correspondance_, de brief van 10 Maart 1849 aan Prévost Paradol.
[31] "_Décrire une âme humaine._"--_De l'Intelligence_. (3e ed.) I
p. 21.
[32] _"Il ressemble à un homme."_--_Vie et opinions de M. Graindorge_.
p. 324.
[33] _Beschouwing van de kunst_.--_De l'idéal dans l'art_ (ed. 1867)
p. 129-131.
[34] _Vraagt hij_.--Aan George Brandes, brief van 30 Januari 1875.
[35] _Het groote vraagstuk_.--Zie Julius Clausen. _Scandinavismen
historisk fremstillet_, p. 85 vv. over de ontwikkeling dier richting in
1845.
[36] _De leus van B. Björnson_.--J. Clausen l.l. p. 211.
[37] _Het werk in Noorwegen na 1870_.--Vgl. vooral het programma van
Johan Sverdrup, den grooten Noorschen staatsman, in een brief van 1870
meegedeeld in Halvorsen's _Norsk Forfatter-lexicon_. V p. 574, en voor
het staatsleven in Noorwegen, verder het geheele artikel. Zie ook de
inleiding van H. Haug's art. _Det norske Samlingsparti. Tilskueren_,
1905. p. 792.
[38] _Sinds_ 1884 en '85.--Vgl. Ibsen's brief aan B. Björnson van 28
Maart 1884, en H. Jaeger. _Henrik Ibsen_ p. 280 over Ibsen's bezoek aan
Noorwegen in 1885. Zie ook Laura Kieler. _Silhouetter_. p. 12.
[39] _Revolutie en piëtisme in Catilina_.--Vgl. H. Jaeger. _H. Ibsen og
hans vaerker, en fremstiling i grundrids_. p. 8, 9. R. Woerner. _H.
Ibsen_. p. 29.
[40] _Piëtisme en mysterie_.--Vgl. Collin. _H. Ibsen's dramatiske
Bygningsstil. Tilskueren_. Aug. 1906.
[41] _De krijgers op Helgeland_.--In Augustus 1857 voltooid, in November
1858 te Christiania vertoond.
[42] _De mijnwerker_.--Reeds 1851 verschenen. Een eerste omwerking
verscheen in 1863. In de uitgaaf der gedichten van 1871 (In de 4e
uitgaaf der _Digte_, die ik gebruik, 1882, staat _Bergmanden_ p. 17)
komt dan een tweede ingrijpende omwerking voor. Ik volg in mijn
_Inleiding_ natuurlijk de eerste versie, die het zuiverste beeld geeft.
Een vergelijking der beide eerste versies geeft R. Woerner's _Henrik
Ibsen_ I p. 397, zie ook aldaar p. 327. Hij heeft echter niet het belang
begrepen van de oorspronkelijke voorstelling van het gedicht.
[43] _H. Steffens_.--Toespeling op zijn _Beiträge zur inneren
Naturgeschichte der Erde_. 1801. Vgl. daarover R. Haym. _Die romantische
Schule_. p. 626-630.
[44] _Ibsen's twijfel aan den voortgang van zijn werk_.--Vgl. het
gesprek tusschen Jatgeir, den skalde en hertog Skule in het 4e bedrijf
van de _Kroonpretendenten_.
[45] _Oordeel van de wereld_.--Vgl. o.a. H. Jaeger. p. 165. R. Woerner I
p. 139. Magdalene Thorensen's (schoonmoeder van Ibsen) oordeel over den
dichter in dezen tijd in G. Brandes' _Levned_, p. 149: "Hvad han
skriver, er fladt som en Tegning." etc.
[46] _Grauwe schemeren_.--Tausmörket.
[47] _Intusschen_.--Sommige uitdrukkingen van Duitsche schrijvers, b.v.
van R. Lothar _Henrik Ibsen_, p. 91, zouden doen veronderstellen dat het
drama van Julianus den Afvallige door Ibsen na _Brand_ en in gevolge van
_Brand_ werd geconcipieerd; inderdaad is het een vroegere conceptie,
vgl. brief aan B. Björnson van 16 Sept. 1864, en L. Dietrichson.
