Ibsens leven toont wel duidelijk de indeeling der drie perioden. De tijd

van 1864 tot 1871--de ondergang van het Scandinavisme, de vestiging van

de Pruisische macht, en de Commune-opstand te Parijs--heeft hem, na zijn

eerste half schoolse, half spontane ontwikkeling, tot die rijpheid van

bewustzijn gebracht, die hem als een modern Europeesch man het volledig

bezit gaf van zijn talent. In de 70er jaren viel dan het begin van zijn

werk als "staats- en samenlevingssatiricus", en Ibsen nam met zijn

bitter boos aanvallend werk zijn scherpe aandeel aan het gevoels- en het

gedachtenleven van zijn volk. Het scheen wel alsof hij 't er op had

aangelegd, het uit de engte van zijn dorpelijk en gemeentelijk leven te

prikkelen tot het innemen van een hooger standpunt in de Europeesche

maatschappij. Sinds 1884 en '85 eindelijk, toen in Noorwegen de

politieke strijd was uitgestreden, verruimde en verbreedde zich zijn

talent[38]. Wat zijn land noodig had,--zoo zag hij den toestand in,--dat

waren sociale en praktische hervormingen, niet langer politieke

theorieën, en Ibsen's dramatische kunst weerspiegelt--maar 't is een

vrije ontvouwing van zijn dichtergaaf--die onvervulde, dringende

behoefte aan een energieke beschaving.

Zoo wondervol loopen in het werk van den kunstenaar de draden samen die

de richting aangeven van het nationaal Noorsche en van het gezamelijk

Europeesche leven!

* * * * *

Ik moet thans dat werk nog overzien als een uiting van zijn

persoonlijkheid.

Wat men het eerst hoort van den dichter is een klacht. Het gedicht dat

als eersteling in zijn verzamelde werken is opgenomen heet "_Berusting_".

Het is alsof de twintigjarige zijn droomen van grootheid en geluk niet

meer voor zich heeft, maar ze achter zich heen in 't verleden ziet

verdwijnen. Hoe eng is de atmosfeer in zijn werk! Er ligt een beklemming

over.

De revolutie-storm van 1848 streek wel met een vlaag neer in het kleine

Noorsche stadje waar hij zijn gedrukte leven leidde, en de tocht van de

groote beweging wekte den armen apothekers-assistent wel uit zijn

dofheid, ontvlamde zijn geest; maar het bleef ten slotte bij hem een

kamp in het hart. Zoo ergens is hier, in Ibsen's dichtergeest, de

duisternis van den nacht.

Maar ook hoogheid van gedachten-verbeelding en voorstelling. Het bewijs

is _Catilina_[39], het stuk dat de reeks van zijn drama's opent (1850).

Men denkt misschien een schoolthema in handen te krijgen, en men ontdekt

in de tragedie een hartekloppenden geest verdeeld tusschen wijd

uitgaande plannen en een berouwvol bewustzijn van zonde en onmacht.

De revolutie neemt er haar rol in--en woelt in een gemoed, vervuld van

mysterie en van de tradities van piëtisme. Want dat werd, zoo men hem

wel beziet, Ibsen's Romein, Catilina: een revolutionaire, mysterieuze

piëtist[40].

Het was voor den dichter een worsteling om van den nacht tot het licht

te komen, maar de schaduwen hebben het gewonnen.

Hij gevoelde heel sterk de verdeeldheid van het leven, en de afscheiding

van de natuur. Ibsen heeft wel geprobeerd in den trant van Oehlenschläger

en zijn volgelingen romantische drama's te schrijven, maar de helden van

die tooneelspelen zijn in hun hart van Wergeland'sche structuur en echt

Noorsch. Twee zielen wonen in hun borst, en zij komen moeilijk uit hun

kampende schemerleven te voorschijn.

