17. GESPREK MET EEN STALKNECHT.

Kaw meñcâri kerjâ sâis kah Zoek je werk als staljongen

(tukang-kuda kah)? (paardejongen)?

Kaw panday kah kerjâ-kuda? Kan je met paarden omgaan? (Ben je

bekwaam in paardenwerk?)

Aku âda dua ékor kuda—sa pasang Ik heb twee paarden—een span—jij

(jori)—kaw endaq meñjâga yang sa moet een er van verzorgen, bovendien

ékor, lâgi jâdi kusir (coachman) koetsier zijn, wanneer ik dat

kâdang-kâdang, bila aku suka, verlang, en ook nog helpen met het

dan lâgi tulung cuci (bâsuh) schoonmaken van ’t paardetuig.

pakâyan-kuda.

Makânan kuda aku yang membeli, ’t Voeder voor de paarden koop ik,

maka sa-âri-âri kaw minta sâma en dagelijks vraag jij dat aan den

boy (jongos), dia bôleh beri huisjongen, die kan je voeder voor

makânan cukup sa âri. een dag (genoeg) geven.

Berâpa tuan beri makan sa ékor Hoeveel voeder geeft u éen paard per

kuda sa âri? dag?

Tiap-tiap âri kaw endaq lah beri Iederen dag moet je de paarden drie

makan tiga kâli pâda kuda, sa maal te eten geven, in eens twee

kâli makan pâdi dua cupaq, „cupaq” pâdi (een vierde „gantang”),

kacang sa cupaq, busi (dedăk) sa een „cupaq” Indische paardeboonen,

tengah cupaq. en een halve „cupaq” zemelen.

Aku mâu krêta ésoq pâgi pukul Ik wil morgen ochtend om tien uur ’t

sa-puluh, ’naq pegi ke rijtuig hebben, ik wil naar

Singapûra. Singapoer gaan.

Kuda jori kah (sa pasang kah)? ’t Span paarden?

Tidaq, kuda tunggal. Neen, een enkel paard.

Kuda ităm, kuda mêrah, kuda ’t Zwarte paard, ’t bruine paard, ’t

belang, kuda abluq. gevlekte paard (de schimmel), ’t

muiskleurige paard.

Pegang kuda ini sabentar. Hoû dit paard een oogenblik vast.

Legam (kekang) sudah bekârat, ’t Bit is al verroest, waarom maak

âpa fasal (âpa sebab) tidaq kaw je ’t niet beter schoon?

cuci (beresihkan) lebih bâik?

Gosoq bâik-bâik, kemudian târoh Poets (wrijf) ’t goed, daarna doe je

miñaq-selâda sedikit. er wat slâ-olie op.

Ras (tâli kekang, lès) kîri De linkertoom is in de war, maak dat

kusut, betulkăn. in orde.

Jut (setrèng) belom diïkătkăn! De strengen zijn nog niet

Âpa sebab kaw tidaq peratikăn vastgemaakt! Waarom let je er niet

bâik-bâik? Kâlaw kuda lâri goed op? Als ’t paard nu er van door

sekârang, nanti jehânam kita. gaat, zijn wij gefopt (in de hel).

Lepaskăn kuda, lepaskăn Laat ’t paard los, laat den kop los.

kepâlâ-ña.

Nâik di belâkang. Stijg achter op.

Mâna câbuq (cambuq)? Waar is de zweep?

Mâna cemeti? Waar is de karwats?

Tertinggal, tuan. Die is achtergebleven, mijnheer.

Lekas pegi mengambil ña. Ga ’m gauw halen.

Jâlan lah, aku ta bôleh menanti Ga je gang, ik kan niet langer

lâgi. Jâlan pelâhan-pelâhan. wachten. Rij (ga) langzaam.

Lekas lâgi! Nog sneller!

Pukul sedikit. Sla ’m een beetje.

Ta bôleh pukul, tuan, nanti dia Slaan mag niet, mijnheer, anders

jâhat (nakal). wordt hij kwaadaardig (ondeugend).

Pegang rôda, pusingkăn Hoû het wiel vast, draai ’t.

(putărkăn).

Letaqkăn pakâyan itu, mâri sini Leg dat tuig neer, kom hier en hoû

pegang kuda. het paard vast.

Kaw berbuat âpa? Jangan pegang Wat voer je uit? Hoû het paard niet

kuda bagitu. zoo vast.

Bagimâna mâu pegang, tuan? Hoe moet hij dan vastgehouden

worden, mijnheer? (Hoe wil ’t

vastgehouden?)

Pegang dekăt kekang-ña Houd ’m vast dicht bij ’t bit met

(legam-ña), dua-dua tangan sa beide handen te gelijk.

kâli.

Nanti gigit, tuan. Hij zal me bijten, mijnheer.

Ta bôleh gigit. Hij kan niet bijten.

Kuda ini meñépaq kah? Slaat dit paard?

Tidaq, tuan, jinaq benăr, tidaq Neen, mijnheer, hij is erg mak,

nakal sekâli; tidaq bertingkah. heelemaal niet kwaad (ondeugend);

heeft geen kuren (streken, grillen,

bizondere manieren).

Pasang krêta: aku endaq makan Span ’t rijtuig in: ik wil een

angin sedikit. toertje doen (lett. een beetje wind

eten).

Kuda sakit, tuan: ta bôleh ’t Paard is ziek, mijnheer; hij kan

pakay. niet gebruikt worden.

Kûrang âpa? Wat mankeert hij?

Sakit serdi, tuan. De droes, mijnheer.

Panggil tuan doktor-hêwan, minta Laat den paardenarts komen (lett.

beri ôbat. roep...) verzoek hem geneesmiddelen

te geven.

Kuda sakit bâtuq, dua tiga âri ’t Paard hoest (heeft hoestziekte),

bôleh bâik pula. in twee of drie dagen kan hij weer

gezond (goed) zijn.

Aku arăp bagitu, tetapi perlu Dat hoop ik (lett. ik hoop zoo),

kaw belâ (peliâra) bâik-bâik. maar ’t is noodzakelijk, dat je ’m

goed oppast.

Berâpa âri lâgi bâru bôleh Binnen hoeveel dagen is hij pas weer

pakay? te gebruiken? (lett. hoev. dagen nog

pas kan (men) gebruiken?)

Jangan beri kăn dia makan rumput Geef hem niet te veel gras te eten,

terlâlu bâñaq, sa kâli makan sa eens per dag is genoeg (eens eten

âri cukup lah. een dag...)

Mâu nâik kuda ésoq petăng pukul Ik wil morgen namiddag om vier uur

empat, bâwa kuda ke kantor paard rijden, breng het paard naar

(ufis). ’t kantoor.

Belâkang-ña luka, ta bôleh pakay Zijn rug is gewond, hij kan geen

sêla (jin, pelâna), tuan. zadel velen, mijnheer. (lett. niet

kan gebruiken een zadel).

Maleisch-Nederlandsche Gesprekken · 第 22 / 34 题