_Svundne Tider_ I p. 336.
[48] _Meewerking aan den tijd_.--Vgl. brief aan E. Gosse, 14 Octob.
1872.
[49] _Distantie_.--Vgl. brief aan Magd. Thorensen, 3 December 1865.
[50] _Het grote gebeuren tusschen_ 1864 en 1871.--Vgl. brief aan J.
Hoffory. 26 Febr. 1888.
[51] _Determinisme_.--Hierbij mag ook de directe invloed van H. Taine
niet onopgemerkt blijven, met wiens werk Ibsen door G. Brandes bekend
werd.
[52] _Midden onder zijn groote werk_.--Het eerste plan van het _Verbond
der Jeugd_ dagteekent denkelijk van 1874, vgl. den brief van 16 Sept.
1864 aan Björnson en de aanteekening daarop Ibsen's _Sämmtl. Werke_. X
p. 428.
[53] _Het Verbond der Jeugd een inleiding_.--Vgl. A. Kerr. _Das neue
Drama_, p. 16-18.
[54] In 1885_zeide Ibsen_.--Vgl. L. Kieler. _Silhouetter_. p. 12.
[55] _De Wilde Eend_.--Voor de juiste opvatting van dit drama (de
beschouwing heeft haar oorsprong in den naasten kring van Ibsen), vgl.
H. Jaeger. _H. Ibsen og hans vaerker_. En _fremstilling i grundrids_. p.
176 vv. Zie ook van mijn hand _Poëzie en Leven in de 19e eeuw_. p. 359
vv.
[56] _Rosmersholm_.--Vgl. A. v. Berger. _Studien en Kritiken_ p. 214 vv.
en het hierboven aangehaalde _Poëzie en Leven_ p. 370 vv.
[57] _Bevrijding_.--Vgl. Lou Andreas Salomé. _H. Ibsen's Frauengestalten_.
[58] _Sinding_.--Vergelijking van Sinding met Rodin in M. Bigeon. _Les
révoltés Scandinaves_, p. 83.
[59] _Noorsche naïeveteit_.--Vgl. L. Kieler l.l.
[60] _De symbolische werken hebben overal heen betrekkingen_.--Vgl. b.v.
H. Dikmar's studie over Ibsen's _Bygmester Solness_ in _To literaere
Studier_. Kristiania 1894 en E. Holm. _H. Ibsen's politisches
Vermächtnisz_. Wien, 1906.
[61] _De Comedie der Liefde_ als een voorlooper van _Brand_.--Vgl. brief
aan T. Hegel van 31 Augustus 1866.
[62] _Julianus de Afvallige_.--Vgl. brief aan L. Daae, 23 Februari 1873:
(Duitsche uitg.) "Im Charakter Julians findet sich mehr geistig
Durchlebtes, als ich dem Publikum gegenüber verantworten möchte."
* * * * *
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ
TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
KARSTEN BERNICK, Consul.
BETTY, zijn vrouw.
OLAF, hun zoon dertien jaar oud.
MARTHA BERNICK, zuster van den consul.
JOHAN TÖNNESEN, jongere broer van mevrouw Bernick.
LONA HESSEL, haar oudere halve-zuster.
HILMAR TÖNNESEN, neef van mevrouw Bernick.
RÖRLUND, hulpprediker.
RUMMEL, groothandelaar.
VIGELAND en
SANDSTAD, kooplieden.
DINA DORF, een jong meisje bij Bernick in huis.
KRAP, procuratiehouder van Bernick.
AUNE, scheepsbouwmeester.
Mevrouw RUMMEL.
Mevrouw HOLT, vrouw van den postdirecteur.
Mevrouw LYNGE, vrouw van den dokter.
