we den grooten weg, om een half uur verder naar het oosten een kamp
van dwangarbeiders te gaan bezoeken, niet ver van de watervallen der
rivier Agus. Die vallen zijn zonder twijfel de hoogste der wereld,
want ze stroomen van een verticale hoogte van 200 meter. Ongelukkig
is het volume water, vooral in het droge jaargetijde maar gering,
zoodat de waterval niet kan vergeleken worden met den Niagaraval of
dien van de Zambezi. Toch is het schouwspel van de kloof indrukwekkend;
de wanden zijn begroeid met een warreling van klimplanten, bestraald
door den regenboog, dien de zon in den waterval te voorschijn toovert.
Na een rit van zes uren, die een aanhoudend stijgen was, kwamen
we aan het kamp van Keithley, de voornaamste vestiging van
militairen aard op het eiland; een bergbatterij en het geheele 15de
infanterieregiment waren er opgesteld. Wij vernamen, toen we afstapten,
dat de krijgsverrichtingen tot dien tijd nog geen resultaat hadden
opgeleverd; de Moro's bleven ongrijpbaar, en de afdeeling van het 15de,
die te hunner vervolging was uitgezonden, was naar den oever van het
meer moeten terugkeeren, om zich van proviand te voorzien. Zij zouden
versterking ontvangen van een compagnie, die den volgenden dag zou
vertrekken en waar ik mij bij zou mogen aansluiten.
De overtocht over het meer werd volbracht met oude kanonneerbooten,
die de officieren van den spaanschen generaal Weyler indertijd tot
boven op het plateau hadden opgesleept met ongeloofelijke moeite;
maar ze hadden hun booten liever laten zinken, dan dat zij ze aan de
Amerikanen overlieten, toen het tractaat van Parijs hen noodzaakte
de Philippijnen te ontruimen.
Men was er in geslaagd, de booten weer te lichten; en ondanks een
verblijf van vier jaren onder water, waren ze nog in zeer goeden
staat en konden onmiddellijk weer worden gebruikt. De overtocht
duurde een uur; na een bezwaarlijke ontscheping voegden wij ons bij
de compagnie, die ons op het strand wachtte en gingen toen dadelijk
op weg, afgaande op het kompas naar een punt aan den bovenloop van de
rivier Malaig, waar een verzameling gewapende Moro's dicht bij een dorp
was gesignaleerd. Niets is lastiger dan een expeditie van dezen aard;
om beurten zakten wij tot de knieën in de modder van de rijstvelden,
moesten door plaatsen van laag water waden met de golfjes kabbelend
tot ons midden, trokken door rietvelden, die als bosschen vier meter
hoog waren, om daarna weer een steilen heuvel te beklimmen en op den
top een inlandsche versterking of cotta te doorzoeken, die door de
Moro's in den steek was gelaten.
Daar werden dan vrij groote hoeveelheden levensmiddelen, als rijst en
comotes of zoete aardappelen vernietigd, en vervolgens werd de tocht
hervat door de cogone, een dichten plantengroei van doornstruiken, zoo
opeengehoopt, dat iedere twintig meter de voorman, die het vermoeiende
werk had te doen, om voor de colonne een weg te banen, moest verwisseld
worden. Na twee uren worstelens kwamen we uit die wildernis en
ontdekten toen gauw de rivier en eenige hutten van inlanders.
De colonne plaatste zich dadelijk in gevechtsstelling; maar men
bemerkte, toen men het gevaarlijke punt naderde, dat de Moro's ons
niet hadden afgewacht; wij vonden er integendeel een amerikaansch
detachement, dat ons hielp de dorpen te verbranden. Wij dachten op
die plek ons bivak op te slaan, maar de aanwijzingen van den troep,
dien wij zoo juist hadden ontmoet, gaven den chef van onze colonne
hoop, de hand te kunnen leggen op een vijandelijke groep en de marsch
werd hervat.
Hier verlieten wij de vlakte, om ons in een bergachtig terrein
te wagen, dat met kloven was doorsneden en bedekt met bosch. Het
pad, dat wij in den aanvang volgden, verdween na korten tijd, en
wij moesten ons een weg banen dwars door lianen en struiken. Des
avonds waren we eenige kilometers in het binnenland binnengedrongen,
en hadden slechts een half dozijn inlanders ontmoet, afzonderlijke
menschen, die bij onze nadering de vlucht namen en van wie twee met
geweerschoten gedood werden.
