495. Daifilo vergelijkt zijn leven bij een slaap, waarin de

droombeelden de dingen rondom hem en zijn eigen handelen zijn; wat

ons dag schijnt is een nacht; de zon aan den hemel is slechts een

somber nachtlicht. Doch in de ideale verschijning van Granida heeft

het Goddelijk licht hem toegeschenen en heeft het Hoogste zich aan hem

geopenbaard. Voortaan leeft hij een hooger, het eenig ware leven. De

Liefde wordt hier voor Daifilo godsdienst. Hier en ook verder is Hooft

platonisch en in den geest van Spieghel. Ook in beelden en woorden

is er overeenkomst met het derde Boek van den Hertspieghel, waarin

het hol geschilderd wordt: vgl. b.v. de "lamplichts schaduw-beelds"

Hertsp. III, 111 met Gran. 498; "van die schaduwbeelden moet de

mensch bij Spieghel zich in het Godlick Zonnen-licht" laten leiden;

zie ook Aant. 502.

500. De "schoonheyt' is in Granida het ideale in de verschijning der

vrouw, de afspiegeling van den edelen geest in het uiterlijk, die niet

slechts als het stoffelijk lichaam waarin de schoonheid zich vertoont

(d.i. schoonheyts lichaam), op de zinnen werkt, maar den geest verheft.

501-502. De accenten die men in Granida hier en daar nog aantreft op

de teekens oo en o (zie b.v. nog 1347-48, 1368-69, 483-84, 629-30,

1569-71, 1581-83) herinneren aan de manier om een bestaand verschil

in de o-klanken ook in de letters aan te geven: 't klinkergeluid van

ooghe, droom (uit au) zweemde (als nog in b.v. Zeeuwsche tongvallen)

eenigszins naar donker aa-geluid en deed eenigszins aan als tweeklank;

't geluid van koning, komen had dat niet (niet uit au). Nu gaf men in

't eerste geval het o-teeken een accent. En zoo deed men ook bij 't nog

bekende, in Holland (overal?), verdwenen; in 't Oosten welbewaarde en

door de dichters meest gehandhaafde verschil dat bij op - top, vol -

tol, wol - mol zich voordoet, dat vroeger evengoed Hollandsch was en

van zeer ouden oorsprong is. Bij top, tol, mol gaat de mond verder

open (de kaakhoek is grooter), 't geluid is anders dan bij op, vol,

wol, (Hollanders hebben altijd den klank van op, vol, ze hooren het

verschil niet). Rondom 1600 nu duidden sommige schrijvers 't geluid

van tol, top aan met het accent. Spieghel had zoo te doen vóórgesteld,

maar 't werd geen algemeen gebruik. Nu en dan komt het in Hooft's

schrijven nog te voorschijn. Zie over die verschillende o-klinkers en

die onderscheiding het voortreffelijke proefschrift van Dr. K. Kooiman,

De Twe-spraeck vande Nederduitsche Letterkunst uitgegeven en toegelicht

1913, alwaar de verdere litteratuur opgegeven; 130-135)

502. dickheyt der ooghen: vgl. 497: eigenlijk grauwe staar? Vgl. iemand

"de schillen van de oogen lichten"; de "schellen vallen" iemand "van

de oogen". Kil: Schelle in d'ooghe: nervosa quaedam in oculis adnatae

membrane excrescentia: onyx, albugo. Vgl. Hertsp. III, 48: "dwaalbaar

ewigh blijven zij, die sporen ..., in laat-dunks schaduw-licht,

Zo uyt als hoogh te zien, met perl (Kil. perle in d'oogge = argema,

albugo) of schil-gezicht".

511. 511-512 bevat de toelichting tot "dat sy niet kan" in 510. "Dat"

in "dat kan zy niet" 511b slaat op "sy wil al willen dat ghy

wilt". 511a; "het" in "soo langh ghy 't haer verbiedt" 512b slaat op

het één willen zijn, waarvan in deze regels sprake is: "dat sy niet

kan" 510 is dus aan te vullen met: zonder te sterven. Vgl. Kollewijn,

Slothouwer.

517-518. vgl. voor rijm en rythme 256-57.--Iets anders 177-78 483-84.