HILDA RUMMEL.
NETTA HOLT.
Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stoomboot-passagiers
enz.
Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje, in het huis van
den heer Bernick.
* * * * *
EERSTE BEDRIJF
Een ruime tuinkamer in het huis van consul Bernick. Links op den
voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul; wat verder
aan denzelfden wand een dergelijke deur. In 't midden van den
tegenovergestelden wand een groote entree-deur. De achterwand is
bijna geheel van spiegelglas met een openstaande deur die naar een
breede tuintrap leidt, waarover een zonnescherm gespannen is. Onder
aan de trap is een gedeelte van den tuin zichtbaar, omheind door
een hekje dat een uitgang heeft. Buiten langs het hekje loopt een
straat, die aan den overkant bebouwd is met kleine in lichte
kleuren geverfde houten huizen. Het is zomer en de zon schijnt
warm. Enkele menschen gaan nu en dan voorbij in de straat; zij
blijven staan en praten samen; in een winkel op den hoek worden
klanten bediend, enz. enz.
Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap dames. In
het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linkerkant zit mevr. Holt
met haar dochter; daarnaast mevr. Rummel en haar dochter. Rechts
van mevr. Bernick zitten mevr. Lynge, Martha Bernick en Dina Dorf.
Alle dames houden zich bezig met een handwerk. Op de tafel liggen
groote stapels halfgereed of geknipt linnengoed en andere kleeren.
Wat verder weg bij een klein tafeltje waarop twee bloempotten en
een glas suikerwater staan, zit Rörlund en leest voor uit een
verguld-op-snee-gebonden boek, doch zóó dat maar enkele woorden
voor de toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loop
Olaf rond en schiet af en toe met een boog.
Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur rechts. Dat
brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr. Bernick knikt
hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat er zachtjes heen en
klopt een paar keer met eenige tusschenruimte op de deur van
Bernick's kamer. Krap komt met zijn hoed in de hand en stukken
onder den arm er uit.
* * * * *
KRAP. O, ben jij het die klopt?
AUNE. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden.
KRAP. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen. Hij heeft mij
opgedragen....
AUNE. U? Ik wou nog liever!
KRAP. ... mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophouden met die
Zaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui.
AUNE. Zoo? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen tijd mocht
gebruiken....
KRAP. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen onbruikbaar te
maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag heb je gesproken over de schade
die de werklui zullen lijden door onze nieuwe machines en door de nieuwe
methode van werken op de werf. Waarom doe je dat?
AUNE. Dat doe ik om de maatschappij te steunen.
KRAP. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo iets de
maatschappij onderste boven gooit!
AUNE. Mijn maatschappij is niet die van den heer Bernick, meneer Krap.
Als president van den werkliedenbond moet ik....
KRAP. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de werf van den
heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats je plicht te doen jegens
den bond genaamd "de firma Bernick", want daarvan leven wij allemaal....
Ziezoo, nu weet je wat de consul je te zeggen had.
AUNE. De consul zou het niet op die manier gezegd hebben, meneer Krap!
Maar ik begrijp best aan wien ik dit te danken heb ... aan dien
vervloekten Amerikaan die hier in reparatie ligt. De menschen willen dat
hier net zoo gewerkt zal worden als zij daarginder gewend zijn, en
dat....
KRAP. Nou ja, hoor ... met die praatjes kan ik me niet inlaten. Je weet
nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en dus basta! Ga nu alsjeblieft
naar de werf terug, ze kunnen je daar noodig hebben; ik kom zelf straks
ook. Excuseert dames! (_Hij groet en gaat door den tuin de straat op.
Aune gaat stil naar rechts. Rörlund, die gedurende dit op gedempten toon
gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna het boek uit en
slaat het dicht_).
RÖRLUND. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is het uit.
MEVR. RUMMEL. Och, wat een leerrijk verhaal!
MEVR. HOLT. En zoo stichtelijk!