Het kamp werd midden in het bosch opgeslagen; de dragers haalden in
hun lange bamboekokers water, waarmee wij een frugaal maal van spek
en beschuit besproeiden, het gewone rantsoen van den amerikaanschen
soldaat te velde. De nacht ging zonder incidenten voorbij, en den
volgenden dag begaven we ons weer terug naar het meer, dat door
de colonne werd bereikt bij de monding van de rivier Sauir. De
kanonneerboot voegde zich daar bij ons; er stapte een officier
van den staf uit en vertelde ons, dat daar de andere afdeelingen
geen beter resultaten hadden verkregen dan wij, de kolonel, die
de troepen in de provincie aanvoerde, het bevel had gegeven, de
vervolging te staken en de soldaten naar hun garnizoenen te doen
terugkeeren. De krijgsverrichtingen hadden tien dagen geduurd;
er waren een twintigtal oproerlingen gedood en bijna al hun dorpen
verbrand, terwijl de Amerikanen slechts twee man hadden verloren,
van wie één verdronken was.
Ik kwam weer te Keithley met de troepen aan en stak het meer opnieuw
over, om mij naar het Vicarskamp te begeven, aan het einde van
den weg, die van Malabang komt, de haven op het zuidelijke punt der
landengte. Een nieuw escorte en een paard stonden bij de aanlegplaats
op mij te wachten; mijn kist met levensmiddelen werd op een pakezel
geladen, die in galop voor ons uitging. Na twee uren klimmens in
den nacht kwamen we bij den post, die na eerst de voornaamste op de
Philippijnen te zijn geweest, thans nog twee compagnieën bevat. Ik
bracht er den nacht door. Den overtocht over de Lanaolandengte
volbracht ik den volgenden dag in een wagen van den troep, die leeg
naar Malabang terugging; de weg, die, tegen de amerikaansche gewoonte,
zeer goed was onderhouden, gaat door een prachtig, tropisch woud,
dat even weelderig is als de bosschen op Java. Nog dien eigen avond
was ik te Malabang, een stadje van ongeveer vier honderd inwoners,
half Philippino's, half Moro's.
De gebrekkige inrichting van het scheepvaartverkeer dwong mij hier
tot een derde periode van werkeloosheid, in afwachting van een boot
voor Manilla, die Malabang aandeed. Ondanks de twee belangwekkende
uitstapjes, die ik op het eiland Mindanao kon doen, was het mij een
teleurstelling, dat ik geen enkel gevecht had bijgewoond en ik zag
zonder geestdrift het oogenblik naderen, waarop ik de provincie Moro
zou moeten verlaten, om platzak in de hoofdstad terug te keeren.
Op den dag van mijn vertrek kwamen de officieren van het garnizoen
in de club samen, om mij goede reis te wenschen. Wij zaten allen aan
tafel, toen de bevelvoerende kolonel buiten adem kwam aanloopen,
met een papier zwaaiend. Het was een telegram, dat hij juist van
het hoofdkwartier had ontvangen en dat hij ons liet lezen, zoodra
een glas whisky hem op zijn verhaal had gebracht. Hem werd bevolen,
dienzelfden dag twee compagnieën infanterie en een half escadron
onder bevel van kapitein Rivers te laten vertrekken naar het eiland
Jolo, waar een gevecht onvermijdelijk was geworden. Een storm van
toejuichingen ontving het telegram, en terwijl de getrouwde officieren,
die voor den tocht waren aangewezen, gauw verdwenen, om afscheid te
nemen van hun gezinnen, ledigden de ongetrouwden de kelders van de
club en dronken op hun toekomstige heldendaden.
Des avonds had de inscheping der troepen plaats, en daar men de
voorzorg had genomen, het materieel te voren te pakken, ging alles
vlug en goed in de volslagen duisternis. Onze boot was een kleine
stoomer, de _Busuanga_, van zoo wat 200 tonnen inhoud en kustbewaker
gedoopt, zeker omdat er een mitrailleuse aan boord was. Er zijn twaalf
schepen van dien aard op de Philippijnen; alle onder het bevel van
vredelievende kapiteins van de groote vaart. Ze worden gebruikt voor
het vervoer van ambtenaren en reizigers naar de kleine eilanden van
den Archipel, waar de geregeld varende booten niet komen.
