"Toe laat mij nu ook eens vertellen," zei Alex, die zich nooit rustig
kan houden, als een ander vertelt. Daan hield zich stil, en Alex
vertelde verder:
"Toen we te Lemworth terug waren, hebben we eerst broodjes met melk
genomen, en vervolgens onze plannen verder besproken. Natuurlijk was
het dom geweest, om dien kerel te zeggen, dat wij hem tot 4 uur
ongemoeid zouden laten, want in dien tusschentijd kon ie al lang
ontvlucht wezen. Maar nu komt het mooiste nog aan.
Nadat we gegeten hadden gingen we, vermoeid door het
straat-slenteren, een buitenweg op. Ongeveer een mijl waren we dien
opgeloopen, toen we plotseling een jongen zagen, die in een droge
sloot getuimeld was en te keer ging als een mager varken. 't Was een
echte landlooper, en eerst zei ik: Kom, laten we maar doorloopen.
Maar dat vonden we toch ook weer al te hard; als hij eens gewond was!
We gingen dus naar hem toe en vroegen wat hem scheelde. Hij toonde
ons zijn been, dat leelijk verwond was. Uit zijn verhaal echter
konden we totaal niet wijs worden. Hij zei, dat z'n baas hem
afgeranseld had, en toen was hij van de kar gevallen; hij was er nog
suf van in z'n hoofd. Hij had z'n been een beetje verbonden, maar het
had vreeselijk gebloed, wij namen dus onze zakdoeken en verbonden hem
wat steviger, waarna we zeiden, hem naar huis te zullen brengen. Waar
hij woonde? Bij m'n baas! zei ie. Maar waar die woonde wilde hij niet
zeggen, want hij wou nooit meer naar 'm terug. Toen zeiden we, dat we
hem naar 't hospitaal zouden brengen, daar kon z'n been goed worden
nagekeken. Dat leek hem goed toe, maar om hem te dragen, dat was geen
grapje. Daan zei tegen me: Wat is het jammer, dat we Andy niet bij
ons hebben. Toen de jongen dit hoorde, spitste hij plotseling de
ooren, keek ons verwonderd aan, en in 't volgende oogenblik hadden we
elkaar herkend. Het was de jongen van Jem Harvey. We zeiden tot hem:
"Wees maar niet bevreesd. Wij zijn op jou niet boos, omdat jelui
onzen ezel gestolen hebt. Maar je baas zal er voor boeten. Wij hebben
alles al ontdekt."
Hij keek verschrikt op. "O, ik wist wel, dat er iets niet in den haak
was!"
"Waar heb je onzen ezel 't laatst gezien?" vroeg Daan. Toen vertelde
hij ons alles. Zij waren Andy tegen gekomen toen hij langs den weg
rende; de baas had hem opgevangen en vastgebonden. Zoo moest Andy
achter hun wagen aan loopen, tot ze aan een groot bosch kwamen. Toen
het donker was, werden Andy's kleeren afgetrokken, en zoo gingen ze
met hem naar huis. Den volgenden dag moest de jongen hem naar een
stal te Taunerton brengen. Daar moest een kooper voor hem gezocht
worden. De jongen vertelde ons tegelijk, welk een hondenleven hij bij
dien baas had gehad, en dat hij daarom was weggeloopen. Hij was wees,
en Jem had volstrekt geen rechten op hem.
Wat waren we nu in spanning, om Andy terug te krijgen! Maar die
jongen moest eerst naar 't hospitaal. Wij vernamen, dat Taunerton 5
mijlen daar vandaan was, te ver dus om nu nog te gaan loopen.
Gelukkig was er een bakkerswagen, die er heen moest, en de bakker
stond ons toe, mee te rijden. Wij vertelden hem al ons wedervaren.
Hij kende den man, dien we zochten. Het was een messenslijper en
tinnegieter; hij leefde met een vrouw, zoo mogelijk nog slechter dan
hij. "Maar jelui moet er niet heengaan," zei de bakker, "het zijn
gevaarlijke lui."
"Het was bijna donker, toen we te Taunerton aankwamen en toen schoot
ons met schrik te binnen, dat we den laatsten trein zouden missen,
maar wij konden toch ook niet teruggaan, nu we zoo vlak bij Andy
waren. Ga jij nou maar weer verder, Daan."
