, van de reederij ... over de "Indian
Girl".
RUMMEL. Zoo? is de post gekomen? Ja, dan moet ik naar huis.
VIGELAND. Ja, ik ook.
SANDSTAD. Tot weerziens, mijnheer Bernick.
BERNICK. Tot weerziens, heeren. En denkt er aan dat wij van middag om
vijf uur vergadering hebben.
DE DRIE HEEREN. Ja, ja ... zeker ... dat spreekt. (_zij gaan naar rechts
af_).
BERNICK (_die het telegram gelezen heeft_). Neen maar, dát is waarachtig
echt Amerikaansch! Eenvoudig stuitend....
MEVR. BERNICK. Hemel, Karsten, wat is er?
BERNICK. Kijk eens Krap, lees dit eens!
KRAP (_leest_). "Minst mogelijke reparatie; stuur "Indian Girl" terug
zoodra zeilklaar; goed seizoen; drijft desnoods op lading." Nou, ik moet
zeggen....
BERNICK. Drijft op lading! De heeren weten best dat met die lading het
schip zinkt als een baksteen, als er iets gebeurt.
RÖRLUND. Ja, daar kan u nu eens zien, hoe het toegaat in die
veelgeprezen groote maatschappij.
BERNICK. Daar heeft u gelijk in. Zelfs menschenlevens worden niet geteld
zoodra er winst of verlies in het spel is. (_tegen Krap_). Kan de
"Indian Girl" in zee gaan over vier of vijf dagen?
KRAP. Ja, als meneer Vigeland het zoo schikken kan dat het werk op "de
Palmboom" zoolang stilstaat.
BERNICK. Hm; dat zal hij niet doen. Enfin. Wil u misschien de post even
doorzien? Zeg eens, heeft u Olaf niet beneden op den steiger gezien?
KRAP. Neen, mijnheer. (_af in de eerste kamer links_).
BERNICK (_kijkt weer in het telegram_). Acht menschenlevens wagen die
heeren zoo maar kalm-weg er aan....
HILMAR. Och, 't is nu eenmaal het beroep van een zeeman om de elementen
te trotseeren. Daar moet toch iets spannends in zijn, zoo enkel met een
dunne plank tusschen jezelf en den afgrond....
BERNICK. Ja, ik zou den reeder bij ons wel eens willen zien die zich tot
zoo iets leenen zou. Niet één ... geen enkele.... (_krijgt Olaf in het
oog_). Zoo, Goddank dat hij heelhuids weer thuis is. (_Olaf met een
hengel in de hand is de straat opgekomen en komt door de tuindeur
binnen_).
OLAF (_nog in de tuin_). Oom Hilmar, ik ben beneden geweest en heb de
stoomboot gezien.
BERNICK. Ben je nu alweer op den steiger geweest?
OLAF. Neen, ik ben enkel maar met een boot uit geweest. Maar oom, er is
een heel gezelschap kunstrijders aangekomen, met paarden en andere
dieren, en een heele boel passagiers!
MEVR. RUMMEL. Wat? Krijgen we hier heusch kunstrijders te zien?
RÖRLUND. Wij? Dat kan ik toch niet aannemen.
MEVR. RUMMEL. Neen, _wij_ natuurlijk niet ... maar....
DINA. Ik zou ze wel graag zien.
OLAF. Ja, ik ook.
HILMAR. Je bent een lummel. Is daar nu iets aan te zien? Louter
dressuur. Neen, een Gaucho op zijn snuivenden mustang door de pampas te
zien jagen, dat is wat anders! Maar godbewaarme hier in dit nest....
OLAF (_trekt Martha aan haar japon_). Tante Martha, kijk, kijk ... daar
komen ze!
MEVR. HOLT. Hemel ja, daar heb je ze.
MEVR. LYNGE. O foei, die afschuwelijke menschen!
(_Veel reizigers en een heele troep stadsvolk komen de straat langs_).
MEVR. RUMMEL. Ja, dat is je echte kermisvolk. Ziet u die daar, met die
grijze japon, mevrouw Holt; zij draagt den knapzak op haar rug.