Op de _Busuanga_ is plaats voor elf passagiers, en wij waren aan boord
met 260 man. Het was er niet om uit te houden, en men kon geen vin
verroeren. De soldaten lagen mannetje aan mannetje, en enkelen konden
zich niet eens flink uitstrekken, en telkens als men zich even wilde
verplaatsen, moest men over de slapers heen stappen, met gevaar van
iemand te trappen. Wat de officieren aangaat, die waren genoodzaakt,
den geheelen nacht op te blijven in de kleine hut, die als salon
dienst deed. Den volgenden morgen werd de situatie er niet beter op
door een vrij harden wind, die ons aangreep van ter zijde nadat we
de Basilanstraat door waren. Wij schepten herhaaldelijk stortzeeën,
maar de lastige douches deden geen afbreuk aan de vroolijkheid der
soldaten. Zij waren blij met dien eigenaardigen doop, die hen voor
het vuur der Moro's zou beveiligen.
Om zes uur in den avond van den 3den Maart kwamen wij in de kleine
haven van Jolo en sprongen aan land, gelukkig de beenen eens te kunnen
strekken na onze 22 uren van gedwongen stilzitten. Wij werden verdeeld
over de verschillende woningen van het dorp; ik werd de gast van den
eskadronchef Wilcox, commandant van de plaats, die zich haastte mij op
de hoogte te brengen van den stand van zaken en van de gebeurtenissen,
die onze expeditie noodig hadden gemaakt.
De Moro's van Jolo zijn de dweepziekste van den geheelen
Archipel. Ondanks hun gering aantal van ten hoogste twintig
duizend, met inbegrip van de uit Borneo gekomenen, hebben ze
altijd den Spanjaarden veel last bezorgd en hun ook wel verliezen
berokkend. Toen in 1902 de sultan van Jolo zich aan de Amerikanen
onderwierp, lieten hem zijn onderdanen in den steek en weigerden
gehoorzaamheid aan iemand, die de slaaf der christenen was geworden
en wiens gezag zij dus niet langer konden erkennen. Sedert dien is
het eiland nooit volkomen tot rust gebracht. Eenige maanden geleden
weigerde een der voornaamste hoofden, de dato Addam, voor zijn stam
het hoofdgeld te betalen en versterkte zich op den top van een vulkaan,
een uitgedoofden wel te verstaan, den Dajo.
Na vruchtelooze onderhandelingen stond men hem toe, te blijven in
zijn fort en hetgeen hij met de betaling achter was niet te storten,
op voorwaarde, dat zijn stam zich rustig hield en geen overlast
aandeed aan de onderworpen stammen in den omtrek. Alles ging
eenigen tijd goed, maar weldra begonnen de bewoners van den Dajo,
die de verzoeking niet konden weerstaan, razzia's te houden bij hun
buren. Eenige dagen vóór onze aankomst vermoordde een juramentado,
dat is iemand, die op den Koran heeft gezworen niet te sterven eer
hij een Christen heeft vermoord, met messteken een Philippino en twee
soldaten van het amerikaansche leger, die een luchtje schepten voor
de poort der stad. De schuldige was niet gevat, maar zijn signalement
was bekend en hij werd van den dato opgeëischt. Deze antwoordde,
dat hij rondom zijn verblijf onneembare barricaden had opgericht,
dat hij lachte om alle Amerikanen der wereld en hen uitnoodigde,
zich eens van hun onmacht rekenschap te komen geven.
Terstond werd er besloten, de onbeschaamdheid van het rebellische
hoofd te straffen, vooral omdat hij straffeloosheid en een schuilplaats
waarborgde aan alle misdadigers van het land. Het garnizoen van Jolo,
dat enkel uit een eskadron en een batterij bestaat, was nauwelijks
voldoende om de plaats zelve te verdedigen en daarom waren er
versterkingen gevraagd aan alle posten in de Moro-provincie, om een
marschvaardig corps te vormen onder bevel van kolonel Duncan van
het 6de infanterie. Dat corps omvatte een compagnie morosoldaten,
vijf compagnieën amerikaansche infanterie, een eskadron cavalerie,
vier veldstukken en drie mitrailleuses.