De scherp logische consequentie van zijn geest noopte den dichter dan om

voor het onderwerp zijner drama's ook een zuiver Noorschen vorm te

kiezen. Zoo verschenen hard en streng als een Noorsche saga zijn

_Krijgers op Helgeland_[41] (of _Noorsche Krijgstocht_) ten tooneele

(1885). Het was Ibsen's tijd van "Noorschheid". Stug als de vorm zijn

ook de karakters van het verhaal. Wij krijgen den zedelijken indruk van

een wilde eenzaamheid. De dichter brengt in zijn tragedie het leven tot

den rand van den afgrond,--den dood in verlatenheid.

De klagende stem is den nacht ingegaan.

* * * * *

Ik moet hier melding maken van een gedicht dat tot de lievelingsverzen

van den dichter behoorde. Het heet _De mijnwerker_[42], en het trotseert

den dag. Want wat de mijnwerker wil, als de dichter, in de diepte de

oplossing der raadsels zoeken die de natuur aan de menschheid opgeeft.

Hij keert zich af van het licht, omdat het zijn oogen verblindt met een

bedriegelijke klaarheid, en hij wil de schatten zien in de geheime kamer

van de aarde opgeborgen, hij wil de levenswetten naspeuren, daar waar ze

bloot liggen, aan de wortels van het bestaan.... Maar geen straal

schijnt nog in den afgrond om hem te toonen dat hij op 't goede pad is:

de hoop verzwakt, het vertrouwen daalt. Geen nood: in het donker is

vrede en rust. Hij blijft het houweel hanteeren; en 't gaat, hamerslag

op hamerslag, de diepte in aan den boezem der Natuur.

Het is het hart van den dichter dat zich met geweld aandrukt, dat klopt

tegen het hart van den Nacht, hamerslag op hamerslag, met felle

hamerslagen.

En wij worden gedachtig aan dien Henrik Steffens[43] die op den overgang

van 18e tot 19e eeuw uit het Noorden naar Duitschland toog, om daar zich

in de nieuwe wijsheid te laten inwijden. Want Steffens, een dichter

slechts in verlangen, was in werkelijkheid met zijn gedachten den weg

opgegaan van Ibsen's poëtische verbeelding. Hij had in de diepe

aardlagen den sleutel van het leven gezocht en er de oorspronkelijke

levenswet gevonden. Ibsen trad met zijn fantasie in 't spoor van den

enthousiasten onderzoeker, en zijn gevoel voor mysterie was een

terugslag der natuurmystiek van een halve eeuw geleden.

Met dit onderscheid echter, dat Steffens in zijn jeugd het licht en de

verruiming genoot, en steunend op de machtige beweging van zijn tijd,

zijn persoonlijkheid kon opbouwen,--terwijl Ibsen moeilijk de steile

duisternis moest doorworstelen. Maar hij groeide in talent en in

vastheid van greep op het leven. Hij dichtte zijn _Comedie der Liefde_

(1862), hij schreef zijn Koningsdrama, de _Kroonpretendenten_ (1863).

De _Kroonpretendenten_ waren voor den Noorschen dichter wat

Oehlenschläger's Aladdin en Nureddin, het Arabische tooververhaal van

het gelukskind en den ongeluksvogel, voor den Deenschen dichter zijn

geweest. Ibsen heeft den strijd in zijn hart tusschen zijn wil en zijn

peinzende onmacht in twee historische gestalten, twee tegenbeelden,

dramatisch geprojecteerd, en 't is door het scherp contrast van licht en

donker, een historie van leven geworden, ten minste voor zoover hij die

reeds geven kon.

In de _Comedie der Liefde_ trad de dichter eindelijk, buiten het gebied

der sage en der historie, het gewone dagelijksche leven in. Hij

sprak,--op het tooneel altijd,--midden tusschen de toehoorders en de

menschen op het toneel,--van zijn hart tot zijn hart. Het de _comedie_

van het ideale streven, dat door liefde bewust wordt van zichzelf,--de

_comedie_ van het ideaal, omdat het zich eenzaam voelt en moet gevoelen,

in zijn tegenstelling tegen een wereld, die niet anders dan het gewone

wil erkennen en kent.

