Het komt bij den dichter niet als iets heel ongewoons. Want hij gaat wel

meer tot het uiterste in een lijn, om dan plotseling een nieuwen kant

van zijn talent te ontwikkelen. Zoo was hij na den grauwen nevelstorm

van nacht en eenzaamheid der _Krijgers op Helgeland_, zoo was het

eveneens thans na de stormachtige drama's der in vrijheid vereenzaamde

individualiteit. Waarlijk, het heeft er iets van alsof Ibsen het gevoel

had van iemand die lang op een hoogte heeft geleefd buiten het bereik

van het menschdom, en eensklaps krijgt hij het uitzicht op een ruime,

bevolkte vallei. Hij kwam van zijn bergtop af, de dichter, en hij begon

te spreken,--heel hoog en ironisch voorzeker,--maar toch ook met een

wonderbaar zachtmoedigen en schroomvallig teêren toon.

Zijn _Wilde Eend_[55] is het drama van de kleine burgerlieden (1884).

De last van het leven wordt in het verhaal gedragen door de illusie van

twee vrouwen; de eene vrouw is laag bij de grond, en het leven gaat over

haar heen zonder haar een andere impressie te geven dan dat zij moet

voortgaan te zorgen en te slaven voor haar gezin; de andere is het kind,

het jonge meisje, in den eersten bloei van fantasie en aandoenlijkheid;

en aan het leven dat haar verdrukt en vernietigt, geeft ze al bij de

eerste aanraking haar uiterste van opoffering en toewijding.

In de _Wilde Eend_ toont de dichter de samenleving in miniatuur met haar

goedheid en haar wreedheid, met haar zelfbedrog, haar lafheid, haar

onverschilligheid, maar ook met haar _poëzie_,--een onnoodige poëzie,

die in de ruimte verstuift en verklinkt. Het is een wereld, waarmee het

nog niet meenens is; zij denkt wel te bestaan, maar uit het niet bestaan

kan zij nog niet te voorschijn komen. Rechtaf herinnert het stuk aan het

eerste morgengrauwen,--half een illusie van teederheid, half een ijzige

adem van rauw nijpende nachtkoû.

Krachtiger en grootscher gaat het dan in _Rosmersholm_[56] (1886), waar

de nieuwe beschaving met haar onstuimig bloed en haar gaven hartstocht

aandruischt tegen het verfijnde, zichzelf al vreemder en vreemder

wordende, leven der oudere beschaving.

En drama volgt op drama; de _Vrouw van de zee_ (1888) komt na

Rosmersholm, dat het hoogtepunt van Ibsen's dramatisch vermogen

voorstelt, en na de Vrouw van de Zee verschijnen _Hedda Gabler_ (1890),

_Bouwmeester Solness_ (1892), _Kleine Eyolf_ (1894)....

* * * * *

Zij weerspiegelen de ongelijkmatige bewegingen der samenleving in de

moderne maatschappij.

Is het wel een samenleving?

Zoo verschillend zijn haar elementen. Geen van die elementen wil zich

aan gestelde orde ondergeschikt houden, en aan elk ontbreekt iets; toch

verlangt ieder hunner voor zich de eerste plaats.

In _Rosmersholm_, zijn meest beteekenende schepping, heeft Ibsen nog de

voorstelling van een mogelijke verzoening der disparate bestanddeelen,

maar hij kan die voorstelling niet geheel geven, hij vindt er geen vorm

voor. Het nieuwe gaat in Rosmersholm aan het oude te gronde, en het oude

gaat met het nieuwe in den dood. In het verschiet alleen rijst de betere

tijd voor onze gedachten,--slechts even voor onze verbeelding.

Dezelfde indruk en aandoening van het onbestemde en gebrokene krijgt de

toeschouwer van de daarop volgende drama's nog sterker, en ook, in 't

eerste oogenblik, misschien meer verwarrend;--omdat de dichter, wanneer

het woord veroorloofd is, den achtergrond van zijn tooneel hoe langer

hoe meer naar voren brengt. Twee motieven kruisen elkander in die

stukken, en ze zijn aan elkander tegenovergesteld. Het hoofdmotief

spreekt soms van verzoening en vereeniging, zooals in de _Vrouw van de

zee_, maar dan is er een ander motief dat wijst op scheiding; of, gelijk

in _Hedda Gabler_, spreekt het hoofdmotief van verstoring en het

nevenmotief duidt opbouwing en stichting aan. Soms ook, als in _Kleine

Eyolf_, houden de motieven evenwicht met elkaar. Daar hebben wij wel het

tegenstrijdige en tegenstrevige der moderne maatschappij.