Den volgenden morgen in de vroegte vertrok de chef der expeditie met
een klein gevolg van ruiters, gidsen en enkele inlandsche helpers,
om de omgeving van den berg te onderzoeken en een plan van optreden
te ontwerpen; hij had mij uitgenoodigd hem te vergezellen. De Moro's
zijn niet gewoon, in de vlakte te vechten, en bepalen er zich steeds
toe, den vijand af te wachten achter hun verschansingen. Zoo kwam ook
onze troep ongestoord aan den voet der hoogte, die op 12 kilometer
afstands van de stad was gelegen. De hellingen van den berg Dajo,
die buitengewoon steil waren en begroeid waren met een onontwarbaar
struikgewas, konden alleen worden bestegen langs drie voetpaden
van maar eenige decimeter breedte. Wij bezochten achtervolgens de
plaatsen, waar die paadjes in de vlakte uitliepen; er werden bronnen
in de buurt gezocht, opdat de troepen er hun kampen konden opslaan,
en toen riep de kolonel de drie oudste officieren tot zich. Ieder
van hen moest een colonne aanvoeren en zou den volgenden dag met
zijn detachement overgaan tot de beklimming van den berg langs het
hem aangewezen pad. Voorloopige maatregelen werden genomen, en wij
kwamen in den namiddag te Jolo terug.
Den volgenden avond begaven de drie colonnes zich op weg, vroeg genoeg
om de tenten te kunnen opslaan en de verkenning van het terrein te
kunnen voltooien, eer de zon was opgegaan. De staf, waar ik mij bij
bevond, kwam eerst op het terrein tegen het midden van den dag. Het
gevecht was al aan den gang tegen de moro'sche voorposten, die over
de helling waren verspreid en handgemeen waren met de voorposten
der drie afdeelingen, genoemd de colonne Rivers, Bundy en Lawton,
naar de namen der aanvoerders.
Wij bezochten eerst den laatsten troep, die reeds twee man buiten
gevecht had moeten stellen. Om het oprukken te vergemakkelijken,
liet de kolonel het vuur openen uit twee bergstukken, gericht op de
versterking van palen, die men duidelijk kon zien op den rand van den
krater. Maar het verschil in niveau van ongeveer 600 meter was zeer
hinderlijk bij het schieten, dat dan ook weinig uitwerking scheen
te hebben.
Ik vroeg en verkreeg verlof, mij bij de colonne Rivers te voegen, die
bestond uit mijn vrienden uit Malabang en ik kwam ongeveer een uur
later bij hun kamp aan. De krijgsverrichtingen waren hier nog veel
minder ver gevorderd; want de verkenning was bemoeilijkt door het
vuur van een barricade, die niet was opgemerkt den vorigen avond en
die slechts 200 meter boven de vlakte lag. Kapitein Rivers, die zonder
achterdocht met zijn mannen van dien kant naderde, werd getroffen door
een kogel uit een Remingtongeweer, die hem de knie doorboorde en toen
bleef zitten tusschen het been en de slobkous. Ik voegde mij bij hem,
toen hij getransporteerd werd naar zijn tent; na een eerste verband
steeg hij te paard en keerde naar de stad terug, het bevel over zijn
eskadron aan commandant overlatend. Het overige van den dag verliep
met kleine schermutselingen zonder veel effect. De wond van kapitein
Rivers maakte, dat ik zijn tent kon erven en zijn veldbed, waarin ik
een heerlijken nacht doorbracht. Den volgenden morgen in de vroegte
werd ons een bergstuk toegevoegd, dat de colonne-chef had gerequireerd
en dat hij onder mijn bevelen plaatste, met bevel de eerste barricade
te bombardeeren, terwijl twee pelotons zich er van zouden trachten
meester te maken door een omtrekkende beweging, die mogelijk was,
doordat de helling hier betrekkelijk zwak was. Ik liet het stuk op
een heuveltje plaatsen op ongeveer 1200 meter afstands van het doel;
een dozijn kogels waren voldoende om de Moro's te verjagen uit hunne
verschansing, en wij zagen ze weldra weer den berg opgaan en achter de
boomen verdwijnen. De vesting werd intusschen eerst tegen den middag
bezet, ten gevolge van de natuurlijke hindernissen, die de infanterie
ontmoette bij het stijgen door het struikgewas.
