Wij stegen in den vroegen morgen te paard en een uur later verlieten

we den grooten weg, om een half uur verder naar het oosten een kamp

van dwangarbeiders te gaan bezoeken, niet ver van de watervallen der

rivier Agus. Die vallen zijn zonder twijfel de hoogste der wereld,

want ze stroomen van een verticale hoogte van 200 meter. Ongelukkig

is het volume water, vooral in het droge jaargetijde maar gering,

zoodat de waterval niet kan vergeleken worden met den Niagaraval of

dien van de Zambezi. Toch is het schouwspel van de kloof indrukwekkend;

de wanden zijn begroeid met een warreling van klimplanten, bestraald

door den regenboog, dien de zon in den waterval te voorschijn toovert.

Na een rit van zes uren, die een aanhoudend stijgen was, kwamen

we aan het kamp van Keithley, de voornaamste vestiging van

militairen aard op het eiland; een bergbatterij en het geheele 15de

infanterieregiment waren er opgesteld. Wij vernamen, toen we afstapten,

dat de krijgsverrichtingen tot dien tijd nog geen resultaat hadden

opgeleverd; de Moro's bleven ongrijpbaar, en de afdeeling van het 15de,

die te hunner vervolging was uitgezonden, was naar den oever van het

meer moeten terugkeeren, om zich van proviand te voorzien. Zij zouden

versterking ontvangen van een compagnie, die den volgenden dag zou

vertrekken en waar ik mij bij zou mogen aansluiten.

De overtocht over het meer werd volbracht met oude kanonneerbooten,

die de officieren van den spaanschen generaal Weyler indertijd tot

boven op het plateau hadden opgesleept met ongeloofelijke moeite;

maar ze hadden hun booten liever laten zinken, dan dat zij ze aan de

Amerikanen overlieten, toen het tractaat van Parijs hen noodzaakte

de Philippijnen te ontruimen.

Men was er in geslaagd, de booten weer te lichten; en ondanks een

verblijf van vier jaren onder water, waren ze nog in zeer goeden

staat en konden onmiddellijk weer worden gebruikt. De overtocht

duurde een uur; na een bezwaarlijke ontscheping voegden wij ons bij

de compagnie, die ons op het strand wachtte en gingen toen dadelijk

op weg, afgaande op het kompas naar een punt aan den bovenloop van de

rivier Malaig, waar een verzameling gewapende Moro's dicht bij een dorp

was gesignaleerd. Niets is lastiger dan een expeditie van dezen aard;

om beurten zakten wij tot de knieën in de modder van de rijstvelden,

moesten door plaatsen van laag water waden met de golfjes kabbelend

tot ons midden, trokken door rietvelden, die als bosschen vier meter

hoog waren, om daarna weer een steilen heuvel te beklimmen en op den

top een inlandsche versterking of cotta te doorzoeken, die door de

Moro's in den steek was gelaten.

Daar werden dan vrij groote hoeveelheden levensmiddelen, als rijst en

comotes of zoete aardappelen vernietigd, en vervolgens werd de tocht

hervat door de cogone, een dichten plantengroei van doornstruiken, zoo

opeengehoopt, dat iedere twintig meter de voorman, die het vermoeiende

werk had te doen, om voor de colonne een weg te banen, moest verwisseld

worden. Na twee uren worstelens kwamen we uit die wildernis en

ontdekten toen gauw de rivier en eenige hutten van inlanders.

De colonne plaatste zich dadelijk in gevechtsstelling; maar men

bemerkte, toen men het gevaarlijke punt naderde, dat de Moro's ons

niet hadden afgewacht; wij vonden er integendeel een amerikaansch

detachement, dat ons hielp de dorpen te verbranden. Wij dachten op

die plek ons bivak op te slaan, maar de aanwijzingen van den troep,

dien wij zoo juist hadden ontmoet, gaven den chef van onze colonne

hoop, de hand te kunnen leggen op een vijandelijke groep en de marsch

werd hervat.

Hier verlieten wij de vlakte, om ons in een bergachtig terrein

te wagen, dat met kloven was doorsneden en bedekt met bosch. Het

pad, dat wij in den aanvang volgden, verdween na korten tijd, en

wij moesten ons een weg banen dwars door lianen en struiken. Des

avonds waren we eenige kilometers in het binnenland binnengedrongen,

en hadden slechts een half dozijn inlanders ontmoet, afzonderlijke

menschen, die bij onze nadering de vlucht namen en van wie twee met

geweerschoten gedood werden.