523. Gij vliegt te hoog met uw gedachten.--Houdt = halt! zie 1463. Halt

is de later Nederlandsch geworden Duitsche vorm.

524. Namelijk de naam van Heer: "want vroeger was ik een vrij

man". Vgl. 526 (se: dien naam; "met dienstbaarheid": tegelijk met

de dienstbaarheid)'

534. "U" is accusatiefvorm in Nominativo. Vgl. "als ik hem was". Zin:

kan ik niet één zijn met u, dan zal ik tenminste uw eigendom

zijn. Vgl. 504, 507-508.

541. 't Rythme is niet: van haere schóónheytsstrael, alsof we hier met

de samenstelling schoonheidsstraal te doen hadden. Hare schoonheyts

is hier vooropgebrachte tweede naamval: dus = van den straal van

hare schoonheid; 't rythme is dus: van haere schóónheyts stráél,

gelijk accent op schoonheid en straal. Vgl. 913: niet: van bey de,

Véchterssielen, maar: van bey de Véchters sielen. En 679 waar in Uw

groove lichaems kracht niet het woord lichaamskracht bedoeld is:

't rythme is: Uw gróóve líchaems krácht, evenzwaar accent op de drie

syllaben. In 803 is niet te lezen Vriéndenkeur, maar: Vriénden kéúr;

vrienden is de vooropgebrachte tweede naamval van 't meervoud.

543. eyndelijck bescheyt: afdoend (definitief) antwoord.

644. Van 's Conings mogentheyt: evenals in de titels Zijne Majesteit,

Zijne Hoogheid (vgl. hoogh in 't Gloss.), Zijne Edelheid, Uwe

Genade e.d. wordt hier de essentieele eigenschap voor den persoon

genomen. Vgl. 1835.

546. Blijde Goden: vgl. theoi makaoes rheia zoontes, bij Homerus; vgl.

Schiller, Das Ideal und das Leben, strophe I.

548. De Wispelturige Fortuin, uitdeelster van geluk en ongeluk is

hier voorgesteld met duizend aangezichten. De Goden zullen bewerken

dat zij haar lachendst aangezicht tot hem keert.

560. Dat ik voor aanzienlijk en onaanzienlijk, het gansche volk,

heb doorstaan.

561. Zoo als de dingen, die ik verricht heb, het eischen: "uytgherecht"

behoort bij "saken": vgl. "ghenakende" 829, "uytghestaan" 1453,

"ghedaen" 1454, "gheleden" 1455 en verder passim; "opghehoopt" 614

kan op twee wijzen worden opgevat.

653. Een zeer merkwaardige afwijking in het rijm begint hier,

loopend tot 691, waarmee Tisiphernes rede een kunstig cachet krijgt:

aaba--bbcb. Hierover is te lezen Dr. A. Zijderveld in Nieuwe Taalgids

XII, 1913.

569. De boden der ziel zijn de zinnen, zintuigen 568. De zinnen zendt

zij uit om voor haar te zien en te hooren; het vernomene deelen de

zintuigen haar mede. "Dat" in 568 slaat op het "verheughen" 567.

571. Hemelsche Venus: Hooft denkt hier waarschijnlijk aan de Aphrodite

Ourania, die Grieksche wijsbegeerte later als de zuivere, geestelijke

liefde tegenover de zinnelijke stelde. Vgl. 501-505, 774-794,

1428-1445.

574. haer verwonderen: zich verwonderen, met sterker en vaak edeler

beteekenis dan nu: een en al genietende bewondering zijn.--572. het

minst: iets, al is het ook nog maar zoo weinig.

578. heerschappie: viersilbig, 't zij heerschappië, 't zij heer

schappije waarover Aant. 970.

605. Arsaces, grondvester van het Parthisch rijk.--Wiens slaat terug

op mij. 's Werelts vrees is bijstelling bij Parthen.

623b. Wat staat gij naar 't geen ik eisch voor mij?

629. roosen: kransen van mirte en rozen waren onafscheidelijk van de

gastmalen der Ouden. Bij hun drinkgelagen bestrooide men ook vloer

en rustbedden met rozen.

630. Wilt gij den koning vervangen? Het is alsof S. (de verwijfde

laatste koning van Assyrië) A. (den geweldigen titan der Grieksche

Mythologie die den hemel op zijn schouders torst) wil aflossen.--631:

"Goden past op uw hals, straks stort heel uw Hemel in!"