Kapitein Köhler zond mij heen, om over dit eerste succes aan den
bevelhebber der expeditie rapport te brengen. Ik moest naar het kamp
van de colonne Bundy gaan. Na mijn rapport te hebben uitgebracht,
gaf de kolonel zijn definitieve instructies. De colonnes Lawton
en Bundy zouden den volgenden morgen bij zonsopgang aanvallen; de
colonne Rivers zou er zich toe bepalen haar tegenwoordige positie te
bewaren. De bevelen van den chef der expeditie deden mij besluiten,
mij onverwijld te voegen bij het detachement Bundy, en dadelijk begon
ik het steile pad te beklimmen, dat door hem gevolgd was. Met mij ging
een afdeeling dragers, die de vechtenden van water en levensmiddelen
moest voorzien. De bestijging was zeer bezwaarlijk; men moest bijna
voortdurend zijn handen gebruiken en zich aan de wortels vastgrijpen,
om naar boven te komen. Hier en daar waren zelfs touwen opgehangen,
waar de soldaten zich aan konden optrekken tegen enkele zoo goed als
loodrechte einden.
Na twee uur krabbelens voegde ik mij bij den staart van de colonne, die
in ganzenmarsch omhoog trok. De voorhoede werd gevormd door inlandsche
militie, die met geregelde tusschenpoozen geweerschoten wisselde
met de groote afdeeling op den top, die men door het gebladerte kon
onderscheiden. Ze vonden daar een groote barricade van een twintigtal
meters lengte en een omheining van 2 1/2 meter hoogte. Een minder
belangrijke versterking, die iets lager het voetpad versperde, was
reeds in de handen der Amerikanen gevallen, maar alle pogingen, om
er voorbij te komen, hadden schipbreuk geleden en hadden het leven
gekost aan vele soldaten, die door de Moro's waren getroffen uit de
hinderlagen en door de bamboesschietgaten in de omheining.
Bij de ontvangst der laatste bevelen verzamelde commandant Bundy
al zijn officieren, om de regeling van den aanval te treffen. Het
detachement der inlandsche politie zou voorop gaan, gesteund door
twee compagnieën amerikaansche infanterie; twee secties infanterie
en het peloton cavalerie zouden in reserve blijven. Toen de laatste
voorschriften aldus gegeven waren, ging men over tot het nuttigen
van den mondvoorraad, dien ieder van ons bij zich had. Dergelijke
maaltijden zijn zelden vroolijk; hoe dapper en hoe opgewekt de
aanzittenden ook mogen wezen, zij kunnen niet laten, hun gedachten
van tijd tot tijd te richten op het gevecht van den volgenden dag
en zich af te vragen, of de maaltijd van dien dag hen weer te zamen
zal brengen. De nacht ging zonder incidenten voorbij, ondanks de
nabijheid van den vijand, die ons nu en dan eenige schoten toezond
uit hun kleine kanonnen, met uitdagingen en scheldwoorden er tusschen.
Den volgenden morgen was ieder bij de hand lang voordat de zon opging,
ieder op zijn gevechtspost. Eindelijk gaven vijf kanonschoten uit de
vlakte het afgesproken teeken. Kapitein White, chef van de inlandsche
compagnie, stelde zich aan het hoofd van den troep en begon onder een
zeer levendig vuur de bestrijking van de 50 meter terrein, dat open
lag tusschen hem en de versterking. De steilheid van de helling meer
nog dan het vuur van den vijand maakte de vorderingen uiterst langzaam;
gelukkig werd het pad breeder en wij konden dus een paar man in linie
opstellen, om het vuur van de moro'sche schutters te beantwoorden.
Die laatsten, niet tevreden met hun tegenstanders dood te schieten
door de schietgaten, klommen weldra op de omheining en schoten
erover heen. Van onzen kant werden allen neergeschoten, die zich
door hun dweepzucht tot onvoorzichtigheid lieten verleiden. De
inlandsche militie leed groote verliezen, en spoedig moesten de beide
hulpcompagnieën aanrukken tot steun. Op dat oogenblik was kapitein
White aangekomen bij de barricade, die hij ging beklimmen met zijn
sergeant majoor en een soldaat; alle drie vielen voor ze den top hadden
bereikt. Het amerikaansche voetvolk slaagde er ten koste van groote
verliezen in, de steilte te bestijgen met de inlandsche soldaten,
die even waren teruggeweken, toen hun chef buiten gevecht was gesteld
evenals hun onderofficieren; de stoutmoedigsten waren weer aan den
voet der versterking gekomen, toen een twintigtal Moro's zich met het
blanke wapen in de hand tusschen hen stortten en het gevecht man tegen
man begon. De bajonetten en pistolen van de officieren weerden dien
tegenaanval af; maar toch werd de toestand kritiek voor de Amerikanen;
een onafgebroken reeks gewonden begon het pad af te dalen en veel
dooden lagen boven op het plateau.