MEVR. HOLT. Ja, en ze draagt hem aan haar parasol-stok! Dat is
natuurlijk de vrouw van den directeur.
MEVR. RUMMEL. En daar heb je den directeur zelf, die met dien baard. Hij
ziet er net uit als een roover. Niet kijken, Hilda!
MEVR. HOLT. Jij ook niet, Netta.
OLAF. Mama, de directeur groet ons.
BERNICK. Wat is dàt?
MEVR. BERNICK. Wàt zeg je, kind?
MEVR. RUMMEL. Ja, lieve hemel, daar groet die vrouw ook al!
BERNICK. Neen, dàt is toch te erg!
MARTHA (_onwillekeurig_). Ah....
MEVR. BERNICK. Wat is er, Martha?
MARTHA. Och niets, ik dacht maar....
OLAF (_schreeuwt van plezier_). Kijk, kijk, daar komen de anderen met de
paarden en de andere dieren! En daar heb je de Amerikanen ook! Al die
matrozen van de "Indian Girl".... (_men hoort Yankee-Doodle zingen
begeleid door een klarinet en trommels_).
HILMAR (_houdt zijn ooren dicht_). Oeh, oeh, oeh!
RÖRLUND. Mij dunkt, wij moesten ons een beetje afzonderen, dames; dat is
toch niet iets voor ons. Laat ons weer aan ons werk gaan.
MEVR. BERNICK. Wij konden misschien de gordijnen dicht doen?
RÖRLUND. Ja, dat is juist wat ik bedoelde (_de dames nemen hunne
plaatsen aan de tafel weer in; Rörlund sluit de tuindeur en doet de
gordijnen dicht; het is half-donker in de kamer_).
OLAF (_die uitkijkt_). Ma, nu staat de vrouw van den directeur aan de
fontein haar gezicht te wasschen.
MEVR. BERNICK. Wat? Midden op de markt!
MEVR. RUMMEL. En dat op klaarlichten dag!
HILMAR. Nou, als ik op reis was door de woestijn en een waterput
aantrof, zou ik mij ook niet lang bedenken om.... Au, die vreeselijke
klarinet!
RÖRLUND. 't Zou waarlijk wel noodig zijn dat de politie zich er eens mee
bemoeide.
BERNICK. Och wat; met vreemden moet men dat zoo nauw niet nemen; die
menschen hebben immers niet het aangeboren gevoel van fatsoen, dat ons
binnen de juiste perken houdt. Laat hen maar wat buitensporig doen. Wat
gaat ons dat aan? Al dat ongeregelde gedoe dat in strijd is met fatsoen
en goede zeden, raakt gelukkig onze maatschappij heelemaal niet, als ik
't zoo zeggen mag.... Wat is dàt? (_de vreemde dame komt snel binnen
door de deur rechts_).
DE DAMES (_verschrikt maar zachtjes_). De paardrijdster! De vrouw van de
directeur!
MEVR. BERNICK. Hemel! wat moet dat beteekenen?
MARTHA (_opspringend_). Ah...!
DE DAME. Dag lieve Betty! Dag Martha! Dag zwager!
MEVR. BERNICK (_met een kreet_). Lona...!
BERNICK (_tuimelt achteruit_). Zoo waar ik leef!...
MEVR. HOLT. God zij ons genadig...!
MEVR. RUMMEL. 't Is toch niet mogelijk...!
HILMAR. Nou! Oeh!
MEVR. BERNICK. Lona! Ben je het heusch...?
LONA. Of ik het ben? Ja, bij mijn ziel, ik ben het. Je kunt mij wat dat
betreft gerust om den hals vallen.
HILMAR. Oeh! Oeh!
MEVR. BERNICK. En kom je nu hier als...?
BERNICK. ... en je wilt hier optreden?
LONA. Optreden? Hoezoo optreden?
BERNICK. Ja ... ik bedoel ... met de kunstrijders....
LONA (_hardop lachend_). Hahaha! Ben je niet wijs, zwager? Denk je dat
ik bij de kunstrijders hoor? Neen; ik heb wel allerlei kunsten
uitgehaald en mij dikwijls gek aangesteld....
