HOOFDSTUK XVII.

Ik begin nu te gelooven, dat dit mijn laatste hoofdstuk wordt.

Misschien schrijf ik een volgend jaar weer een boek, maar dit moet

naar Kapitein Rogers. Ik heb nu nog te verhalen vanaf den dag, dat we

over Andy aan 't spreken waren.

Nog vóór het ontbijt was Daan naar Bob Tapson gegaan, en kwam hij

terug met het adres van den vermeenden roover. Vader scheen niet erg

hoopvol gestemd, toen we hem ernaar vroegen. Hij stond den jongens

echter toe, dat zij den eersten den besten vacantiedag met den trein

naar Lemworth mochten gaan. De man woonde 3 mijlen van Lemworth

verwijderd. Lena en ik wilden ook graag mee, maar dat verbood vader.

Den 20sten December begon de vacantie. En dus gingen zij den

volgenden morgen dadelijk naar Lemworth. Ten afscheid riep ik ze toe:

"Denk erom, we willen je niet terug zien, dan met Andy!"

Het was een drukke week nu; tante Caroline zou de Kerstdagen bij ons

komen doorbrengen. Ik denk, dat tante Marie dan ook blijft, en dat

zou allerprettigst wezen; tante Caroline zorgt dan voor de

huishouding en tante Marie voor ons.

Lena en ik moesten helpen bij 't halen van de pitten uit de rozijnen

voor de Kerstpudding, verder moesten we pakjes thee en suiker maken

voor eenige van vaders oudste gemeenteleden en dan nog hadden we

allerlei versieringen te maken voor den grooten Kerstboom, die in de

school wordt opgericht voor alle schoolkinderen.

We hadden 't met al deze dingen zóó druk, dat we nauwelijks den

tijd hadden, om onze eigen geschenken gereed te maken. En het was

toch sinds jaren onze gewoonte, om elkaar met het Kerstfeest

cadeautjes te geven. Nooit koopen we die, dat is juist het aardige.

Dezen keer zullen Lena en ik een omslag maken voor vaders

preekbundel; hij wordt van zwart fluweel, met zwart zijden strooken

afgezet. Lena maakt het omslag en ik borduur in goud-kleurige zijde

vaders voorletters er in; tante Marie heeft ze voor mij geteekend.

Voor tante Marie maak ik een nachtzak, terwijl Lena voor haar

waschtafel onderlegkleedjes maakt. Voor Puf vlechten we roode teugels

met bellen er aan; voor Alex overtrek ik een kartonnen doos voor z'n

postzegels met sterk, mooi gekleurd linnen, zoodat de doos lang goed

blijft; Lena maakt voor hem een portretlijstje met denneappels er in;

worden ze in de lijst gezet, dan gaat dat met zegellak, dat dadelijk

stolt, zoodat ze goed vast zitten; een beetje vernis er over, en 't

lijkt prachtig!

Mijn geschenk aan Daan blijft een zwaar geheim, zelfs Lena mag het

niet weten.

Dit alles neemt veel tijd in beslag, en als ik dan gestoord werd, was

ik erg boos. Maar ik trachtte toch telkens mij weer te herinneren,

dat het 's Konings bevel was, om anderen te helpen. En dan gevoelde

ik weer duidelijker, dat het er niet op aan kwam, hoe vaak ik

gestoord werd, omdat Hij het is, die mij noodig had.

Den ganschen morgen konden Lena en ik ongestoord aan onze geschenken

doorwerken. Na het middagmaal nam tante Marie ons en Puf mee naar het

bosch, waar wij klimop en mos bijeenzamelden voor de versiering der

kerk. Het was er zoo stil en rustig, maar erg koud.