Schaduwen hangen er, zoowel over het historisch drama als over het

burgerlijk tooneelspel. Nog maken zich de personen en de

persoonlijkheden niet geheel los uit de lijst der gebeurtenissen en

gebeurlijkheden; maar zij spreken niet langer met gedrukte stem. Het

geluid heeft zich in de borst van den dichter ontbonden en ontwonden,

ook al hooren wij nog niet den vollen klank, alleen den weerklank.

't Is als het kloppen van het hamerend hart in den mijngang, uit de

verte vernomen.

De dichter was namelijk wel niet langer onzeker van zijn weg, maar hij

ging hem alleen[44]. Niemand heeft zijn verlatenheid zoo moeten gevoelen

als die trotsche schuwe geest. Hij had zijn gaaf vermeesterd, zijn

rijkdom zag hij vóór zich--in de diepte. Zou hij dien schat ooit aan het

licht kunnen brengen? De wereld was tegen hem, daar in het Noorden[45],

en hij had niets daartegenover dan zijn genie, dat door de wereld--daar

in het Noorden--niet meer geacht werd dan het poover talent van een

vlakken, handigen teekenaar.

Hij bleef nog in schemering.

"De dood! ik ken nog erger dan den dood--het is het grauwe schemeren,"[46]

zegt Jatgeir, de skalde in Ibsen's _Kroonpretendenten_.

* * * * *

[Illustratie: Ibsen's echtgenoote Suzanna Ibsen.]

Daar naderde het jaar 1864, de inleiding tot de grootheid van

Duitschland en de vernedering van het Scandinavische Noorden. Een

oogenblik had een straal van grootsche verwachting den geest van den

dichter verhelderd, hij had gehoopt op een krachtige samenwerking der

drie broedervolken. Maar het kwam anders uit. Ook dit was een _comedie_

der liefde; zij had tot besluit een vereenzaming. Maar het was een

alleenstaan zonder ideaal. Het ideaal nam de dichter met zich mede, toen

hij mismoedig afscheid nam van zijn geboortegrond, en troosteloos door

het triumfeerende Duitschland heentrok naar het Zuiden.

Hij had zijn vaderland verloren; hij herwon, hij herschiep het in zijn

hart, onder de zon van Italië. In Rome, te midden der atmosfeer van een

groote, eeuwige wereld schudde Ibsen de wolken en schaduwen van zijn

geest weg. Zijn ziel nam haar sprong. Hoe krachtig zwaaide hij den

hamer! En uit het doodsche, grijze blok van zijn herinnering en zijn

wrok, van zijn liefde en zijn norschen wil, beeldde hij de gestalten van

Brand en van Peer Gynt te voorschijn!--_Brand_ (1865), de stoere,

sombere held en martelaar van het ideaal, _Peer Gynt_ (1867), de

zorgelooze deugniet, wien de fortuin toch niet anders kan doen dan

toelachen.

Hier zijn ze nu, maar ieder op zijn eigen grondstuk en levend voor

zichzelf, de Nureddin en Aladdin van de tooversprook, maar

getransformeerd, bijna onherkenbaar, tot nationale typen, en gedragen

en vervuld door de eigen passie, en door het eigen leed en de eigen

fantasie van hun dichter. Hoe is zijn kracht gestegen, hoe is niet

alleen zijn stem maar ook zijn verbeelding losgekomen in deze twee

scheppingen van de ochtendschemering!--De eene schepping rauw als de

morgen en kloek als het morgenbesluit tot hardnekkigen arbeid, de andere

speelsch en steelsch als de dartele dageraad, overmoedig vertrouwend in

de bedriegelijke hoop van het jonge licht!

