Wij denken ons 'n tien- of vijftiental jaren verder dan het

Produced by Marc D'Hooghe.

HENRIK IBSEN

DRAMATISCHE WERKEN

VERTAALD NAAR DE OORSPRONKELIJKE NOORSCHE UITGAVE

DOOR J. CLANT VAN DER MIJLL-PIEPERS

& MET EENE INLEIDING VAN Dr. W.G.C. BIJVANCK

* * * * *

INHOUD

INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK

STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ

NORA (EEN POPPENHUIS)

SPOKEN

EEN VIJAND DES VOLKS

* * * * *

[Illustratie: HENRIK IBSEN. Naar het schilderij van E. WERENSKJÖLD (1895)]

INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK

* * * * *

I.

DE TIJD, HET WERK EN DE MAN.

Toen, in 1828, Henrik Ibsen ter wereld kwam, koos hij het juiste

oogenblik van geboorte voor zijn roeping als "staats- en

samenlevings-satyricus"[1] der 19e eeuw.

Wie an dem Tag, der Dich der Welt verliehen,

Die Sonne stand zum Grusse der Planeten,

Bist alsobald und fort und fort gediehen

Nach dem Gesetz, wonach Du angetreten.

So musst Du sein, Dir kannst Du nicht entfliehen....[2]

De stand der lichten aan den hemel, bij het eerste begroeten van het

levenslicht, bepaalt ons lot en onze bestemming,--zoo spreekt de

dichter-profeet, en er is zeker aan elk der menschenkinderen een weg van

ontwikkeling voorgeschreven en gezet van de vroegste kindsheid af, maar

of die baan uit de sterren valt af te lezen?--wij willen den dichter

gelooven, wanneer hij het zegt, en toch liever wat nader bij den grond

uitzien om onze overtuiging de rechte verzekerdheid te geven.

* * * * *

Heeft Ibsen's geboortejaar, het jaar 1828, als ik het noem en voor mijn

verbeelding opstel, niet zijn eigen min of meer expressieve physionomie?

Het is een grensjaar. De wereld, ondanks de doorstane Revolutie, ligt

dan nog in banden. Wat oud is en vervallen en niet meer mocht bestaan,

overheerscht nog schijnbaar. Maar dat oude is al hol en verbrokkeld,

zijn tijd is voorbij, en een gevoel van vernieuwing herleeft; ja

zachtjes begint de wind reeds te blazen die de belofte van het nieuwe

brengt....

Laat mij, om de beteekenis aan te toonen van het jaar 1828, als

uitgangspunt voor den dichter, een overzicht nemen over de afgeloopen

eeuw.

* * * * *

Het hoofdmoment van de 19e eeuw is de Revolutie die haar inleidt, de

groote Omwenteling. Men denkt daarbij het eerst aan Frankrijk, aan een

staatsorde die werd omgekeerd, aan staatsgrenzen die werden gewijzigd en

opgeheven; maar het was niet uitsluitend een politieke gebeurtenis; zij

had ruimer gebied in Europa, zij greep den geheelen mensch aan en zij

hervormde menschengeest en menschengevoel.

Wat men noemt de revolutionaire beweging of de hervorming van het eind

der 18e eeuw, dat heeft de dingen der wereld verplaatst en in een ander

licht gesteld: de menschen naderden tot elkander over de afscheiding van

hun stand en volksaard, de dingen verlieten hun vakken en indeelingen,

alles werd bezield door een geest van eenheid en verwantschap. Een nieuw

leven komt over het aangezicht van de aarde. Men staat anders dan

voorheen tegenover de natuur en tegenover zijn medemensch, tegenover

zijn verleden en zijn toekomst. Eenheid is het wachtwoord, en het is

alsof nu eerst de menschheid bezit gaat nemen van de wereld door haar

medegevoel.

Men leerde toen den band onderscheiden en begrijpen die alle kennis en

wetenschap verbindt, onderling en met den geest zelf van den mensch;

en de doode massa van feiten en waarnemingen verrees daardoor tot een

opstanding. Het was een albezieling. De menschen vonden zich op eenmaal

terug, rijker, machtiger, grooter. Nieuwe krachten werden in hen

ontbonden. Verbeelding, inzicht, energie van denken groeiden aan[3].

Het was een nieuwe spanning der vermogens....

Wanneer men zich de laatste jaren der 18e en nog de allereerste jaren

der 19e eeuw voorstelt, moet men dien krachtigen, alles meeslependen

adem van het nieuwe geestesleven voelen heengaan over de wereld.

* * * * *

Het Scandinavische Noorden deelde eerst laat in de beweging. Hendrik

Steffens[4], een man uit Noorwegen maar van Nederduitsch bloed, ging

naar Duitschland om zijn ziel in de atmosfeer van groote ideeën te

bevrijden van haar druk. Hem had in zijn engte en eenzaamheid het

heimwee overvallen naar een vereeniging met "de volle" menschheid en

natuur, en het was geweest als de drang van een behoefte aan godsdienst;

maar zijn heftige, wilde aard liet hem geen rust voordat hij zich had

doorgekampt tot zijn bestemming.

Hoe gevoelt men aan het voorbeeld van den jongen Steffens, met wat voor

macht de trillingen van de grootere wereld zich langs onbekende wegen

voortplantten in de uithoeken van Europa! De staatkundige gebeurtenissen

van het eind der 18e eeuw gaven maar een stoot en een opwekking;--men

mag hun invloed niet over 't hoofd zien, evenmin als Steffens zelf

vergat met wat voor opwinding zijn vader thuis kwam op een dag--hij was

toen, in 1789, zestien jaar--en aan de kinderen vertelde van den val der

Bastille en het aanbreken van een nieuwen grooten tijd van vrijheid en

geluk[5].

"Het waren wonderbare dagen," zegt Steffens in zijn herinneringen,

"... het eerste oogenblik van geestdrift ... heeft iets reins en heiligs

gehad om nooit te vergeten." Maar het dwepende verlangen dat hem dreef

tot de natuur "in haar gansche volheid," zooals hij het uitdrukt, lag op

den grond van zijn hart; dat heimwee naar zielsbevrijding drong en

prikkelde den jongeling met onstuimiger kracht dan de voorbijgaande roes

van indrukwekkende gebeurtenissen. Hij moest de wijde wereld in om met

eigen oogen te zien wat de nieuwe tijd aan nieuwe menschen en nieuwe

ideeën deed opbloeien, hij moest zijn geest laven aan de bron van het

geestesleven in Duitschland: de wijsgeeren, de dichters, de mannen der

wetenschap moest hij kennen, en uit hun mond, door hun omgang moest hij

het wezen der nieuwe ideeën direct opnemen in zijn hart, als het

beginsel van een "voller" leven.