635a. Dul staat hier met de kracht van "dol makend" d.i. aanvurend;

vgl. Baeto (Leendertz 360): "de woestmaeckende trom, d'aenschennende

trompet"; vgl. droge dorst 275: die droog maakt; bleeke dood 702;

"gezonde kost" e.d. "Opstekend" is eveneens aanwakkerend; zie de

varianten.

657. De buien van de hartstocht (653) zijn als de wind, die zijn

kracht breekt op de klippen; zoo breekt uw razernij haar kracht op

den koning en ons, die u niet vreezen.

665. verbluft: Herman van Woerden vraagt in den Geeraert van

Velsen (IIde Bedr., 3de Toon.: "Daer toe gheboren wy,--Dat wy, in

dienstbaerheidt verbluffet, zouden teelen Voor beulen onze zoons,

onz' dochters voor bordeelen?": hier in de sterke beteekenis die

verbluffen nog in Overijselsch heeft: nl. een kind, een jongen, een

jongmensch voortdurend zoodanig slecht behandelen, dat alle besef van

zelfstandigheid, gevoel v. eigenwaarde en behoefte aan vrijheid en

daarmee alle lust en wakkerheid weggaat; van een zoodanig onderdrukt

en geestelijk uitgedoofd schepsel zegt men, dat het "verbluft",

"totaal verbluft" is, dat ze 't heelemaal "verbluft hebben".--Maakt

het in de oudere taal zooveel sterkere verbazen, in Lucifer 847

(vgl. de Aant. in de Editie van Cramer, Zw. Herdr. IV) niet een

dergelijken overgang van beteekenis als verbluffen? Hier een ander

etymon voor aan te nemen is wel onnoodig; Overijs. verbluffen is een

sterk woord! Vgl. hiertoe Hooft Ed. Leendertz, I 38 koepl. 2, I 187;

Lucifer 784; en verder vele plaatsen; Asselijn, Stiefmoer 1684,

bladz. 13: "Ik laat my zo licht niet oversnorken en verbaasen" =

overdonderen; vgl. Noah 47-50 IIde Bedr., en Gulden Harpe (1607) 125,

"Ghy die Christum bemint, Ghesint, hem nae te volghen, Bedroeft u

niet verbaest, Al schijnt by naest Dat op u raest De werelt etc.

670. De volken, waar wij als stadhouder, ieder in 't bijzonder over

gesteld zijn.

679. sonder belul: behoort bij kracht; "groove" bij lichaam.

684. ken ick haer: met eenigen klemtoon op "ick" en mèèr klemtoon op

"haer" (let op het woordspel)'

690. oordelaers: de tweede syllabe is toonloos, evenals in "oordlen"

1286 en Hgd. urthel en urtheln. Vgl. vordel, leisel, achtel e.a.

697. my is datief; teghenstaen heeft hier zijn oorspr. beteekenis:

"die zich tegenover mij durft stellen".

722. van dien: "dien" is datief van dat; slaat op "het schoone" 720.

727-30. Constructie, daaruit ontstaan dat twèè constructies door

elkaar gedacht worden (contaminatie): maer leyden moet etc." doet

onderstellen een voorafgaand: waartoe dient het den Herder zoo hoog

te staan, daar gij hem toch niet tot Heer moogt kiezen (--maar uw

leven leiden moet etc). Met dien u etc.: met een dien anderen voor u

kiezen zullen, uit de weinigen die men voor u geschikt acht.--andren is

vooropgebrachte tweede naamval, vgl. de Aant. bij 541.--Voor Granida,

houdt zie Aant. 134.