MEVR. BERNICK. Zoo'n boek geeft waarlijk heel wat om over na te denken.
RÖRLUND. O ja; het is een weldadige tegenhanger van al de dingen, die
wij helaas, iederen dag zoowel in couranten als tijdschriften te lezen
krijgen. Die vergulde en geblankette buitenzijde die de groote
maatschappij ten toon stelt, wat verbergt die eigenlijk? Leegheid en
verrotting als ik het zoo zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele
vaste ondergrond onder de voeten. In één woord, het is een gepleisterd
graf, die groote hedendaagsche maatschappij.
MEVR. HOLT. Ja ... dat is maar al te waar.
MEVR. RUMMEL. Wij hoeven alleen maar te zien naar de Amerikaansche
zeelui, die tegenwoordig hier in de haven liggen.
RÖRLUND. Och, van zulk uitschot der menschheid wil ik niet eens spreken.
Maar zelfs in de hoogere kringen ... hoe is het daar gesteld? Twijfel
en gisting overal; onrust in de gemoederen en onvastheid in alle
verhoudingen. Wat is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat
een dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste boven te
halen.
DINA (_zonder op te zien_). Maar gebeuren daar ook niet wel groote
dingen?
RÖRLUND. Groote dingen...? Ik begrijp niet....
MEVR. HOLT (_verbaasd_). Maar lieve hemel, Dina...!
MEVR. RUMMEL (_tegelijkertijd_). Maar Dina, hoe verzin je 't...?
RÖRLUND. Ik zou het niet als een geluk beschouwen als zulk soort van
dingen hier ook gebeurden. Neen, dan mogen wij God nog wel danken dat
het hier is zooals het is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder
de tarwe, maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk uit
te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en verderfelijke
ver van ons te houden, dat een onrustige tijd ons wil opdringen.
MEVR. HOLT. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg, helaas!
MEVR. RUMMEL. Ja, 't heeft verleden jaar toch maar een haartje gescheeld
of wij hadden hier ook al een spoorweg gekregen.
MEVR. BERNICK. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen tegenhouden.
RÖRLUND. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van overtuigd zijn, dat uw
man het werktuig was in de hand van een Hoogere Macht, toen hij weigerde
zich met die zaak in te laten.
MEVR. BERNICK. En toch werd hij zoo aangevallen in de couranten. Maar
wij vergeten heelemaal u te bedanken, mijnheer Rörlund. Het is waarlijk
meer dan vriendelijk van u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven.
RÖRLUND. Geen kwestie van ... nu in de vacantie....
MEVR. BERNICK. Nu ja ... maar het is toch heusch wel een offer....
RÖRLUND (_haalt zijn stoel dichterbij_). Spreek daar toch nooit van,
lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer ter wille van een goede
zaak? Of brengt u het soms niet gewillig en blijmoedig? Deze
moreel-verdorvenen, aan wier verbetering wij arbeiden, zijn te
beschouwen als gewonde soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal
de diaconessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme
ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de wonden, ze
verpleegt en geneest.
MEVR. BERNICK. Het moet toch wel een hemelsche gaaf zijn om alles in
zoo'n mooi licht te kunnen zien.
RÖRLUND. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel kan men ook
verwerven. 't Komt er maar op aan de dingen te zien in het licht van een
ernstigen levenstaak. Wat zegt u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet
dat u om zoo te zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich
wijdt aan de school?
MARTHA. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet. Soms als ik
daarginder de school binnenga, wou ik dat ik ver weg was op de wilde
zee.
RÖRLUND. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve juffrouw. Maar
voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij onze deur streng gesloten
houden. De wilde zee ... dat meent u natuurlijk niet letterlijk; u
bedoelt de groote golvende menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te
gronde gaan. En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat u
daarginder hoort bruisen en ruischen? Kijk eens op straat. Daar loopen
de menschen zweetend en zwoegend in de brandende zon en maken het zich
druk met al hun zaken. Neen, dan hebben wij het toch heusch beter, wij,
die hier in de koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant
van waar de moeilijkheden komen....