Commandant Bundy liet toen zijn reserve aanrukken, die zich naar de
beide hoeken van de gevechtscolonne begaf en den aanval blies. Een
kapitein, twee luitenants en een sergeant bereikten het eerst de
verschansing; de sergeant werd gedood door een kogel, de beide
luitenants vielen ernstig gewond neer; maar kapitein Ryther bleef
overeind en schoot zijn revolver op de verdedigers af. De dato Addam,
die een kind van enkele maanden op zijn linker arm had, wierp zich op
den amerikaanschen kapitein en hief zijn kris op om hem te treffen,
toen hij, door vele kogels getroffen, terugviel. De omtrekkende
beweging was aan den rechterkant gelukt, en de soldaten, die met hun
karabijnen binnendrongen in de versterking, waren er weldra meester
van het terrein. Geen van de Moro's dacht erover te vluchten en allen
stierven met de wapens in de hand; de gewonden zelfs hieven zich nog
op, om een laatste schot te lossen op den overwinnenden vijand. Er
werden 175 lijken geteld in de omheinde ruimte en op de helling aan
den anderen kant van den krater.
Nauwelijks meesteres van dit deel van den berg, zag de colonne Bundy
zich blootgesteld aan een frontaanval, komend uit de versterkingen
bij de beide andere voetpaden, waarvan zij gescheiden was door een
diepe kloof. De inlandsche militie, die veel geleden had, werd in
veiligheid gesteld, terwijl de Amerikanen zich richtten naar de Moro's
tegenover de colonne Lawton. Door een onverklaarbaar misverstand had
deze geen enkele mededeeling van kolonel Duncan ontvangen en bleef
werkeloos op bevelen wachten. Eerst tegen drie uur in den namiddag
kwam een triomfgeschreeuw ons berichten, dat zij ook haar werk had
verricht. Weldra zagen wij onze wapenmakers op den top, terwijl ze
met bajonetsteken de Moro's afmaakten, die ons zooveel last hadden
gegeven in de laatst verloopen uren.
Er bleef nu nog slechts een enkele versterking te vermeesteren,
namelijk een bastion, het sterkste van alle, op de hoogte van het
derde voetpad. Op dat oogenblik werd, ik weet niet hoe, een bergkanon
opgeheschen en een mitrailleuse, waarna de artillerie onmiddellijk
aan het bombardement van de laatste colta begon, terwijl de rest van
onze troepen de gevallen Moro's begroeven of in den afgrond wierpen,
want we waren op vier graden afstands van den aequator en de lijken
gingen dadelijk tot ontbinding over.
Het artillerievuur had het garnizoen van de Moro-versterking sterk
gedund en toen de verdedigers zagen, dat ze overwonnen waren, besloten
ze te sterven. Zij kwamen langzaam naar buiten uit hun citadel,
schaarden zich duidelijk in het gezicht op den top en hieven toen,
zich het hoofd met hun mantels bedekkend, het doodenlied aan. Het
vuur van geweren en mitrailleuses velde de ongelukkigen met één slag;
in enkele minuten was alles afgeloopen.
De zon ging onder. Op de hoogte, waar we waren, is het des nachts
geducht koud, en daar wij allen onze dekens hadden afgestaan, om er
draagbaren voor de gewonden van te maken, konden we niet aan slapen
denken. Den geheelen nacht trachtten we te vergeefs ons te verwarmen
rondom brandende boomstammen, maar de rook verstikte ons bijna,
zonder ander gevolg. Bij zonsopgang begaf het detachement Lawton zich
op marsch, om den vijand in zijn versterking te overvallen, maar werd
door een onverwacht geweervuur ontvangen. Een dertigtal Moro's waren
binnen in de vesting gebleven, vastbesloten, om nog eenige christenen
te dooden, eer ze zelf stierven. Geen van hen had getracht in den nacht
te ontvluchten, wat hun gemakkelijk zou zijn gevallen, door gebruik te
maken van een vierde voetpad, dat eerst later ontdekt werd en dat niet
bewaakt werd, want onze gidsen wisten niets van zijn bestaan af. De
tactiek van den vorigen dag herhalend, verlieten die wanhopigen de
citadel, om zich met hun krissen op de aanvallers te storten, maar
allen stortten dood neer, eer ze de Amerikanen hadden bereikt.