* * * * *

Zoo krijgt het theater van Ibsen perspectief en beweging. Wij komen

waarlijk in de grootere wereld zelf wanneer we met hem op het tooneel

zijn. Want hij weet de gebeurtenissen samen te vatten in een kort

bestek, en toch neemt hij er ruimte en tijd en ook distantie in op; hij

laat de verhoudingen met elkaâr contrasteeren, maar ze weerspiegelen

zich ook in elkander; en hoeveel beelden en reflexen ontstaan daardoor

niet, die het verhaal uit zijn plankenomgeving losmaken en in ons brein

voort doen spelen!

Alsof het daarbij alleen te doen was om het zien en het denken! Neen, er

rijst een muziek van verlangen uit die rij van dichterlijke scheppingen,

en een toon van fantastisch heimwee-gevoel, van hartstochtsbegeerte en

van hartstochtssmart klinkt voor ons op, of de zachte stem der

verdrukten die op uitkomst hopen, der stille geduldigen die in het leed

hun vertrouwen willen redden, bereikt ons oor, dringt door tot ons hart;

opofferingszucht en eigenzinnigheid, verslagenheid en trots trekken als

met vlagen van geluiden onzen geest voorbij ... en tot accompagnement

--stil, luister!--die klank van geregelde hamerslagen in de verte,

hamerslag op hamerslag; en men weet niet of zij bezig zijn weg te breken

en af te breken, dan wel of ze timmeren aan een nieuw gebouw voor het

nieuwe leven.

* * * * *

Ibsen, die het leven van zijn tijd meeleeft en doorleeft, treedt,

gedurende deze derde periode van zijn loopbaan, op die wijs in

verbinding met de maatschappij van het Noorden. Zij hebben elkander

eindelijk dan ontmoet, de dichter en zijn volk.

Maar hij, de dichter, hield zich daarom niet op met de speciale vragen

van den dag. Naar den mensch alleen vroeg hij, in zijn natuurlijke

verhoudingen; hij vroeg hem naar zijn hart en zijn liefde, naar zijn

eerlijkheid en trouw. En het waren vooral geschiedenissen van vrouwen

die hij tot onderwerp koos van zijn voorstelling.

"Een vrouw wanneer ze iets onderneemt, gaat gewoonlijk het verst," heeft

Ibsen gezegd. Dat "verst gaan" van de vrouwen beviel aan den dichter.

Hoe zou hij ingestemd hebben met de gedachte van Meredith, als hij haar

had hooren uitspreken: "De vrouw is wat er natuurlijks is overgebleven

in den mensch!"

Misschien ging hij de samenleving meer waarderen, omdat hij de vrouw

meer leerde liefhebben. Want zoo wreed als vroeger laat hij haar niet

meer de duistere eenzaamheid binnengaan, en zelfs wanneer hij ze ten

dood voert, zooals hij met Hedda Gabler en de Rebekka van _Rosmersholm_

doet, dan brengt hij haar dadelijk om, of hij geeft haar een geleide in

den geliefde--hand in hand. _Bevrijding_[57] is Ibsen's woord geworden,

en niet langer het scherpe woord: _vrijheid_.

* * * * *

Hij kwam zijn volk nabij, en toch kon Ibsen het niet meer geheel

naderen. Want hij ging al behooren tot het verleden.

Er is een contrast in de motieven zijner laatste drama's waarop ik nog

niet voldoende heb gewezen: de tegenstelling tusschen een oude en een

nieuwe generatie van menschen. Langzamerhand wordt, in Ibsen's drama's,

de oppositie sterker van het opvolgende geslacht tegenover het

voorgaande, en de bruisende jeugd scheidt er zich af van de ouderlijke

woning om haar eigen weg van begeerte op te gaan (_John Gabriel

Borkman_, 1896).