Vóór 't theedrinken waren we weer thuis en werkten we weer door aan

onze geschenken. Het werd inmiddels 8 uur, half 9, 9 uur, doch geen

jongens te zien! En 8 uur kwam de laatste trein aan! Lena en ik

moesten naar bed. Tante Marie zei, dat ze heelemaal niet angstig was,

maar vader wel. Natuurlijk dachten Lena en ik, dat hun iets overkomen

was. Lena meende, dat de man ze vermoord zou hebben en hun lijken

onder den grond gestopt. Ik veronderstelde, dat ze Andy gevonden

hadden, en dat de man toen naar den dichtstbijzijnden politiepost was

gegaan, om te zeggen, dat de jongens den ezel gestolen hadden. En dan

zouden ze niet worden geloofd, en in de gevangenis komen, totdat ze

bewezen hadden, dat Andy hun eigendom was. 't Kon ook wezen, dacht

Lena, dat ze de jongens ergens hadden opgesloten, om zich met Andy

uit de voeten te maken. Wij spraken zoo druk over al die

mogelijkheden, dat we ten slotte van vermoeidheid in slaap vielen.

Toen wij den volgenden morgen van Emma hoorden, dat de jongens nòg

niet terug waren, werden wij zeer beangst en opgewonden. Vader en

tante Marie keken bij 't ontbijt ook erg somber; vader zei: "Ik had

ze niet moeten laten gaan; ik moet zelf maar even naar Lemworth

gaan." En tante Marie voegde eraan toe: "We zullen nog wachten tot

vanavond. Ik geloof zeker, dat ze den trein gemist hebben, en nu tot

vanmorgen ergens geslapen hebben."

Lena en ik, we wisten niet, wat te beginnen. Ontelbare keeren liepen

we naar 't hek, en keken den weg op, of ze nog niet kwamen. En zie,

toen we juist weer in huis waren gegaan, en aan onze cadeautjes

begonnen, daar kwamen ze binnenvallen. Wat waren we blij! Lena danste

de kamer rond en riep: "Wij dachten, dat jelui vermoord waren!" En ik

vroeg ademloos: "Waar is Andy?" "Raad maar!" zei Daan kalm. Wij

werden weer angstig, omdat de jongens zoo ernstig keken. En toen zei

Daan plechtig:

"In den stal beneden!"

Wij juichten van blijdschap en renden naar beneden, om hem te zien;

ook vader en tante Marie kwamen aangeloopen, zelfs Emma en de

keukenmeid. Puf vonden we al in den stal, zijn armen geslagen om

Andy's nek, en den ezel kussende, als deed hij het tante Marie.

[Illustratie]

Wij konden haast niet gelooven, dat het Andy was. Hij zag er zoo

vuil, vermagerd en vermoeid uit. Even keek hij ons aan en vrat toen

weer verder van het hooi, dat Baldwin hem gebracht had. Dat is het

akeligste van ezels; ze schijnen zoo kalm en onverschillig. Hij

begreep niets van onze blijdschap. Ik had gewild, dat ie met ons had

rondgedanst, om te bewijzen, hoe blij hij was met zijn thuiskomst.

Met allerlei vragen overstroomden wij de jongens. "Wie had 'm? Waar

vond jelui hem? Hoe ben je naar hier gekomen? Waar hebben jelui

geslapen? Waarom ben jelui gisteren niet thuis gekomen?" Doch vader

bedaarde ons een beetje; hij was even blij als wij, maar de jongens

hadden fermen honger. Zoo gingen we dus met hen naar de eetkamer,

waar ze ons onder een stevig ontbijt hun wedervaren vertelden.

"Wij hebben toch zulke groote avonturen gehad!" zei Alex; "het was

wel goed, als je alles in je dagboek opschreef, Griet, want het is

grappig genoeg, om het later nog eens te lezen."

[Illustratie]

"Ik zal beginnen bij 't begin," zei Daan, en begon.

"Wij kwamen veilig te Lemworth aan, en gingen van daar uit loopend

naar het huis van Jem Harvey, zoo heet de kerel. Het was een heel

eind, en zeker wel langer dan 3 mijlen. Aan de grens der

gemeenteweide vonden we een soort schuur, waaromheen ezels liepen te

grazen. We overlegden nog eens rustig, hoe we doen zouden, en gingen

toen aan den slag."