Daan vervolgde dadelijk: "Wij waren bang, dat Jem Andy ergens zou
verstopt hebben, maar het moest nu gewaagd worden. De bakker wees ons
het huis. Gelukkig was het goed donker nu, want wij waren vast
besloten, Andy weg te halen, zoodra we hem zagen.
[Illustratie]
Wij slopen naar het huisje, toen den tuin rond, en zie, daar in een
vervallen schuurtje met een half gebroken deur, stond Andy! Ik kan
jelui zeggen, dat we geen oogenblik verloren lieten gaan! We sneden
z'n halster door, en trokken hem uit den stal. Daar kwam de kerel
aan! Maar 't was te laat! We hoorden hem nog schreeuwen: Houdt den
dief! Maar beiden hadden we ons op Andy's rug geslingerd, en als
dollen renden we naar het dorp terug!
[Illustratie]
Al spoedig draafden een half dozijn lui achter ons aan, die
schreeuwden als Indianen. Toen we een flink eind buiten hun bereik
waren, hielden we wat in, totdat we nog betrekkelijk vroeg te
Lemworth aankwamen. Wij waren zóó bang, dat Jem ons nog zou
opmerken, dat we er niet durfden blijven, en dus maar verder reden;
voor den trein was het nu toch te laat.
Wij reden en liepen om beurten. We waren hongerig en vermoeid, en ook
Andy begon den kop te laten hangen. Eensklaps hield hij midden op den
weg stil en wilde niet verder. Wat moesten we beginnen? En vlak voor
ons kwam een auto aangerend. Wij schreeuwden hard, en zij stopten.
Wie denk je dat er in zat?"
"Mevrouw Laura!" raadde ik.
"Mis! Generaal Walton, die altijd visch van ons kocht. Hij herkende
mij, en vroeg wat we uitvoerden. Ik vertelde het hem; hij was o zoo
vriendelijk. Hij liet z'n knecht uitstijgen en wij mochten in de auto
zitten. Hij zou ons naar zijn huis rijden, waar wij den nacht konden
doorbrengen. Zijn knecht droeg hij op, Andy mee te brengen. Verder
werd er niet gepraat, en wij hadden een heerlijk autotochtje."
"Maar dat had je ons toch wel even kunnen seinen," zei vader. "Dacht
je dan niet, dat wij in angst zouden zitten?"
"Zeker wel, vader. Generaal Walton zond dadelijk zijn knecht naar
hier."
"Dien heb ik niet gezien," zei vader.
"Toe, vertel nu verder, wat jelui deden," drong ik aan.
Daan vervolgde: "Wij kregen een heerlijk middagmaal, en wij vertelden
hem al onze avonturen. Hij heeft ons allen te eten gevraagd op
Nieuwjaarsavond!"
Dat gaf blijdschap! "En toen zijn we vanmorgen dadelijk na 't ontbijt
op Andy's rug naar huis gereden, maar hij is bepaald niet goed, want
telkens hield hij weer stil, en daarom zijn we zoo laat."
Hun verhaal was ten einde. Ik had het spannend gevonden, maar Lena
had het mooier gevonden, als de jongens waren opgesloten of ongeveer
vermoord geworden.
En nu wij allen gelukkig zijn met Andy's terugkomst, lijkt het mij
het beste toe, mijn verhaal hier te eindigen. Alles is nu goed
afgeloopen en ook ons Kerstfeest was allerprettigst. Het zou te lang
duren, ook daarvan nog alles te vertellen.
Eén ding moet ik echter nog zeggen. Mijn geschenk aan Daan was het
motto van den ridder in geschilderde letters, blauw, rood en goud. Op
den eersten Kerstdag riep Daan mij in zijn kamer en toonde mij, waar
hij het had opgehangen: juist tegenover zijn bed.
"Het is mooi, Grietje," zei hij. "Het is goed, aan iemands goede
wenschen herinnerd te worden."
"Ja," zei ik, "en het is ook _mijn_ wensch, Daan. Ik denk, dat de
oude ridder weinig vermoed zal hebben, dat zijn motto nog zóó zou
voortleven. 't Is een woord van groote waarde."
"Niet van zoo groote waarde, als vader's preek," zei Daan. "Maar het
komt er mee overeen. _Komen_ -- _gaan_ -- _doen!_ Nooit zal ik het
vergeten!"
Terwijl mijn hart klopte van aandoening, zei ik: "En ik geloof, Daan,
dat, als wij deze bevelen getrouw opvolgen, onze Koning eens tot ons
zeggen zal, wat de koning zei in het verhaal van tante Marie: