Ik begin nu te gelooven, dat dit mijn laatste hoofdstuk wordt.
Misschien schrijf ik een volgend jaar weer een boek, maar dit moet
naar Kapitein Rogers. Ik heb nu nog te verhalen vanaf den dag, dat we
over Andy aan 't spreken waren.
Nog vóór het ontbijt was Daan naar Bob Tapson gegaan, en kwam hij
terug met het adres van den vermeenden roover. Vader scheen niet erg
hoopvol gestemd, toen we hem ernaar vroegen. Hij stond den jongens
echter toe, dat zij den eersten den besten vacantiedag met den trein
naar Lemworth mochten gaan. De man woonde 3 mijlen van Lemworth
verwijderd. Lena en ik wilden ook graag mee, maar dat verbood vader.
Den 20sten December begon de vacantie. En dus gingen zij den
volgenden morgen dadelijk naar Lemworth. Ten afscheid riep ik ze toe:
"Denk erom, we willen je niet terug zien, dan met Andy!"
Het was een drukke week nu; tante Caroline zou de Kerstdagen bij ons
komen doorbrengen. Ik denk, dat tante Marie dan ook blijft, en dat
zou allerprettigst wezen; tante Caroline zorgt dan voor de
huishouding en tante Marie voor ons.
Lena en ik moesten helpen bij 't halen van de pitten uit de rozijnen
voor de Kerstpudding, verder moesten we pakjes thee en suiker maken
voor eenige van vaders oudste gemeenteleden en dan nog hadden we
allerlei versieringen te maken voor den grooten Kerstboom, die in de
school wordt opgericht voor alle schoolkinderen.
We hadden 't met al deze dingen zóó druk, dat we nauwelijks den
tijd hadden, om onze eigen geschenken gereed te maken. En het was
toch sinds jaren onze gewoonte, om elkaar met het Kerstfeest
cadeautjes te geven. Nooit koopen we die, dat is juist het aardige.
Dezen keer zullen Lena en ik een omslag maken voor vaders
preekbundel; hij wordt van zwart fluweel, met zwart zijden strooken
afgezet. Lena maakt het omslag en ik borduur in goud-kleurige zijde
vaders voorletters er in; tante Marie heeft ze voor mij geteekend.
Voor tante Marie maak ik een nachtzak, terwijl Lena voor haar
waschtafel onderlegkleedjes maakt. Voor Puf vlechten we roode teugels
met bellen er aan; voor Alex overtrek ik een kartonnen doos voor z'n
postzegels met sterk, mooi gekleurd linnen, zoodat de doos lang goed
blijft; Lena maakt voor hem een portretlijstje met denneappels er in;
worden ze in de lijst gezet, dan gaat dat met zegellak, dat dadelijk
stolt, zoodat ze goed vast zitten; een beetje vernis er over, en 't
lijkt prachtig!
Mijn geschenk aan Daan blijft een zwaar geheim, zelfs Lena mag het
niet weten.
Dit alles neemt veel tijd in beslag, en als ik dan gestoord werd, was
ik erg boos. Maar ik trachtte toch telkens mij weer te herinneren,
dat het 's Konings bevel was, om anderen te helpen. En dan gevoelde
ik weer duidelijker, dat het er niet op aan kwam, hoe vaak ik
gestoord werd, omdat Hij het is, die mij noodig had.
Den ganschen morgen konden Lena en ik ongestoord aan onze geschenken
doorwerken. Na het middagmaal nam tante Marie ons en Puf mee naar het
bosch, waar wij klimop en mos bijeenzamelden voor de versiering der
kerk. Het was er zoo stil en rustig, maar erg koud.
