"Op het eiland Samar vermoorden groepen pulajana's, dat zijn

Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team

Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen.

Naar het Fransch van _Reginald Kann_.

Ik kwam op het eind van Januari 1906 te Manilla met het plan, de

organisatie der inlandsche troepen te bestudeeren, die de Amerikanen

op de Philippijnen hadden gevormd. Ik stelde mij voor, mij dadelijk

in verbinding te stellen met den militairen gouverneur, ten einde

de inlichtingen te verkrijgen, die ik bij mijn onderzoek noodig had;

maar ik vernam, dat de commandant van het bezettingscorps op het punt

stond zich in te schepen, om naar de Vereenigde Staten te vertrekken

en dat zijn opvolger, generaal Wood, eerst over veertien dagen of

drie weken zou aankomen, om hem te vervangen. Ik was dus verplicht

al wachtend, den steun in te roepen van de civiele autoriteiten.

Het burgerlijk bestuur van den Archipel is sedert April 1900

geconstitueerd door een commissie, bestaande uit acht leden, van wie

vijf Amerikanen en drie Philippino's zijn. Die commissie is belast

met het ontwerpen van wetten en moest, nadat ze door het Congres van

Washington bekrachtigd waren, de wetten van kracht doen zijn en voor de

naleving waken; met dat doel is aan de vijf amerikaansche leden, boven

en behalve hun wetgevende macht, ook ministeriëel gezag toegekend.

Op die wijze zijn in het leven geroepen de departementen van

Binnenlandsche Zaken, van Handel, en Politie, van Openbaar Onderwijs en

van Justitie en Financiën; de vijfde amerikaansche commissaris neemt

den titel aan van gouverneur-generaal zonder bepaald aangewezen

functies. Deze organisatie, met de opeenhooping van macht, is

mogelijk geworden door de zeer uitgebreide prerogatieven, gegund aan

de provinciale gouverneurs, die met de commissie in betrekking staan

door tusschenkomst van den Uitvoerenden Secretaris. Tot dien ambtenaar

wendde ik mij met een schrijven van den franschen consul, waarbij

mij op het hart werd gedrukt, geen misbruik te maken van des heeren

Fergusson's tijd, daar hij de meest bezette man was op de Philippijnen.

De echt amerikaansche manier, waarop de heer Fergusson audiëntie

verleent, de juistheid, waarmee hij zijn ondervrager op de hoogte

brengt van hetgeen deze verlangt te weten, vergunt mij te zeggen,

dat als niemand het drukker heeft dan hij in den Archipel, ook niemand

actiever en practischer en beter ingelicht is.

Ik begaf mij rechtstreeks van het consulaat naar het paleis van de

Ayuntamiento, waar de leden van de regeering zetelen. De portier

deelde mij mee, dat de heer Fergusson aanwezig was en dat zijn

kantoor zich op de eerste verdieping bevond. Ik ging naar boven,

maar zocht te vergeefs naar een bediende of zelfs een jongen, wien ik

mijn kaartje ter hand kon stellen en den brief van den consul, om een

audiëntie aan te vragen. Ik dwaalde lang in een doolhof van gangen en

vond ten slotte een half openstaande deur met het opschrift erboven:

"Executive Secretary".

Er kwam een geluid van stemmen uit het vertrek. Na eenige aarzeling

klopte ik meermalen aan de deur, en daar ik in het geheel geen

antwoord kreeg, besloot ik binnen te treden. Er was in de kamer als

eenig ameublement een rij stoelen, bezet door verscheiden bezoekers,

Amerikanen en Philippino's, en een lessenaar, waarachter de heer

Fergusson was gezeten. Zonder het woord tot mij te richten, gaf

hij mij een wenk, om te gaan zitten naast de andere personen, wier

verzoeken hij met een paar woorden afdeed, terwijl hij met eenzelfde

gemak Engelsch als Spaansch sprak.

Toen mijn beurt kwam, nam hij kennis van den brief, die mij bij

hem introduceerde, en verzekerde mij daarna in vriendelijke woorden

en even vrij van étiquette als zijn ontvangst was geweest, dat hij

alles, wat hem mogelijk, zou doen, om mij de vervulling van mijn taak

gemakkelijk te maken. "De eenige man, die u werkelijk van dienst kan

zijn", voegde hij erbij, "is generaal Wood, die op het oogenblik in het

Zuiden is. Ik raad u aan, hem hier af te wachten, want als u hem gingt

zoeken, zoudt u gevaar hebben, hem mis te loopen. Wat onze inlandsche

troepen aangaat, die bestaan zoowel uit geregelde troepen, die wij

'native scouts' of nationale verkenners noemen, als uit een militie,

de constabulary, die, hoewel op militaire manier georganiseerd,

onder de burgerlijke regeering staat en dus aan de Commissie moet

gehoorzamen. Ik zal u dadelijk een paar woorden van introductie aan

den kapitein meegeven en voor enkele andere ambtenaren, tot wie u

zich met goed gevolg zult kunnen richten."

Zoo gezegd, zoo gedaan; de heer Fergusson riep een klerk, die onder

zijn dictée stenografeerde. Daarna leidde hij mij voor een groote

kaart van den Archipel, welke kaart met enkele reclamebiljetten van

scheepvaartmaatschappijen de eenige wandversiering van de zaal was,

en zei:

"Als u onze inlandsche troepen wilt bestudeeren, schijnt het mij

noodig, dat u zich vooraf eenigszins op de hoogte stelt van de

verschillende volksstammen, die de eilanden bewonen, van den algemeenen

toestand van het land en van de staatkunde, die wij volgen ten opzichte

van de onder ons bestuur gekomen menschen. Ik zal u terstond doen

toekomen het werk, dat drie jaar geleden geschreven is door het hoofd

van den dienst der volkstelling naar aanleiding van zijn werkzaamheden,

alsook de rapporten, die wij jaarlijks naar Washington zenden. Dat

zal u helpen, de avonden te slijten, want wij hebben hier nog geen

vermaken, geen schouwburg, noch music hall. Intusschen zal ik even

in een paar woorden voor u samenvatten, wat u meer in bijzonderheden

zult kunnen lezen in de geschriften, die ik u noemde.

"Wij verdeelen de bevolking van de Philippijnen in drie algemeene

groepen naar hun godsdienst. Vooreerst de heidenen, inboorlingen, die

in de bergstreken wonen, waar de werkzaamheid der spaansche zendelingen

hen niet heeft bereikt. Ofschoon de verschillende stammen vaak met

elkaar in onderlingen strijd zijn, vallen ze de hooger staande rassen

niet aan en hebben nooit reden van bezorgdheid gegeven, noch aan

de Spanjaarden, noch aan ons. Het zijn in den vollen zin des woords

barbaren, en men heeft ze zelfs wel beschuldigd van menscheneten. Wij

beginnen nog pas, ons met hen te bemoeien, door een paar scholen op

te richten, die tot nu toe maar poovere resultaten hebben opgeleverd.