* * * * *

Wijder strekten intusschen zijn gedachten[47]. Rome had het hem

aangedaan. Hij wilde eeuwigheid opnemen in zijn geest. Het onderwerp van

Julianus den Afvallige lokte hem aan, den keizer die op de samenkomst

van twee wereldwegen stond, Keizermacht en Christendom:--hier, de oude

wereld door het Romeinsche Keizerrijk tot een eenheid gebracht en

gevormd; daar, de nieuwe Christelijke wereld, haar eenheid zoekend in

een beginsel hooger dan de menschengemeenschap;--den keizer die, als in

morgenschemering gehuld, het matte oog gericht hield op een nevelige

toekomst waarin het hoogere beginsel, met de menschenwereld verzoend,

een nieuweren vorm van beschaving en gemeenschap zou vestigen.

De tijd werkte aan de conceptie van den dichter mee[48], en moest

daaraan meewerken. Want de geest van Ibsen had distantie noodig[49]. En

't is al opmerkelijk, dat de dichter pas voor goed aan den dramatischen

arbeid voor zijn keizersthema kon beginnen, toen hij Rome verlaten had

en in Duitschland zijn woonplaats had opgeslagen, zoo was het niet

minder van gewicht voor hem, dat hij ook nog de ervaring kreeg van het

groot gebeuren tusschen de jaren 1864 en 1871[50]. Die ondervinding

bevrijdde eerst zijn geest volledig: de neêrgang van het Fransche

Keizerrijk, de opkomst en het snel vergaan der Commune van Parijs, de

jonge macht van het Duitsche Rijk,--dat alles gaf zijn blik eerst de

energie om in de verte te zien.

Hij keek niet langer in een benepen omgeving, noch van menschen, noch

van eigen hart. Neen, hij doorbrak met den zwaai van zijn hamer den

nauwe mijngangen van piëtisch zondegevoel en berouwvolle verslagenheid,

hij verruimde zijn ziel; en hij ging iets begrijpen, buiten den

benauwden kring om van zijn persoonlijkheid, buiten den beperkenden

cirkel van het oogenblik om,--iets begrijpen van het wereldgebeuren, hoe

daar machten waren die ondergingen en die toch de toekomst voor zich

hadden, maar die toekomst niet konden verkrijgen, wanneer zij niet op

hun tijd en voor een tijd waren ondergegaan.... Het lot zwaaide den

hamer hard, maar het hamerde vast.

Er kwam, gelijk ik heb gezegd, iets van eeuwigheidsgevoel in Ibsen's

geest. De jonge Wergeland had, in het jaar van 's dichters geboorte, het

idee opgevat om het boek van de bestemming der menschheid in geniale

verzen te vertolken, en zijn dichtsel was een luchtverheveling gebleven;

nu, na meer dan veertig jaren, zette Ibsen zich aan het werk, en hij kon

zijn gedicht met trots een "werelddrama" noemen. Zijn periode van

"Noorschheid" was voorbij.

* * * * *

Op die wijs, door eigen stoeren en pijnlijk geduldigen arbeid, verwierf

hij zich zijn aandeel in de groote Europeesche beschaving: aan de

anderen, aan een Meredith en een Taine, was zij van nature gekomen door

hun gestadige aanraking met een wereldcentrum: voor Ibsen was zij een

veroverd en wel gewonnen gebied.

Welk was het voornaamste kenmerk van de moderne geestesstemming?

Zij rustte op het wetenschappelijk geloof aan het determinisme--het

voorbeeld van Taine heeft het getoond[51]. En hoe hard het denkbeeld der

onverbiddelijke wet ook moge schijnen, Ibsen koos dat geloof tot het

zijne met gelatenheid, ja misschien met vreugde.

Hij nam ze op in het bloed van zijn brein, de verzekerdheid en

gedetermineerdheid van den gang van het leven. De vaste bepaaldheid van

het bestaan gaf houding en bevrijding aan zijn geest. Het was een

wijsheid gegrond op de granietlaag van de aarde.

