1331b. vlechten blondt: blonde en rossige haren vinden wij door

de Ouden op hoogen prijs gesteld, zoowel bij Goden en vrouwen

als bij slaven en paarden. De dichters van den Renaissancetijd

namen deze voorkeur over: blond haar was toen, internationaal,

onafscheidelijk van de schoonheid der jeugd. Bij de Ouden zijn

blond. Apollo, Demeter (Ceres), Bacchus, de Chariten, Ganymedes,

Rhadamanthys, Hylas, Odysseus, Menelaus, Achilles xanthos, flavus),

e.a., vgl. Verg. Aen. XII, 605; Hor. Carm. I, 5, 4; II, 4, 14; III,

9, 19; Theokr. Eid. II, 16, 78; Catull. LXIV, 98. Bij Hooft heeten

blond: Apollo, Venus, Aurora, Thalia (Leendertz I, 7), Ganymedes,

Ariadne, Helena; vgl. Leend. I, 15, 21, 31, 42, 45, 54, 65, e. e.);

de Vrouw "Italia" in den Br. a.d. Kamer In L. Bl.; ook Granida: 1329a;

vgl. 120, 184. Bij Vondel: Apollo, Venus, de Minne-goodjes en Urania

in de Geboortklock, Joseph, Ifis, Hageroos, Ursula en Aethereus en

de jongeling die Ursula verschijnt, e.a.

1332. bleeckheyt des ghedaents: Uit het verband blijkt wel, dat men

aan de gelaatskleur moet denken. Vgl. in het Claechleidt van 1608

(Leendertz I, 66): "haer gedaente bleeck", van "bestorven wangen"

gezegd; Geeraert van Velsen V begin (Leendertz II, 257): "bleeck

ghedaene flaeuwt". "Ghedaente" is hier = uitzien, bepaaldelijk van de

kleur. Vgl. Mnl. gedane, Nat. Bl. VII, 463, VIII, 224, Mor. 3563. Wat

is bleeck nu? Bij Hooft noch bij andere dichters is bleek = blank. De

Godin is Granida in alles gelijk (1329) en wat Granida betreft,

moeten wij aan bleekheid door hartstochtelijke liefde (voor Daifilo)

denken. Bleek is de kleur van het minnewee. Horae Belgicae X, No 48:

"Dijn scone verwe is bleec gheworden-- Van overgroter minnen tot mi";

Cats, Spiegel v.d. Ouden en Nieuwen tijdt, deel I, Liefdes Kortsprake,

staat van de jonge maagd: "Isse teer, swack, en bleyck? denckt datse

bequamer is om het pack der liefden, als om meulesteenen te dragen;

gelooft de Medecijnen en Natuyr-meesters, die hier in klaer spreken, en

zijn gewoon te seggen: Pasles couleurs, désirs mal accomplis: Vrysters,

't bleyck van uwe wangen Koomt van eenigh soet verlangen; Fille pasle,

Demande le masle: Pleycke verwen, Paren of sterven. Zie nog Taal en

Letteren VII, 209. Granida verkeert in uiterste verliefdheid, Minerva

vertoont zich "Granid'in als ghelijck", wat dan geschilderd wordt.

1335. Voorsichtigh: want "die den vrede wil, moet zich bereid houden

voor den oorlog".

1340. Crijchsduyend gras: de speer van Minerva. Minerva is zoowel

godes van den oorlog als des vredes. Hier echter is de Minerva

Pacifica geschilderd. De olijftak is als zoodanig haar symbool en

dus het tegenteeken van den bamboesstaf (die met of zonder spits een

krijgswapen beteekent), waarmede zij anders wel werd voorgesteld:

"die" slaat op "olyventack"; de Ouden hadden speren en lansen van

bamboesriet.--Een gras dat oorlog beduidde, is er niet. Bilderdijk

raadt: "glas" voor "gras", t.w. het kristallen schild. Maar 1605,

1615, 1636 hebben alle drie "gras". Buitendien, conjectuur is

overbodig. "Gras" is hier = riet en een vertaling van "gramen" of van

"graminea hasta". Facciolati-Forcellini (ed. 1831): Gramineae hastae

sunt ex arudine Indica, Itali dicunt canna d'India, qua utebantur

veteres pro hastis: de quibus ita Plinius 16, 36, 65. Arundini quidem

Indicae arborea amplitudo, quales vulgo in templis videmus, h.i. in

manibus simulacrorum, quemadmodum de Minerva Atheniensi ita refert

Ampelius 8. Ipsa autem Dea habet hastam de gramine. Niet op deze plaats

kan Hooft zijn "gras" geplukt hebben, daar Ampelius' Liber memorialis

eerst in 1638 door Salmasius werd uitgegeven. Prof. J.C.G. Boot deed

ons aan de hand Cicero, In Verr. act. sec. L. IV, 56, 125, ook bij

Forcellini vermeld, en hier moeten we zeker wezen. Cicero spreekt

hier van den Minervatempel te Syracuse, door Verres geplunderd, non

ut ab hoste aliquo, qui tamen in bello religionem et consuetudinis

iura retineret, sed ut a barbaris praedonibus vexata (LV, 122). Na de

beschrijving der geroofde kostbaarheden volgt er: Etiamne gramineas

hastas--vidi enim vos in hoc nomine, quum testis diceret, commoveri:

quod erant eius modi, ut semel vidisse satis esset: in quibus neque

manu factum quidquam neque pulcritudo erat ulla, sed tantum magnitudo

incredibilis, de qua vel audire satis esset, nimium videre plus quam

semel: etiamne id concupisti?

1345. rust: nl. de rust, die u nu bij de goden bereid is.

1346. Die u reeds minde, toen gij nog in de wieg laagt.

1351. de weerliefd: Gelijk anders de liefde in 't algemeen, is hier ook

de "weermin" (252, 514) vernuftig gepersonificeerd en vergoddelijkt.

1359. ontslaet: Imperatief. Vgl. 1585.

1361. aentrekken: evenals "aandoen" van eigenschappen, waardigheden,

het treden in een toestand; vgl. Rom. XIII, 14, Eph. IV, 24, 1 Cor. XV,

53, 54. Gr. endyomai, lat. induo.

1375. Moeten wij aan bedaren hier niet misschien toekennen de

beteekenis die zich schijnt voor te doen in Vondel's Kranke

troost, strofe III: Die het zwaert--grimmigh ruckten uit der

scheide--Nu bedaert [nu weer in de scheede teruggekeerd] Wat dan de

oorspr. beteekenis van bedaren zou kunnen geweest zijn. In 't Friesch

ook: "terecht komen" immers: "waar is dat bedaard?"

1395. wel geeft den zin de kracht van: 't Is toch niet mogelijk,

dát kan toch niet, dat Gij mij zoo oud hebt laten worden om....

1411. bescheiden reên: duidelijk verslag.

1419-1422. mensch = eenig mensch.--In de mythologische geschiedenis

van Perseus komt ook Pallas Athene voor; en Perseus werd ook met het

Perzenrijk in verband gebracht.

1427. u prijs: vgl. 1603 uw minste dienst, 1695 haer dienst: "u", "uw",

"haer" noemen het object in het werk woordelijk begrip, zooals Spagnens

haet in Huygens Aan de vrije Nederlanden = haat tègen Spanje. In

1542 kàn sijn wraeck ook ànders opgevat. Vgl. Spaens Heidinnetje,

Zw. Herdr. I, Aant. 918 en 625.

1434. crachten: de Liefde wordt hier voorgesteld als een god en

"crachten" zijn de daden van dien god, als openbaringen en teekenen

van die krachten. Vgl. 1612.

1453-1454. Vgl. Aant. 561. Arbeyt heeft ook hier wel de ruimere

beteekenis van "moeite", "inspanning", "zware arbeid": vgl. 560:

een beteekenis die weer in 1454 misschien ook heeft (vgl. ons in

de weer zijn, zich weren). Treffende sorch: zorg die iemand niet in

de kleeren gaat zitten, waarvan lichaam en geest afneemt en slijt,

die je aanpakt? of = "treffelijk" d.i. "buitengewoon", "uitstekend",

maar dan meer etymologisch = "waarvan iemand zich getroffen voelt",

"verwonderd staat", "waar hij respect voor heeft"?

1463. Lees: besind u, houdt (halt!). Maar zie Leendertz noot.

1467. 't Geluk, de Fortuin (als Godin, vgl. 1476: haer!) is onredelijk,

niet ik.