"De tweede groep is die der Mohammedanen, die het Zuidwesten van

den Archipel bewonen, waar vele districten zijn samengevoegd tot wat

wij de Moro-provincie noemen, een streek, die aan een afzonderlijk

bestuur is onderworpen, dat onder de militaire autoriteiten staat en

waar generaal Wood het bevel voert.

"Eindelijk de groote meerderheid der inlandsche bevolking, meer dan

negen tienden, bestaande uit de christenen, Maleiers, als de Moro's,

maar vermengd met spaansch of chineesch bloed.

"In de steden vindt men bijna niet anders dan zulke kleurlingen,

en daar vertoont dan ook de christelijke bevolking alle tinten, waar

de menschenhuid voor vatbaar is, en alle beschavingen ook. Naast den

blanke, die nauwelijks aan de nagels nog laat zien, dat er gemengd

bloed door zijn aderen stroomt, die voor rechtsgeleerde of geneesheer

is opgeleid aan een europeesche universiteit, zult u den bergbewoner

vinden, die een afgod bezit, beschermer van zijn dorp, en aan dien

god menschen ten offer brengt.

"Zoo is het volk, dat wij geroepen zijn te bestudeeren, zoo

ingewikkeld, dat alle bestuursmaatregelen tot bezwaren aanleiding

geven en zeer moeilijk zijn toe te passen".

Daar de brieven, die mijn beminnelijke vraagbaak voor mij had

gedicteerd, inmiddels in het net overgeschreven, waren binnengebracht,

nam ik afscheid, om te gaan kennis maken met degenen, tot wie ze

waren gericht. Toen ik een uur later in mijn hotel kwam, vond ik er

de twaalf deelen, beloofd door den heer Fergusson, reeds wachtend op

mijn schrijftafel.

Ik verdeelde nu verder mijn tijd tusschen het lezen van die documenten,

de studie van de organisatie van de constabulary in het hoofdkwartier

van Binondo, en het bezoek aan Manilla en de omstreken.

Manilla is geen stad in den eigenlijken zin des woords, maar de

vereeniging van verschillende neerzettingen langs de zee en de

rivier de Pasig. Eerst ligt boven de monding aan den zuidelijken

oever de oude spaansche stad, omringd door een wal met bastions en

een gracht, die thans gedempt wordt ten behoeve van den algemeenen

gezondheidstoestand. De oude esplanade, die zeer uitgestrekt is,

werd gedeeltelijk in een bescheiden Botanischen Tuin herschapen, niet

te vergelijken met die der andere steden aan de Chineesche Zee. De

open ruimte aan zee aan den voet der wallen wordt ingenomen door een

groote grasvlakte, waar twee muziekkiosken staan, enkele lantaarns

met booglampen en houten rustbanken. Het is de Luneta, de beroemde

promenade van Manilla, waar de met wapens in de hand gevangen genomen

opstandelingen zijn terechtgesteld. Achter de Luneta vindt men de

aangename nieuwe wijken Ermita en Malate, waar in vrij goede villa's

de hooge ambtenaren en rijke kooplieden wonen.

De rechteroever van de Pasig loopt langs de handelswijk, in haar

geheele lengte doorsneden door een groote straat, de Escolta, die

voor Manilla is wat het Strand voor Londen, en de Avenue de l'Opéra

voor Parijs is. Daarna volgt de chineesche wijk Binondo. Eindelijk

breidt zich rondom deze kern, waar alleen vreemdelingen en rijke

Philippino's wonen, een breede kring uit van inlandsche dorpen, een

waar woud van hutten van bamboes, op palen gebouwd en met nipabladeren

gedekt, het riet uit dit land. Het aantal inwoners van de heele stad

is meer dan 200 000.

Manilla bezit weinig belangwekkende bouwwerken buiten een massa zeer

oude kerken van een bijzonder stevigen bouwtrant, omdat ze bestemd

waren om weerstand te moeten bieden aan de hevige aardbevingen,

die het eiland Luzon herhaaldelijk teisteren. Eenige ervan hebben

houten en bronzen versiering van beeldhouwwerk, maar de versiering is

zoowel binnen als buiten de kerk armoedig en van slechten smaak. De

eenige curiositeiten van de stad, die waard zijn bezocht te worden,

zijn het kerkhof van Paco en de gevangenis van Bilibid.

Het Pacokerkhof wordt alleen gebruikt voor de klasse der rijken;

het aantal dooden, dat er wordt toegelaten, is zeer beperkt en

de huur van de nissen van het columbarium is verbazend hoog. Daar

iedere familie, die zich respecteert, aan haar leden om haren rang

op te houden, althans tijdelijk een graf op het kerkhof van Paco moet

verzekeren, worden de lijken er voor een bepaalden tijd heengebracht,

waarvan de duur afhangt van de geldmiddelen der bloedverwanten

van den overledene. Als de familie ophoudt met het betalen van de

maandelijksche bijdragen, worden de lijken opgegraven en opeengehoopt

in een gemetselde gang, die rondom het kerkhof loopt en die de

deposito wordt genoemd. Daar de lijken daar dikwijls reeds eenige

weken na den dood worden heengebracht, wordt die doodengang, vooral in

een tijd van epidemieën, veranderd in een waar lijkenhuis in de open

lucht, dat zeer veel gevaar voor de levenden oplevert. De Amerikanen

hebben gepoogd, het gebruik van de deposito tegen te gaan, maar ze

moesten dat plan laten varen om de tegenwerpingen van de bewoners,

die weigerden afstand te doen van de gewoonte hunner voorvaderen.

De gevangenis van Bilibid, die ruim is en weelderig ingericht, is

tegelijk voor blanke en inlandsche veroordeelden in gebruik. Evenals op

het kerkhof van Paco, leveren de hoogere klassen van de bevolking een

groot deel van de tijdelijke bewoners. Men ontmoet daar, broederlijk

naast elkander, oud-opstandelingengeneraals en amerikaansche ambtenaren

die al te veel hielden van de staatsdollars. Allen dragen de zwart en

grijze jersey van de dwangarbeiders en hun haar is afgeschoren; maar

zelfs in die weinig flatteerende uniform houden ze het prestige van hun

vroegeren rang, en de bewakers spreken tot hen met een zekeren eerbied.