Vóór 't theedrinken waren we weer thuis en werkten we weer door aan
onze geschenken. Het werd inmiddels 8 uur, half 9, 9 uur, doch geen
jongens te zien! En 8 uur kwam de laatste trein aan! Lena en ik
moesten naar bed. Tante Marie zei, dat ze heelemaal niet angstig was,
maar vader wel. Natuurlijk dachten Lena en ik, dat hun iets overkomen
was. Lena meende, dat de man ze vermoord zou hebben en hun lijken
onder den grond gestopt. Ik veronderstelde, dat ze Andy gevonden
hadden, en dat de man toen naar den dichtstbijzijnden politiepost was
gegaan, om te zeggen, dat de jongens den ezel gestolen hadden. En dan
zouden ze niet worden geloofd, en in de gevangenis komen, totdat ze
bewezen hadden, dat Andy hun eigendom was. 't Kon ook wezen, dacht
Lena, dat ze de jongens ergens hadden opgesloten, om zich met Andy
uit de voeten te maken. Wij spraken zoo druk over al die
mogelijkheden, dat we ten slotte van vermoeidheid in slaap vielen.
Toen wij den volgenden morgen van Emma hoorden, dat de jongens nòg
niet terug waren, werden wij zeer beangst en opgewonden. Vader en
tante Marie keken bij 't ontbijt ook erg somber; vader zei: "Ik had
ze niet moeten laten gaan; ik moet zelf maar even naar Lemworth
gaan." En tante Marie voegde eraan toe: "We zullen nog wachten tot
vanavond. Ik geloof zeker, dat ze den trein gemist hebben, en nu tot
vanmorgen ergens geslapen hebben."
Lena en ik, we wisten niet, wat te beginnen. Ontelbare keeren liepen
we naar 't hek, en keken den weg op, of ze nog niet kwamen. En zie,
toen we juist weer in huis waren gegaan, en aan onze cadeautjes
begonnen, daar kwamen ze binnenvallen. Wat waren we blij! Lena danste
de kamer rond en riep: "Wij dachten, dat jelui vermoord waren!" En ik
vroeg ademloos: "Waar is Andy?" "Raad maar!" zei Daan kalm. Wij
werden weer angstig, omdat de jongens zoo ernstig keken. En toen zei
Daan plechtig:
"In den stal beneden!"
Wij juichten van blijdschap en renden naar beneden, om hem te zien;
ook vader en tante Marie kwamen aangeloopen, zelfs Emma en de
keukenmeid. Puf vonden we al in den stal, zijn armen geslagen om
Andy's nek, en den ezel kussende, als deed hij het tante Marie.
[Illustratie]
Wij konden haast niet gelooven, dat het Andy was. Hij zag er zoo
vuil, vermagerd en vermoeid uit. Even keek hij ons aan en vrat toen
weer verder van het hooi, dat Baldwin hem gebracht had. Dat is het
akeligste van ezels; ze schijnen zoo kalm en onverschillig. Hij
begreep niets van onze blijdschap. Ik had gewild, dat ie met ons had
rondgedanst, om te bewijzen, hoe blij hij was met zijn thuiskomst.
Met allerlei vragen overstroomden wij de jongens. "Wie had 'm? Waar
vond jelui hem? Hoe ben je naar hier gekomen? Waar hebben jelui
geslapen? Waarom ben jelui gisteren niet thuis gekomen?" Doch vader
bedaarde ons een beetje; hij was even blij als wij, maar de jongens
hadden fermen honger. Zoo gingen we dus met hen naar de eetkamer,
waar ze ons onder een stevig ontbijt hun wedervaren vertelden.
"Wij hebben toch zulke groote avonturen gehad!" zei Alex; "het was
wel goed, als je alles in je dagboek opschreef, Griet, want het is
grappig genoeg, om het later nog eens te lezen."
[Illustratie]
"Ik zal beginnen bij 't begin," zei Daan, en begon.
"Wij kwamen veilig te Lemworth aan, en gingen van daar uit loopend
naar het huis van Jem Harvey, zoo heet de kerel. Het was een heel
eind, en zeker wel langer dan 3 mijlen. Aan de grens der
gemeenteweide vonden we een soort schuur, waaromheen ezels liepen te
grazen. We overlegden nog eens rustig, hoe we doen zouden, en gingen
toen aan den slag."