* * * * *

Toen hij--het was in het voorjaar 1802--uit Duitschland naar Kopenhagen

terugkwam, met het plan om voorlezingen te houden over zijn geestelijke

ondervinding, vond Steffens in Denemarkens hoofdstad onder zijn

enthousiaste hoorders, den dichter, den man geroepen om een levende

gestalte te geven aan zijn denkbeelden. "Ik gaf hem aan zichzelf," zegt

Steffens van zijn eerste kennismaking met Adam Oehlenschläger, "hij werd

zich bewust van zijn rijkdom, en ik schrikte bijna van de onstuimigheid

waarmede die jonge frissche bron mij tegemoet stroomde."[6]

Het verhaal is bekend hoe die weeke, voor alle indrukken vatbare en toch

hartstochtelijke trotsche geest van Oehlenschläger het bezielende woord

van zijn ouderen tijdgenoot aannam en dadelijk in zijn poëzie liet

weerklinken,--veel te bekend om het hier nog eens te geven. Maar ik kan

toch niet zonder even een vermelding dat tafereel voorbijgaan van

opbruisende geestdrift, waar de jonge dichter, eerst ik weet niet door

welk vooroordeel weerhouden, bij Steffens aarzelend een bezoek brengt,

om met hem te blijven spreken, wandelen, etend, rustend, van elf uur 's

morgens tot drie uur in den nacht, dan thuiskomt en een gedicht schrijft

voor zijn vriend tot bewijs voor zijn dichterschap, voor zijn pasgeboren

"volle" dichterschap.

Daar raakt ons de ademtocht van den tijd onmiddellijk aan. Het krachtige

leven ontspruit dadelijk en natuurlijk. Het vindt zijn terugslag in de

gedachten. "Zoon van de Natuur," zoo karakteriseert Oehlenschläger den

held van zijn poëtische vertelling "Aladdin of de wonderlamp." Aladdin's

genie is geluk. Het geluk komt tot hem zonder gezocht te worden, als tot

het voorwerp van zijn liefde.

Tegenover Aladdin stelt de dichter Nureddin, den zorger en zwoeger, den

nachtwroeter en peinzer, gelijk hij het menschentype noemt, dat de

fortuin den rug toekeert.

Oehlenschläger en het tijdstip dat hem dichter zag worden, stonden aan

den zonnekant. De genialiteit van de jeugd drong toen het sombere,

bleeke nadenken en zich bezinnen terug naar de schaduwen van den

nacht[7]. Want het waren toch nog iets meer den twee poëtische typen,

Aladdin en Nureddin,--het zijn twee soorten van karakters in de

menschenwereld: de levensvolle, de toegrijper, de improvisator van geluk

en de twijfelaar, de peinzer, de levensloochenaar[8]. Hun contrast

openbaart en teekent zich niet slechts in de poëzie, maar ook in de

opvolgende tijdvakken en in de groote mannen van het Scandinavische

Noorden. Oehlenschläger heeft door zijn voorstelling die typen aan de

menschen van het Noorden getoond. Ja, men kan misschien zeggen dat hij

buitendien en in 't algemeen een vorm gaf aan de elementen, waaruit de

nieuwe letter- en levenskunde van het Noorden zich begon op te bouwen.

Dat alles was weliswaar door hem nog niet in vaste, scherpe lijnen

getrokken, en de samenhang der karakters was dikwijls oppervlakkig en

onbepaald:--voor de toekomst viel nog iets te doen:--maar hij beproefde

het ten minste om de heele wereld in zijn werk af te spiegelen en zich

te doen bewegen. Hij hield het oog op het geheel....[9]

* * * * *

Een tien- of twaalftal jaren na Oehlenschläger's opgang keerde de

stemming zich om. De troostelooze en magere jaren kwamen aan. Het was

bij Napoleon's val, toen de nieuwe denkbeelden, na nog een opbruising,

hun krachten hadden verspild, toen de mannen van het Heilig Verbond zich

gereed maakten om onder den schijn van het Heilige de oude rechten weder

te doen gelden....

Men kent de gewoonte der dichters van het Noorden om hun helden op de

beslissende momenten van hun leven een hoogte te doen beklimmen tot het

houden van een alleenspraak in de eenzaamheid van den natuur. Nu gaat

het landschap waarop zij zelf en hun helden uitzien, zich verduisteren;

wolkgevaarten legeren zich daarover, en het gezicht van de hoogte is op

teleurstelling en smart.

"Ik stond eenmaal," zoo leest men in een brief van het jaar 1814[10],

die als een karakteristiek van den tijd beschouwd moet worden,--"ik

stond eenmaal op een hoogen berg en keek rond in een heerlijke

streek.... En de oneindige zegen en de oneindige liefde vervulden mijn

hart door hun machtige nabijheid.... Die tijden zijn voorbij en het

leven is me een enge gevangenis geworden, de natuur een kille

regen-Novemberdag. Dikwijls bekroop mij het verlangen weer op dien

hoogen berg te stijgen en het uitzicht te hebben op de oneindige wereld.

Maar tevergeefs wachtte ik op den goddelijken geest en de onzegbaar

heerlijke nabijheid; en klagende ging ik van de hoogte af, bitter

weenende"....

* * * * *

Zoo scherp was de val. De vrije geest, en de scheppende verbeelding

moesten bukken onder het wicht van den tijd.

Ze lag heel zwaar op de menschheid, de Restauratie, de Herstelling van

het verledene;--ze onderdrukte en ze weerhield.

Welke kiemen van groei konden ook wel die jaren aan Europa verschaffen?

Wat vermochten ze aan de menschheid te schenken, de vorstencongressen en

vorstendecreten waarmede de wereld toen werd bestuurd? Een voorwendsel

van nà- en overleven voor wat verouderd was en vermolmd!

Niets meer.

* * * * *

Wij wenden ons tot Noorwegen, want daar is vooreerst onze standplaats[11].

Ook voor Noorwegen had nog even het licht opgeblonken te midden der

volkenverwarring.

Het jaar 1814 gaf aan het land de vrijheid en een grondwet: vrijheid

tegenover de Deensche monarchie waarvan Noorwegen tot dien tijd deel had

uitgemaakt,--en door zijn grondwet van 17 Mei zelfstandigheid tegenover

Zweden waarmee het onder een zelfden koning kwam.

Maar Noorwegen was verarmd en uitgedoofd. De inspanning om zijn grondwet

te verkrijgen had de laatste krachten verbruikt.

Zoo scheen het. En voordeel van de constitutie had men niet. Niet

dadelijk ten minste. Wat in de toekomst lag kon niemand voorzien.