Als iedere tropische stad, en eigenlijk nog meer dan elke andere,

is Manilla het grootste deel van den dag in slaap. Des morgens zijn

alleen de Escolta en de aangrenzende straten een beetje levendig;

alle beweging houdt om elf uur ongeveer op, en de wandelaar, die

door de verlaten straat loopt, heeft een zware stilte om zich heen,

alleen afgebroken door het getik van de schrijfmachines onder de

handen van de amerikaansche klerken, die op hun kantoren zitten te

werken in hemdsmouwen, met een groen schermpje op het voorhoofd. De

bewoners ontrukken zich met moeite aan hun slaapje tegen vier uur

en gaan dan in menigte naar de Luneta, waar duizenden menschen uit

Manilla zich in groepjes op het gras uitspreiden, om het afgebroken

dutje te hervatten, in slaap gewiegd door de tonen van een militair

orkest. Rondom het plein rijden ruiters en met vlugge, kleine poney's

bespannen rijtuigen voortdurend in het rond, als in een draaimolen.

De stad der inlanders is nog doodscher dan die van de

Europeanen. Menschen en dieren rusten er onafgebroken; zelfs de

voertuigen, getrokken door reusachtige buffels, die zwaarder en

langzamer zijn dan kameelen, geven een indruk van slaperigheid en

verdooving. De man uit het volk voegt de luiheid van den Maleier bij

de indolentie vol minachting van den Spanjaard; hij wordt alleen des

Zondags wakker, om 's morgens naar de kerk te gaan en in den namiddag

naar de hanengevechten.

Altijd in Manilla teruggehouden door de mogelijkheid van de terugkomst

van generaal Wood, verliet ik de hoofdstad niet dan enkel voor kleine

uitstapjes van niet langer dan een dag. Het interessantste was dat

naar Malolos, waar ik een bezoek bracht aan eenige officieren, die mij

hadden uitgenoodigd, om hun troep te komen inspecteeren. Malolos,

hoofdstad van de provincie Bulacan, is beroemd geworden door

Aguinaldo, die er in het begin van den opstand de hoofdstad had van

zijn kortstondige republiek.

Men gaat naar die stad met den spoorweg, dat is langs de eenige lijn

die in den Archipel bestaat en die Manilla met Dagupan verbindt aan

de Lingayengolf. Het is merkwaardig, op te merken, dat de Amerikanen,

die de grootste spoorwegondernemers ter wereld zijn, tot nu toe geen

kilometer nieuwen spoorweg op de Philippijnen hebben aangelegd, want

de lijn van Dagupan dateert uit den spaanschen tijd en is door een

engelsche maatschappij uitgevoerd.

In het algemeen zijn de openbare werken van den kant der regeering

volstrekt niet het voorwerp eener aanhoudende zorg geweest, en de

onverschilligheid der Commissie in dit opzicht is een der ernstigste

grieven van de Philippino's tegen de nieuwe meesters, die de taak op

zich hebben genomen, om hen te besturen. Niet enkel is geen spoorweg

aangelegd, maar zelfs het wegennet wordt zeer slecht onderhouden en

weinig uitgebreid, ofschoon dat de voorwaarde is voor de welvaart der

boeren, die hun waren aan de markt moeten brengen en naar de havens van

uitvoer. De inboorlingen klagen ook over de zelfzucht der gezaghebbers

uit Amerika in het verdeelen der middelen van gemeenschap, als ze die

een enkele maal in het leven roepen. Bijna altijd komen de ondernomen

werken slechts aan de amerikanen zelf ten goede en strekken in geringe

mate ten voordeele van de massa der bevolking.

Dat is bij voorbeeld het geval met de talrijke wegen, die de

garnizoenen uit het binnenland in gemeenschap stellen met de

aanlegplaatsen aan de kust. Men kan eveneens als voorbeeld wijzen op

den met groote kosten aangelegden spoorweg in de provincie Benguet,

om toegang te geven tot het hooge plateau van Baguio, waar de

regeering voornemens is, een sanatorium te laten bouwen voor de hooge

burgerlijke ambtenaren en militairen, die in de warmste weken naar

een koeler klimaat moeten gaan. Dit werk heeft het budget der eilanden

bezwaard met niet minder dan 12 millioen francs, en het is zoo slecht

uitgevoerd, dat op sommige punten van den weg de overstroomingen

hem periodiek maken tot een pad, voor rijtuigen onbruikbaar, zoodat

de toeristen verplicht zijn, te paard te reizen en hun bagage per

muildier te laten vervoeren. Op andere wegen van den Archipel heeft

men nog minder schitterende resultaten verkregen.

De strategische weg, die de garnizoenen van Malabang en Parang verbond

en die ook groote uitgaven noodig heeft gemaakt, is geheel door den

plantengroei overweldigd, zoodat er thans geen spoor meer van over is,

en men zich nu niet van den eenen naar den anderen post kan begeven

dan over zee, ofschoon ze maar tien kilometer van elkaar verwijderd

zijn. Die middelmatige resultaten zijn gemakkelijk te begrijpen,

als men zich voor den geest roept, op welke manier de amerikaansche

ingenieurs hun wegen aanleggen op moerassige terreinen. In plaats

van een verhooging aan te brengen op een solieden onderbouw en goten

open te laten voor de afvloeiing van het water, bepalen ze zich er

toe, zoo maar op den grond de ruw bewerkte boomen neer te leggen;

dat noemt men de corduroy. De schokken over den hobbeligen weg zijn

een marteling voor de reizigers, en het duurt gewoonlijk niet lang,

of die boomen zakken in den grond, worden met aarde overdekt, de weg

verdwijnt snel en het werk kan weer van voren af aan beginnen.

Ik was sedert veertien dagen in Manilla, en na de kantoren van de

militaire administratie te hebben bezocht, enkele garnizoenen uit den

omtrek en een aantal kerken, begon ik onder den indruk te komen van

de aanstekelijke loomheid, die iemand overvalt in de hoofdstad der

Philippijnen, toen men mij kwam meedeelen, dat de nieuwe commandant

terug was en mijn bezoek verwachtte op zijn kantoor in het fort

Santiago.

Generaal Leonard Wood is een der voornaamste officieren uit het leger

der Vereenigde Staten en zeker degene, wiens loopbaan het snelst is

gemaakt en over wiens carrière het meest is gesproken. Acht jaar

geleden, vóór den oorlog met Spanje, diende hij als officier van

gezondheid en had nooit een zuiver militaire betrekking bekleed;

maar hij had al de aandacht getrokken door zijn vakkennis en door

onderzoekingsreizen in het Noorden van Mexico. President Mac Kinley

benoemde hem tot geneesheer op het Witte Huis, en daar maakte hij

kennis met een der voornaamste republikeinsche leiders, den heer

Theodoor Roosevelt, den lateren President, wiens vriend hij weldra

werd.