MARTHA. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk....
RÖRLUND. En in een huis als dit ... in een goed en rein thuis, waar het
familieleven zich in zijn mooiste gestalte vertoont ... waar vrede en
eendracht wonen.... (_tegen mevrouw Bernick_) Waar luistert u naar,
mevrouw?
MEVR. BERNICK (_naar de eerste deur links gewend_). Wat praten ze hard
daar in de kamer.
RÖRLUND. Is er dan iets bizonders gaande?
MEVR. BERNICK. Ik weet 't niet. Maar ik hoor dat er iemand bij mijn man
is.
(_Hilmar Tönnesen, met een sigaar in den mond, komt uit de deur rechts
... hij blijft staan als hij al die dames ziet_).
HILMAR. O, pardon.... (_wil zich terugtrekken_)
MEVR. BERNICK. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert ons niet. Wou je
iets?
HILMAR. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden morgen, dames (_tegen
mevr. Bernick_). Nou, wat komt er nu van?
MEVR. BERNICK. Waarvan?
HILMAR. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij elkaar getrommeld.
MEVR. BERNICK. Zoo? Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand?
HILMAR. Och, 't is dat gezanik weer over dien spoorweg.
MEVR. RUMMEL. Neen ... maar dat kan toch niet!
MEVR. BERNICK. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog al meer
onaangenaamheden over hebben....
RÖRLUND. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Tönnesen? Consul Bernick
heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te kennen gegeven dat hij geen
spoorweg wilde hebben.
HILMAR. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks Krap ontmoet en
die vertelde dat die spoorweghistorie weer op het tapijt was gebracht,
en dat Bernick zou vergaderen met drie geldmannen uit de stad.
MEVR. RUMMEL. 't Wou mij ook al voorkomen of ik Rummel's stem zoo even
hoorde.
HILMAR. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij, en dan Sandstad
van den Steenweg en Michel Vigeland ... de "Heilige Michael" zooals ze
hem noemen.
RÖRLUND. Hm....
HILMAR. Pardon, mijnheer Rörlund.
MEVR. BERNICK. En 't was hier nu juist zoo rustig en vredig.
HILMAR. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat ze weer eens een
beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten minste nog eens een afleiding.
RÖRLUND. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen wij wel missen.
HILMAR. Dat is een kwestie van temperament. Sommige naturen hebben nu en
dan eens een beetje opwekkenden strijd noodig. Maar zoo iets levert het
kleine stadsleven helaas maar weinig op, en niet iedereen is het
gegeven.... (_hij bladert in het boek van Rörlund_) "De vrouw als
dienstbare in de Maatschappij". Wat is dat voor onzin?
MEVR. BERNICK. Hè, Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt zeker dat boek niet
gelezen?
HILMAR. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan het te doen.
MEVR. BERNICK. Je voelt je zeker niet erg lekker vandaag.
HILMAR. Neen, dat doe ik ook niet.
MEVR. BERNICK. Heb je misschien van nacht niet goed geslapen?
HILMAR. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde nog een eindje om
gisteren avond, voor mijn zenuwen; liep toen nog even op in de societeit
en las daar een reisverhaal van de Noordpool. Dat is nog eens iets om
een mensch te stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen.
MEVR. RUMMEL. Maar dat schijnt u toch niet goed bekomen te zijn,
mijnheer Tönnesen.
HILMAR. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb mij den heelen
nacht om-en-om gerold tusschen waken en slapen en droomde dat ik
achterna gezeten werd door een afschuwelijken walrus.
OLAF. Is u nagezeten door een walrus, oom?
HILMAR. Dat heb ik gedroomd, jij domoor! Maar loop jij nou nog altijd te
spelen met dien mallen boog? Waarom zie je toch niet een behoorlijk
geweer te krijgen?
