HET VERHAAL VAN ONZEN RIDDER

"Lang geleden leefde er een ridder, Sir Roger Dereker geheeten. Reeds

van zijn veertiende jaar af was hij met z'n koning op het oorlogspad,

daar hij 's konings page was. Hij was de dapperste der ridders aan 's

konings hof; vrees scheen hij niet te kennen, en iedereen, die hem

kende, hield van hem.

[Illustratie]

Wel was hij dapper en streng, maar jegens vrouwen en kinderen was hij

de zachtheid zelve; wie hem om hulp vroeg, ging nooit teleurgesteld

heen.

Hij woonde in een groot kasteel, dicht bij den koning en had een

jonge vrouw, die hij innig lief had...."

"O tante!" riep ik uit, "dan moet u ons eerst vertellen, hoe hij haar

kreeg. Toe, dat moet u vooral heelemaal vertellen!"

"Wel, op een bitter-kouden winteravond reed hij, met z'n page bij

zich, naar huis.

[Illustratie]

Regen en wind stormden hem tegemoet, en zijn handen waren zóó koud,

dat hij nauwelijks meer de teugels kon vasthouden; z'n paard, een

goed dier, kon slechts stapvoets gaan, daar zij door een zeer donker

bosch reden, dat vol struikgewas stond. Eensklaps hoorde hij een

gekraak in de struiken achter zich, en geen seconde later verscheen

voor zijn verbaasde blikken een wit paard, dat als dol voortrende, en

op welks rug hij de gedaante van een vrouw ontwaarde. Zij was geheel

gewikkeld in een donkerblauw kleed, en scheen tevergeefs te trachten

haar paard tot staan te brengen.

"Er achteraan!" riep Roger zijn page toe. "Zij wordt tegen haar wil

ontvoerd!"

Hij gaf ook z'n eigen paard de sporen, en beiden joegen ze het witte

paard na, totdat ze aan den rand van het bosch kwamen. Er lag daar

een groote open vlakte voor hen, en heel in de verte zagen ze de

lichtjes van 's ridders kasteel. Het paard met de dame was zóó snel

over de vlakte gerend, dat zij haar pas inhaalden vóór de valdeur

van 't kasteel. Met schuim bedekt, stond daar het paard stil; de dame

was buiten adem en uitgeput van inspanning. Sir Roger reed op haar

toe en begroette haar.

"Mevrouw, het is een verschrikkelijke avond, en u is hier voor mijn

deur, die altoos open staat voor wie in nood verkeert. Wilt u mij het

genoegen doen, van mijn gastvrijheid gebruik te maken?"

De dame wikkelde zich dichter in haar rijkleed en sprak zoo zacht

mogelijk: "Ik ben u zeer dankbaar. Ik ben zeer ver van huis en

inderdaad in nood. Waar mijn bedienden zijn, ik weet het niet. Men

vervolgt mij; iemand heeft mijn vader vermoord en ons huis verbrand.

Ik heb hulp noodig."

Sir Roger blies op zijn hoorn; de valdeur werd opgetrokken en

nauwelijks waren zij binnengereden, of met vreeselijk geweld beukte

iemand op de poort, met woedende stem uitroepende: "Die dame behoort

mij. Zij is mijn beloofde vrouw!"

Sir Roger verwaardigde zich niet, een antwoord te geven. Hij bracht

zijn bezoekster naar de appartementen van zijn moeder, en zag haar

niet vóór het avondeten.

Haar vervolger trok na nog eenig gebeuk op de poort onverrichterzake

af. Toen Sir Roger zijn gast bij het avondeten ontmoette, was hij

verrast door haar schoonheid.

[Illustratie]

Zij scheen nog jong en droeg een wit, met goud-borduursel omzoomd

kleed. Dichte strengen donkerbruin haar golfden om haar bleek gelaat;

diep-blauwe oogen keken hem aan met een uitdrukking van onschuld en

reinheid; toen ze hem aankeek, vloog een lichte blos over haar

wangen. Zwijgend nam ze haar zetel aan tafel in, en toen de maaltijd

ten einde was, ging hij met haar naar zijn eigen kamer, waar zij hem

haar geschiedenis vertelde.

Met oogen vol tranen vertelde ze, hoe haar vader gevallen was in een

gevecht met zijn aartsvijand, Baron Dacre, die haar hand had

gevraagd, en was afgewezen. Zij vertelde hem, hoe de baron door het

verraad van een der bedienden den toegang tot hun tuin vond, waar een

vreeselijk gevecht plaats had. En toen eindelijk ook hun huis in

vlammen opging, was ze op haar schimmel gevlucht, achtervolgd door

den baron en z'n handlangers.

Terwijl ze hem dankbaar aankeek, zei ze: "Hoe zal ik u naar waarde

danken voor wat ge deedt aan een meisje, dat thans wees is, en alleen

staat."

En het ernstige antwoord van Sir Roger was: "Als u mij het recht

geeft, u voortaan te blijven beschermen en helpen." Zoo kreeg hij z'n

bruid."