Op 't oogenblik toonde de boerenstand, de kern der bevolking, zich

onverschillig. Gehecht aan hun oude overleveringen, waren de boeren van

de nieuwe vrijheid niet gediend, ja zij gedroegen zich tegenover haar

zelfs vijandig. Gevolg van hun armoede en hun geestesarmoede. Maar de

bureaucratie, de kring van regeeringsambtenaren, nam het bestuur in

handen, en zij kon zelfs het woord van vrijheid niet verdragen, evenmin

als den naam der constitutie, uitvloeisel van den revolutionairen geest

uit het begin der eeuw.

Zoo was er nergens van vrijheid sprake of 't moest zijn van de overoude,

eeuwengeheiligde Noorsche vrijheid om de dingen te laten gaan, zooals

zij wilden....[12]

Diep onder het oppervlak welde en woelde er toch iets in den geest van

die menschen.

* * * * *

[Illustratie: Ibsen's geboortehuis te Skien (het huis rechts, tegenover

de Kerk)]

Een Noorman heeft een ingeschapen trots. Hij zal niet licht het

denkbeeld loslaten van een grootsche bestemming voor zich en voor zijn

volk. Maar de natie zelf, in haar teruggedrongen, armelijk bestaan,

miste persoonlijkheid. En daar kwam het in de eerste plaats op aan. Wat

in dien tijd aan Noorwegen, zoowel als aan de andere kleine volkeren van

Europa ontbrak, dat was een energiek nationaal karakter, een krachtige

physionomie. Het leek wel of de stormen der oorlogs- en geestesberoering

van de Revolutie de trekken van het gezicht hadden weggevaagd. Of paste

de oude verbleekte gelaatsuitdrukking niet meer bij het scherper licht

der nieuwe vrijheid?...

Binnen het verloop van weinig jaren kwam er dan meer voortgang in de

zaken van het land. Het was zoo nog geen welvaart, dan toch een voorbode

van welvaart. Sinds 1825[13] kan men een groei der bevolking waarnemen.

En daarmee gepaard gaat een ontwikkeling. Het volkskarakter, zwijgend

nog, maakt zich gereed tot spreken en uitspreken, de trekken worden meer

gemarkeerd, en bij de nadering van het jaar 1830 neemt de spanning toe.

Dat alles uitte zich nog op studentenmanier, woelig en roezig, bij

feesten ter gelegenheid van de constitutieviering: men wilde de overheid

trotseeren. Toch in alle geval kwam er toon en kracht in de menschen en

de dingen.

"Een taak[14] zoo onmetelijk groot, dat Miltons werk in vergelijking

daarmee eenvoudig schijnt, heeft me bezig gehouden en zal me nog maanden

bezighouden ook," schreef in 1828 een student van twintig jaren aan zijn

geliefde. "Het gedicht heet "Hemel en Aarde"--."[15] Is het niet alsof

men een van de jonge Titanen hoort, op het punt om 't luchtruim te

bestormen?

* * * * *

En zoo stormt hij ook die stille geschiedenis van Noorwegen binnen, de

onbesuisde dichter en patriot, Henrik Wergeland. Hij brengt tocht en

hartstocht met zich mee, de jongeling wien de wilde haren om het naïef

geestdriftige gezicht zwieren.

Ik weet niet of er nog menschen gevonden worden die het "hemel en aarde"

gedicht met voldoening kunnen lezen;--het werd in 't voorjaar van 1830

voltooid en met een opdracht aan Henrik Steffens in de wereld

gezonden,--zoo vormloos zweeft het reuzenpoëem door ijle sferen van

hemel en aarde, zoo stapelen zich beelden en gedachten op om te

bemachtigen wat zij toch niet kunnen bereiken, zoo heerscht er een volte

en overvolte in het werk, en ze kan toch niet de leegte en de magerheid

der heele gestaltenis bedekken. Maar er is gang in de holle grootsche

uiting van den theologischen student. Hij heeft een ideaal, en hij

verpandt er zijn leven aan. Het "hemel-en-aarde"-gedicht stelt een datum

voor in de geschiedenis, en een opening en een toegang tot nieuwe

geschiedenis.

* * * * *

Wergeland was de zoon van een der mannen aan wie het land de constitutie

van het jaar 1814 was verschuldigd; hij leefde eenige jaren in het

stadje Eidsvold, waarna de grondwet werd genoemd. Men mag hem een kind

der revolutie noemen[16]. Maar hij staat een eind daarvan af. Wat hem

kenmerkt en wat het gedicht over het Menschenlot merkwaardig maakt is

het gevoel van een scheiding, van een soort breuk in de vermogens van

den mensch. De dichter liet zich niet dragen door den stroom, het was

voor hem geen uitstorting en geestdriftvolle overgaaf zooals 't aan den

dageraad der eeuw was voor de eerste jongeren van de groote beweging;

neen, hij zag het vooruit- en opwaartsdringende hoogere leven aan voor

een element van strijd in de menschenziel, tegen den rustigen,

harmonieuzen, natuurlijken ontwikkelingsgang in. Die strijd is hard en

scherp, maar hij moet leiden tot een overwinning. Aldus zegt het den

dichter zijn naïef vertrouwende kinderlijke aard. Want is hij een

bittere kamper, hij heeft tegelijk behoefte aan liefde, aan vertrouwen,

aan harmonie. Hij is onverbeterlijk een optimist.

Zoo heeft Wergeland in zijn dramatisch-episch wereldgedicht het type van

het echte Noorsche karakter aangegeven, al kon hij 't nog niet voluit

teekenen: dat karakter opgebouwd uit sluwheid en weekheid, uit liefde

en onbuigzamen trots van persoonlijkheid. Men zou in het werk van

Oehlenschläger misschien de beide bestanddeelen kunnen terugvinden,

ik heb het al gezegd, maar Wergeland geeft eerst de echt Noorsche

overzetting. Voor hem, voor den Noorschen dichter, wordt de menschheid

geleid en bezield door den genius van mokkende, wrokkende onrust, die

eigenzinnig overmoedig buiten zichzelf uit wil, en door den genius van

de overgaaf der liefde die, buigend voor de eigenwilligheid, haar

opvoert tot vrede en verlossing. De menschheid zoekt naar harmonie; zij

zal haar vinden, dit is Wergelands denkbeeld. Op een hooger peil geland,

treedt de mensch den Paradijsstaat weer binnen.