OLAF. Nou, ik zou wat graag willen, maar....
HILMAR. Want een geweer dat beteekent ten minste wat; daar is altijd
iets spannends in als je vuren gaat.
OLAF. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, hè oom? Maar dat mag ik
toch niet van Papa.
MEVR. BERNICK. Je moet hem heusch niet zulke dingen in het hoofd praten,
Hilmar.
HILMAR. Hm ... een mooi geslacht dat ze opkweeken tegenwoordig! Maken ze
me daar een groote drukte over allerlei lichaamsoefeningen ... lieve god
ja!... en 't is niets dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar
dat echte stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet
gaan. Sta daar niet zoo met dien boog naar me te wijzen, jij lummel, die
kon wel eens losschieten.
OLAF. Neen oom, er is geen pijl op.
HILMAR. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een pijl op zitten. Leg
ze weg, zeg ik.... Wat drommel, waarom ben jij niet meegevaren naar
Amerika met een van je vaders schepen? Daar kon je nog eens een
buffeljacht of een gevecht met Indianen bijwonen misschien.
MEVR. BERNICK. Och maar, Hilmar....
OLAF. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en misschien zou ik dan ook
Johan en tante Lona ook wel ontmoeten.
HILMAR. Hm ... nonsens.
MEVR. BERNICK. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin gaan.
OLAF. Hè Ma, mag ik ook op straat gaan?
MEVR. BERNICK. Ja, maar niet te ver weg. (_Olaf loopt het hekje uit_).
RÖRLUND. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in het hoofd praten,
mijnheer Tönnesen.
HILMAR. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven bij moeders
pappot, zooals zooveel anderen.
RÖRLUND. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet eens?
HILMAR. Ik? Met mijn zenuwlijden? Nou ja, dat spreekt, daar wordt hier
niet veel notitie van genomen. Maar buitendien ... een mensch heeft ook
plichten in acht te nemen jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient
toch wel _iemand_ te zijn om de vaan der idee hoog te houden. Hè! wat
schreeuwt hij weer!
DE DAMES. Wie schreeuwt er?
HILMAR. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg hard daar binnen,
en dat maakt mij zenuwachtig.
MEVR. RUMMEL. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer Tönnesen. Maar weet u,
hij is zoo gewend in groote vergaderingen te spreken....
RÖRLUND. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet, vind ik.
HILMAR. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt de handen op de zakken
te houden, dan.... Alles gaat hier immers òp in kleine materieele
berekeningen. Bah!
MEVR. BERNICK. Dat is in alle geval beter dan vroeger toen alles in
plezier-maken opging.
MEVR. LYNGE. Was het hier heusch zoo erg vroeger?
MEVR. RUMMEL. O mevrouw, als u dat eens wist! U mag blij zijn dat u toen
niet hier woonde.
MEVR. HOLT. Ja, hier is heel wat verandering gekomen! Als ik denk hoe
het was in mijn meisjestijd....
MEVR. RUMMEL. O ga maar eens in gedachten een veertien, vijftien jaar
terug. Lieve, goede hemel, wat een leven was dat! Toen bestonden nog de
dansclub en de muziekvereeniging....
MARTHA. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij nog heel goed.
MEVR. RUMMEL. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld, mijnheer Tönnesen.
HILMAR (_gaat naar den achtergrond_). Och wat!...
RÖRLUND. Een stuk van den student Tönnesen?
MEVR. RUMMEL. Ja, dat was lang vóór dat u hier kwam, mijnheer Rörlund.
Maar het is maar één enkelen keer gespeeld.
MEVR. LYNGE. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk de rol van de
minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel?
MEVR. RUMMEL (_kijkt op zij uit naar Rörlund_). Ik? Dat herinner ik mij
heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner mij nog wel heel goed hoe
vreeselijk veel er toen werd uitgegaan.