Toen brak de oorlog op Cuba uit. De heer Roosevelt, die er de

voornaamste aanstichter van was geweest, wenschte ook zijn deel te

hebben van de gevaren en van den roem, die de strijd aan zoovelen van

zijn landgenooten bracht, en had het denkbeeld om met zijn vrienden

uit de salons van New-York en van de ranches uit het Verre Westen

een regiment van vrijwilligers te vormen. Op het laatste oogenblik

deinsde hij er voor terug, zelf het commando op zich te nemen, want

hij wist volstrekt niets van militaire quaesties en was niet zeker,

of hij wel de ervaring en de kennis bezat, noodig voor de leiding van

verscheiden escadrons. Bij die gelegenheid dacht hij aan generaal

Wood, die zijn geheele leven in de garnizoenen en in de kampen had

gesleten, en stelde dien aan het hoofd van zijn corps, terwijl hij voor

zichzelven den graad en de bezigheid van luitenant-kolonel bewaarde.

Nauwelijks was de veldtocht begonnen, of de latere president gaf er

zich rekenschap van, dat zijn bezwaren overdreven waren geweest en

hij voelde zich volkomen in staat, zijn mannetjes te leiden zonder

de hulp van wien ook; zoo werd kolonel Wood benoemd tot generaal der

vrijwilligers, terwijl de luitenant kolonel zijn plaats innam als

chef der rough riders.

De militaire operaties tegen de Spanjaarden waren niet van langen duur,

maar weldra had het expeditionnaire corps van Cuba te vechten tegen een

oneindig gevaarlijker vijand, de ongezondheid van het land. De troepen,

die het garnizoen van Santiago vormden, namen in het volle regenseizoen

bezit van de posten en woningen, waarin hun tegenstanders gewoond

hadden gedurende het beleg, en waar de hongersnood en de ontberingen

van allerlei aard vreeselijke epidemieën hadden doen uitbreken. De

gele koorts en de malaria vielen al spoedig de nieuwe bewoners aan;

verschillende generaals werden zelf aangetast en hun jonge kameraad

Wood, die de oudste was, werd geroepen tot den post van gouverneur

der stad. Zijn medische kennis was hem toen tot grooten steun; hij

schreef aan de bevolking en aan de troepen een hygiënische leefwijze

voor, die zeer streng was, waakte met de grootste stiptheid voor de

naleving en wist ten slotte over de bezoeking te triomfeeren.

Intusschen was te Havana de gezondheidstoestand al niet veel beter

dan te Santiago. Generaal Wood werd erheen geroepen in alle haast en

slaagde er daar nog beter in, de ziekte tot staan te brengen dan op

zijn eersten post. Door de hoofdstad van de gele koorts te bevrijden,

verminderde de nieuwe gouverneur niet alleen de sterfte onder

zijn troepen, hij behaalde daardoor ook een schitterend diplomatiek

succes. De bewoners van de hoofdstad van Cuba, bevrijd van de grootste

hunner kwellingen, beschouwden hem als hun weldoener, en de besluiten,

die hij nam in den naam der amerikaansche regeering, werden altijd in

acht genomen. Zijn naam werd over het geheele eiland geëerbiedigd,

en de onderhandelingen van de inboorlingen met de Vereenigde Staten

konden aldus een snel verloop nemen. Toen generaal Wood Havana verliet

na een verblijf van twee en een halfjaar, werd zijn vertrek betreurd

door de geheele bevolking.

In dien tijd had de ex-kolonel Roosevelt Mac Kinley vervangen op

het Witte Huis, en daar volgens de wetgeving der Vereenigde Staten

de president de officieren benoemt naar zijn welgevallen en zonder

de ancienniteit in acht te nemen of den staat van dienst, liet hij

zijn vriend met zijn verkregen graad in het gewone leger overgaan en

verhief hem na korten tijd tot divisie-generaal.

Men kan nagaan, dat zulk een duizelingwekkend snelle carrière,

die in zes jaren een dokter met drie strepen tot divisie-generaal

verhief, weldra belast met het belangrijkste commando van het leger,

veel afgunst heeft gewekt en jaloerschen heeft gemaakt. Maar ieder

is niettemin van oordeel, dat degene, die van die snelle bevordering

heeft geprofiteerd, niet misplaatst is in zijn nieuwe waardigheid. De

machtige vriendschap, die ertoe heeft medegewerkt, den generaal zijn

benoeming te bezorgen, heeft zich in zijn keuze niet vergist. Ik heb

zoo goed als alleen verscheiden dagen met generaal Wood gereisd, en ik

ben verrast geworden door de manier, waarop hij zich op de hoogte heeft

gesteld van alle militaire vraagstukken, ondanks de zoo verschillende

en talrijke werkzaamheden, die hem waren opgedragen sedert zijn intrede

in het eigenlijk gezegde leger. Zijn wetenschappelijke ontwikkeling

vormt een sterke tegenstelling met de onwetenschappelijkheid, de

onwetendheid zelfs der oude kolonels, die achter hem aankomen, en die

veelal niet anders hebben gelezen dan de reglementen der manoeuvres,

terwijl de kunst van oorlogvoeren zich voor hen bepaalt tot eenige

indiaansche krijgslisten, ontleend aan de boeken van Fennimore Cooper

en Gustave Aymard.

Generaal Wood is een man van 45 jaar, vriendelijk, maar koel. Hij vroeg

mij, wat hij voor mij kon doen en wat ik wenschte te zien tijdens

mijn verblijf in den Archipel. Ik antwoordde hem, dat ik de troepen

in de kazerne had waargenomen en op het excercitieveld, dat ik de

organisatie der troepen kende en de manier, waarop ze werden bestuurd

en onderricht, en dat ik, om mij rekenschap te geven van hun militaire

waarde, ze wenschte te volgen in den strijd of tenminste op expeditie.

"Dat vraagstuk is nog al moeilijk op te lossen," antwoordde de

generaal, "want het land is op het oogenblik volkomen tot rust

gebracht. Van den vroegeren opstand zijn alleen een paar rooverbenden

overgebleven, die meestal uit niet meer dan een dozijn personen

bestaan en volstrekt niet interessant zijn, zoodat ik u niet kan

aanraden, die achterna te loopen; dat zou even vermoeiend als weinig

belangwekkend wezen.