731. wat leyder boodtschap: deze adjectiefvorm (evenals aenghenamer in

dit vers) is van oorsprong een genitief na wat, in de Middeleeuwen

reeds niet meer als zoodanig gevoeld: v. Helten, Vondel's Taal

131-135. In het oud-Germaansch staat na wat de genitief meervoud en in

de latere taal komt die constructie nog voor: in gevallen als wat manne

dat hi es is manne meervoud maar de genitief kan niet blijken, in

gevallen als wat feldere manne dat Bave was (met adjektief!) is er nog

een genitief-vorm maar de verbinding werd zeker niet meer als genitief

gevoeld. Later kwam na wat het enkelvoud waarbij dan het adjektief nog

in den vorm met -er (van oorsprong de meervoudsvorm) kon staan, ook

bij manlijke en onzijdige woorden: wat sonderlingher volck (Spaensche

Brab.), wat aerdiger quant (Geestige Liedekens, in Kuisheidskamp);

wat schoonder Hoy hebt gy gewonnen (Paschier de Fijne). Leyder in

Granida 731 is genitief van 't adjektief leid, leed. In dialekten zijn

van dit gebruik nog sporen: in 't boeren-Overijselsch wat schoonder

kind. Vgl. in Starings Hoofdige Boer: "Wat raarder kuur!"--

753. Het braef --ghespeel van windt: het krachtig geluid

der blaas-instrumenten in tegenstelling met de zachte tonen

der teedere d.i. gevoelige, licht bewogen snaren van het

strijk-instrument. Vgl. Pels, Horatius' Dichtkunst (Ed. van de Werken

van N. V. A. 1707, bladz. 17): De plicht der Reije was, het zy ze zong,

óf speelde Op wind-, of snaartuig.

757. In regel 757 vormt spel en sang-menging één enkel woord:

spel-en-sang-menging == 't edele mengen van spel-en-sang. Spel en sang

zijn samen het eerste lid van de samenstelling.--Eenigszins anders is

het met 756. Gerythmeerd moet: Van ménsch of vógels kéél; niet: Van

mensch of vógelskeel. Fr is hier niet een samengesteld woord; mensch

of vogels is vooropgeplaatste tweede naamval, vgl. Aant. 541. Rondom

1600 kon mensch wel gelden als genitief, zooals ook vleesch (des

vleesch). gras ("een bloem des gras"), maar waarschijnlijker is

misschien dat de tweede naamvals-s hier bij mensch of vogel sámen

behoort (naar Hooft's bedoelen), m. of v. als eenheid genomen; of is

hier vrijwel gelijkwaardig met en.

761. plach heeft hier zooals meermalen, vooral bij Cats, duratieve

functie == ons pleegt: zie Spaens Heydinnetje, Zw. Herdr. I, Aant. 94

en Gloss.

766. In de Rey zijn de genietingen bezongen, die de wereld 's menschen

vijf zinnen biedt, de "gaven" van strophe I: str. II aan het gezicht;

str. III aan het gehoor; str. IV aan den reuk; str. V aan den smaak;

str. VI aan het gevoel. Str. IV noemt de voornaamste reukwerken:

W. Myrrhe en A. zijn welriekende harsen; C. en Musc dierlijke

stoffen met scherpen reuk. De ambre is hier de "grijze amber", wel

te onderscheiden van den "gelen amber" == barnsteen, en den "witten

amber" == spermaceti. Zie Verdam, Mnl. Wdb. i. v. "ammer". "Onbesmet"

behoort bij "reucken".

772. Maar gebruikt hij er meer van, dan de honger eischt.

783. "Dees lusten" slaat op str. 2-6; "al deze lusten en duizend

dergelijke, zooveel er zich maar werkzaam toonen en (a.) bevrediging

vragen (of, b.: zich zòèken te bevredigen), de tallooze manieren

waarop wij ons trachten te vermaken en ons eenig geluk trachten te

verzekeren--dat alles moet wijken voor de ideale liefde",--die nu

beschreven wordt. De zin met "als" is hier relatief genomen (==

"die er maar etc"). "Aesmen", ademen, is wel of == suspirare,

sterk verlangen (vgl. stenen in Vondels Olyftack, koepl. 1),

zie in de paraphrase boven, a.; of == aspirare [518], zie in de

paraphrase boven. b.;--gesteund wordt deze opvatting wel door

de navolgende plaats uit Paludanus' (Friesch dominee) Konst van

Goddelijke Vernoeginge (Haringhouck, Bolsward, 1659) bladz. 63:

"Jongelingen, nu amegtig door gulle loop, waar toese door hun

ongeteugelde hartstochten aan geport worden, haken na meerder

ruste, en beasemen de neersettinge door enig vorderlik beroep":

dit is blijkbaar == trachten te bespoedigen == aspirare. "Oefenen"

is hier zeker ook te vergelijken met en staat mogelijk onder den

invloed v. Lat. exerceri; de overgang van het objectieve "zich

druk maken met", "zich inspannen om" tot een subjectief "werkzaam,

druk bezig, doende wezen", is zeker niet vreemd. Vgl. bij Cats,

Twee-en-tachtigjarig Leven (Volksuitg. 745 kol. 2, onderaan), waar

hij spreekt van zijn landbedijken in "Brittenland", oeffeningh,

als blijkbaar synoniem van ongemak, met de beteekenis "inspanning",

"moeite" (vgl. de oude beteekenissen van arbeid, die van moeien,

bemoeien, van winnen, van labor en chamno). Vgl. nog Verdam,

Mnl. Wdb. op oefenen. "Handtgebaer" is "bezigheid", "doen"; zóó

vindt men het meermalen in de Nederl. Hist. en Hendrik de Grote; zie

Oudemans, Wdb. op Hooft. Het is boven weergegeven als: bezig zijn

(om zich te amuseeren). De kracht van "nochtans" 787 is: hoe te

waardeeren onze genietingen ook zijn, toch etc.--Vgl. Bilderdijk,

Kollewijn; Oudemans, Wdb. op Hooft ibid. Leendertz en Slothouwer

verklaren niet.--Stoett in de nieuwe uitgaaf van Leendertz stelt

oefenen == "operari", asemen = "leven" en geeft den regel aldus weer:

"als er maar in ons mogen werken, leven".

803. Vrienden als vooropgebrachte tweede naamval. Niet te lezen:

daer vriéndenkeur maar daer vriénden kéúr.--Vgl. hiervóór Aant. 541.

824. gheluck: de toevallige uitslag van het tweegevecht.

850. Kasteelen, zonder fundament in de lucht opgetrokken.

857. Achter "liefde" leze men een komma (vgl. 675) en vulle aldus

aan: een onbeproefde smarte voor hem: hij heeft de liefdesmart nooit

ondervonden: "daer hyse voedt in 't harte", 858, staat hiermede in

tegenstelling, gelijk, "openbaert--niet" met "klaecht", waarop de

nadruk valt. In 859 heeft "selfs" den nadruk.

895. Indien andere lieden het verzuimen, het is, etc.

909. Maar zoo ik nu, in geval hij u verslaat, toch tegen hem op zal

treden, kan ik het dan niet evengoed het eerst ondernemen? Daifilo's

antwoord is: neen, want die strijd tegen mij zal hem dan afgemat hebben

en zoo lijdt hij meer gevaars van twee dan van een. "bey de vechters"

913: Ostrobas en zijn tegenpartij.

915. bleeft: Verdam, Mnl. Wdb., I, 1305-1306.

928b. leydt etc.: "ligt de moed voor hem in" = meent hij dat de moed

in ijdele redeneeringen is gelegen?

932. Al verleende Vulcanus het door zijn tooverkunst dubbele hardheid.

934. Het is niet de zorg voor zijn wapenrusting, die hem ophoudt. Dàcht

hij zoover (nl. aan zijn wapenrusting, om werkelijk tegen mij op te

treden): als hij maar zoo ver dacht! maar dat dòèt hij niet: Ik acht

veeleer etc.

949. ghewenscht: vgl. Lat. optatus, Fr. désiré, Hd. erwünscht.

963. 't Zal noodig zijn, dat ik u de blijde maar verberge, opdat de

heftigheid der blijdschap niet te veel verge van uw, door overmatige

vreugd ingenomen hart en uw verteederd gemoed niet te sterk

aantaste. "Van nood" 960 = noodig. "Swack" = sterk aangedaan, week.