MEVR. HOLT. Ja, ik weet nog best in welke families er tweemaal in de
week een groot diner was.
MEVR. LYNGE. En een rondreizend tooneelgezelschap is er ook eens
geweest, heb ik gehoord.
MEVR. RUMMEL. Ja, dat was wel het allerergste!...
MEVR. HOLT (_onrustig_). Hum ... hum....
MEVR. RUMMEL. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar weet ik niets meer
van.
MEVR. LYNGE. Ja, de menschen moeten hier heel wat rare stukjes
uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor histories?
MEVR. RUMMEL. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets te beduiden.
MEVR. HOLT. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan.
MEVR. BERNICK (_gelijktijdig_). Beste Dina, ga eens vragen of Katrine de
koffie brengen wil.
MARTHA. Ik ga met je mee, Dina. (_Dina en Martha gaan weg door de
laatste deur links_).
MEVR. BERNICK (_staat op_). En ik moet u ook verzoeken mij even te
verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij aanstonds wel buiten
koffie drinken. (_Zij gaat de tuintrap af en dekt de tafel. Rörlund
staat in de deur en praat met haar. Hilmar zit buiten te rooken_).
MEVR. RUMMEL (_zachtjes_). Lieve hemel, mevrouw Lynge, wat heeft u mij
doen schrikken!
MEVR. LYNGE. Ik?
MEVR. HOLT. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw Rummel.
MEVR. RUMMEL. Ik? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo iets zeggen? Ik heb
toch geen enkel woord losgelaten.
MEVR. LYNGE. Maar wat is er dan toch?
MEVR. RUMMEL. Hoe kon u daar nu over praten...! Zag u dan niet dat Dina
in de kamer was?
MEVR. LYNGE. Dina? Maar lieve hemel, is er dan iets gebeurd met ...?
MEVR. HOLT. En hier in huis nog al! Weet u dan niet dat de broer van
mevrouw Bernick...?
MEVR. LYNGE. Wat dan toch? Ik weet heelemaal niets; ik ben hier pas
gekomen....
MEVR. RUMMEL. Heeft u niet gehoord dat...? Hm,... (_tegen haar
dochter_). Hilda, jij moest maar eens een beetje in de tuin gaan.
MEVR. HOLT. En jij ook, Netta. En wees maar heel vriendelijk tegen die
arme Dina als ze komt. (_Beiden gaan de tuin in_).
MEVR. LYNGE. En wat was er nu met dien broer van Mevrouw Bernick?
MEVR. RUMMEL. Weet u dan niet dat hij die leelijke geschiedenis heeft
gehad?
MEVR. LYNGE (_wijzend naar Hilmar_). Heeft mijnheer Tönnesen een
leelijke geschiedenis gehad?
MEVR. RUMMEL. Och, welneen; dit is immers haar neef. Ik spreek van haar
broer....
MEVR. HOLT. ... den verongelukten Tönnesen....
MEVR. RUMMEL. Johan heette hij. Hij ging naar Amerika....
MEVR. HOLT. Hij _moest_ naar Amerika ... begrijpt u?
MEVR. LYNGE. En had hij nu die leelijke historie?
MEVR. RUMMEL. Ja, het was iets ... hoe zal ik het noemen...? Het was
iets met Dina's moeder. O, ik weet 't nog of het gisteren was. Johan
Tönnesen was toen op het kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten
Bernick was pas van Parijs teruggekomen ... was nog niet eens
geëngageerd....
MEVR. LYNGE. Nou ja ... maar die geschiedenis?
MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u ... dien winter was het tooneelgezelschap van
Möller hier in de stad....
MEVR. HOLT. ... en bij dat gezelschap was de acteur Dorf met zijn vrouw.
Al de jongelui hier waren dol op haar....
MEVR. RUMMEL. Ja, hoe 't mogelijk was dat ze _die_ mooi vonden.... Maar
op een keer komt Dorf 's avonds laat thuis....