1470. Vaetse: d.i. vatse (vaten is vatten): nl. de reden waarom

de Fortuin zoo handelt: zie 1466-1470; vgl. ook 1477: "gij duidt

(legt uit) het doen van het Geluk verkeerd, wilt niet naar reden

luisteren". In 1466-1470 wordt reden dan in tweeërlei zin genomen,

in 1466 nl. is het = ons rede, verstand, redelijkheid, vervolgens

ons reden grond, beteekenissen die beide aan reden eigen waren in de

oudere taal. Bij Hooft, als bij Vondel (vgl. v. Helten Vondel's Taal,

I, 82) is het singulare reden meestal = verstand, rede, billijkheid,

redeneering, reden, grond (plur. redenen en reên) en het plurale reden

meestal = woorden, redeneering (sing, rede; 't staat bijna altijd in

't meerv., dat ook reên luidt). Vgl. nu het Gloss. op rede en reden,

de plaatsen aldaar. Toch vindt men 't wel eens andersom. En somtijds

kan men niet eens zeggen met welk van de beide woorden men te doen

heeft, wat z'n oorzaak o.a. ook hierin heeft, dat zoowel reden als

rede de beteekenis van "redeneering" hebben kan, zooals ook wij bij

redeneering dàn meer aan de woorden, dàn meer aan het redebeleid

denken, dàn weer niet eigenlijk onderscheiden,--waardoor ook de

pluralis reden = den singularis reden kan worden. (vgl. 1707). Soms

kan men te doen hebben met den Infinitief reden (vgl. 1674). Reên 861

is wel plur. v. reden, grond. Reden 599 kan ook plur. van rede zijn,

dat dan hier de beteekenis van "grond", "aanspraak" = reden heeft.

1471. Hoe nu toe?: XVIIde-eeuwsche uitdrukking (ook hoe dàn toe?) met

de kracht van "wat nu?" ("wat dàn?"), "hoe nu?" ("hoe dàn?") [zie

1633], "wat moet ik nu?", "wat zal er nu gebeuren?". Hier, 1471,

is men geneigd, met het oog op het antwoord (vgl. ook 1509-1513, te

omschrijven: "waar moet dat naar toe?", "waar moet dat heen?" en met

dit soort van vragen komt de uitdrukking oorspronkelijk wel overeen:

toe is = "verder" en geeft richting aan; vgl. ons "hoe nu verder?" en

Aant. 1628.

1490a. Vgl. voor de constructie: Cats, Spaansch Heydinnetje 47:

en wie het maer en sagh; 484: van die haer maer en sagh.

1495. Lees een komma achter "Van waer": "zijn scharp--dallen" is een

absolute constructie: daar zijn scherp etc. A. I. 17, 1519.

1499. beseten landen: mijn eigen landen, tegenover die welke hij van

den koning bestuurt; vgl. 1507.

1509. Wat mij aangaat. Vgl.: ik voor mij.

1519. Welck pack--om draghen: absolute constructie; zie

Aant. 1495. Eigenaardig is voorts de nauwe verbinding van 1519-1520

met den voorafgaanden zin door het relativum: En daar dit pak

voor mij te zwaar is, behaagt het herdersleven mij beter (zie

A. 1520.) Vgl. A. I. 32.

1520. doet behaghen = behaagt; subjekt is "Een lagen harders

rust". Vgl. Mnl. Wdb. i.v. doen (II 234-235). Gewoon in Duitsche

dialekten; vandaar in het volksaardige lied; en bij Heine:

"Sie--Thät nochmals durch das Fenster sehn"--; bij Zach. Werner:

"Das grosse, das ich that vom Vater erben"--; Doch war's, als ob

sein Geist sich zwischen uns that schieben". Er is iets voor te

zeggen, dat ook 1730 zoo is op te vatten. Denk aan 't gebruik van

do in t' Engelsch. Vgl. voor het recht verstand van deze vervoeging

't gebruik van "doen" in 429, 657, 1060, 1240, dat wij nog kennen:

"Regent het?" "Dat doet het", "Vergissen doet hij zich zeker."

1529b. Objects-genitief. Vgl. 1136, 1603, 1610.

Begin Vijfde Bedrijf: De geest van Ostrobas verschijnt aan Artabanus

in den droom. Dit soort verschijning komt ook voor in Hooft's Geraerdt

van Velsen en Bato en in vele stukken van de XVIIde eeuw, ook bij

Vondel. Vgl. ook Vondel's Sonnet vòòr de Palamedes ('t En leed geen

zeven jaar, etc.)