Het kamp werd midden in het bosch opgeslagen; de dragers haalden in

hun lange bamboekokers water, waarmee wij een frugaal maal van spek

en beschuit besproeiden, het gewone rantsoen van den amerikaanschen

soldaat te velde. De nacht ging zonder incidenten voorbij, en den

volgenden dag begaven we ons weer terug naar het meer, dat door

de colonne werd bereikt bij de monding van de rivier Sauir. De

kanonneerboot voegde zich daar bij ons; er stapte een officier

van den staf uit en vertelde ons, dat daar de andere afdeelingen

geen beter resultaten hadden verkregen dan wij, de kolonel, die

de troepen in de provincie aanvoerde, het bevel had gegeven, de

vervolging te staken en de soldaten naar hun garnizoenen te doen

terugkeeren. De krijgsverrichtingen hadden tien dagen geduurd;

er waren een twintigtal oproerlingen gedood en bijna al hun dorpen

verbrand, terwijl de Amerikanen slechts twee man hadden verloren,

van wie één verdronken was.

Ik kwam weer te Keithley met de troepen aan en stak het meer opnieuw

over, om mij naar het Vicarskamp te begeven, aan het einde van

den weg, die van Malabang komt, de haven op het zuidelijke punt der

landengte. Een nieuw escorte en een paard stonden bij de aanlegplaats

op mij te wachten; mijn kist met levensmiddelen werd op een pakezel

geladen, die in galop voor ons uitging. Na twee uren klimmens in

den nacht kwamen we bij den post, die na eerst de voornaamste op de

Philippijnen te zijn geweest, thans nog twee compagnieën bevat. Ik

bracht er den nacht door. Den overtocht over de Lanaolandengte

volbracht ik den volgenden dag in een wagen van den troep, die leeg

naar Malabang terugging; de weg, die, tegen de amerikaansche gewoonte,

zeer goed was onderhouden, gaat door een prachtig, tropisch woud,

dat even weelderig is als de bosschen op Java. Nog dien eigen avond

was ik te Malabang, een stadje van ongeveer vier honderd inwoners,

half Philippino's, half Moro's.

De gebrekkige inrichting van het scheepvaartverkeer dwong mij hier

tot een derde periode van werkeloosheid, in afwachting van een boot

voor Manilla, die Malabang aandeed. Ondanks de twee belangwekkende

uitstapjes, die ik op het eiland Mindanao kon doen, was het mij een

teleurstelling, dat ik geen enkel gevecht had bijgewoond en ik zag

zonder geestdrift het oogenblik naderen, waarop ik de provincie Moro

zou moeten verlaten, om platzak in de hoofdstad terug te keeren.

Op den dag van mijn vertrek kwamen de officieren van het garnizoen

in de club samen, om mij goede reis te wenschen. Wij zaten allen aan

tafel, toen de bevelvoerende kolonel buiten adem kwam aanloopen,

met een papier zwaaiend. Het was een telegram, dat hij juist van

het hoofdkwartier had ontvangen en dat hij ons liet lezen, zoodra

een glas whisky hem op zijn verhaal had gebracht. Hem werd bevolen,

dienzelfden dag twee compagnieën infanterie en een half escadron

onder bevel van kapitein Rivers te laten vertrekken naar het eiland

Jolo, waar een gevecht onvermijdelijk was geworden. Een storm van

toejuichingen ontving het telegram, en terwijl de getrouwde officieren,

die voor den tocht waren aangewezen, gauw verdwenen, om afscheid te

nemen van hun gezinnen, ledigden de ongetrouwden de kelders van de

club en dronken op hun toekomstige heldendaden.

Des avonds had de inscheping der troepen plaats, en daar men de

voorzorg had genomen, het materieel te voren te pakken, ging alles

vlug en goed in de volslagen duisternis. Onze boot was een kleine

stoomer, de _Busuanga_, van zoo wat 200 tonnen inhoud en kustbewaker

gedoopt, zeker omdat er een mitrailleuse aan boord was. Er zijn twaalf

schepen van dien aard op de Philippijnen; alle onder het bevel van

vredelievende kapiteins van de groote vaart. Ze worden gebruikt voor

het vervoer van ambtenaren en reizigers naar de kleine eilanden van

den Archipel, waar de geregeld varende booten niet komen.

Op de _Busuanga_ is plaats voor elf passagiers, en wij waren aan boord

met 260 man. Het was er niet om uit te houden, en men kon geen vin

verroeren. De soldaten lagen mannetje aan mannetje, en enkelen konden

zich niet eens flink uitstrekken, en telkens als men zich even wilde

verplaatsen, moest men over de slapers heen stappen, met gevaar van

iemand te trappen. Wat de officieren aangaat, die waren genoodzaakt,

den geheelen nacht op te blijven in de kleine hut, die als salon

dienst deed. Den volgenden morgen werd de situatie er niet beter op

door een vrij harden wind, die ons aangreep van ter zijde nadat we

de Basilanstraat door waren. Wij schepten herhaaldelijk stortzeeën,

maar de lastige douches deden geen afbreuk aan de vroolijkheid der

soldaten. Zij waren blij met dien eigenaardigen doop, die hen voor

het vuur der Moro's zou beveiligen.

Om zes uur in den avond van den 3den Maart kwamen wij in de kleine

haven van Jolo en sprongen aan land, gelukkig de beenen eens te kunnen

strekken na onze 22 uren van gedwongen stilzitten. Wij werden verdeeld

over de verschillende woningen van het dorp; ik werd de gast van den

eskadronchef Wilcox, commandant van de plaats, die zich haastte mij op

de hoogte te brengen van den stand van zaken en van de gebeurtenissen,

die onze expeditie noodig hadden gemaakt.

De Moro's van Jolo zijn de dweepziekste van den geheelen

Archipel. Ondanks hun gering aantal van ten hoogste twintig

duizend, met inbegrip van de uit Borneo gekomenen, hebben ze

altijd den Spanjaarden veel last bezorgd en hun ook wel verliezen

berokkend. Toen in 1902 de sultan van Jolo zich aan de Amerikanen

onderwierp, lieten hem zijn onderdanen in den steek en weigerden

gehoorzaamheid aan iemand, die de slaaf der christenen was geworden

en wiens gezag zij dus niet langer konden erkennen. Sedert dien is

het eiland nooit volkomen tot rust gebracht. Eenige maanden geleden

weigerde een der voornaamste hoofden, de dato Addam, voor zijn stam

het hoofdgeld te betalen en versterkte zich op den top van een vulkaan,

een uitgedoofden wel te verstaan, den Dajo.

Na vruchtelooze onderhandelingen stond men hem toe, te blijven in

zijn fort en hetgeen hij met de betaling achter was niet te storten,

op voorwaarde, dat zijn stam zich rustig hield en geen overlast

aandeed aan de onderworpen stammen in den omtrek. Alles ging

eenigen tijd goed, maar weldra begonnen de bewoners van den Dajo,

die de verzoeking niet konden weerstaan, razzia's te houden bij hun

buren. Eenige dagen vóór onze aankomst vermoordde een juramentado,

dat is iemand, die op den Koran heeft gezworen niet te sterven eer

hij een Christen heeft vermoord, met messteken een Philippino en twee

soldaten van het amerikaansche leger, die een luchtje schepten voor

de poort der stad. De schuldige was niet gevat, maar zijn signalement

was bekend en hij werd van den dato opgeëischt. Deze antwoordde,

dat hij rondom zijn verblijf onneembare barricaden had opgericht,

dat hij lachte om alle Amerikanen der wereld en hen uitnoodigde,

zich eens van hun onmacht rekenschap te komen geven.

Terstond werd er besloten, de onbeschaamdheid van het rebellische

hoofd te straffen, vooral omdat hij straffeloosheid en een schuilplaats

waarborgde aan alle misdadigers van het land. Het garnizoen van Jolo,

dat enkel uit een eskadron en een batterij bestaat, was nauwelijks

voldoende om de plaats zelve te verdedigen en daarom waren er

versterkingen gevraagd aan alle posten in de Moro-provincie, om een

marschvaardig corps te vormen onder bevel van kolonel Duncan van

het 6de infanterie. Dat corps omvatte een compagnie morosoldaten,

vijf compagnieën amerikaansche infanterie, een eskadron cavalerie,

vier veldstukken en drie mitrailleuses.

Den volgenden morgen in de vroegte vertrok de chef der expeditie met

een klein gevolg van ruiters, gidsen en enkele inlandsche helpers,

om de omgeving van den berg te onderzoeken en een plan van optreden

te ontwerpen; hij had mij uitgenoodigd hem te vergezellen. De Moro's

zijn niet gewoon, in de vlakte te vechten, en bepalen er zich steeds

toe, den vijand af te wachten achter hun verschansingen. Zoo kwam ook

onze troep ongestoord aan den voet der hoogte, die op 12 kilometer

afstands van de stad was gelegen. De hellingen van den berg Dajo,

die buitengewoon steil waren en begroeid waren met een onontwarbaar

struikgewas, konden alleen worden bestegen langs drie voetpaden

van maar eenige decimeter breedte. Wij bezochten achtervolgens de

plaatsen, waar die paadjes in de vlakte uitliepen; er werden bronnen

in de buurt gezocht, opdat de troepen er hun kampen konden opslaan,

en toen riep de kolonel de drie oudste officieren tot zich. Ieder

van hen moest een colonne aanvoeren en zou den volgenden dag met

zijn detachement overgaan tot de beklimming van den berg langs het

hem aangewezen pad. Voorloopige maatregelen werden genomen, en wij

kwamen in den namiddag te Jolo terug.

Den volgenden avond begaven de drie colonnes zich op weg, vroeg genoeg

om de tenten te kunnen opslaan en de verkenning van het terrein te

kunnen voltooien, eer de zon was opgegaan. De staf, waar ik mij bij

bevond, kwam eerst op het terrein tegen het midden van den dag. Het

gevecht was al aan den gang tegen de moro'sche voorposten, die over

de helling waren verspreid en handgemeen waren met de voorposten

der drie afdeelingen, genoemd de colonne Rivers, Bundy en Lawton,

naar de namen der aanvoerders.

Wij bezochten eerst den laatsten troep, die reeds twee man buiten

gevecht had moeten stellen. Om het oprukken te vergemakkelijken,

liet de kolonel het vuur openen uit twee bergstukken, gericht op de

versterking van palen, die men duidelijk kon zien op den rand van den

krater. Maar het verschil in niveau van ongeveer 600 meter was zeer

hinderlijk bij het schieten, dat dan ook weinig uitwerking scheen

te hebben.

Ik vroeg en verkreeg verlof, mij bij de colonne Rivers te voegen, die

bestond uit mijn vrienden uit Malabang en ik kwam ongeveer een uur

later bij hun kamp aan. De krijgsverrichtingen waren hier nog veel

minder ver gevorderd; want de verkenning was bemoeilijkt door het

vuur van een barricade, die niet was opgemerkt den vorigen avond en

die slechts 200 meter boven de vlakte lag. Kapitein Rivers, die zonder

achterdocht met zijn mannen van dien kant naderde, werd getroffen door

een kogel uit een Remingtongeweer, die hem de knie doorboorde en toen

bleef zitten tusschen het been en de slobkous. Ik voegde mij bij hem,

toen hij getransporteerd werd naar zijn tent; na een eerste verband

steeg hij te paard en keerde naar de stad terug, het bevel over zijn

eskadron aan commandant overlatend. Het overige van den dag verliep

met kleine schermutselingen zonder veel effect. De wond van kapitein

Rivers maakte, dat ik zijn tent kon erven en zijn veldbed, waarin ik

een heerlijken nacht doorbracht. Den volgenden morgen in de vroegte

werd ons een bergstuk toegevoegd, dat de colonne-chef had gerequireerd

en dat hij onder mijn bevelen plaatste, met bevel de eerste barricade

te bombardeeren, terwijl twee pelotons zich er van zouden trachten

meester te maken door een omtrekkende beweging, die mogelijk was,

doordat de helling hier betrekkelijk zwak was. Ik liet het stuk op

een heuveltje plaatsen op ongeveer 1200 meter afstands van het doel;

een dozijn kogels waren voldoende om de Moro's te verjagen uit hunne

verschansing, en wij zagen ze weldra weer den berg opgaan en achter de

boomen verdwijnen. De vesting werd intusschen eerst tegen den middag

bezet, ten gevolge van de natuurlijke hindernissen, die de infanterie

ontmoette bij het stijgen door het struikgewas.