Wij klapten allen in onze handen van blijdschap, waarna tante

vervolgde:

"Er kwamen moeilijke tijden voor onzen dapperen ridder. Zijn koning

was omringd van onbetrouwbare hovelingen. En diezelfde Baron Dacre

liet hem niet met rust, verzamelde zich ontevreden mannen, en een

burgeroorlog was 't gevolg.

Op den avond van Sir Roger's huwelijk met Gravin Gwendolina kwam een

renbode aan zijn poort, om hem tot den oorlog op te roepen. Roger

scheurde zich los van zijn jonge vrouw, en toen zij even haar

bekommering daarover uitsprak, zei hij: "Lieve, ik ben aan mijn

koning verbonden met mijn eerewoord en mannentrouw. Desniettemin

bemin ik jou evenzeer. Maar ik mag mijn riddereer niet aanranden,

door hem te verlaten, als hij mijn diensten vraagt."

Zoo reed hij heen, en bleef vier lange maanden weg. Toen keerde hij

terug, bedekt met wonden, maar ook beladen met roem.

Eenigen tijd leefde hij nu rustig thuis, doch op zekeren dag werd

zijn kasteel overvallen door Baron Dacre en een troep handlangers,

tegen wie hij een harden kamp te strijden had, om zijn bezittingen te

behouden. Middenin het gevecht kwam een renbode op het kasteel door

de geheime onderaardsche gang, die een mijl lang was en midden in het

bosch uitkwam. Hij had opdracht van den koning, om Sir Roger tot een

samenspreking op te roepen. Eén oogenblik aarzelde de dappere Roger;

hij wist, dat als hij heenging, zijn huis zou verwoest worden. Hij

keek zijn vrouw angstig aan en sprak: "Lieve, ik moet naar den

koning, hij laat mij roepen." Zij sprong overeind als door een

plotseling besluit aangegrepen: "En ik zal met je trouwe dienaren het

huis verdedigen, totdat je terugkomt."

"Bravo!" schreeuwde Daan ertusschen in.

Sir Roger gespte z'n zwaard aan en vertrok met den renbode door de

onderaardsche gang. Hij had vooraf aan zijn vrouw gezegd, dat, als

het haar te benauwd werd, zij daar ook in moest vluchten; aan het

eind zou zij wel een verblijfplaats vinden, waar zij veilig zijn

komst kon afwachten.

Bij den koning gekomen, vond hij dezen omringd van zijn edelen,

sprekende over een belangrijke zaak, waarover de koning ook Roger's

meening wilde hooren. Sir Roger gaf zijn oordeel over de zaak te

kennen, en toen de koning zijn oogen opsloeg en naar buiten keek, zag

hij boven Roger's kasteel zware rookwolken opstijgen. Hij vroeg naar

de oorzaak ervan; toen rees Roger op en sprak met van aandoening

trillende stem:

"Sire, dat is mijn kasteel; in mijn afwezigheid heeft mijn vijand het

verwoest."

"Wist gij dit, voor ge hier kwaamt?"

"Midden in het gevecht kwam uw boodschapper."

"En liet ge toen uw vrouw alleen achter in zoo groot gevaar?"

"Zij zou het zoo goed als zij kon verdedigen, en ik zei haar, te gaan

vluchten, zoodra haar leven dreigde gevaar te loopen."

"Sir Roger," zei de koning, "dezen avond zal ik nimmer vergeten. Ga

nu heen, en moge God uw dappere vrouw van den dood hebben gered."

Dadelijk verliet de ridder het paleis, en vond zijn vrouw in den

geheimen kelder, omgeven van enkele gewonde getrouwen. Doch toen haar

man haar in zijn armen drukte, zeeg ze als dood terneer. Hij

ontdekte, dat een pijl haar linkerarm had doorboord, en haar

ontzettende pijnen had veroorzaakt.

"O tante, laat haar niet sterven," riep ik uit.

Lang duurde het, eer de ridder weer een goed kasteel had, doch de

koning schonk hem er een, nog grooter dan wat hij bezeten had. Zoo

gingen de jaren voorbij. Hij had inmiddels een zoontje gekregen, dat

de vreugde van z'n leven was; ook zijn kind wilde hij eens zien

dienen in de gelederen van zijn koning.

Toen op zekeren dag Sir Roger met zijn mannen terugkeerde van een

gevecht in het buitenland, bracht hij de vreeselijke ziekte, zwarte

pest geheeten, in zijn kasteel over. Eerst werd één bediende ziek,

toen een tweede, spoedig tastte de ziekte ook zijn gade en zijn

zoontje aan. De ridder zonk op z'n knieën en smeekte God om

uitredding.

