De laatste verdedigers van den berg Dajo waren bezweken, toen wij

op den bergtop generaal Wood zagen verschijnen, vergezeld door

zijn staf, met het plan het gevecht bij te wonen, waarvoor ze met

opzet uit Manilla waren gekomen. Hij gaf aan kleine colonnes bevel,

den heelen krater te doorzoeken en ook de hutten en schuilplaatsen,

die nog niet verbrand waren. Een uur daarna kwamen de soldaten terug,

beladen met trofeeën, krissen, lansen, geweren, zijden stoffen, tabaks-

en beteldoozen. Daarna daalden wij den berg af, wat een gevaarlijk

werkje was voor de zwaar beladen soldaten.

Wij vonden onze paarden in de vlakte terug en sloegen dadelijk

den weg naar de stad in. De expeditie was den Amerikanen op het

verlies van 90 man te staan gekomen, terwijl buiten gevecht gesteld

waren een totaal van 500 man. Bijna al die verliezen waren door de

colonne Bundy geleden, daar de twee andere samen maar 20 man uit de

gelederen misten. Het zwaarst beproefd was de inlandsche militie,

die niet minder dan 30 percent had verloren. Geen der officieren

was gedood, maar zeven van hen waren in het hospitaal opgenomen,

daar ze meer of minder zwaar gewond waren, onder hen kapitein White,

gewond in de kuit. Van den vijand was er niemand ontkomen.

De troepen, die niet thuis behoorden in het garnizoen te Jolo, werden

terstond ingescheept voor de posten, waar ze vandaan kwamen. Ook

moesten alle gewonden, die vervoerd konden worden, naar Zamboanga

worden getransporteerd, want in het hospitaal van Jolo was geen plaats

genoeg. Geheel Zamboanga wachtte ons bij aankomst in spanning af,

want geen telegraafkabel verbindt die plaats met Jolo en ieder kwam

berichten inwinnen van een kameraad of een familielid. Wij konden

de familiën der officieren gauw gerust stellen, doordat geen der

hunnen in levensgevaar verkeerde. De dokters stonden voor het leven

van kapitein White in, daar de bloeding bijtijds gestuit was. De

inboorlingen daarentegen klaagden luid en trokken zich de haren uit,

naar mohammedaanschen trant.

Generaal Wood scheepte zich met zijn staf dienzelfden avond in naar

Manilla; drie dagen later legden wij aan bij dezelfde kade, die ik

vijf weken te voren zoo overhaast had verlaten. De tijd, dien ik mij

voor de Philippijnen had gegund, was reeds overschreden; ik vertrok

dus naar Hongkong, niet zonder leedwezen het mooie land verlatend,

waar ik door de vriendelijkheid der autoriteiten zooveel belangwekkends

had mogen hooren en waar ik enkele van de meest bewogen uren van mijn

leven had doorgebracht.

De Ajita's of Aeta's van de Philippijnen.

Wanneer men de Europeanen en de Chineezen uitzondert, kan men de

bewoners van de Philippijnen tot twee rassen brengen, de Maleiers

en de Negrito's, de eersten, die uit Malakka en andere zuidelijker

streken zijn gekomen, en de Negrito's, wier afkomst nog niet met

zekerheid bekend is. Negrito's, dat is kleine negers, werden ze door

de Spanjaarden genoemd naar hun kleine gestalte en donkere huidskleur.

Hun eigenlijke naam was op Luzon Ajita's of Aëta's. Ofschoon ze vroeger

in groot aantal het eiland bewoonden, treft men ze tegenwoordig enkel

aan in de bosschen van het binnenland. Ze zijn klein, gemiddeld 1.40

meter groot, zijn goed gebouwd en over het algemeen niet leelijk,

alleen is de neus zeer breed en plat. Hun haar is wollig als dat der

Papoea's op Nieuw-Guinea.

De Ajita's leven van de jacht en van wat het bosch hun aan vruchten

levert. Aan landbouw doen ze nog niet, en hun wapens bestaan eenvoudig

uit pijl en boog en scherpgepunte lansen. Maar de uitwerking dezer

wapens weten ze te versterken door planten-vergiften. In vroeger jaren

moeten de Ajita's in voortdurenden strijd met de omwonende volken

hebben geleefd, wat thans niet meer het geval is. Hooge ambtenaren

in Manilla hielden vooral een twintig of dertig jaren geleden wel

Ajita-bedienden, die flink en ijverig waren, maar het toch op den duur

niet in de beschaafde wereld konden uithouden en naar hun bosschen

terug verlangden.

Reizigers achten het noodig, voorzichtig te zijn, als ze met de Ajita's

in aanraking komen, maar wat A.B. Piehler in het tijdschrift Globus

van hen vertelt, is niet afschrikwekkend. Wanneer men hun vriendelijk

tegemoet komt en geschenken meebrengt, zijn ze tot toeschietelijkheid

te bewegen. Piehler trok er met een vriend en een tolk op uit, om

hun levenswijze te leeren kennen en werd voorkomend ontvangen.