"Op het eiland Samar vermoorden groepen pulajana's, dat zijn

godsdienstige dwepers, met bolo's, een soort van messen, gewapend,

hun landgenooten onder godsdienstige voorwendsels, maar die menschen

vluchten, als de soldaten naderen en wagen slechts uiterst zelden

een gevecht. De Moro-provincie, waar ik nu juist het bevel heb

overgedragen, zal u misschien de voor uw reis voordeeligste gelegenheid

bieden. Op dit oogenblik houden de stammen zich rustig, maar u weet,

hoe de Mohammedanen zijn; ze kunnen niet lang weerstand bieden aan

de verzoeking, een christen den hals af te snijden, een bewerking,

die hun het dubbele voordeel oplevert, zich voor deze wereld een

repeteergeweer te verschaffen en voor de toekomst het paradijs.

"Misdaden van dien aard worden altijd gevolgd door de zending van een

colonne met de opdracht, zich van den misdadiger meester te maken,

als het hoofd van den stam hem niet uitlevert. Het spijt mij, dat ik

er niet met opzet een voor u kan uitrusten, maar gaat u daarginder

heen, en als het toeval u gunstig is, zult u mogelijk het een of ander

bijwonen. En dan het is een mooi land, de bewoners zijn interessant,

en het militaire leven van onze troepen, die altijd op hun qui vive

moeten wezen, is minder eentonig dan in de kazernen van Manilla. Op

alle manieren zal uw tijd niet verloren zijn. Een schip moet weldra

naar Zamboanga vertrekken, het middelpunt der provincie Moro, daarop

zal ik een plaats voor u laten reserveeren en ik zal aan de militaire

autoriteiten instructies zenden, waardoor u zich vrij zult kunnen

bewegen en een actiever leven leiden dan hier."

Den dag na dit gesprek zat ik tegen één uur rustig in mijn

hotel te ontbijten, toen een soldaat mij een brief bracht van den

hoofdcommandant; daarin werd mij medegedeeld, dat de stoomboot Sabah

de haven precies om twee uur zou verlaten en dat ik mij daarop moest

inschepen. Daar men niet minder dan drie kwartier noodig heeft,

om van het Bayview-hotel naar de kade voor de militaire inscheping

te komen, hield ik slechts een kwartier over, om een rijtuig te

krijgen, mijn uitgaven te regelen, voor mijn uitrusting te zorgen en

datgene in te pakken, dat men voor een reis van twee maanden noodig

heeft. Men ziet het, generaal Wood was zijn belofte nagekomen en

zette mij aan het werk, mogelijk wel een weinig haastiger dan ik zou

hebben gewenscht. De zee werkte er toe mee, mij in beweging te houden

gedurende de drie volgende dagen, die de overtocht duurde en ik had

de luiheid van de bewoners van Manilla grondig van mij afgeschud,

toen ik te Zamboanga aankwam.

De hoofdstad van de Moro-provincie, gelegen op het westelijkste punt

van het eiland Mindanao, is de derde stad der Philippijnen. Toch

is het een zeer bescheiden plaatsje, waar buiten het garnizoen en

ongeveer twee duizend inboorlingen slechts een veertigtal ambtenaren

en kooplieden wonen. De handel bepaalt zich tot den uitvoer van

copra, aangevoerd van de groote aanplantingen van kokospalmen, die

zich rondom de stad uitstrekken en zich vele mijlen langs de kust

voortzetten. Alle veertien dagen komen duitsche paketbooten groote

scheepsladingen weghalen van de gedroogde vruchtvleeschmassa, een pulp,

die ze rechtstreeks naar Singapore brengen. De inboorlingen breiden

de kokospalmaanplantingen steeds uit. Er is weinig onderhoud mee en

het product vindt gemakkelijk plaatsing, vooral sedert het copravet

te Marseille in veel fabrieken voor de zeepbereiding wordt gebruikt.

Ofschoon Zamboanga hoofdstad is, wonen er bijna niet anders dan

inlandsche christenen, afstammelingen van de kolonisten der vroegere

strafkolonie, die de Spanjaarden er sinds een eeuw in stand hielden. De

weinige Moro's, die men in de omstreken ontmoet, zijn visschers, arme,

beschroomde menschen, zeer verschillend van hun woeste geloofsgenooten

uit het binnenland.

Ik bleef maar enkele uren te Zamboanga en scheepte mij nog denzelfden

dag in op onze stoomboot, die naar Cottabatto vertrok met een kolonel

aan boord, belast met de inspectie van alle militaire posten in het

gebied van de Rio Grande, aan welker monding wij den volgenden morgen

voor anker lagen.

We waren toen midden in den drogen tijd, wat ons verplichtte, om,

wilden we hooger de rivier opgaan, de Sabah te verlaten en op een

mooie, kleine kanonneerboot over te gaan, met één stuk bewapend, en

onder het commando staand van een jeugdig philippijnsch kapitein. Wij

zouden achtereenvolgens bezoeken brengen aan de garnizoenen van Reina

Regente, Fort-Pikit, Doeloean en daarna te Cottabatto terugkeeren. Dat

kleine stadje is de hoofdstad van de provincie van denzelfden naam, die

bijna een vierde deel beslaat van de oppervlakte van Mindanao. Het is

een geheel moro's-district, en op het grondgebied wonen de talrijkste

en welvarendste mohammedaansche stammen van den Archipel.

Daar de revue over het garnizoen eerst zou plaats hebben bij onze

terugkomst, bleven wij enkel in de stad, om er te ontbijten en

brandstof in te nemen voor de boot. Tegen twee uur in den middag stak

ons kanonneerbootje weer van wal. De benedenloop van de Rio Grande

loopt door een vlakke streek, die kaal en arm is aan planten, buiten

den smallen gordel van enkele palmen aan de oevers. Er zijn niet veel

dorpen, en die er zijn, beteekenen niet veel, ondanks de vruchtbaarheid

van den grond rondom, want de Moro's zijn geen knappe landbouwers,

kweeken slechts een beetje rijst en geven aan vechten en razzia's

houden de voorkeur boven het landbouwwerk. Toch is tegenwoordig

de geheele bevolking van het dal onderworpen; maar het aantal en de

uitgebreidheid van de garnizoenen, die langs de rivier zijn geplaatst,

bewijzen wel, dat de regeering niet al te vast op den duur van die

onderworpenheid rekent. Tijdens de reis bleven alle soldaten dichtbij

de verschansing zitten, met een geweer onder het bereik van hun hand,

om op de talrijke krokodillen te schieten, die op de zandbanken

liggen te slapen. Dat zijn zeer gevaarlijke dieren; om zich tegen

hun aanvallen te beschermen, moeten de vrouwen uit de rivier water

scheppen achter daarvoor met opzet gemaakte schuttingen van bamboes.