Ook die tweespalt van de moderne samenleving noteert de dichter, in zijn

eigen hooge stemming tegenover het leven; hij spaart de ouderen niet, en

hij erkent het recht van de jongeren. Maar men voelt dat het hem niet

gemakkelijk afgaat. Daar is iets hards, en daar is een breuk. Ibsen was

toch een man van het verleden geworden.

Ja, erger: in veel opzichten was hij ouderwetsch....

Zijn groote ondernemers van zaken dateeren van dertig, veertig jaren

her, toen de ondernemingen nog niet zoo heel groot waren, zijn _grandes

coquettes_ hebben trekken die aan een voorbijgegane mode van coquetterie

herinneren, zijn beroemde beeldhouwer Rubek (_Wanneer wij dooden

ontwaken_) doet, wat het beeldhouwvak betreft, denken aan Thorwaldsen,

niet aan Rodin, of, om een Noorweger te noemen, aan Sinding....[58]

Blijft ook de echt-Noorsche naïveteit[59] van oude dagteekening Ibsen

niet bij?... Maar ik ga niet voort met bijzaken op te tellen. Wat hem in

waarheid onderscheidt van zijn omgeving, dat zijn toch niet alleen zijn

gebreken, maar dat is in de eerste plaats zijn grootheid. Hij steekt een

hoofdlengte boven de anderen uit, door zijn behoefte en zijn vermogen om

in ieder fragment van het leven een geheel van leven te zien. De groote

Hervorming van het begin der 19e eeuw laat nog bij hem haar invloed

gelden,--in hem werkt nog een stemming door van de groote Revolutie....

* * * * *

Daarom is hij, in onze hoogst moderne wereld, iemand van het verleden;

en Ibsen's werk ook trekt zich op 't eind terug uit de werkelijkheid van

de wereld. Het wordt symbolisch, dat is: het wil wat meer en wat anders

zeggen, dan het inderdaad zegt; het heeft overal heen betrekkingen[60].

Maar de voornaamste betrekking is van den dichter tot zijn eigen ziel.

Hij staat voor me, in die symbolische drama's,--en zij beginnen reeds

met Bouwmeester Solness (1892), maar de twee laatste werken _John

Gabriel Borkman_ (1896) en _Wanneer wij dooden ontwaken_ (1899) zijn bij

uitnemendheid symbolisch te noemen,--ik zie hem voor me, afgewend van de

bedrijvige wereld, starend in de diepe verte, voor zijn geestesoog

oproepend het eigen leven en het leven der menschheid, tot voorwerp van

innig ene eeuwig beschouwen en overpeinzen.

* * * * *

[Illustratie: Ibsen's woning te Christiania tevens sterfhuis (1e etage)]

Gedrongen en gebukt, met ik weet niet wat voor trotseerende macht in het

naar beneden gebogen voorhoofd, zit hij daar, in zich gekeerd en

verzonken, een denker van het bestaan. En hoe wijd verschillend is de

aanblik der dingen, gelijk hij ze in den spiegel zijner gedachten

opneemt, van den schijn waarmee de menschen hen omgeven!

De menschen meenen dat hij, de dichter, tot een hoogtepunt van glorie

geklommen, rustig en zeker zijn triomf viert en geniet. Zij weten niet

dat, waar de wereld spreekt van een overwinning, dikwijls in het hart

van den overwinnaar een gevoel leeft van nederlaag. Maar hij weet het,

de dichter-peinzer. Wanneer hij aan een victorie denkt, dan is het aan

een van de toekomst. Zijn zegepraal,--daarvan is nog nooit het

bewustzijn tot hem doorgedrongen. Het is een triomf in afwachting en

verlangen. En hij weet dat die nooit zal komen.

Hij gelijkt op den John Gabriel Borkman dien hij heeft geschapen, den

groot-ondernemer, den man met grootsche plannen van mijnbouwbedrijf en

ontwikkeling van welvaart. Borkman heeft de schatten van den grond uit

hun gebondenheid willen losmaken, en de menschen hebben hem hun

vertrouwen gegeven; maar hij is gestruikeld over een hinderpaal, een

hinderlaag, hij heeft zijn eerzucht geboet met opsluiting in de

gevangenis, daarna met opsluiting in het leven. Zijn eenige

vrijheid,--de illusie over de toekomst; zijn eenig vertoon van

trots,--de pose van gewaande grootheid.

De dichter heeft, als zijn koopman, in de diepte willen graven; hij

wilde den rijkdom, gehouwen uit den mijngang van het hart, voor zijn

volk ontplooien, dat een stroom van energie zou uitgaan over zijn

Noorwegen, en hij moest onderdoen voor zooveel kleine verhoudingen in de

wereld,--hij moest zijn nederlaag erkennen tegenover de kleinheid van

zijn eigen geest, die de innigste eigenste kern en kracht van het leven

niet machtig en teeder genoeg vermocht te grijpen.

En verder nog, tegelijk in 't verleden en in de toekomst zag de dichter.

Hij heeft gefaald, omdat hij zijn hart gaf aan den schijnrijkdom van het

leven. Wat deed hij daarmee anders dan het voorbeeld volgen van zijn

vader, zijn lichamelijken vader, Knut Ibsen, den rijken koopman, die

vertrouwend op zijn vermogen, zijn rijkdom had opgeofferd aan den

schijn, en die zijn weidsche uitzichten had zien ondergaan in een

failliet,--een gevangene voortaan van het leven?

Maar hij, de zoon, hij, Henrik Johan Ibsen, had de engte van het

huiselijk bestaan niet kunnen verdragen. De begeerte en het zelfgevoel

en de trots van een eigen leven te voeren met zijn genot en zijn

grootheid had hem in de wijde wereld gelokt, en die vereenzaamden van

zijn huisgezin doen verstooten en vergeten. Die mokkende gevangenen die

op hem hun hoop hadden gebouwd, evenals het gezin van John Gabriel

Borkman zijn verwachting stelde op den zoon, die den naam van het

geslacht weder tot eere zou brengen,--hij had hun verlatenheid niet

gevoeld, en even als Erhard Borkman, gedreven en gezweept door zijn

wereldsche verlangen, had hij de ruimte gekozen....

Zoo peinsde en schouwde de dichter, en biechtte aan zichzelf de wreede

raadsels van het onontwijkbare lot--met hun schijnoplossing voor het

verstand van de wereld, hun onvervuldzijn in het wrakende besef van het

hart.

En toch een illusie van vertrouwen, een pose van trots, een glimp van

verzekerdheid, een enkele flauwe lichtstraal, een dichter-overtuiging

van grootheid!...

Of, in zijn meditatie over het gehalte van zijn kunst, rustte het oog

van den dichter op de drievoudige gestaltenis van zijn leven (_Wanneer

wij dooden ontwaken_). Het rees voor hem statuarisch in een enkelen

groep. De kunstenaar tusschen twee vrouwenbeelden: de eene vrouw, de

illusie van het ideaal, Irene, de vredebelovende bezielster der jeugd,

troosteres van den ouderdom; de andere, illusie der werkelijkheid, Maja,

de schijn, schijngezellin van zijn leven; de groep wordt afgesloten door

een achtergrond van gebergte, en een satyr, genius van den roes van het

natuurlijke levensgenot, ziet van die wilde hoogte op haar neer.

Kunnen wij den dichter beluisteren en zijn fluisterende gedachten voor

ons gehoor opvangen, wanneer hij tegenover Irene, het in zijn jeugd

verlaten ideaal, en Maja, de wereldsche levensgenoote, gemeenschap houdt

met zijn ziel?

Was er hem niet eenmaal een erfenis meêgegeven uit den grooten zonnigen

dag van het levensgloren aan het begin der eeuw? maar zij was

weggezonken gedurende den nacht van den tijd in de mijnschacht van zijn

geest....

Het ideaal!

Onder al de scherpte en bitterheid van zijn talent, onder den twijfel en

de vertwijfeling van zijn ziel, had de dichter toch den geheimen schat

van zijn ideaal bewaard. Een uniek verlangen doortrilde zijn

verborgenste hartekamer naar den reinen adel van de vrouwelijke

lentegestalte, het beeld der hernieuwing en herschepping van het jaar,

van het leven. En het was iets grooters dan het verlangen van zijn

persoonlijkheid; het was de behoefte en het heimwee van het stugge ras

waartoe hij behoorde, de zucht naar een wederopluiking van den teederen

luister van het leven, van de liefdevolle harmonie,--dat smachten en

haken en hijgen, dat eenmaal Wergeland's onbeholpen verzen doorgloeid

had, en dat de poëzie van het Noorden met heimweevleugelen heeft doen

opstijgen.