1561. Vgl. A. 1235, 1331 b.

1573. breijen: vgl. Gr. hyphaino, Lat. texo, ons "brouwen", "smeden",

"rokken, berokkenen" (eig. de wol op 't spinrokken winden).

1591. Leydstar: als ster van Venus, de "poolster" wanneer zij zich

richt; vgl. in het Sonnet aan de oogen van de geliefde: "Leitsterren

van mijn hoop". Vgl. A. 1245. Bij Roemer Visscher, Brabbelingh, 't

Eerste Boeck, IVC, heet het van een liefje: "Ghy zijt mijn leytster,

rechtsnoer, compas en clock".--De gewone beteekenis van Leidster is

al in 't Mnl. "de poolster" (vgl. Eng. loadstar), de bekende ster van

den Kleinen Beer, "cynosura", "tramontane" (vgl. Mnl. Wdb. en Kil.);

overdrachtelijk b.v. van Maria (de Stella maris!): "die leedsterre,

die ter havenen der salicheden alle menschen wel can leden" (Sevende

Bliscap van Maria); bij Willems Oudvl. Liederen, 463, heet ze:

O noordersterre klaer.

1595. De nachtegaal was in de middeleeuwen de vogel der liefde,

die het samenzijn der minnenden vervroolijkt met zijn gezang,

hun geheimen kent en hun plannen begunstigt. Dikwijls is hij de

bode in het volkslied. Vgl. Kalff, Lied in de Middeleeuwen 355-363,

370.--vlied uyt geldt de vogeltjens van 1593 zoowel als den nachtegaal,

maar hij moet vooruit vliegen, de eerste zijn.

1602. aen u te slaven: Hooft denkt aan lat. servire, van

servus = slaven van slaaf, en construeert dus = servire cui, met

datief.--Vgl. echter Mnl. dienen; en overeenkomende oud-Germaansche

werkwoorden met den datief.

1603. Vgl. Aant. 1427.

1612. crachten: A. 1434.

1621. hartsen: tweede naamval van Duitschen oorsprong, afkomstig

uit onder Duitschen invloed staande liederen, zeker wel de heele

uitdrukking mijns hertsen bloed, die Hooft hier teeder vindt, goed om

't gevoel van Granida te vertolken.

1627. wesen heeft den klemtoon, niet Daifílo: of ik 't mogelijk zelf

niet bèn.

1628. Nu toe = pak aan nu, flink: het zelfde aansporende en aanzettende

toe, als dat wij nog hebben in: toe nu, toe dan, toe, toe toe;

vgl. Aant. 1471 (vgl. Mnl. Wdb. II, 875 onderaan). Aangaande het

nadrukkelijk vooropkomen van nu, vgl. 1359 en 1585.

1629. boelen: ook in goeden zin = minnen. Het is niet noodzakelijk het

woord hier in onedelen zin op te vatten, tenzij "boelen" er plur. van

"boel" is, dat anders, evenzeer, van geoorloofde en ongeoorloofde

liefde beide geldt.

1676. Ziedaar nu zijn getrouwheid, waarvan gij den mond zoo vol hebt

gehad.--Zie het Gloss. op werck maeken van.

1690. beleyt--vervolch: ik begrijp noch hoe men dit overlegd heeft

(het oorspronkelijke plan), noch hoe het zich verder heeft toegedragen

(de uitvoering van het plan).

1727. Bet--waerdich = waardiger: de zin is aan te vullen met "dan

iemand": gij zijt waardiger dan iemand (dan ik zelf ook!) met elkander

te bezitten, dat wat gij bereid zijt, òm elkander, te ontberen:

't is recht dat etc. Vgl. 1502.

1761. dit huwelijck maken: Inifinitief zonder "te". Vgl. 212, 411,

1125, 1325, 1595, 1759. 1694, 1841 kunnen ook anders opgevat worden.

1767. van gouwe. Vgl. Nieuwe verbeterde Lusthof 1607, pag. 20: Gheen

croon soo schoon van Gouwe; ibid. 50: Met zijnen pijl van gouwe.