MEVR. RUMMEL. Hm....
LONA. ... maar kunststukken op een paard heb ik nooit vertoond.
BERNICK. Dus toch niet....
MEVR. BERNICK. O, goddank!
LONA. Neen, wij reisden heusch net als andere fatsoenlijke menschen ...
wel tweede klasse, maar dat zijn wij gewend.
MEVR. BERNICK. _Wij_, zeg je?
BERNICK (_een stap naderbij_). Wie "wij"?
LONA. Ik en mijn kind, natuurlijk.
DE DAMES (_verschrikt_). Haar kind!
HILMAR. Wat!
RÖRLUND. Nu, ik moet zeggen...!
MEVR. BERNICK. Wat bedoel je toch, Lona?
LONA. Ik bedoel natuurlijk John; ik heb geen ander kind dan John, zoover
ik weet,... of Johan, zooals jullie hem noemden....
MEVR. BERNICK. Johan...!
MEVR. RUMMEL (_zachtjes tegen mevr. Lynge_). De beruchte broer!
BERNICK (_weifelend_). Is Johan bij je?
LONA. Zeker, zeker; ik reis nooit zonder hem. Maar jullie ziet er zoo
bedrukt uit. En je zit hier in 't halfdonker en naait aan iets wits....
Er is toch geen sterfgeval in de familie?
RÖRLUND. Mejuffrouw, u bevindt zich hier in de "Vereeniging voor moreel
Verdorvenen"....
LONA (_halfluid_). Wat zegt u? Deze nette deftige dames zouden...?
MEVR. RUMMEL. Neen ... daar is nu toch het eind van weg....
LONA. Och zoo, ja! Begrepen ... begrepen! Maar wat drommel, dat is
mevrouw Rummel! En daar ginds zit mevrouw Holt ook! Nou, we zijn er alle
drie niet jonger op geworden sedert wij elkaar het laatst gezien hebben.
Maar luistert nu eens, lieve menschen, laat nu de moreel-verdorvenen een
dagje wachten; daar worden zij niet slechter van. Een oogenblik van
vreugde als dit....
RÖRLUND. Een terugkeer is niet altijd een oogenblik van vreugde.
LONA. Zoo? Wat leest u dan in uw Bijbel, dominee?
RÖRLUND. Ik ben geen dominee.
LONA. Nou, dan wordt u 't toch zeker wel eens.... Maar foei, foei,...
dat moreele linnengoed heeft zoo'n lucht van bederf ... precies een
lijkwâ. Ik ben gewend aan de lucht van de prairieën zal ik je maar
zeggen.
BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Ja, 't is hier waarlijk een beetje
bedompt.
LONA. Wacht maar; we zullen wel uit dien grafkelder naar boven zien te
komen. (_Trekt de gordijnen open_). Het volle daglicht moet hier
invallen als de jongen komt. Dan zal je eens een jongen zien die zich
gewasschen heeft.
HILMAR. Oeh!
LONA (_zet deur en ramen open_) ... ja, dat is te zeggen, wanneer hij
zich gewasschen zal hebben in het hôtel. Want op de boot werd hij zoo
smerig als een varken.
HILMAR. Oeh! Oeh!
LONA. Oeh? Ja, waarachtig, is dat niet...? (_wijst op Hilmar en vraagt
aan de anderen_). Boemelt hij nog altijd hier rond zonder iets anders te
doen dan oeh! te zeggen?
HILMAR. Ik boemel niet rond; ik moet beweging nemen omdat ik lijdend
ben.
RÖRLUND. Nu dames, ik geloof niet....
LONA (_die Olaf in het oog gekregen heeft_). Is dat jouw jongen,
Betty?... Geef mij een poot, vent! Of ben je misschien bang voor je oude
leelijke tante?
RÖRLUND (_zijn boek onder den arm nemend_). Dames, ik geloof niet, dat
er meer stemming is voor ons, om verder te arbeiden van daag. Maar
morgen zullen wij immers weer samenkomen?