Kapitein Köhler zond mij heen, om over dit eerste succes aan den

bevelhebber der expeditie rapport te brengen. Ik moest naar het kamp

van de colonne Bundy gaan. Na mijn rapport te hebben uitgebracht,

gaf de kolonel zijn definitieve instructies. De colonnes Lawton

en Bundy zouden den volgenden morgen bij zonsopgang aanvallen; de

colonne Rivers zou er zich toe bepalen haar tegenwoordige positie te

bewaren. De bevelen van den chef der expeditie deden mij besluiten,

mij onverwijld te voegen bij het detachement Bundy, en dadelijk begon

ik het steile pad te beklimmen, dat door hem gevolgd was. Met mij ging

een afdeeling dragers, die de vechtenden van water en levensmiddelen

moest voorzien. De bestijging was zeer bezwaarlijk; men moest bijna

voortdurend zijn handen gebruiken en zich aan de wortels vastgrijpen,

om naar boven te komen. Hier en daar waren zelfs touwen opgehangen,

waar de soldaten zich aan konden optrekken tegen enkele zoo goed als

loodrechte einden.

Na twee uur krabbelens voegde ik mij bij den staart van de colonne, die

in ganzenmarsch omhoog trok. De voorhoede werd gevormd door inlandsche

militie, die met geregelde tusschenpoozen geweerschoten wisselde

met de groote afdeeling op den top, die men door het gebladerte kon

onderscheiden. Ze vonden daar een groote barricade van een twintigtal

meters lengte en een omheining van 2 1/2 meter hoogte. Een minder

belangrijke versterking, die iets lager het voetpad versperde, was

reeds in de handen der Amerikanen gevallen, maar alle pogingen, om

er voorbij te komen, hadden schipbreuk geleden en hadden het leven

gekost aan vele soldaten, die door de Moro's waren getroffen uit de

hinderlagen en door de bamboesschietgaten in de omheining.

Bij de ontvangst der laatste bevelen verzamelde commandant Bundy

al zijn officieren, om de regeling van den aanval te treffen. Het

detachement der inlandsche politie zou voorop gaan, gesteund door

twee compagnieën amerikaansche infanterie; twee secties infanterie

en het peloton cavalerie zouden in reserve blijven. Toen de laatste

voorschriften aldus gegeven waren, ging men over tot het nuttigen

van den mondvoorraad, dien ieder van ons bij zich had. Dergelijke

maaltijden zijn zelden vroolijk; hoe dapper en hoe opgewekt de

aanzittenden ook mogen wezen, zij kunnen niet laten, hun gedachten

van tijd tot tijd te richten op het gevecht van den volgenden dag

en zich af te vragen, of de maaltijd van dien dag hen weer te zamen

zal brengen. De nacht ging zonder incidenten voorbij, ondanks de

nabijheid van den vijand, die ons nu en dan eenige schoten toezond

uit hun kleine kanonnen, met uitdagingen en scheldwoorden er tusschen.

Den volgenden morgen was ieder bij de hand lang voordat de zon opging,

ieder op zijn gevechtspost. Eindelijk gaven vijf kanonschoten uit de

vlakte het afgesproken teeken. Kapitein White, chef van de inlandsche

compagnie, stelde zich aan het hoofd van den troep en begon onder een

zeer levendig vuur de bestrijking van de 50 meter terrein, dat open

lag tusschen hem en de versterking. De steilheid van de helling meer

nog dan het vuur van den vijand maakte de vorderingen uiterst langzaam;

gelukkig werd het pad breeder en wij konden dus een paar man in linie

opstellen, om het vuur van de moro'sche schutters te beantwoorden.

Die laatsten, niet tevreden met hun tegenstanders dood te schieten

door de schietgaten, klommen weldra op de omheining en schoten

erover heen. Van onzen kant werden allen neergeschoten, die zich

door hun dweepzucht tot onvoorzichtigheid lieten verleiden. De

inlandsche militie leed groote verliezen, en spoedig moesten de beide

hulpcompagnieën aanrukken tot steun. Op dat oogenblik was kapitein

White aangekomen bij de barricade, die hij ging beklimmen met zijn

sergeant majoor en een soldaat; alle drie vielen voor ze den top hadden

bereikt. Het amerikaansche voetvolk slaagde er ten koste van groote

verliezen in, de steilte te bestijgen met de inlandsche soldaten,

die even waren teruggeweken, toen hun chef buiten gevecht was gesteld

evenals hun onderofficieren; de stoutmoedigsten waren weer aan den

voet der versterking gekomen, toen een twintigtal Moro's zich met het

blanke wapen in de hand tusschen hen stortten en het gevecht man tegen

man begon. De bajonetten en pistolen van de officieren weerden dien

tegenaanval af; maar toch werd de toestand kritiek voor de Amerikanen;

een onafgebroken reeks gewonden begon het pad af te dalen en veel

dooden lagen boven op het plateau.