Ibsen's tragedie van Julianus den Afvallige beweegt zich in de atmosfeer

van het determinisme. Dat geeft eenheid, en vooral ook eenheid van

horizon, aan het noodzakelijk wijd uiteenloopende verhaal van het

historisch drama. En door het toevallige van de gebeurtenissen weg te

nemen, heeft de dichter het tooneelspel, dat in de oudheid speelt,

tegelijk een beteekenis gegeven voor zijn eigen tijd.

Wanneer men het gedicht zou moeten noemen dat het best de Europeesche

jaren van het tweede Keizerrijk weerspiegelt--die jaren met een

grootheid tusschen schijn en werkelijkheid in, half verraderlijk

illusoir en half idealistisch, de jaren van Napoleon III,--dan zou men

misschien het best doen om Victor Hugo en de overige dichters van het

tijdvak minder te tellen, en vooreerst te wijzen op den Julianus van

Ibsen, zijn _Keizer en Galilaeër_.

Niet, dat het aan alle eischen voldoet. Ibsen zelf kon met het werk dat

hij zijn hoofdwerk heette, niet tevreden zijn. Iets ongelijks heeft het

en iets onvoldragens. Het is alsof de omvang der tragedie haarzelf in

den weg is geweest....

* * * * *

Zij was onvoldragen, omdat de tijd veranderde. Toen het drama van

Julianus den Afvallige in het licht verscheen (1873), was er reeds een

ander aanschijn over de dingen gekomen. Voor den dichter werd het een

gesloten tijdvak; aan den eenen kant staat er zijn tragedie _Catilina_

en aan den tegenovergestelden kant staat _Keizer en Galilaeër_, ieder

van beiden een teeken hoe ver zijn eerzucht reikte. Maar hij schreef

voortaan geen "werelddrama's" meer.

Want de wereld was voor den dichter kleiner geworden.

Dat lag aan hemzelf, nu hij zijn hoog standpunt innam en zijn talent

gerijpt en gedegen in zich droeg; maar dat lag ook aan de wereld, daar

in werkelijkheid veel grootheid of schijn van grootheid van haar was

weggegaan.

Ibsen's gedachten keerden weer naar huis, zooals men naar den

moedergrond terugverlangt, bij een teleurstelling. En van dezen tijd af,

bleef hij met zijn verbeelding bij het geboorteland.

Ik weet niet of iemand die dien tijd niet heeft meebeleefd, zich een

voorstelling kan maken van het gevoel hoe de wereld toen minder werd,

of liever hoe zij minder helder in haar groote verhoudingen voor het oog

lag. Er was teruggang. Dat zelfde determinisme dat een man als Ibsen

groot en wijd had leeren zien, werd door de kunst van de komende periode

op de détails van het leven toegepast, en het leven werd een object van

waarneming voor den kunstenaar. Men constateerde verval; en men

behandelde het leven grof en klein.

Was het niet een periode als tusschen licht en donker? Er ging al wel

een eerste nieuwe beweging en een geheime trilling over de aarde, maar

het geschiedde onder een lichtlooze, rauwe lucht.

* * * * *

Ibsen zag zijn land aan met den blik van een vreemdeling. Het lag op een

afstand. Hij voelde zich geen burger van Noorwegen. Kon hij, die voor

zich den rang veroverd had van lid der Europeesche samenleving, nog

langer wezen een staatsburger?--Maar hij had behoefte met de

maatschappij van het Noorden mee te leven.--Kon hij er zich anders

gedragen dan als satiricus?

Ibsen als een man van het "tusschen donker en licht", een onzekere, een

vrager, een twijfelaar, was een geboren satirist. Hij is begonnen met

satirische kluchten te schrijven, evenals Wergeland zijn "farcen" in de

wereld heeft gestuurd, evenals in iedere opkomende beschaving de man van

vernuft zich lucht verschaft door te hekelen. Midden onder zijn groote

werk[52] aan Brand, Peer Gynt en Julianus den Afvallige, had de dichter

een politieke comedie geschreven, het _Verbond der Jeugd_ (1869), en

reeds vroeger--wat kan men de _Comedie der Liefde_, als geheel genomen,

anders noemen dan een satire? Maar dit alles moet men toch alleen

aanzien voor een aanleiding en een inleiding[53]. De comedie van Ibsen

in zijn tweede groote periode is satire van een verschillend gehalte.