970. heerschappie: d.i. heerschappië, viersilbig, blijkens al de

volgende vijfsilbige laatste regels. Dit heerschappie stelt de vraag

aan de orde of het teeken ij in Granida de waarde ie heeft, wat het

oorspronkelijk had. Regel 1045-1047 keeren zije--strijen--Heerschappije

als rijmwoorden terug maar 't laatste staat hier met ij, derhalve

zou 970 i drukfout kunnen zijn voor ij, maar blijkens het Handschrift

(Leendertz II, 175) was het schrijf-afwijking, ouder nog niet verdwenen

schrijfwijs; in 't toenmalige schrijven kan i voor ij staan. In

de i van 970 hebben we geen steun voor de meening dat we zi-je,

stri-je zouden te lezen hebben. Maar, ook ij hád eenmaal de waarde i

(ie). Of echter rondom 1600 in Amsterdam nog met ie-klank gesproken

werden de woorden die in 't schrijven ij hadden, dan wel reeds een

ei-klank gehoord werd (de waarde van 't oude ij-teeken was dan metéén

veranderd), daarover zijn de meeningen verdeeld, uitgemaakt is dit

niet. In 't laatste geval zou 't eerste heerschappie, 970, eenvoudig

gelijk 1047 en dus i = ei zijn; in 't eerste zou Hooft's ij-teeken de

waarde hebben van i, ie.--Men zie hierover het Aant. 501 aangehaalde

proefschrift van Dr. K. Kooiman, 120-130, en de daar aangehaalde

litteratuur.--In het Handschrift staat volgens Leendertz II 177 ook

in 1047 heerschappie, wat de oudere schrijfwijs bevestigt, terwijl

de zaak dezelfde blijft. Regel 1135-36 staat ook bij Leendertz 180

waerdije, slavernije.

1013. Dese: nl. die eerste koningen, "d'ouden" van 1020. Vgl. van

de constructie 1026 waar de plur. "haer" ook op een voorafgaand

sing. slaat. "rechtvaerdich" is hier rechtschapen.

1029. De oude koningen beschouwden zich als de dienaren van het volk,

het regeeren als een plicht (1020), waarvan zij zich gaarne ontheven

zagen, hoewel de stem des volks hun die opgelegd had.--daer, 1028,

= wanneer; in 't geval dat.

1049b. Het "trecken" van hoop en vrees: zij trekken hem a.h.w. elk

naar een anderen kant.

1078. besluyt: Imperatief: Granida spreekt tot zich zelve, evenals

1085-1099, 1101-1104.

1096a. En al was dat niet zoo.

1100. Dit vers te lèzen: Daifil'. Hij keert.--Hy keert. Aym' Ayme! Wat

beswaer: "Ayme" met toonlooze e.--Toch wel = ai mij.

1102. Geen leed zou mij dan kunnen krenken; tenzij het ook u trof.

1112. Oud-Hollandsch is aan 'n zijde gaan, met het lidw. van

onbepaaldheid; wij zeggen het met het bepalende lidwoord: aan de kant

gaan. Alzoo een niet = één.

1118. Daifilo roept de voester om bijstand: hij begrijpt niet wat

haar scheelt; in haar uitroep is iets dat hem beangst maakt.

1136. u slavernije: u ootmoedig te dienen. Vgl. 1603, 1610.

1144a. Hoe wel: mogelijk niet te lezen als ons, "hoewel", maar hòè

wèl = hòè zeer.

1160a. Zoo duur mogelijk.

1176. Dat door duizenden, als een zaligmakend leven gewenscht wordt.

1235. Vgl. 1243-1244: de Uchtend, Eos of Aurora, de godes van den

dageraad bij de Ouden, de voorloopster van haar broeder Helios, de zon;

hier voorgesteld met "gouden cruyn", d. i. het bovenste gedeelte van

het blondgelokte hoofd komt uit--omkranst met rozen.

1239b. Zie, hoe hij mij daar reeds ontmoet.--[Heeft de Hollandsche

jagers-uitroep (bij 't ontdekken van de haas) "waar'k'em

weet!". ("werkenweet") 't zelfde gebruik van waar en zelfde zinsvorm?]