Commandant Bundy liet toen zijn reserve aanrukken, die zich naar de

beide hoeken van de gevechtscolonne begaf en den aanval blies. Een

kapitein, twee luitenants en een sergeant bereikten het eerst de

verschansing; de sergeant werd gedood door een kogel, de beide

luitenants vielen ernstig gewond neer; maar kapitein Ryther bleef

overeind en schoot zijn revolver op de verdedigers af. De dato Addam,

die een kind van enkele maanden op zijn linker arm had, wierp zich op

den amerikaanschen kapitein en hief zijn kris op om hem te treffen,

toen hij, door vele kogels getroffen, terugviel. De omtrekkende

beweging was aan den rechterkant gelukt, en de soldaten, die met hun

karabijnen binnendrongen in de versterking, waren er weldra meester

van het terrein. Geen van de Moro's dacht erover te vluchten en allen

stierven met de wapens in de hand; de gewonden zelfs hieven zich nog

op, om een laatste schot te lossen op den overwinnenden vijand. Er

werden 175 lijken geteld in de omheinde ruimte en op de helling aan

den anderen kant van den krater.

Nauwelijks meesteres van dit deel van den berg, zag de colonne Bundy

zich blootgesteld aan een frontaanval, komend uit de versterkingen

bij de beide andere voetpaden, waarvan zij gescheiden was door een

diepe kloof. De inlandsche militie, die veel geleden had, werd in

veiligheid gesteld, terwijl de Amerikanen zich richtten naar de Moro's

tegenover de colonne Lawton. Door een onverklaarbaar misverstand had

deze geen enkele mededeeling van kolonel Duncan ontvangen en bleef

werkeloos op bevelen wachten. Eerst tegen drie uur in den namiddag

kwam een triomfgeschreeuw ons berichten, dat zij ook haar werk had

verricht. Weldra zagen wij onze wapenmakers op den top, terwijl ze

met bajonetsteken de Moro's afmaakten, die ons zooveel last hadden

gegeven in de laatst verloopen uren.

Er bleef nu nog slechts een enkele versterking te vermeesteren,

namelijk een bastion, het sterkste van alle, op de hoogte van het

derde voetpad. Op dat oogenblik werd, ik weet niet hoe, een bergkanon

opgeheschen en een mitrailleuse, waarna de artillerie onmiddellijk

aan het bombardement van de laatste colta begon, terwijl de rest van

onze troepen de gevallen Moro's begroeven of in den afgrond wierpen,

want we waren op vier graden afstands van den aequator en de lijken

gingen dadelijk tot ontbinding over.

Het artillerievuur had het garnizoen van de Moro-versterking sterk

gedund en toen de verdedigers zagen, dat ze overwonnen waren, besloten

ze te sterven. Zij kwamen langzaam naar buiten uit hun citadel,

schaarden zich duidelijk in het gezicht op den top en hieven toen,

zich het hoofd met hun mantels bedekkend, het doodenlied aan. Het

vuur van geweren en mitrailleuses velde de ongelukkigen met één slag;

in enkele minuten was alles afgeloopen.

De zon ging onder. Op de hoogte, waar we waren, is het des nachts

geducht koud, en daar wij allen onze dekens hadden afgestaan, om er

draagbaren voor de gewonden van te maken, konden we niet aan slapen

denken. Den geheelen nacht trachtten we te vergeefs ons te verwarmen

rondom brandende boomstammen, maar de rook verstikte ons bijna,

zonder ander gevolg. Bij zonsopgang begaf het detachement Lawton zich

op marsch, om den vijand in zijn versterking te overvallen, maar werd

door een onverwacht geweervuur ontvangen. Een dertigtal Moro's waren

binnen in de vesting gebleven, vastbesloten, om nog eenige christenen

te dooden, eer ze zelf stierven. Geen van hen had getracht in den nacht

te ontvluchten, wat hun gemakkelijk zou zijn gevallen, door gebruik te

maken van een vierde voetpad, dat eerst later ontdekt werd en dat niet

bewaakt werd, want onze gidsen wisten niets van zijn bestaan af. De

tactiek van den vorigen dag herhalend, verlieten die wanhopigen de

citadel, om zich met hun krissen op de aanvallers te storten, maar

allen stortten dood neer, eer ze de Amerikanen hadden bereikt.

Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 2 / 3 段