Wergeland geloofde in zijn volk. Laat hem in zijn poëem met luchtbeelden

schermen, achter de woorden en over elkaar tuimelende symbolen klopte

wel degelijk het hart van een man. Hij had de zienersgaaf, en den moed

in een dorren tijd om te zijn: een volksman. Daarom kwam hij voor den

dag uit zijn poëzie, en hij trok de conclusies van zijn "hemel-en-aard"-

gedicht op den vasten grond der aarde, op Noorwegens bodem. Het in hart

en ziel onverdorven menschenslag, dat de grondstof moest wezen voor het

rijk der toekomst, vond de dichter terug in zijn vaderland. Het was de

boerenbevolking waarop hij zijn verwachting grondde. Wanneer zij zich

bewust werd van haar waarde en haar geest vrijmaakte van de al te

beperkende banden, dan zou Noorwegen herleven. Hij zag in hen de "zonen

der natuur", met den aanleg en de voorbestemming om den idealen staat

tot een werkelijkheid te maken, een rechtop uit de eigen volkskracht

gegroeiden staat.

* * * * *

Er is een intieme tegenspraak in Wergelands opvatting. Ongetwijfeld.

Het denkbeeld van den harden strijd- en twijfeldrang in de menschenborst,

verdraagt zich niet goed met het natuurlijk ontvouwen van het nationaal

karakter. Maar dat contrast--daarin bestond juist zijn individuele

leven. Met die twee polen van zijn gevoel, verlangen naar kamp en naar

harmonie, raakte zijn bijzonder leven den omvang van het algemeene

leven, en die levensgevoeligheid, dat levensgevoel stelde hem in staat

om het Noorsch karakter uit zijn dofheid en verdooving te redden en te

bevrijden[17]. Wergeland opent de periode der "Noorschheid" voor het

Noorsche volk.

* * * * *

Een heelen afstand moet men doorloopen om van Oehlenschläger tot

Wergeland te komen. De een gebruikt zijn scheppende verbeelding om

verbeelding te scheppen: hij woont in een tooverland, zijn "Zoon der

Natuur" is een onbevangen dichter--de ander staat nabij de

werkelijkheid, zijn verbeelding wil een volk wekken en vormen: zijn

"Zoon der Natuur" is een boer.

* * * * *

Björnsterne Björnson, toen hij de inwijdingsrede uitsprak bij de

onthulling van Wergelands standbeeld op den nationalen feestdag van 17

Mei (1881), vertelde van den dichter hoe hij een tijd lang gewoon was

geweest om op wandeltochten zijn zakken vol te hebben met boomzaden; nu

en dan onder weg, deed hij een greep en strooide daarvan uit; bij zijn

vrienden drong hij er op aan hetzelfde te doen. "Want niemand kan weten,

wat daaruit groeien zal."

Het is de weg van een dichter door het leven, maar ook het leven van een

man, wiens handelen was poëzie.

* * * * *

Niet dat Wergeland veel geluk heeft gevonden.

Hij heeft een bitter leven gehad; hij spaarde zich niet, hij gaf en

werkte, in volkomen zelfonbekommernis, als leider van het volk; tot

belooning heeft men hem niet gespaard. Ook de natuur spande mee tegen

den "zoon van de natuur", zij gunde Wergeland maar een korten

arbeidstijd. "Ik ben niets anders geweest dan een dichter," zeide hij op

zijn sterfbed; maar dat dichterschap, ik herhaal het, was op zijn beurt

niet anders geweest dan een idealiseering van het woord waarmee hij de

loopbaan van volksman intrad:

"Mijn doel is een nuttig Noorsch burger te wezen."[18]

* * * * *

Ik noem hier alleen Wergeland, omdat ik slechts de hoofdlijnen trek:

hij had zijn medearbeiders, dat spreekt van zelf, en hij volgde op

origineele manier de opkomende richting van de andere Scandinavische

landen,--van Denemarken vooral, dat den toon aangeeft in het

Noorden,--en van heel Europa[19].

De menschen werken niet, maar werken meê, zoo moet men zeggen. Er ligt

iets grooters om hen heen. Wanneer wij ons een voorstelling willen maken

van geestelijk bewegen in een bepaalden kring, dan zullen wij ons dien

kring denken omringd door al wijder cirkels: zij deelen elkander hun

kracht van strooming mede, en dikwijls is het moeilijk te onderscheiden

of de wijdere cirkel het leven en de beweging opwekt in den kleineren

kring, dan wel of de algemeene richting niet eerder ontstaat als een

samentelling en uitkomst van het pogen en dringen en zich uiten van al

die kleinere en kleinste kringen.

Er is een Europeesch geestesleven. Men heeft in Noorwegen den looden

druk der restauratie van het oude gevoeld, al hebben de congressen der

Restauratie-jaren er hun invloed niet laten gelden; en toen de

Juli-revolutie van 1830 uitbrak en zegevierde, toen ondervond men de

verruiming van het leven ook in het Noorden,--de Juli-revolutie die een

verburgerlijking was van de groote Omwenteling. Zij was immers een

voortzetting en een vervolg van de kosmopolitische beweging, maar nu

binnen de landsgrenzen van ieder volk, evenals Wergeland en zijn

genooten een nationale transpositie volvoerden van de geestesmuziek der

Steffens' en Oehlenschlägers uit het begin der eeuw[20].

* * * * *

Wordt het nu mogelijk, na dezen rondgang door den tijd, zich een idee te

maken van het jaar 1828, Ibsen's geboortejaar?

Het is een schemerjaar. Nog heerscht er stilte in de wereld. Maar in die

stilheid dreunt eerstens een klank door van den machtigen storm die over

Europa heengetrokken is, en die voor een tijd is ondergegaan in een

duister zwijgen;--tegelijk ook rijst er een gerucht van komende dingen.

Bleek besloten ligt nog de dag, maar in zijn blankheid en nauw gebroken

rust spiegelt hij de voorbijgegane en de naderende uren in een witten

nevelspiegel van trillende onzekerheid en onwezenlijkheid.

Dagschemering, morgenstond van herinnering, van berouw, van

voorgevoelens!

* * * * *

Wie in dat jaar 1828 werd geboren, diens jeugd ligt als in een lijst

tusschen de Juli-revolutie van 1830 en de Februari-revolutie van 1848:

de Juli-revolutie die een opfrisschende windvlaag is, de Februari-

revolutie welke dieper lagen van het volksbewustzijn omwoelt en die

evenbeeld wil worden van de groote Omwenteling.

Hoe moest het hart opengaan van den twintigjarige, als daar in 1848 bij

zijn intreden in het mannelijk leven de onstuimige tijd hem de belofte

toewaaide van de expansie en uitbreiding van het leven! Maar licht en

schaduw gaan in de aanstaande jaren met elkander afwisselen, druk en

verruiming vervangen elkaar, vrijheid strijdt met absolutisme, en volk

kampt met volk. Die twintig of drie-en-twintig jaren van '48-'71, de

krachtigste leeftijd van den man wien 1828 als geboortejaar werd

toebeschikt--wat zal hij er al niet in doorleven, al leeft hij ook

alleen in zijn verbeelding met hen mee als met een schouwspel!