Maar trotsch en schuw, had de dichter de waarheid van zijn hart niet aan

eenig levend ideaal durven geven. Hij was teruggeweken voor de liefde:

in de werkelijkheid kende hij alleen de _comedie_ van de liefde, en hij

had zijn hart, de overgaaf van zijn geheele persoonlijkheid, niet over

voor een _comedie_. Zoo schiep hij, dichter en kunstenaar, in

vereenzaming zijn ideaal als dat van een eenzame tegenover het leven,

alsof er geen andere macht van vernieuwing bestond dan het eigen talent

en de eigen wil (_Brand_). De kunstenaar sloot zich op in zijn sfeer van

kunst.

Wat hij voortaan van zijn kunst gaf voor het leven van zijn volk, dat

waren satires en "fratsen", "diergestalten" en caricaturen,--verwrongen

schaduwbeelden van het nooit meer te vervullen ideaal dat in zijn hart

bleef opgeborgen,--het ideaal dat de verholen achtergrond was voor zijn

misvorming van het leven. En de dichter-kunstenaar was in 't oog van de

wereld gehuwd met Maja, den schijn van de werkelijkheid.

Daar ontmoette hem weder, midden in het gewone leven, de illusie van het

ideaal. Het ideaal kwam als een droomgestalte, en het was alsof het den

dichter in het leven had gevolgd en gezocht, nu hij zelf het ideaal niet

meer in 't leven wilde zoeken of volgen.

Maar kon zij, Irene, de eenmaal verstootene, de zwaar beproefde, nog

langer de illusie geven van het ideaal? Was deze Irene nog een

vredebrengster die het leven zou vervullen en vernieuwen? De harde

lotsbestemming had haar in handen overgeleverd van het brutale

levensgenot. Zij was gekneusd, verminkt, bijna ontzield, een

levend-doode,--de ideale kunst was ten prooi geweest aan naturalisme en

grove zinnelijkheid.

Toch....

De dichter zag haar in de oogen. Zijn medelijden met het leven was

ontwaakt, en met het ontwaken van zijn levensgevoel ontsloot zich in

zijn hart de teruggedrongen en opgepreste behoefte aan een vereeniging

van ideaal en leven, van kunst en gevoel. Hij zag haar in de starre

oogen: daar lag alleen rust en bevrediging; liefde welde in hem op voor

wat geslagen was en verbroken,... zijn liefde zou redden en heelen. De

oude scheppingsdrang hernieuwde zich.... Laat Maja, de schijngezellin,

vrij zijn, laat haar den satyr in 't gebergte volgen of hem bedriegen,

't is den kunstenaar om 't even: hij wil zijn weergevonden ideaal,

Irene, opvoeren op hoogten van bergen in de reinheid en den glans van

het hooggestemde leven,--het brenge dan wat het wil.

* * * * *

Op die wijze houdt de dichter overzicht van de drie perioden van zijn

leven, den tijd van de _Comedie der Liefde_ en _Brand_[61], van satires,

van de wederaansluiting bij de samenleving. En hij ziet ze niet, zooals

wij ze zien, naar evenredigheid van wat ze hebben gebracht aan de

wereld, maar in vergelijking van wat ze misten ter voldoening aan de

behoeften van zijn ziel. Wij zien de volvoering, hij echter ziet het

ontbrekende. Zijn zegepraal en zijn glorie, ze zijn niet een zaak van

het verleden; hij heeft ze voor zich uitzweven,--in verlangen. Het is

hem alsof eerst nu, aan het eind van zijn levensweg, zijn oogen

opengaan. _Wanneer wij dooden ontwaken_! wanneer wij, die gemeend hebben

te leven, en die ons nauwelijks aan ons niet-bestaan konden

ontworstelen, eerst de oogen opslaan en het leven gewaar worden in zijn

oprechtheid en eenvoud!...

Maar dan is het einde nabij.

De dichter-peinzer weet het. Hij weet zichzelf, hij weet de afdwalingen

en afdalingen van zijn levensbaan, hij weet ook zijn glorie. Op de

hoogte van het leven verkeert hij in stille samenspraak met het Leven.