1770. "Waerdich" is dierbaar en hoort bij "roem"; de dierbare,

waar uw hart op roemt. (1636 heeft: uw waerdigh'.) De staf van goud

1767 is de scepter. 1767-1770 slaat op 1765-1766. De Rey prijst

hem gelukkig om zijn verheffing: doch niet daarom prijzen zij hem

gelukkig, dat een koninklijke staat hem te beurt valt, zij weten te

goed, dat ook Daifilo zelve niet daarin het hemelhoog verheven zoekt

(1767-1768 voorkomt een tegenwerping: wij weten zeer goed dat gij u

den scepter niet aangenamer dan etc.): maar dìt is het, dat gij in

onverbrekelijke trouw één wordt met etc.

1772. Uitverkoren eigendom.

1804. Constr.: (Het) blijckt, de Goden te begeeren dat ghy twee

vereenicht blijft = het blijkt, dat de G. begeeren, dat: accusatief

cum infinitivo als subject.

1807. Reeds genoeg doorgestaan.

1814. De Ouden reeds kenden het rad als teeken van het wisselvallig,

het omslaande geluk (zie voor plaatsen Dr. Montijn, Spreekw. en

spreekw. uitdr. der Romeinen) en de middeleeuwen namen deze

voorstelling over (zie voor de Litteratuur daarover 't Leidsche

Tijdschrift XIV, 136), die juist door de plaats bij Hooft voldoende

wordt toegelicht.

1846a. In teghendeel van dit: van zijn kant en in overeenstemming

hier-mede: alles is nu ten goede beschikt, dat nu ook het

geluk etc. Vgl. uit Cats: Daar staat de jongelingh en biet zijn

rechterhant,--En krijght in tegendeel een gunstigh wederpant.

1861a. Soon v. Persen: Jacoba v. Beieren noemt zich, tijdens het leven

van haar eersten man, Jan v. Touraine, den zoon van Karel VI, Koning

v. Frankrijk: "Dochter van Vrancryck" (v. Mieris, Charterboek van H. en

Z., IV, 394: charter v. 24 Dec. 1416). In een charter v. 13 Febr. 1418

heet Jan v. Beieren: Sone v. Henegouwe, v. Hollandt, ende v. Zeeland

(v. Mieris, IV, 521; e.a.). "Sone" is Mnl. prins; vgl. Infante.

GLOSSARIUM.

A. verwijst naar de aantekeningen. I. = inhoudt.

Achtbaer, 592.

aelwaricheyt, gemelijkheid, 128.

aen, op, 1644.--nemen aen, 1250.

aenbieden, 445.

aendienen, 1380.

aendoen, 107.

aengaen, beginnen, 937, 943.

aengheboren, 283.

aenghesien, 355, A.

aenhòren, 1287.

aenhouden, 1423.

aencleven, 1541.

aenprijsen, 726.

aenroepen, 1697.

aenschijn, het geheele uiterlijke voorkomen, 349, 438, 1071.

aensien voor, 19.

aensien (ten--van). 676: ten opzichte van, vergeleken bij.

aenslaen, bij de hand nemen, beginnen, 478.

aenstaend, 161, 1301.

aentasten, 696, 1202.

aentrecken, aannemen, 1361.

aerdigh, sierlijk, elegant, smaakvol, 367.

aesemen, verlangen of streven, 783, A. aspiro, suspiro. 1584.

afgheronnen, 1062: moegeloopen.

afgunstich, vijandig, 105.

afkeerich, 75, 89.

afkomen, 1110.

afpijnen (hem), zich afsloven, afzwoegen, 1584.

afscheydt (zijn--) nemen, 337.

ayme, 556, 843, 733, 1610, 1100, A.--ay my, 1076.

ay spijt, 1545.

al, geheel, 1432; wel, 1580. als; alsof 505, 672, 685, 1748;

allegaer, 781, 694.

allensjens, 1376.

als, na comp. passim: 186 etc.

als, alles, 1329.

als die, 180.

alwaerdigh, 329.

ameloos, 1583.

ander, 237: Vgl. Fr. vous autres. A.

ander-ick, 1578.

anders, althans, 267.

angelhoeck, 443.

arbeyden, zich inspannen, 1655.

arbeydt, moeite, 560, 1453. A.

armen (m. open-), 372.

asch (in d'-) leggen, 1449.

avondtspel, serenade, 394.