* * * * *

Ik heb ergens gelezen van een gesprek tusschen een Parijzenaar en een

bezoeker van Parijs uit een van de kleinere naties. Spoedig gaf de

Parijzenaar een woord ten beste over volken die geen geschiedenis

hebben.--"Maar wij hebben een geschiedenis, en wel een zeer

belangrijke...." viel hem de bezoeker in de rede.--"Ik heb er nooit

iets van gemerkt," zei de ander droogweg.

* * * * *

En dit is het eerste wat Ibsen's satire en comedie heeft vermocht:

voorheen kon men het bestaan van een samenleving in Noorwegen alleen

vermoeden; de dichter heeft haar tot een werkelijkheid gemaakt waarvan

men in Europa "merkte".

Hij heeft de burgermaatschappij van zijn vaderland getoetst aan het

grootere leven dat hij voor zichzelf had verworven, en hij haalde uit

die maatschappij de echte qualiteit van zielen-essentie welke zij in

zich borg. Daartoe sloeg hij lustig met zijn hamer, en hij perste en

kwelde zijn menschen tot dat ze waardig waren uit hun beklemming te

ontsnappen naar de ruimte, naar de vrijheid, naar het grooter leven.

Hoe heeft hij de arme Nora van het _Poppenhuis_--want ik spreek hier

niet van de _Steunpilaren der Maatschappij_ (1877), waar het echte leven

nog wat boven op ligt,--hoe heeft hij die arme Nora tot vertwijfeling

gebracht, door haar alle illusies over zichzelf en haar edelste daden en

haar hoogste liefdesverwachting te ontnemen en te ontscheuren! Hoe heeft

hij haar geprangd en benauwd met schuldgevoel en gewetensangst, om haar

dan uit te stooten in het donker van het leven!

En nog verpletterender, nog grievender, nog dieper tot in diepste

diepten van het moederhart komen de hamerslagen neer op de echtgenoote

en moeder die het middelpunt is van Ibsen's drama _Spoken_. Hier vallen

geen illusies te bestrijden, maar het zijn spoken die het vreedzame huis

der zorgzame, verstandig goede weduwvrouwe belegeren en insluiten. Zij

rijzen op al dreigender en dreigender tot het verschrikkingsmoment van

het slot, wanneer ze haar het vergift in de hand duwen om haar

moordenaarster te maken van haar eenig kind!

Die vrouwen heeft de dichter gebruikt, om aan haar de waarheid van het

leven hunner omgeving te beproeven;--de eene een zorgeloos-zorgend,

bewegelijk zonnekind, met een kern van innige harte-goedheid: zij was

een "dochter der natuur"; de andere is de overlegd-zorgende huisvrouw,

met een hart dat, bij al zijn behoefte aan licht, nooit vreugde heeft

gekend: zij heeft in de schaduw van het leven gestaan. En wanneer Nora,

bevrijd, het onbekende donkere leven intreedt, zal het duister van haar

pad wijken,--maar, vrouwe Alving, de heroïne van het drama _Spoken_,

gaat door den ijzigen nacht, en de schimmen van den Nacht geven haar het

geleide.

Vereenzaming--dat is het nijpend-pakkend gevoel waarop de satirische

tooneelspelen van Ibsen uitloopen; eenzaamheid tegenover de wereld,

eenzaamheid ook tegenover het eigen hart zijn daarin de uitsluitende

voorwaarde om te zijn wat men moet zijn, om te hebben, wat onze

menschen-aanleg zegt dat wij moeten hebben: een eigen persoonlijkheid.