In het bosch zich tusschen boomen en struiken een weg banend, troffen

ze plotseling een groep van ongeveer dertig Ajita's, mannen en vrouwen

van verschillenden leeftijd. Zooals ze daar aan den oever van een

riviertje om een groot vuur lagen, zagen ze er woest uit. Op aanraden

van onzen maleischen tolk traden wij moedig op hen toe, en de tolk

wist hen te doen begrijpen, dat we goede bedoelingen hadden. Hij

liet hun eenige pakjes sigaren zien, die wij in de hand hielden,

om ze te verdeelen. Toen ze dat hadden begrepen, gingen ze op een

rij staan en wij verdeelden de begeerde lekkernij op de eerlijkste

wijze. Na de verdeeling was de vriendschap gesloten; ze schenen ons

te vertrouwen en namen hun plaatsen om het vuur weer in.

In de nabijheid van het vuur hing een gedood hert aan den boom. Het

hoofd sneed drie groote stukken er voor ons van af en wierp ze in het

vuur, om ze na een oogenblik eruit te halen en ons aan te bieden. Van

buiten was het vleesch zeer verbrand en met asch bedekt, terwijl

het van binnen nog rauw en bloederig was. Wij vreesden door tegenzin

te toonen onze gastheeren te krenken, en daar wij met hen op goeden

voet wilden blijven, schikten we ons in het onvermijdelijke en aten

ons wildbraad, waarvan per slot van rekening de smaak nog zoo kwaad

niet was.

De kleine menschen waren ons nu zeer gunstig gezind en door den tolk

vroegen de vreemden naar gebruiken en gewoonten van den stam. Ze

leven in groepen van hoogstens vijftig personen onder een hoofd,

hebben geen vaste woonplaatsen, maar trekken door de dichte bosschen,

waar het wild hen lokt.

Hun hutten zijn uiterst primitief, en steeds brandt er een vuur,

waaromheen de ouden en de kinderen zich ophouden, als de anderen op de

jacht zijn. De oudste van een schaar Ajita's is het hoofd, en over het

geheel worden de oude lieden vereerd. Elke man heeft slechts één vrouw,

en beide echtgenooten hechten veel aan de huwelijkstrouw. Zoodra een

jonge Ajita trouwen wil, vraagt hij de ouders van zijn uitverkorene om

hun toestemming. Dan zenden dezen het meisje op een vooraf bepaalden

dag vóór zonsopgang in het bosch, en een uur later gaat de jongeling

ook daarheen, om haar te zoeken. Heeft hij het meisje gevonden en

keert hij met haar vóór zonsondergang terug, dan stemmen de ouders

toe. In het andere geval, als hij dus alleen terug komt, moet hij van

het meisje afzien. Hieruit blijkt wel, dat hier de keus een recht van

het meisje is, want zij kan zich gemakkelijk verschuilen, dat ze niet

gevonden wordt, of weigeren met hem naar haar ouders terug te keeren.

Bij de Ajita's heerscht nog een eigenaardig gebruik, dat ook op

Nieuw-Guinea bij eenige volksstammen voorkomt, wat zou kunnen bewijzen,

dat de Negrito's aan de Papoea's verwant zijn. Zoodra namelijk iemand

sterft, zijn zijn kameraden verplicht, hun wapens op te nemen en het

land in te trekken, tot ze een levend wezen ontmoeten, dat ze dan,

onverschillig of het een mensch of een dier is, moeten dooden. Als ze

op zoo'n vervolgingstocht uit zijn, knakken ze de takken van de boomen

op een bijzondere manier en waarschuwen aldus ieder, hen niet in den

weg te komen. Zelfs een lid van hun eigen stam zou ontwijfelbaar

een kind des doods zijn, als ze hem als eerste ontmoeten na een

sterfgeval. Dit gebruik is voor ieder een waarschuwing, voorzichtig

te wezen bij het reizen door het gebied der Ajita's.

Tot aan de grenzen van het oerwoud vergezelden de kleine boschbewoners

de duitsche reizigers, die tot afscheid nog een paar braadpannen en

twee kleine revolvers cadeau gaven, zoodat de wilden overgelukkig

afscheid namen. Toen de Europeanen naar Manilla terug keerden,

werden ze daar door allen benijd, daar het tegenwoordig aan niet

velen vergund is, met deze boschmenschen in aanraking te komen.

Wat de Chineezen eten.

Vaak wordt gezegd, dat rijst het hoofdvoedsel van de Chineezen is,

maar dat is slechts tot op zekere hoogte waar. De rijke en welgestelde

klassen van de talrijke bevolking verorberen inderdaad veel rijst en

misschien kan die graansoort wel voor hen als hoofdvoedsel gelden, maar

de massa van het volk en vooral de plattelandsbevolking, die alleen

nu en dan rijst eet, zooals in Europa de armere klassen niet geregeld

vleesch eten. Het voornaamste voedsel is er gierst, in water gekookt,

dan maïsmeel, tarwemeel en sorghomeel, (ook een korensoort) terwijl

eveneens veel groenten worden gegeten, rauw of onvoldoende gewasschen.

De Chineezen eten weinig vleesch behalve in den tijd van het Nieuwe

Jaar, de periode van smulpartijen. Daarentegen worden in China ook

door de armere klassen der bevolking zeer veel eieren genuttigd,

die hard en geconserveerd worden gegeten. Bij dat bewaren worden de

eieren tusschen geurige planten gelegd in gebluschte kalk gedurende

minstens vijf of zes weken. Soms worden ze jaren bewaard en dan in den

aanlokkelijken staat, waarin ze gekomen zijn, toch naar binnen gewerkt.

Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 3 / 3 段