Banket, 147: maaltijd.

beblaedt, 748.

bedaeren, tot den vorigen staat, den normalen toestand terugkomen,

1375, 1524, 60. I.

bedampt, bedwelmd, 629.

bedaren, 1375, A.

bedauwen, 326.

begeeren, hebben, 1110.

begeerte, 1749.

beginsel, begin, 1242.

begraesd, grazig, 145.

beguychelen, bespotten, 453.

behaecht = (mij) behaagd hebbend, 724.

behaghen, 724, 816.

behaghen (zijn-) doen, 1390.

behoeden, c. gen.: verhoeden, 915.

behoeven, 978.

behouwen, 331, 1475.

beydts (van-) 1272.

bejaghen, 1098.

bekennen, herkennen, 79. I

beknellen, 53.

bekomen, komen tot? 18. I.

bekommert, steeds druk bezig, 307. 28.

bekoren, 423.

bekrijten, 106.

beladen, 1650.

beladen in, verlegen met, 29.

beleefd, 301. A.

beleydt, beschikking, 1508. 1690. A.

beleydt 1508: partic. van "beleiden", besturen.

belonken, verliefd v. ter zij aankijken, 175.

beloop, 1698.

beloven, verzekeren, I. 85.

belul, verstand, oordeel, 679. A.

beraeden, 1211.

bereden, gereedmaken, 1259.

bereyden (den wech-), 1730.

bereyt tot, 1106.

berijden, 820.

beroer, 519.

beroert: in oorspr. beteekenis: in beweging raken, 1624.

berste (te-) vallen, 1496.

besadighen, tot rust brengen, 1527. 67, I. 1338.

besaedicht, kalm, rustig, 338.

beschadighen, krenken, leed doen, 1528.

beschaeuwen, 1784.

bescheydelijck, verstandig, "wijs en goed", 291.

bescheyden, duidelijk, 1411. A.

bescheydenheyt, wijze goedheid, 671; tact, fijngevoeligheid, 1132.

bescheyt, antwoord, 543.

beschelden, beschuldigen, 191, 1683.

beseten landen, 1499. A.

besich zijn, 1840.

besien, zien, waarnemen, 1377.

besinnen, beminnen, 1409.

beslommeren (sich-) om, 306. A.

besloten zijn, 81, I.

besloten helm, 900.

besneden, 1330.

besond, van de zon bestraald, 1439.

bespeuren, 1703.

bespooren, onderzoeken, 1382.

best dat, 30.

bestaen, beproeven, 1860. 1707, 1714.

besteden, 101, 892.

besteken, afgepaald 702.

bestellen, gereed maken, in orde brengen, 701, 1217, 1232, 1258.

bestorten, 1764.

beswaer, 1101.

beswaeren, 994, 1523.

besweren met, door tooverkracht voorzien met, 932.

bet, eer, beter, meer, 97, 935, 1213, 1708; veeleer, 1727.

betaelen, 1159, 1847.

bevest, vast, met muren en grachten, 1095.

bevinden, 122.

bevynen, nagaan, 135. A.

beweghen, 1751.

bewaeren, beschermen, 580.

bewindt, besturing, 1840.

bewust, bekend, 776.

bidden, verzoeken, 277, 1029, 1513.

bieden, 345, 370, 1031.

biggelen, 1585.

bijen (ruischende-), 147.

bij zijn bedde, 1238.

binden, 1834.

bitter, 969.

bitterheden, 1587.

bygheleghen, 1007.

bysonder, afzonderlijk, verschillend, 411, A. 685, 670.

blaecken, 248, 1323, 1349.

blasen, 358.

bleeck, 183.

bleeck-gheschonden, 1553.

bleeckheyt, 1332, A.

blickeren, 1334.

blijcken, 599.

blijcklijck, 1409.

blijschap, concr., 1592. gaudium, deliciae.

blijven, het leven laten, 915. Mnl. Wb. I, 1305-1306.

bly, zalig, 546, A.--123, 750.

blygeestich, 206.

blindt, 1839.

blondt, 145, A.--A. 1331b.

boelage, minnespel, 28. A.

boelen, minnen 1629. A.

boeten, stillen, 771, 1243; lesschen, 1547.

boôn, A. 569.

bootseren, 366.

bouwen, 815.

bouwliên, landlieden, 154.

boven (te-) gaan, 1277.

braecken, 1324.

braef, krachtig, 753, A.: vol groote gebeurtenissen, 1175; strijdbaar,

1539; voortreffelijk, 658, 1219.

brageeren, pralen, 1249.

brandt, 274, 243, 715.

braveeren, zich verheffen op, 1076; snorken, trotsen 667.

breydeloos, 260, 577.

breyen, veroorzaken, berokkenen, 1573. A.

bruycken, 1337, 1687.

bruydegoom, 1798.

bruyn, donker, zwartachtig, 30, 819, 1234, 30. A.

buyrt, buurtschap, 435.

buyten (van-) kennen, 237.