De drama's van Ibsen staan in bitter geweldige oppositie tegen de

maatschappij; de samenleving, zoo zeggen zij, door haar conventies, door

haar wetten, door haar ziekten--want zij heeft haar ziekten en haar

besmetting--verdrukt en verwringt het hoogste bezit van de menschheid,

en de individualiteit is alleen te redden in ballingschap, in de

vrijheid der vereenzaming.

* * * * *

[Illustratie: Brief van Ibsen aan Georg Brandes.]

Thans naderen wij de levenskern der gedachte van den dichter.

Persoonlijkheid is voor hem geen toeval: men kan niet anders zijn dan

men is, en men moet zijn wie men is. Ibsen was determinist, gelijk ik

heb uitgelegd. Vrijheid bestaat voor hem in het wezenlijk zijn, niet in

het anders zijn als de aard meebrengt, en er is een gedetermineerdheid

van het individu. Zijn ballingschap, zijn vereenzaming, beteekent dat

het de kracht geeft om de atmosfeer en den grond te zoeken waarin het

kan aarden.

Welke is de elementairen macht: het individu of de gemeenschap door den

staat gesteund?--Ibsen, met zijn gemis van "het talent om staatsburger

te wezen", plaatst, in dezen tijd van triomfeerende staatkunde, het

volle gewicht in de schaal van het individu. Gedetermineerdheid

tegenover gedetermineerdheid,--het individu gaat hem voor; die van staat

en maatschappij is maar quasi.

En dit is het groote leven in Ibsen's satirische drama's, dit gaf hun

dadelijk hun plaats in de Europeesche letterkunde, dat zij door hun

strengen bouw, door hun klemmende logica van gevoel, de gebeurtenissen

der kleine Noorsche maatschappij verhieven tot een typisch voorval van

het menschenleven, zonder daaraan karakter of kleur te ontnemen. Toen

Nora er eenmaal was, kon men zich den tijd niet voorstellen dat zij er

niet was geweest. Zij had noodzakelijkheid.

Maar het groote van die comedies heb ik nog niet genoemd. Zij hebben een

voorgrond, waarop het verwarrend verdriet en de burleske brutaliteit

zich breed uitspreiden;--maar zij hebben ook een achtergrond van

aangehouden zwijgen, een diep verschiet van schemering met een heel

flauwen, grauwen morgenstraal.

In _Brand_ en _Peer Gynt_ klaagt en treurt een nevenstem; in _Nora_ en

_Spoken_ hoort men haar eveneens, ofschoon ze bijna altoos zwijgt, ja,

zwijgend wacht om te spreken.

* * * * *

_Nora_ is van 1879, _Spoken_ van 1881, de _Volksvijand_ die zich bij de

vorigen aansluit, van 1882. Het is de tijd der Europeesche satire in

grooten stijl. Ibsen ging het scherpst vooraan.

* * * * *

Hij wist wat hij deed. Want daarin is hij een recht kind van den Nacht,

berekenend en kennend als de Nacht, dat hij zijn talent soms geheel in

handen overlaat van zijn logisch verstand. Toen in 1885 de politieke

strijd beslist was en het Noorsche volk mondigheid en zelfstandigheid

had verkregen, zeide Ibsen zelfbewust[54]: "Ja, het land is minder

bekrompen; men zou er zich nu wel kunnen roeren.... De politici zullen

dat aan hùn inspanning toeschrijven en zich alle eer van de overwinning

geven, maar wij zijn het, wij dichters, die haar voorbereid hebben en

den strijd hebben ontbonden. Zonder ons was er noch strijd geweest, noch

zege".

In de jaren 1884 en '85 is de ombuiging. Mag ik zoo noemen, dan slaat

Europa, en slaat Noorwegen, een hoek om. Het uitzicht verwijdt zich;

een andere periode vangt aan. En zie eens wat uiterste gevoeligheid de

richting en de breed uitgebreide vleugeldrift van Ibsen's genius

bestuurt!--hij volvoert de wending mede. Op eenmaal zwenkte hij in zijn

scherpe vaart.

Dramatische werken · 第 2 / 30 段