"Net alsof wij roovers waren, die op dieren af sluipen," viel Alex

Daan in de rede. "Wij kropen voort in de schaduw van een heg, en

konden toen al de ezels overzien, zonder dat iemand ons bemerkte."

Daan vervolgde weer: "Wij telden 5 ezels, maar Andy was er niet bij;

maar natuurlijk dachten wij, dat hij ergens was opgesloten. Wij

moesten dus eerst de schuren en hokken onderzoeken, en dat was

verbazend moeilijk, want toen we wat dichterbij kwamen, zagen we een

man, die daar stond hout te hakken."

"Maar ten slotte hadden we ons plan toch gereed," viel Alex weer in.

"Vertel jij nou verder, Daan, maar niet zoo langzaam."

"Met flinke stappen gingen we op hem af.

[Illustratie]

Goeden middag! zei ik. We zijn gekomen, om met u over zaken te

spreken. Onderwijl nam Alex hem eens goed op. Hij keek ons

achterdochtig aan en zei toen, dat we hem dat al eens meer gezegd

hadden. Ik zei: Wij hebben onzen ezel verloren, en komen nu eens

hier, om te zien of we van u een anderen kunnen koopen. Hij

antwoordde: Maar mijn ezels zijn niet goed genoeg voor jelui

bleekneuzen. En hij lachte daarbij zoo akelig, dat ik dadelijk

vermoedde, dat hij er meer van wist. Misschien hebt u toch nog wel

een paar mooie beesten, zeiden we; toen klopte hij z'n pijp uit en

ging met ons een der stallen binnen. Ik zal misschien nog wel wat

goeds voor jelui hebben, een aardig beest, loopt als de wind, en

behaalde een prijs te Lincoln.

Hij schuifelde het schuurtje binnen, en zie, daar stond een kleine

grijze ezel. Wij keken scherp rond...."

"Ik zag hem het eerst," viel Alex uit. "Met mijn scherpziende

detective-oogen had ik hem onmiddellijk herkend." Daan ging voort,

als had hij Alex niet gehoord: "In den hoek hing aan een spijker

Andy's blauwe kleed."

Wij waren allen onder den indruk van de spannende oogenblikken, en

tante Marie was zóó meegesleept, dat ze gejaagd vroeg: "En wat

zeiden jelui?"

"Eerst zeiden we niets, we deden, alsof we niets gemerkt hadden,

praatten over den grijzen ezel, en zeiden, dat we bevreesd waren, dat

ie te klein voor ons zou wezen. Och, wat keek die man leelijk, hij

grijnsde ons aan en stonk naar den drank. Ik gaf Alex een knipoogje,

zich stil te houden; toen wij overal goed hadden rond gekeken, zoodat

we goed wisten, dat Andy nergens kon verborgen worden, vertrokken we.

Maar terwijl we wegliepen begon ik eensklaps tegen den kerel uit te

varen:

"Waar haal jij dat blauwe kleed in je schuur vandaan? En wie heeft

den zwart-witten omslagdoek in stukken gesneden? En denk nu maar

niet, dat wij zulke melkmuilen zijn, want wij gaan regelrecht naar de

politie, en die zullen we je hier op je dak sturen. Eén kans is er,

om je te redden: onmiddellijk Andy losmaken, hem brengen op de markt

te Lemworth, en hem daar vastbinden aan een lantaarnpaal. Wij geven

je den tijd tot 4 uur namiddag, en we beloven je tot zoolang te

zullen geduld hebben. Is ie er om 4 uur niet, dan sturen we je

dadelijk de politie, en dan ben je er gloeiend bij."

Natuurlijk was ie woedend. Hij raasde en vloekte, en zei, dat ie dat

blauwe kleed aan den weg had gevonden, en dat hij ons zou aanklagen

wegens laster. Wij vertelden hem, dat dat alles tevergeefsch zou

zijn, want alle veldwachters in den omtrek wisten al van onzen

verdwenen ezel en het blauwe kleed.

Wij en ons ezeltje · 第 26 / 29 题