1848 tot 1871,--dat is de revolutie en de nieuwe heerschappij van een

Bonaparte die de Februari-revolutie besluit, evenals de groote

Omwenteling uitliep op het het keizerrijk van Napoleon den Groote; dat

is de oorlog in het Oosten van Europa en de burgerkrijg in Amerika; dat

is de vereeniging van Italië en Duitschland tot nationale staten; dat is

de val van het keizerrijk, dat is de Commune en de brand van Parijs.

Wij denken ons 'n tien- of vijftiental jaren verder dan het Communejaar,

en wij hebben in de tijdruimte die door '85 gesloten wordt, een periode

van staatkundige werkzaamheid beleefd. Europa bevindt zich in het teeken

der groote staatslieden: een Bismarck, een Gladstone, een Gambetta,

opbouwend en hervormend de innerlijke structuur van den staat hunner

landen, om hun kracht te geven en stand te doen houden te midden der

groote verhoudingen van de toekomst.

Het is een tijdvak van inwendigen politieken strijd meer dan van groot

Europeesch leven.

Wederom 'n tien of vijftien jaar later, en het eind der 19e eeuw is

nabij. Een nieuw verlangen trekt door de wereld. Niet langer is 't de

staat waarom de krachten zich scharen, het zijn geen staatkundige

hervormingen waarvoor de geestdrift opvlamt, neen, dieper en

uitgebreider tevens golft het bewegen der menschheid; de ziel der

samenleving zelf is in beroering, en zij zendt haar machtige trillingen

naar alle kanten uit. De tijd was gekomen voor de maatschappelijke

vraagstukken. Wie misdeeld is in het leven, gaat zijn aandeel eischen

van een levenswaard bestaan, de arbeiders, de vrouwen verdedigen hun

recht. En dit wordt het probleem: of de staat nog het vermogen heeft om

zich te transformeeren in een anderen, hoogeren vorm van samenleving dan

hij tot nu toe is geweest.

Nieuwe standen, nieuwe krachten, nieuwe verlangens, maar ook een nieuw

verlangen. Als een lang onderdrukt heimwee naar vereeniging met het

onbekende, het toekomende, rijst er in het hart der menschheid een

behoefte aan overgaaf en opgaan in een onpersoonlijk leven, dat het

persoonlijk bestaan steunt en wijdt. Is het een zucht naar godsdienst,

of het haken naar een gelukstaat boven het leed der verteederende

wereldsmart? Is het een voorgevoel van den groei der individualiteit

buiten haar eenmaal getrokken grenzen, of de lust om breeder en intenser

in contact te treden met het leven en het genot van het leven?--Vreemde,

vage gevoelens doordringen de atmosfeer, wisselend van vormen, nu

deemoed en begeerte naar opoffering en zelfverloochening, dan bewustheid

van macht, van verheffing, van zaligend leed. Het zijn de hervormers, de

wijsgeeren, de dichters, de kunstenaars, die den toon aangeven, niet de

staatslieden meer....

En bij haar overgang naar de 20e eeuw, loopt het eind van de 19e in veel

opzichten evenwijdig met den uitgang van de 18e eeuw. Men mag ook hier

spreken van vernieuwing, van aaneensluiting en van een groot verschiet.

Alleen, er ontbreekt de hartstocht, het geweld, de majesteit en de

eenheid der beweging, en vooral de vreugd ontbreekt. Een omwending, geen

omwenteling.

* * * * *

[Illustratie: HENRIK IBSEN op 29-jarigen leeftijd]

Zoo volgt ons oog den stroom van den tijd, wanneer hij, telkens

afgebroken, neerdaalt over drie streng gescheiden terrassen: het eerste

grenspunt, de stichting van het Duitsche Rijk en de opstand der

Parijsche Commune; de tweede grens, het bevestigen van het Europeesche

staatswezen,--waarna de stroom in uiteenloopende richting zijn loop

volgt.

Geeft ons de Europeesche letterkunde, gesteld dat wij haar als een

voorstelling van het leven nemen, een getrouwen indruk van die

voorbijgaande jaren tijdvakken?

Een volledig beeld zeker niet. De eerste periode werd nog geheel

beheerscht door de groote namen van auteurs wier opkomst samenviel met

de eerste helft der eeuw. Victor Hugo, George Sand, Dickens, om enkelen

te noemen, voerden het woord en lieten het zich niet ontnemen. Hun werk,

als 't het geheel van de samenleving wil omvâmen, heeft iets gekunstelds,

het spreekt niet dadelijk uit het hart van de maatschappij. Het zoekt een

eenheid van het leven, maar het leven zelf is al buiten het kader van hun

werk gegroeid.

In het tweede tijdvak was Zola de overnam. Ook hij wilde in zijn romans

een wereld samenvatten. Maar 't is meer een product van het innig

meeleven met zijn tijd. En zoodra wij op het derde terras van de laatste

helft der eeuw zijn aangeland, bemerken wij dat de behoefte om de

samenleving als een eenheid te grijpen, niet meer bestaat. De kunst in

haar intiemsten grond is lyrisch en individueel geworden. Zij wil een

invloed zijn, zij wil niet langer een spiegel wezen.

Houdt de poëzie--poëzie hier in ruimste beteekenis genomen--ook wel

gelijken tred met den gang der maatschappij?

Niemand zal ontkennen dat zij altoos de sporen draagt van den tijd

waarin ze opbloeit--hoe zou men zich de schepping van Zola kunnen denken

zonder den achtergrond van het "Schrikkelijk jaar"?--maar toch geeft zij

dikwijls antwoorden op vragen, lang geleden gesteld en zonder beteekenis

geworden, en zij stelt vragen waarop de toekomst het antwoord zal

brengen, als het geslacht dat vroeg, is voorbijgegaan....

Dit daargelaten echter,--want wij willen thans alleen weten hoe een man

van het jaar 1828 de wereld van de tweede helft der 19e eeuw zou zien.

Wij moeten zijn weg kennen en zijn houding, te midden der historie en

der literatuur van zijn tijd.

Om Henrik Ibsen's gestalte in de wereldletterkunde te doen uitkomen,

kies ik ter vergelijking met den Noorschen dichter van 1828, een van de

allergrootsten, al mag men hem nog niet noemen: een van de

allerbekendsten, George Meredith[21].

* * * * *

George Meredith is van het zelfde jaar, ja van denzelfden winter, maar

hij had het rijke, beschavingsleven van Engeland om in te aarden. Daarom

is het werk van den Engelschman breeder uitgegroeid....

Maar wij vragen niet naar den rijkdom en de weelderigheid van zijn

arbeidsveld,--wij hebben te maken met de ziel van den man en met de

gestalte, de teekening zijner ziel.