1245. Reeds de Ouden hielden morgenster (Lucifer) en avondster

(Hesperus) voor één en dezelfde en noemden haar de ster van

Venus. Hesperus werd in den Griekschen bruilofszang gevierd, als de

geleider van den optocht, die de bruid 's avonds naar het huis van den

bruidegom voerde; vgl. Vergilius, Ecloga VIII, 29, 30: vgl. 1247-1252:

Zie vooral: Bruiloftsang op het Huwelijck v. W.J. Hooft en J.C. Quekels

(Leendertz I, 49) evenals de Granida van 1605 (ook in den vertaalden

Misogamos Leendertz I, 321, vers 23-25; vgl. Huygens Ed. Worp I, 189,

14-15); in den Bloemhof van de Nederl. Jeught, 1608, staat pag. 7

kol. II: Als die clare Maen gaet rusten Eer den rooden dach verschijnt,

Staet soo schoonen sterr', en blinckt, Die de Goden al doet lusten,

Nimphe laet ons met gheneught Slijten onse jonghe jeught.--1252

"d'uw" nl. Venus: de ster zelf heet dan 1249 "Godin". Doch mogelijk

identificeert Hooft hier de ster met Venus zelf, en dan is "Godtheyt"

op te vatten als in Aant. 1251 is uitgelegd.

1250. aen den avondt: òf "a. d. a." is "van avondt"; òf "aent" behoort

bij nemen = "nemen van"; (de ww. van nemen, ontvangen, verzoeken,

hebben Mnl. "aan" = "bij": nog in "ontleenen aan", "een voorbeeld

nemen aan" e. d.; vgl. Mnl. Wdb. I, 68-69).

1251. Indien ick etc.: Tisiphernes bidt de morgenster, haar

heerschappij nu te eindigen, opdat Granida spoedig rijze. Dezen

dag zal het huwelijk voltrokken worden en hij verlangt reeds naar

den avond. Keer dan van avond des te vroeger weer: de avond, waarop

(wanneer) ik (met Gr.) mij willig onder uw heerschappij zal stellen

en geen Godheid vuriger dan de uwe zal vereeren. Vgl. vooral den

Bruiloftsang voor W.J. Hooft, waarin de Avondstar de Gelieven "te

bedt comt wijsen", naar Oud-Grieksche opvatting.--"Godtheyt" is hier

misschien = de eigenschappen van den God, i. d. beteekenis van de

Godin zelve. Vgl. A. 1245.

1289b. van wythgenomen sinnen: van niet alledaagsche enigingen.

1313. 's Nachts rust het lichaam van de vermoeienissen van den dag:

toch komen de droomen dan, buitentijds, den gèèst kwellen met het

leed en de moeite (arbeid), die over dag het lichaam plagen.

1323. de volle kamer: waar de kamer vol van is en geheel blaakt.

1326. Maar opdat de tegenwoordigheid van de Godheid daaraan gekend

mocht worden.

1331a. Oly-kleurt ghesicht: oogen met den glans der olijf; zie

variant.--H. geeft met dit epitheton het glaukopis (Athene)

van Homerus weer: welches einen eigenthümlichen leuchtenden Glanz

der Augen ausdrückt, einen ahnlichen Glanz wie den des Mondes, der

schimmernden Meeresflache, der Blätter des Oelbaums (Preller, I, 154;

vgl. ald. de schildering van het uilenoog 155). Dit laatste helpt

op weg: Inderdaad geldt glaukos ook van de elaa, den olijfboom en

zijn vrucht en van het elaion, de olijvenolie. Glaukos staat ook bij

chloe, oporha thalatta; de maan is bij Empedocles, Euripides e.a.

glaukopis: de variant schijnt dus minder vreemd, groen en geel liggen

dicht bij elkaar: echter treedt de voorstelling van het "schimmernde"

"leuchtende" op den voorgrond. In den Brief aan de Kamer In

Liefde Bloeiende 1600 spreekt Hooft van Thalia's "groen lieflijck

ooch". Dat de Dichter juist op olijfkleurig komt, is begrijpelijk:

Athene staat in de nauwste betrekking tot den olijfboom: op niet

ongewone wijze wordt het attribuut der godes hier, per metonymiam,

in verband gebracht met haar oogen. De jambische maat deed oly-kleurt

voor olijf-kleurt kiezen; vgl. Six van Chandelier, Poësy 1657: Daar

vaart Messias van de oliheuvels top (12); Het zy ontrent het dal van

Josafat,--Of langs den bergh, naa 't blad--Van d'olipruim genoemt,

(104); Hoe springht de bergh en 't olibosch? (Hemelvaartssangh 496);

(God)--sondt synen vreedeboo, van booven,--Greep Engelands, en Hollands

hand,--En bondt se, met den oliplant, (488): Tijdschr. III, 263.

Granida · 第 8 / 12 段