Op den post Reina Regente zijn gestationneerd twee compagnieën van het

20ste amerikaansche infanterieregiment. De naam geeft al aan, dat het

een oude spaansche vestiging is. Trouwens de Amerikanen hebben zich

bevlijtigd, overal dezelfde punten te bezetten, die hun voorgangers

hadden gekozen, en daarom lieten ze hier het cordon van blokhuizen in

den steek, dat de garnizoenen onderling verbond en dat men elke paar

mijlen langs de Rio Grande terugvindt. De spaansche forten bestaan

uit een rechthoekige steenen versterking, twee meter breed en vier

meter hoog, op de hoeken door sterke bastions verdedigd. Ondanks de

afwezigheid van een gracht, zijn deze bouwwerken volkomen voldoende,

om de aanvallen te weerstaan van alle Moro's van den Archipel, want

de artillerie van de inboorlingen is al heel primitief.

Binnen in den vierhoek vindt men de kazernementen, van steen en

hout voor de blanke troepen en van bamboes voor de inlandsche

soldaten. Ofschoon veel minder weelderig dan de huisvesting te

Manilla en te Zamboanga, is er ruimte genoeg; ze zijn hoog van

verdieping en goed geventileerd. De keukens bevinden zich in een

gebouw, dat afzonderlijk staat, evenals de douchetoestellen, waar

ieder soldaat tweemaal per dag onder gaat staan, bij het gaan naar en

het terugkeeren van de manoeuvres. De post Reina Regente heeft niet,

als die aan de kust, toestellen om water te destilleeren en evenmin

ijsmachines, maar men krijgt er dagelijks van Cottabatto een zending

ijs, die voldoende is, om een zeer lage temperatuur te houden in de

spijskamers, waar het vleesch wordt bewaard, dat in de koelkamers

van schepen uit Australië is gekomen. Wat er over is, dient om de

dranken van de officieren en van de manschappen af te koelen. Daar de

dysenterie zeer gevreesd wordt over den geheelen Archipel, gebruiken

de soldaten alleen gedestilleerd of gekookt water.

Een andere kwelling van de streek aan de Rio Grande is de overvloed

van muggen, vooral in den regentijd. Ieder bed is voorzien van drie

muskietennetten over elkander heen. De soldaten zijn genoodzaakt

te eten, vóór het donker is geworden; wat de officieren aangaat,

zij eten en werken des avonds in een soort van kooien van metaalgaas,

waar ze zich in verbergen, als de avond valt, en die ze enkel verlaten

om naar bed te gaan.

Te Fort-Pikit, waar we den volgenden dag aankwamen, ligt slechts

een compagnie van inlandsche soldaten, behoorend tot het corps

der nationale verkenners. Er bestaan vijftig van die compagnieën

van honderd man ieder. Die "native scouts" zijn allen inlandsche

soldaten onder het commando van amerikaansche en philippijnsche

officieren. Den ganschen morgen woonden wij de oefeningen der compagnie

bij. De soldaten waren in veldtenue, een trouwe navolging van die,

welke het voetvolk in de Vereenigde Staten draagt; zware kleeren,

grove schoenen, overbodige equipementsstukken, absoluut overcompleet

voor de inboorlingen, wier natuurlijke vlugheid en lenigheid erdoor

verminderen. De bewegingen werden vrij goed uitgevoerd zoolang men met

het gebruik der wapens en met de bewegingen in gesloten colonnes bezig

was, maar toen de inspecteur gevechtsmanoeuvres wilde doen uitvoeren,

schenen noch de officieren, noch de manschappen te begrijpen waar

het eigenlijk op aankwam.

Den volgenden dag voeren wij de Rio Grande af, om de posten aan den

benedenloop te inspecteeren. Onze kanonneerboot hield eerst stil

aan den post te Doeloean. Ik liet den kolonel de twee compagnieën

verkenners de revue passeeren, om een uurtje te gaan roeien stroomop

en daarbij een bezoek te brengen aan een beroemdheid van het land, het

hoofd Piang. Dit hoofd is op het oogenblik de machtigste der vorsten of

dato's van de provincie; toch is hij van geringe afkomst, want twintig

jaar geleden arbeidde hij nog als slaaf van zijn voorganger; hij is

zelfs niet van zuiver ras, maar zoon van een Chinees en een inlandsche.

Piang begon met de gunst van zijn heer en meester te winnen, door te

diens voordeele handel te drijven. Uit dankbaarheid voor zijn diensten

werd hij in het genot van de vrijheid gesteld en begon voor eigen

rekening te werken. Hij was reeds de rijkste man der streek, toen de

Spanjaarden hun militaire operaties in het dal begonnen. Piang knoopte

onderhandelingen met hen aan, werd de leider van hun spionnendienst

en was hun weldra onontbeerlijk geworden. Bij den dood van zijn

ouden meester benoemden ze hem tot dato in diens plaats en legden

aan de rivierbewoners op, hem gehoorzaamheid te bewijzen. Trots zijn

vrijgevigheid werd de nieuwe vorst door zijn onderdanen verfoeid, en

vooral ook door de andere stammen, waarvan de hoofden zijn dood hadden

gezworen. Zijn eigen schoonzoon, de dato Ali, de dapperste krijger

en de bekwaamste van het land, was zijn onverbiddelijke vijand

geworden. Piang wist de Amerikanen te overtuigen, dat het eiland

niet anders tot rust kon worden gebracht, dan door de verwijdering

van zijn mededinger. Na verschillende nuttelooze expedities werd Ali

gedood in October 1905 door de troepen van kapitein F. Mac Coy.