Een schijnsel omstraalt hem van het komende licht. Wat nood of de nacht

voor hem nabij is gekomen. Is hij ook niet een kind van den Nacht, hij

de mijnwerker, de graver en groever. De nacht, de aanstaande nacht,

brengt rust en vrede.--Laat hem genieten, dat eene, unieke oogenblik,

van het rein ontwaken zijner oogen.

En van de hoogte kijkt de dichter uit op de hoogtepunten van zijn eigen

leven.

Hij denkt aan zijn _Catilina_, het stuk van den somberen gewetens- en

wereldnacht, dat zijn trots was in de opgang van zijn jeugd; hij denkt

aan zijn _Julianus den Afvallige_[62], de schemerschepping geschapen op

de middaghoogte van zijn weg; en hij denkt aan het licht van het ideaal

dat voor hem oprijst en om hem heen rijst, nu de duistere schaduwen zijn

leeftijd overvallen.

Zijn glorie is zijn opstanding, voor een oogenblik, uit den nijpenden

dood van het leven.

Zie, de schemering heeft den nacht verjaagd, de morgenstond breekt zich

baan, brengt het licht; de morgenstond, het bleeke uur van herinnering,

van berouw, van voorgevoelens,--het ophelderende en oplichtende uur van

voorgevoel en verlangen, van verwachting, van Verrijzenis....

* * * * *

AANTEEKENINGEN OP DE INLEIDING

[1] _Staats-satyricus_.--Zoo noemt zich Ibsen een paar maal in

tegenstelling zeker tot "staatsburger". "Ik heb het talent niet om

staatsburger te zijn," schreef hij aan G. Brandes. 3 Jan. 1882.

[2] _Versregels_.--Goethe _Urworte_. W. A. III 95.

[3] _Aangroeien v. verbeelding_.--W. Dilthey. _Das Erlebnis und die

Dichtung_. p. 284, 295.

[4] _Steffens_.--H. Höffding. _Henrik Steffens. Tilskueren_. Jaarg.

1902. p. 942 vv. H. Steffens. _Was ich erlebte_. X. 269. "In der stillen

einsamen Jugend ward ich von einer Sehnsucht ergriffen, die mich der

Religion und der Natur in ihrer ganzen Fülle entgegenführte. Ein

unruhiges, ja wildes Temperament lockte mich im grellen Gegensatz."

[5] _Steffen's vader over den val der Bastille_.--Vgl. Steffens ibid. I

362-364.

[6] _Steffens over Oehlenschläger_.--_Was ich erlebte_ V. p. 26 vv. Ad.

Oehlenschläger _Meine Lebenserrinnerungen_. I 204, vv. Kr. Arentzen.

_Baggesen og Oehlenschläger_. Kopenh. 1872, II p. 21 vv.

[7] _Genialiteit_.--Arentzen l.l. II. 147.

[8] _Oehlenschläger als voorganger_.--Vgl. o.a. V. Birkedal. _Persönlige

Oplevelser i et langt Liv_. III p. 66.

[9] _Hij hield het oog op het geheel_.--Zie Oehlenschläger's voorwoord

tot de _Poetiske skrifter_ van 1805, de passage die begint: "Fundamentet

for den sande Kunst er Harmonieen...."

[10] _Een brief van_ 1814.--Zie Arentzen l.l, Voorwoord van het derde

deel: vgl. ook Arentzen dl. VIII, p. 111.

[11] _Toestand van Noorwegen_.--Zie H. Jaeger. _Literaturhistoriske

Pennetegninger (Norskhedsperioden)_ p. 140 vv. H. Lassen. _Henrik

Wergeland og hans Samtid_ (2e ed.) p. 76 v. H. Steffens l.l. IX p. 233.

[12] _Het woord van vrijheid_.--De feestdag van den 17en Mei, datum der

constitutie, mocht gedurende geruimen tijd niet worden gevierd. In

Skien, Ibsen's geboortestad, liet men het alleen oogluikend toe, zelfs

als er na 1830 een verandering in de stemming was gekomen, uit vrees

voor een machtig man in de nabijheid der stad. H. Jaeger. _Henrik

Ibsen_. Et literaert livs billede. p. 15.