Dael, 540.

daer, waar, 320, 804; terwijl, 491, 858, 1020; wanneer? 810; =

daarin 180.

daet (opter-), dadelijk, terstond, 1705.

dagh, plur. 1200.

dan, maar 265, 369: passim.

dapperlijcken, 1087: wèl goed.

dat, zóó, dat, 219, 667, 1318; wanneer dat, 386.

deel (een-), gedeeltelijk, 410.

deelen, toedeelen, schenken, 1194.

deftich, waardig, imponeerend door overtuiging, 1411.

defticheyt, distinctie, 360.

delven, 980.

dencken, 57, 201, 1056.

dencken op, 1629.

dertel, 119.

derven, durven, 1607; 697, 1128; darf. derf: praet., praes.

deucht, alle voortreffelijke, met name manlijke eigenschappen, niet

in uitsluitend moreelen zin, 591; weldadige kracht, 795; innerlijke

waardij, gehalte, 1157; goede en schoone daden, 1738.

deucht-vruchtbaer, 591.

deurgaen met, 419.

deurkruipen, 1451.

dewijl, terwijl, 543.

dieden, uitleggen, verklaren, 1286, 1477.

dienen, 1568, 1810, 1869.

dienen (sich-) van, 1104.

dienst nemen van, 1695

dienst (gheboden--), 37.

dienstboo, 1208.

dienstigh, 285.

dier, 1160, 1193.

diets maecken, 249.

dickheyt der ooghen, 502. A.

dickwils, 58.

dinghen, 1522.

dobbel, 234, 791, 932.

doe, doen, passim: 872-873, 875: 966, 971, 1120 etc.

doen, maken, 788, 1149, 1613; 1520. A.

dom, 21.

dompen, 987.

doogen, verdragen, 1195.

-doom, 130.

doorschynigh, 1354.

doorwaden, doorstróómen, 748. Kil. waeden, vetus. Fland. fluere,

effluere.

draelen, 1160.

draghen, toedragen, 1123, 1473; voortbrengen, 591, 294, 873, 959,

982, 1099, 1391, 1595, 1636.

dracht, opbrengst van 't land, 297.

drang, plur., 't gedrang v. 't handgemeen zijn; of drom? 1660. 619.

dreyghement, 622.

drijven, 391, 539, 571; willen en bewerken, 1806.

drillen, trillen, 39.

dromich, in droombeelden bestaande, 498.

druck, verdriet, 1170.

drucken in, 1344.

druckich, droef, 1763.

duyden, zie dieden.

dul, zonder verstand, blind, 1457; dol, 635, A., 653.

dun, 396. A.

dwerrelen, 1560: spelen.

dwingen, 604.

dwingend, knellend, belemmerend, 1571.

Echt, 1732.

echte-man, 532.

echte-vrouw, 890.

eedel, 1061.

eedelhartig, 82. I.

eelman, 342.

eenemael (t'-), 207.

eensaem, 1512.

eerbieden, eer bewijzen, 300.

eere biên, salueeren, 927.

eere (hoog in-) houden, 672.

eerst, 720.

eerstmael, de eerste maal, 1120.

eerwaerd (-ich), vereerenswaard, aanbiddelijk, 363, 747, 1600; edel,

1330, 1590. (vgl. eedel).

eeuw, tijd, 1053.

eeuwelijck, 1277, 1205.

effen, 115, 1582.

eyghen, eigendom, 974, 1772.

eyndelijck, bijvnw., 22, I. 543

eynden, 705.

eyndt, 1516.

eyndt maecken, 1307.

eyst (my-) van, 1570.

eng, smal, 886.

erkentenis, 1326.

ernst, hoogheid? 1132.

erven, 919, 956.

Feest, vreugde, 962.

fijn goudt, 121.

flucx, 937.

fontein, bron, 138.

fresch, 274.

Granida · 第 9 / 12 段