Het dorp van het hoofd Piang is omgeven door een palissade van bamboes,

waarop lange bronzen kokers staan, die op kanonnen lijken; ze worden

lantaka's genoemd. In het inwendige van de omheinde ruimte is de

grond bedekt met een dikke laag vuil en afval van allerlei soort,

en ondanks de nabijheid der rivier blijft al het overbodige maar

bij de huizen liggen. De eenige riolen zijn de magen van kleine

varkens, zwarte beesten, die in menigte over den weg loopen te

midden van de morokinderen. In het midden van het dorp, dat zich

in niets onderscheidt van alle andere, die wij aan de rivier hadden

zien liggen, van Cottabatto tot Pikit, staat een tweede omheining,

waar de woningen binnen liggen van de familie van het hoofd. De

ontvangst bij den dato was uiterst vriendelijk. Hij wijst ons met

trots een blinden grijsaard, afkomstig uit Bokhara, die daar op de

een of andere onbekende wijze schipbreuk had geleden en die nu des

dato's particuliere secretaris was. Onze gastheer is er fier op, dat

hij naast zich heeft den eenigen man, die in het land de taal van

den Koran kan spreken, want de godsdienstige kennis van de Moro's

is al zeer gering, en hun praktijk bepaalt zich tot het opzeggen

van het gebed, dagelijks éénmaal. Wat de wasschingen betreft en de

inachtneming van den Ramadan, dat zijn bij hen onbekende zaken. Zij

eten met smaak en overvloedig varkensvleesch en hun vrouwen weten niets

van een sluier. Daarentegen hebben ze wel een woesten haat tegen de

Christenen, onverschillig of het vreemdelingen of inboorlingen zijn,

en ze zijn doodsverachters zoozeer, dat ze den dood zoeken, als ze

door de ongeloovigen overwonnen zijn.

Om den vorst, die mij ontving, eer te bewijzen, begon ik met den

priester een langzaam en moeilijk gesprek, mijn best doende, partij

te trekken van de enkele arabische woorden, die ik kende en die mij

te binnen schoten. Piang kon zich haast niet houden van blijdschap;

hij verplichtte al zijn vrouwen, een salam te brengen, zelfs zijn

ongelukkige dochter, de weduwe van Ali, die nog ziek was ten gevolge

van een wonde, opgedaan in den schouder bij haar pogingen om haar

man te verdedigen. Ik had groote moeite, mij van de overmatige

gastvrijheid van den ouden dato los te maken; hij gaf mij nog bij

mijn vertrek een kris ten geschenke met een prachtig golvend lemmet.

Toen de kolonel de inspectie van de troepen had beëindigd, die als

lijfwacht van Piang dienst doen, vertrokken we naar Cottabatto. Ik

begaf mij naar de kazerne der compagnie van de politie, waarvan de

chef, een jonge luitenant, van mijn aanstaande komst op de hoogte was

gebracht en aanbood, mij in bijzonderheden de manier te laten zien,

waarop hij zijn mannetjes onderwees en leidde. Ik had veel soldaten

van dat corps in de omstreken van Manilla gezien; maar hier waren

het allen Moro's, wat een nieuwe aantrekkelijkheid was.

Dit laatste bezoek bevestigde mij in mijn te voren opgevatte

meening. De miliciens van het burgerlijk bestuur, ofschoon van zeer

betwistbare militaire waarde, zijn toch ver te verkiezen boven de

compagnieën nationale verkenners. Al laat de instructie somtijds te

wenschen over, de organisatie is tegelijk veel minder kostbaar en veel

beter. De officieren worden niet gekozen uit de oude sergeanten van

het actieve leger, die slaven zijn van de routine en niet in staat

zijn, zich te schikken naar de eischen van een nieuwe instelling,

maar zijn jonge mannen van hooger intellectueel standpunt, vol van den

geest van initiatief en belangstellend in hun manschappen. De soldaten

zijn oordeelkundig uitgerust, loopen op bloote voeten en dragen noch

tent noch rugzak; zij voeden zich op de manier der inboorlingen en

leven van wat het land levert, in plaats van zich te laten volgen

door koelies, die hun amerikaansche levensmiddelen nadragen.

Ik vernam, toen ik van Cottabatto naar Zamboanga terugkwam, dat

de geheele provincie Lanao in beroering was, want op den post

Parang was een zieke soldaat, die in een tent afgezonderd was,

door een dweepzuchtige met een dolksteek gedood, en te Malabang

eenige kilometers van daar, was een korporaal, die alleen van het

schietterrein kwam, vermoord op niet meer dan 200 meter afstands van

de kazernen. De misdadigers hadden zich verscholen bij de bergstammen,

die ten zuiden van het Lanaomeer wonen, en toen men tot de hoofden het

verzoek richtte, ze uit te leveren, antwoordden zij: "Kom en haal ze!"

Van alle omringende posten kwamen de troepen der mobiele colonnes naar

de opstandelingen toe. De vergunning, mij bij een dier expedities aan

te sluiten, werd mij gegeven, toen ik er om vroeg; maar ongelukkig

moest ik te Zamboanga verscheiden dagen wachten op de aankomst van

de boot, die mij naar Overton zou brengen, het punt, dat ten noorden

van de landengte van Lanao is gelegen.

Ik maakte van mijn gedwongen werkeloosheid gebruik, om een bezoek te

brengen aan Zamboanga en de omstreken. Eerst wees men mij de lagere

scholen, die door de Moro's van de kust worden bezocht en door de

christelijke bewoners van de stad. De inlandsche onderwijzers laten er

de kinderen werken onder de leiding van amerikaansche inspecteurs en

inspectrices. Het openbaar onderwijs is van alle takken van bestuur

die, welken de Amerikanen het best hebben verzorgd en voor welks

ontwikkeling ze het ijverigst geld en moeite hebben overgehad.

Dat onderwijs zal zonder eenigen twijfel goede resultaten opleveren,

onverschillig welke beslissing de regeering ten slotte zal nemen ten

opzichte van de Philippijnen. Als men met de tegenwoordige politiek

voortgaat en den Archipel in den toestand van nu laat blijven,

namelijk als een dépendance van de Republiek der Vereenigde Staten,

zal de kennis van de engelsche taal, die weldra algemeen onder de

inboorlingen zal verspreid zijn, hen nader brengen tot hun meesters,

en aan de laatsten vergunnen, beter te strijden tegen de nationale

gevoelens en tegen de mogelijke begeerigheid van ondernemende naburen.

Indien echter de Amerikanen zich houden aan de beloften van

president Mac Kinley, zooals de democratische partij verlangt, en

op een goeden dag aan de Philippijnen hun onafhankelijkheid geheel

teruggeven, zullen zij tegen dien tijd, dank zij het onderwijs, het

verstandelijke niveau der eilanders in voldoende mate hebben verhoogd,

dat de laatsten zichzelven zullen kunnen besturen. Die overwegingen

hebben het Departement van onderwijs teruggehouden van de aarzeling

en halve maatregelen, waaraan de andere takken van dienst zich hebben

schuldig gemaakt, omdat ze altijd vreesden, uitgaven te doen, die

bij een verandering van regime binnen korten tijd volkomen overbodig

zouden blijken.