[13] _Sinds_ 1825.--H. Jaeger. _Pennetegninger_. p. 146 naar

Schweigaard. _Norges Statistik. Schreef_ in 1828.--Lassen H.

_Wergeland_. p. 13, 30.

[14] _Opdracht aan H. Steffens_.--Jaeger. l.l. p. 158 noot.

[15] _Het hemel en aard gedicht_.--Van Wergelands _Skabelsen, Menensket

og Messias_ ken ik de eerste uitgaaf slechts uit Welhaven's kritiek

(_Samlede Skrifter_ dl. I). In de literatuurhistoriën wordt gewoonlijk

de door Wergeland kort voor zijn dood herziene uitgaaf van 1845 (met den

titel _Mennesket_) aangehaald en besproken. Een exemplaar daarvan is in

Potgieters bibliotheek.

[16] _Kind der revolutie_.--Zie behalve de bovengenoemden de belangrijke

inleiding van J.E. Sars tot W's _Norges Konstitutions historie_. H.W's

_Skrifter i Udvalg_, Kristiania, 1898. Dl. III. Voor Wergelands

denkbeelden in dezen eersten tijd, vlg. ook vooral zijn verhandeling

_Hvi skrider Menneskeheden saa langsomt frem_? (1831). _Skrifter i

udvalg_ I p. 600 vv.

[17] _Levensgevoel_.--Men vgl. de mooie inleiding van C. Naerup tot W's

_Skrifter_. Dl. I en de bekende redevoering v. B. Björnson bij de

onthulling van W's standbeeld.

[18] _Wergelands woorden_.--Zie L. Dietrichson. _Omrids af den norske

Poesis Historie_ II P. 58.

[19] _Richting in Denemarken_.--Bedoeld is het zoogenaamde

Grundtvigianisme; voor de verhouding daarvan tot Oehlenschläger zie o.a.

Arentzen l.l. Dl. III en vv.

[20] _Samenhang v. Europeesch geestesleven_. Het voorbeeld is ontleend

aan de citaten uit gelijktijdige dagbladen bij Jaeger l.l. p. 152.

[21] _G. Meredith_.--Meredith is 12 Februari 1828 geboren in Hampshire

(R. le Gallienne. _G. Meredith. Some characteristics_. p. LVI.) Ook

Dante Gabriel Rossetti is in 1828 geboren, maar deze kan moeilijk ter

vergelijking gebezigd worden om zijn exotische afkomst--half Italiaan,

half Engelschman. Ook is zijn baan in 't midden afgebroken, en zijn

dichttalent werd voor een groot deel bepaald door zijn schildersneiging.

Bij Ibsen is het schildertalent geheel geweken.

[22] _Zij hield het oor van den nacht gevangen_.--Meredith. _Sandra

Belloni_ ch. II.

[23] _Zoo rijst de blanke heerlijkheid_ enz.--Meredith. _The ordeal of

Richard Feverel. Beauchamp's Career_. Vgl. mijn studie over M. in de

Gids van October, 1896.

[24] _Zich te bezinnen_.--Allusie op de versregels van _Modern Love_

XLVIII: More brain, O Lord, more brain! or we shall mar Utterley this

fair garden we might win.

[25] _Modern Love_ is in 1862 uitgekomen. Ibsen is zijn _Kjaerlighedens

Komedie_ in 1860 begonnen. (R. Woerner. _Henrik Ibsen_. I p. 493). Den

besten commentaar op _Modern Love_ geeft G.M. Trevelyan. _The poetry and

philosophy of G.M._

[26] _The Egoist_.--Meredith's roman is uitgekomen in 1879.

[27] _Romans uit Meredith's 3e periode:--One of our conquerors, Lord

Ormont and his Aminta, The amazing marriage_ verschenen van 1890-'95.

[28] _"Lo, where"_ etc.--Aanhaling der slotregels van _The Sage

anamoured and the honest Lady_. Voor 't eerst gepubliceerd in 1894.

[29] _Taine_.--Het 1e deel der _Origines de la France contemporaine_

kwam uit in 1875, de volgende deelen die de Revolutie behandelen--en

daarom is 't hier vooral te doen--verschenen sinds 1878.

Dramatische werken · 第 3 / 30 段