"Net alsof wij roovers waren, die op dieren af sluipen," viel Alex
Daan in de rede. "Wij kropen voort in de schaduw van een heg, en
konden toen al de ezels overzien, zonder dat iemand ons bemerkte."
Daan vervolgde weer: "Wij telden 5 ezels, maar Andy was er niet bij;
maar natuurlijk dachten wij, dat hij ergens was opgesloten. Wij
moesten dus eerst de schuren en hokken onderzoeken, en dat was
verbazend moeilijk, want toen we wat dichterbij kwamen, zagen we een
man, die daar stond hout te hakken."
"Maar ten slotte hadden we ons plan toch gereed," viel Alex weer in.
"Vertel jij nou verder, Daan, maar niet zoo langzaam."
"Met flinke stappen gingen we op hem af.
[Illustratie]
Goeden middag! zei ik. We zijn gekomen, om met u over zaken te
spreken. Onderwijl nam Alex hem eens goed op. Hij keek ons
achterdochtig aan en zei toen, dat we hem dat al eens meer gezegd
hadden. Ik zei: Wij hebben onzen ezel verloren, en komen nu eens
hier, om te zien of we van u een anderen kunnen koopen. Hij
antwoordde: Maar mijn ezels zijn niet goed genoeg voor jelui
bleekneuzen. En hij lachte daarbij zoo akelig, dat ik dadelijk
vermoedde, dat hij er meer van wist. Misschien hebt u toch nog wel
een paar mooie beesten, zeiden we; toen klopte hij z'n pijp uit en
ging met ons een der stallen binnen. Ik zal misschien nog wel wat
goeds voor jelui hebben, een aardig beest, loopt als de wind, en
behaalde een prijs te Lincoln.
Hij schuifelde het schuurtje binnen, en zie, daar stond een kleine
grijze ezel. Wij keken scherp rond...."
"Ik zag hem het eerst," viel Alex uit. "Met mijn scherpziende
detective-oogen had ik hem onmiddellijk herkend." Daan ging voort,
als had hij Alex niet gehoord: "In den hoek hing aan een spijker
Andy's blauwe kleed."
Wij waren allen onder den indruk van de spannende oogenblikken, en
tante Marie was zóó meegesleept, dat ze gejaagd vroeg: "En wat
zeiden jelui?"
"Eerst zeiden we niets, we deden, alsof we niets gemerkt hadden,
praatten over den grijzen ezel, en zeiden, dat we bevreesd waren, dat
ie te klein voor ons zou wezen. Och, wat keek die man leelijk, hij
grijnsde ons aan en stonk naar den drank. Ik gaf Alex een knipoogje,
zich stil te houden; toen wij overal goed hadden rond gekeken, zoodat
we goed wisten, dat Andy nergens kon verborgen worden, vertrokken we.
Maar terwijl we wegliepen begon ik eensklaps tegen den kerel uit te
varen:
"Waar haal jij dat blauwe kleed in je schuur vandaan? En wie heeft
den zwart-witten omslagdoek in stukken gesneden? En denk nu maar
niet, dat wij zulke melkmuilen zijn, want wij gaan regelrecht naar de
politie, en die zullen we je hier op je dak sturen. Eén kans is er,
om je te redden: onmiddellijk Andy losmaken, hem brengen op de markt
te Lemworth, en hem daar vastbinden aan een lantaarnpaal. Wij geven
je den tijd tot 4 uur namiddag, en we beloven je tot zoolang te
zullen geduld hebben. Is ie er om 4 uur niet, dan sturen we je
dadelijk de politie, en dan ben je er gloeiend bij."
Natuurlijk was ie woedend. Hij raasde en vloekte, en zei, dat ie dat
blauwe kleed aan den weg had gevonden, en dat hij ons zou aanklagen
wegens laster. Wij vertelden hem, dat dat alles tevergeefsch zou
zijn, want alle veldwachters in den omtrek wisten al van onzen
verdwenen ezel en het blauwe kleed.