Meredith is een stem, en er weerklinken van alle kanten stemmen in de

ruimte die zijn poëzie vult. Het is de stem van het water en het

wuivende riet aan den waterrand, het zijn de stemmen van vogels in haar

eindelooze modulaties, en het zijn vrouwenstemmen in haar kristalreine

verheffing van geluid; het is ook zijn eigen zielestem, onmiddellijke

uiting van zijn gevoeligheid. Geestdriftig zou die stem en die stemming

zich hebben willen aansluiten en zich hebben overgegeven aan al wat er

voor grootsch bewegen in de wereld is omgegaan. Ze heeft gedweept met de

bevrijding van Italië en geklaagd en getroost bij de verduistering van

Frankrijk's lot,--maar dan heeft ze zich schuw teruggetrokken,

weerhouden door het teedere van haar innigheid. Een Swinburne en een

Morris, in rijper tijd, 'n tien of meer jaren na Meredith geboren,

konden door de breede muziek en den vollen krachtigen gang van hun taal

hun ouderen tijdgenoot overstemmen, evenals Björnsterne Björnson het

Henrik Ibsen heeft gedaan, in deze eerste periode van Europeesche

historie: Meredith was dat niet gegeven, en hij moest achteruitzetting

en het vergeten-worden dragen, evenals Ibsen 't deed. Er was nacht in

zijn talent en zijn geest.

"Zij hield het oor van den nacht gevangen,"[22] zegt hij van eene,

wanneer ze in nachtelijke stilte zingt, en haar stem, door de

eenzaamheid gedragen, met het bewustzijn van haar macht en haar bekoring

den Nacht als dwingt tot luisteren. In Meredith's geest bestaat ook de

nauwe aanraking en gemeenschap tusschen zijn gevoeligheid en het

nachtelijke van zijn ziel.

Hij heeft van nature de wijsheid van den nacht die de geheimen bezit van

een groot verleden.

Zijn bezieling wordt gescherpt en voortgeleid door zijn kennis en zijn

verstand. En als de verbeelding bij hem uitgaat om gestalte te verleenen

aan het leven van zijn tijd, dan mag zij niet rusten eer de voorstelling

van het leven tot aan den tragischen rand is gebracht en het bloeiende

leven zelf, geknakt en getroffen, met angstig vragende oogen staat

tegenover den meedoogenloozen dood.

Zoo rijst de blanke heerlijkheid van het pas ontknoppende bestaan voor

het oog van den dichter omgeven door een kring van duisternis[23]. Hij

heeft er toch het leven niet minder lief om, al zit hij 't als een

illusie, maar evenmin doet hij afstand van zijn gevoel van innige

verwantschap met die duisternis, die het mysterie van het leven in zich

besloten houdt.

En het maakt dat hij zich bewust wordt van een scheiding tusschen zich

en de uiterlijke wereld, en tegelijk maakt het dat hij weet van een

afstand tusschen zijn innerlijke wereld en zichzelf, zijn eigenste zelf.

Want ook zijn innerlijke wereld heeft haar illusies waar toch niemand

buiten kan: zij spreekt van liefde, en hij, de dichter, kan den nacht

niet weren uit zijn hart--hij antwoordt met: eenzaamheid....

Afstand te bewaren ook tegenover het eigen liefdegevoel! Zich te

bezinnen, en zonder het levensgevoel op te geven, de vrijheid van geest

te handhaven![24] Dus luidt de wijsheid gesproten uit herinnering,

berouw en voorgevoelens, dus spreekt de morgenstond, nog onder de

kennis-zwangere schaduwen van den nacht, als het licht onwezenlijk

huivert en trilt over de goede dingen dezer aarde.

"_Modern Love_"[25], Meredith's _Comedie der liefde_--maar het werk van

den Engelschen dichter is geen comedie, 't is een stem die klaagt en

berust--zegt in een reeks van gedichten zijn levenssmart en zijn

zelfbezinning. Het is als het roepen van een die zijn krachten

bijeenhoudt voor den komenden wedloop met het leven;--en ervaren,

doorstreden, gaat hij zijn grooteren werkkring binnen.

Hij komt dan in die tweede periode van moderne Europeesche historie

welke ik, in tegenstelling tot de sociale, de politieke heb genoemd.

* * * * *

Meredith's talent ontwikkelde zich tot kunst van satire in grooten

stijl. Terwijl vragen van het hoogste staatkundig gewicht de partijen in

den staat bezig hielden, legde hij zijn hand heel zacht en heel rustig

tegen een van de steunpilaren der Engelschen maatschappij, en hij voelde

het ding wankel, hij toonde het van binnen hol.

De zuil en stut van de Engelsche samenleving was de vermogende

landedelman, wel opgevoed en wel doorvoed, toongever van fatsoen en

ideaal van mannelijkheid. Meredith nam hem van zijn voetstuk af in zijn

breed opgezetten roman _The Egoïst_[26], dien hij een comedie noemt. Het

leven strijkt daar binnen en toetst den heros en afgod, niet aan eenigen

maatstaf van politiek of economisch gewicht, maar zuiver naar zijn

gehalte aan menschheid. Het schepte leegte om hem heen, waar eerst de

volheid van het bestaan hem wijd en zijd omgaf, en 't lijkt wel alsof

het van alle kanten de dwergen en geesten verzamelt, om naar het rijk

der leugen die leugen der zelfzucht weg te voeren, die zich voor een

beginsel van levensbehoud uitgaf.

Maar dan verheft zich toch de satire; zij is gelijk aan een straal van

den morgenstond, vallend te midden van een gekunstelde wereld, en zij

toont in haar eigen innig licht de waarheid en de vrijheid van het

leven.

Comedie van den nacht en zijn spoken, en uit de schoot van den nacht

breekt los de eerste dageraad!

* * * * *

Als de tijd voortging en een nieuwe zedelijke orde werd voorgevoeld, nam

de macht en het vermogen van den kunstenaar toe, zijn schildering werd

breeder en menschelijker. Want het was hem waarlijk niet te doen om een

van de bijzondere vraagstukken die de aandacht van de wereld op 't

oogenblik troffen. Neen, hij lette alleen op den mensch in de eeuwige

verhoudingen van het natuurlijk leven.

Hij zag hem wel bezig met zijn zaken en zijn eerzucht, begeerig naar

genot, naar geld, naar macht; maar in den grond kende hij hem alleen

in zijn zuiver menschelijke betrekkingen. Man en vrouw kende hij den

mensch, en hij schiep vrijheid om de vrouw, en hij wilde eerbied

scheppen in den man voor de liefde van de vrouw. De samenleving--wat is

ze hem anders en meer dan het samenzijn van man en vrouw in opofferenden

arbeid voor het groote leven[27]?

Hoezeer was de dichter zich daarbij bewust van den afstand der

werkelijkheid! Hij legde om die reden zijn voorstelling van het leven

ook wel in een verleden tijd en won daarmee het recht om de lijnen van

zijn teekening grooter te trekken. Eindelijk ging hij zich alleen nog

geven in symbolische gedichten. Zoo rondt zich zijn bestaan af en uit

het diepst van zijn wezen spreekt hij de woorden:

Lo where the eyelashes of night are raised

Yet lowly over morning's pure grey eyes[28].

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Een enkel voorbeeld geeft nog geen geldige aanwijzing van den koers dien

het geslacht van 1828 moest opgaan,--het spreekt vanzelf. Er is meer

noodig dan het geval van George Meredith om de ontwikkeling en opvolging

te toonen van hun loopbaan. Laat mij daarom nog een naam noemen, bv.

dien van Taine[29].

* * * * *

Ook Henri Taine werd in 1828 geboren. Hij is bij de reconstructie van

Frankrijk na den oorlog van 1871 de satiricus in grooten stijl geweest,

die met zij _Origines de la France contemporaine_ aan de regeerders van

den dag het tafereel heeft voorgehouden van de werking der

Revolutie-hartstochten.

Tot waarschuwing?

Zoo was het niet bedoeld. Het boek stond op zijn eigen basis. Maar door

het scherpe en nijdige van zijn voorstelling waarschuwde het wel degelijk

tegen de vrijheid die de passies ontketent en de regeeringsbeginsels

vernietigt, en legde het allen nadruk op het gewicht van de steunpilaren

der samenleving, wier val niets dan verwarring geeft in den staat.

Dus was Taine een tegenvoeter van Meredith en Ibsen!

Laat dat zoo zijn, laat ons het voor 't oogenblik aannemen,--want de

volledige beteekenis van Taine's werk, dat zijn waarde behoudt buiten

den tijd, waarin het verscheen, kan men moeilijk in een paar woorden

ontvouwen. De hoofdzaak is, dat het met zijn bijtende ernst, tegenover

het oppervlakkig staatsbeleid van den dag, de elementen van het

menschelijk samenleven wilde toonen in den grooten samenhang van het

historisch leven. Daardoor is het aangesloten,--hoe verwijderd het ook

moge schijnen--bij het werk van de anderen.

En de principes van Taine's geestelijken arbeid zijn dezelfde.

Men moet daarbij in 't oog houden, natuurlijk, dat hij minder een artist

was en eerder een wetenschappelijk denker en literator. Maar dan vindt

men ook bij hem wederom de trillende nervositeit tegelijk met het

omvattend verstand. Zijn aandoeningen zijn intellectueel, zijn

verbeelding gaat uit op de dingen van den geest, daarom is het echter

niet de ijver van een geleerde die hem van zijn eerste jeugd af

aanspoort om het gebied van letteren, geschiedenis, kunst, philosophie

en zielsleven in bezit te nemen. Neen, er is een stem in zijn hart die

hem drijft in de ruimte om zijn lust en zijn dorst naar kennis te

verzadigen, en uit de diepste bron van zijn menschelijken aanleg rijst

een behoefte aan overgaaf, een zucht naar vereeniging met de natuur[30].

Door zijn arbeid nadert hij haar, de Natuur.

Hij wil en hij doet meer; hij verlangt zichzelf te beproeven en te

leeren kennen aan dien kring van kennis die voor hem de uiterlijke

wereld voorstelt. Want ook hij gevoelt den afstand tusschen zichzelf, en

wat buiten hem staat, en eveneens tusschen zijn eigenste zelf en zijn

innerlijke wereld.

Die problemen grijpt hij aan als man van wetenschap in zijn groote werk

de l'_Intelligence_, en tevens geeft hij hun een persoonlijke vorm in

het boek dat men Taine's comedie der liefde en der samenleving zou

kunnen noemen, en dat heet _Vie et opinions de Thomas Graindorge_.

Als wetenschappelijk onderzoeker gaat hij door tot de uiterste

consequenties. Taine ziet in het heelal slechts een schakel van oorzaken

en gevolgen; voor hem worden alle betrekkingen tusschen feiten--en er

zijn niet anders dan feiten--volledig uitgedrukt door een wet. Hij is de

strengst mogelijke determinist. Aan den anderen kant, op de vragen van

zijn persoonlijk leven, vindt hij geen antwoord dan: eenzaamheid.

Taine vertoont daarom heel duidelijk het karakter van het geslacht van

1828. Hij is pessimist, omdat hij achter de illusies de bloote

werkelijkheid zoekt als een harde wet; maar hij heeft een grootsch

denkbeeld van het menschelijke. "Il s'agit toujours de décrire une âme

humaine ou les traits communs à un groupe naturel d'âmes humaines."[31]

Dat is hem zijn taak: het menschelijke. Uit den nacht breekt het licht

te voorschijn.

Van Beethoven heeft hij eens gezegd: "Il ressemble à un homme qui, après

une nuit d'angoisses,... aperçoit tout d'un coup un paysage reposé et

matinal."[32] Zoo moet men zich ook Taine voorstellen in die eerste

periode, den tijd van het tweede keizerrijk: een tumultueusen denker,

die kampt met de stof om haar te beheerschen, maar die een uitweg zoekt

en hem vindt in de beschouwing van de kunst[33], het hoogste menschelijk

vermogen, scheppende de menschengestalte in haar volle evenwicht en

majesteit.

* * * * *

[Illustratie: Titelblad van het Manuscript van Ibsen's eerste Drama

"Catilina" (1849) op 21-jarigen leeftijd geschreven.]

De Fransch-Duitsche oorlog door den Commune-opstand gevolgd, heeft een

diepe insnede in Taine's leven getrokken. Hij kwam al meer en meer door

zijn werk in oppositie tegen de tijdstrooming--maar ik heb reeds over

die levensperiode en de _Origines de la France contemporaine_ gesproken.

Zijn langdurige kwaal en zijn dood--Taine is in 1893 gestorven--hebben

zijn taak onvoltooid gelaten. Een oordeel over de derde periode heeft

daardoor zijn bezwaren....

* * * * *

Maar kan men zich door al dit opgenoemde niet een beeld vormen van de

typische mannen der generatie van 1828? Zij bezitten niet eenheid, niet

directheid van gaaf; neen, hun verbeelding spruit voort uit weten en

gevoel, uit verstand en gevoeligheid; zij komen van een grensjaar.

Zij behooren tot een afloopenden grooten tijd, en er is nog iets in hen

van de macht en den drang uit het begin der eeuw, tegelijk met iets

bezonnens en ouds, dat terugdringt;--zij zijn opgegroeid onder den

invloed van de Juli-burger-omwenteling, en er blijft hun altoos iets bij

van het karakteristiek nationale, dat het teeken is van 1830....

Het revolutiejaar van 1848 brengt hun geest naar buiten. Dan gebruiken

zij het eerste groote tijdvak van hun leven om hun gebied en zichzelf in

bezit te nemen. Maar de gelijkmatige gang wordt in 1871 gewelddadig

afgebroken. Er was een toenadering geweest tusschen de volken van

Europa, en er had zich een soort van Europeesche maatschappij gevormd

onder de leiding van Frankrijk. Dat grootere samenleven hield op met den

val van het keizerrijk; de staten, die zich als in een familie wilden

vereenigen, trokken zich vijandig ieder in zijn staatsleven terug, en

ook in iedere afzonderlijke samenleving heeft de angst voor de Commune

een verscherping van het standenleven bewerkt.

Men zou het zoo kunnen noemen, dat de maatschappelijke geest na 1871 een

inkrimping ondervindt, en zijn krachten beperkt tot het gebied van den

staat. Het talent der mannen waarvan hier sprake is, ondergaat daardoor

een ombuiging. Waren hun krachten minder geoefend geweest, hadden zij

niet reeds hun terrein verkend en vermeesterd, zij zouden misschien

stille beschouwers zijn geworden;--nu stelden zij hun eigen wereld,

tegenover de wereld die zij zagen; zij maakten oppositie, zij werden,

zooals het in die dagen heette, satirici.

Totdat een nieuw Europeesch samenleven opkwam in de laatste jaren der

19e eeuw.... En het werk dier mannen begon zich meer aan te sluiten

bij de behoeften van den tijd. Zij namen deel aan den nieuwen

beschavingsarbeid. Maar zij waren in hun hart geworden: mannen van het

verleden. Van een groot verleden, zeker, dat het teeken droeg van het

algemeen menschelijke,--toch van het verleden.

Zoo kwamen zij op een afstand van de gewone menschenwereld; en voor het

oog van hun tijdgenooten, verloren zij zich eenigszins, ondanks hun

scherp geprente trekken, in lichte nevelen en een blank onbestemd

schijnsel--overgang der heentrekkende schaduwen van den nacht tot het

eerste teêre licht van den grijzenden morgen....

* * * * *

Misschien heb ik bij deze zaken te lang stil gedaan en de aandacht door

een algemeen intermezzo vermoeid, in plaats van haar bij Noorwegen en de

Noorsche dingen te bepalen. Ik moet dan vragen om die beschouwingen over

den toestand van Europa en over Europeesche menschen te laten wijken

naar den achtergrond, zonder dat men ze daarom toch geheel uit het oog

mag verliezen. Ze zijn als een wijdere kring dien ik om den engere van

mijn onderwerp moest trekken, en de beweging van dien ruimeren cirkel

was het zeker wel noodig te volgen, nu het te doen is om Henrik Ibsen

die echt een Noor was, maar die zich soms in de eerste plaats gevoeld

heeft als een burger van Europa.

De Scandinaviërs die zoo trotsch zijn op hun Noorden, kunnen van tijd

tot tijd heel uit de hoogte neerzien op hun land en zijn beschaving.

Wat heeft Kierkegaard niet op Denemarken en zijn hoofdstad, dat nest,

gevloekt! En hoor Ibsen:

"Waarom," vraagt hij[34], "staan wij die een Europeesch standpunt

innemen, zoo alleen in ons vaderland?--Wijl dit ons vaderland niet den

samenhang bezit van een staat; wijl men in het vaderland gemeentelijke

gedachten en gevoelens heeft, geen nationale, geen Scandinavische....

Denkt ge dat dit fragment van Europeërdom een grondslag kan wezen voor

beschaving? Alleen een natie, wanneer ze een geheel uitmaakt, kan

meewerken aan een cultuurbeweging. Wij Scandinaviërs zijn in de oogen

van Europa nog niet verder gekomen dan het gemeenteraads-standpunt. En

nergens ter wereld houdt een gemeenteraad er zich mee bezig om het rijk

van de toekomst, "het derde rijk", te verwachten of voor te bereiden."

* * * * *

Zoo sprak Ibsen wel in zijn boosheid. En echter volgde Noorwegen, op

zijn manier zeker, maar toch trouw en regelmatig, in de tweede helft der

19e eeuw, de lijn van ontwikkeling van geheel Europa. Alleen behoorde

het niet altijd tot de gelukkige landen van het werelddeel.

Toen de revolutie van 1848 uitbrak, had Noorwegen zijn groote vraagstuk

voor zich[35], evenals de staten van Duitschland en van Italië het

hadden. Het was een vraag van expansie en van nationale vereeniging. Men

noemde het streven naar dat ideaal, Scandinavisme, en het bedoelde niet

alleen een verbroedering maar ook een nauwe aaneensluiting van de drie

rijken van het Noorden.

De Pruisisch-Oostenrijksche campagne tegen Denemarken van het jaar 1864,

heeft aan de geestdrift voor het Scandinavisme een harden slag

toegebracht, toen het bleek hoe weinig "de broeders" geneigd waren

elkander bij te staan in nood: de vestiging van het Duitsche rijk in

1871 heeft daarop voor goed een eind gemaakt aan het plan,--omdat de

inbezitneming van Sleeswijk Duitschland dwong tot vijandschap tegenover

al die Scandinavische grootheid. En voor het prestige van het Duitsche

rijk moest het ideaal van het Noorden bukken.

Björnsterne Björnson heeft toen, en onder die omstandigheden, aan

Noorwegen zijn leus gegeven.

"Laat ons," zeide hij op een feestelijke bijeenkomst, (in 't eind van

het jaar 1866, na Köninggrätz), "vooreerst en voor alles Noren zijn, en

op die wijs, daarna, Scandinaviërs. Want ieder van de drie volken moet

zijn eigen aard hebben, om iets in ruil te kunnen geven aan de

anderen."[36]

Het Scandinavisme in de verre toekomst!--te beginnen met Noorwegen voor

de Noren!

Zoo is men ook in Noorwegen na 1870 begonnen met het opbouwen van den

modernen staat[37]. Het werd een verwezenlijking van Wergeland's idee.

De Noorsche boer kreeg zijn rechten, de constitutie kreeg haar

uitbreiding en Noorwegen kreeg, met zijn "reine" vlag, volle

zelfstandigheid tegenover Zweden.

In 1882 is de crisis. Noorwegen speelt dan zijn "er op of er onder"

tegen de koninklijke macht. 1884 brengt de eindbeslissing, en het

volgend jaar ziet een nieuwe periode geopend, den tijd van

maatschappelijke en partieele hervormingen. De politieke ideeën hebben

toen hun dag gehad.

* * * * *

Dramatische werken · 第 1 / 30 段