Men heeft er een uitstekend onderwijzend personeel heen gelokt

door middel van hooge salarissen. Een normaalschool, gesticht te

Manilla, levert ieder jaar een aanzienlijk aantal onderwijzers

en philippijnsche meesters. Bij de jongste volkstelling waren er

niet minder dan 772 amerikaansche ambtenaren en 3489 inboorlingen

werkzaam gesteld bij de lagere scholen, en bij het meer gevorderd en

middelbaar onderwijs, die of door den staat of door de gemeenten werden

bezoldigd. Dat onderwijs voor meer gevorderde leerlingen is nog slechts

in schetsmatigen toestand aanwezig; er bestaan inderdaad slechts 50 van

die inrichtingen in de meest bevolkte plaatsen te zamen. Daarentegen

zijn er 2233 openbare lagere scholen, verspreid over het geheele land

en waar een aantal van 120 000 leerlingen onderwijs ontvangen. Dit

succes is verkregen door de bemoeiingen van de provinciale gouverneurs,

gesteund door de gemeentebesturen, onder wie een voortdurende naijver

wordt levendig gehouden door de belofte van steeds grooter vrijheden,

naarmate de resultaten van het onderwijs beter zijn.

Men kan niet genoeg bewondering hebben voor een systeem, dat reeds zoo

goede vruchten draagt, want in acht jaren is het aan de Amerikanen

gelukt, hun taal reeds te doen spreken door driemaal meer kinderen

dan de Spanjaarden na een overheersching van drie eeuwen tot de

europeesche taal konden brengen.

De politiek van die laatsten heeft altijd bestaan in het houden van de

inboorlingen in onwetendheid omtrent de taal en zelfs den godsdienst

hunner heeren. Alleen de rijken, de illustrado's, ontvingen eenig

elementair onderwijs van den monnik, die godsdienstige leider der

gemeente was, zoowel als civiel en rechterlijk bestuurder. Dit stelsel,

dat veel gelijkt op dat der Hollanders op Java, (sic! Vert.), heeft

het Spanje mogelijk gemaakt, de massa te besturen door tusschenkomst

van de illustrado's en der broeders, en de bevolking hield men met

weinig kosten rustig, door zich van een slechts zeer klein aantal

Europeanen te bedienen. Men ziet, hoe de beide regeeringsstelsels,

waaraan de Philippijnen onderworpen zijn geworden, lijnrecht tegen

elkaar indruischen, daar het eene gegrond is op het houden der

inboorlingen in onwetendheid en het andere zich ten doel stelt de

snelle en algemeene ontwikkeling door onderwijs.

Ondanks de groote inspanning van de Commissie voor de Philippijnen

is men er nog niet in geslaagd, meer dan het tiende deel der jeugdige

Philippino's op de schoolbanken te doen plaats nemen, want de scholen

worden bezocht door 120.000 kinderen, terwijl het aantal kinderen

tusschen 6 en 18 jaar op 1.200.000 wordt geschat. Men ziet ook wel

met eenige verbazing de oprichting van zoo talrijke scholen voor

de jonge heidenen en Mohammedanen. De laatsten vooral zijn weinig

intelligente leerlingen en altijd zijn ze onwillig, zoodat zelfs het

eenvoudigste onderwijs een talrijk personeel vordert, dat men stellig

beter elders zou kunnen gebruiken. De stichting van al die scholen is

te bevreemdender, daar de Amerikanen besloten schijnen te zijn, in

de provincie Moro een politiek tegenover de inboorlingen te volgen,

die veel verschilt van de elders toegepaste in het overige deel van

den Archipel.

Terwijl ze in de christelijke districten niets hebben gedaan,

om de vestiging van emigranten uit de Vereenigde Staten te

bevorderen, trachten ze Mindanao en omliggende eilanden te maken

tot amerikaansche centra. Zij begunstigen de immigratie door het

uitgeven van concessies aan civiele personen en aan soldaten, die in

het land wenschen te blijven na afloop van den tijd, waarvoor ze zich

hebben verbonden. Wat de Moro's betreft, voor hen schijnt het weinig

benijdbare lot der Roodhuiden weggelegd; daar ze weigeren te werken en

in de maatschappij der overwinnaars op te gaan, zullen ze verdwijnen

voor de superioriteit der blanken. Er is zelfs sprake van geweest,

Mindanao in politiek opzicht af te scheiden van het overige van den

Archipel en er een territorium van de Unie van te maken; maar door

het heftig verzet van de zijde der Philippino's heeft men van dat

annexatieplan moeten afzien.

Om aan de kolonisten een goed voorbeeld te geven, hebben enkele

geestdriftige ambtenaren uit Manilla vereenigingen gesticht voor het

ondernemen van plantages. Zij gebruiken hun tweemaandelijksch verlof

ieder jaar met om beurten de exploitatie te leiden van aanplantingen

van kokospalmen en tabak, die ze gemeenschappelijk hebben aangelegd. Om

hun die taak te vergemakkelijken, heeft de regeering den proeftuin

van San Ramon, die vroeger door den spaanschen generaal Ramon Blanco

was gesticht, weer in goeden staat laten brengen. Tijdens mijn

verblijf te Zamboanga bezocht ik die inrichting, die op 20 kilometer

afstands van de stad is gelegen. Het is een alleraardigst doel voor

uitstapjes voor ruiters, die er zich langs een goeden weg heen kunnen

begeven door kokosbosschen aan het strand. Een oud-kapitein van

het vrijwilligerscorps, die er vriendelijk gastvrijheid uitoefent,

maar wiens kennis van landbouwaangelegenheden gering is, houdt in

San Ramon een aanplanting van abaca, een plant, die in uiterlijk op

bananen of pisang gelijkt en welker lange, stevige, soepele vezels

de kostbare Manillahennep leveren.

Daar de abaca nog nergens elders geacclimatizeerd is dan op de

Philippijnen, en daar het kweeken en bereiden van de hennep zeer

gemakkelijk is, worden er overal plantages aangelegd, die jaar op

jaar in aantal en uitgebreidheid toenemen; dat product neemt op het

oogenblik de eerste plaats in in den uitvoer uit de Philippijnen.

Ik verliet zonder leedwezen het dorre en zandige Zamboanga acht dagen

nadat ik er was aangekomen en stapte, na een overtocht van enkele

uren, te Overton aan wal. Ik werd ontvangen door den kolonel van het

vierde cavalerieregiment, die mij reeds den volgenden dag een paard

en een geleide van vijf soldaten aanbood voor een bezoek aan den

post Keithley op den noordelijken oever van het meer. Een kapitein,

die eveneens dien tocht wenschte te maken, vergezelde mij.

Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 1 / 3 段