Juist op dit oogenblik verscheen weer een boodschapper van den

koning, die hem opdroeg, zijn koning te vergezellen op een veldtocht

naar een ver land. De ridder liet niet den minsten angst blijken; hij

verliet vrouw en kind, en pas na twee weken vernam de koning zijn

toestand. Een harde strijd stond hem te wachten. Sir Roger redde op

het meest spannende oogenblik des konings leven, en daardoor wist

hij een dreigende nederlaag om te zetten in een prachtige

overwinning. Zelf echter werd hij gewond, en toen het gevecht

geëindigd was, sprak hij tot zijn page:

"Vervoer mij naar huis; mogelijk zijn mijn vrouw en kind nog

hersteld. Ik zou ze nog zoo gaarne zien, vóór ik sterf."

[Illustratie]

Men vervoerde hem naar huis, en wonder boven wonder kwam hij er nog

levend aan. Toen hij de hal binnengedragen werd, waren daar zijn

vrouw en kind, die hem met open armen verwelkomden. Dank zij een

ervaren kruidenlezer, waren zij geheel hersteld.

Weken lang lag de arme ridder tusschen leven en dood. Wel werd hij

eindelijk iets beter, maar zijn gezondheid was voorgoed geschokt en

zijn kracht was weg. Nog enkele jaren leefde hij gelukkig, en zag

zijn zoontje opgroeien tot een dapper soldaat.

Toen, op een stormachtiger avond, hoorde hij aan zijn deur kloppen.

Verouderd en vermagerd als hij was, strompelde hij naar de deur. Het

was zijn koning! En opgewonden riep hij uit: "Laat mij hem waardig

ontvangen en de eer geven, die hem toekomt!"

Zijn bedienden trachtten hem uit de koude voorhal terug te dringen,

maar hij wilde erheen. "Mijn koning! Mijn koning!"

De koning was verraden, en vluchtte nu, om zijn leven te redden. Hij

wist, dat er één onderdaan was, die hem van harte zou ontvangen, en

daarom was hij naar Sir Roger gevlucht. Toen de ridder hem in zijn

goed verwarmde kamer had genoodigd, viel hij zijn koning te voet.

"O, sire! Ik heb wel gedroomd van deze eer, maar nooit had ik durven

denken, dat ze mij te beurt zou vallen. Wees welkom binnen deze

woning, die immers de uwe is, wijl ze aan uw nederigen onderdaan

toebehoort; al wat hij bezit, bezit ook zijn koning!"

Toen de koning zich neerbukte, om zijn trouwen dienaar op te richten,

zag hij met grooten schrik, dat hij dood was neergezegen. 't Waren

zijn laatste woorden geweest, en zijn laatste gedachte was een

gedachte van trouw en aanhankelijkheid voor zijn koninklijken

meester.

Toen besloot de koning, dat op het wapen der Derekers voor altoos zou

gegrift staan: "Semper fidelis, semper paratus"."

[Illustratie]

Toen tante Marie haar verhaal had geëindigd, waren we eenige

oogenblikken stil. Mijn hart klopte van de inspanning van 't

luisteren.

Daan en Alex riepen als uit één mond: "Hè, leefden we nog maar in

die tijden!" Lena schreide en zei: "Arme ridder, de koning had hem

moeten omarmen en kussen!"

Ik kon geen woord uitbrengen. Tante Marie keek me strak aan en vroeg:

"Vindt je 't mooi, Griet?"

Ik knikte en zei even later zacht: "Wij moeten evenzoo worden, en ik

zal het beproeven," "En ik ook," zei Daan, mij ernstig aankijkend.

Wij begrepen elkaar. Tante Marie zegt nooit iets over de moraal [1]

van haar geschiedenissen, daarom houden we er zoo van. Dat moeten we

zelf maar uitmaken. Ik was zóó van het verhaal onder den indruk,

dat ik mijn werk neerlei, de kamer verliet, en naar m'n slaapkamer

ging. Daar viel ik op m'n knieën, en sprak tot mijn Koning. En Hem

bad ik, dat Hij mij, door voor- en tegenspoed heen, een trouwe

dienstmaagd wilde maken. En ik meende oprecht, wat ik bad.

Ook Daan had tante's verhaal gepakt. Toen ik den volgenden dag --

Zaterdag -- de kerk binnenging, om vaders toga te halen, die versteld

moest worden, vond ik tot mijn verbazing Daan geknield liggen bij de

graftombe van den ridder. Hij sprong op, alsof hij gestoken was, maar

ik deed net, of ik hem niet bemerkt had. Ik liep op de graftombe toe,

en beschouwde het beeld van den ridder.

Om maar wat te zeggen, zei ik tot Daan: "Was je bezig om te

vergelijken, of hij goed lijkt op den ridder van tante Marie?"

Langzaam antwoordde hij: "Ik was bezig een belofte af te leggen."

Belangstellend vroeg ik hem: "Toe, zeg mij, welke, ik zal het niemand

vertellen."

Hij wees naar het motto op het schild. "Ik heb beloofd, zoo te zullen

worden en God zal mij helpen." Dadelijk daarna liep hij de kerk uit.

Ik was besloten, niet bij hem achter te blijven. Weer knielde ik

neer, gelijk den vorigen avond, en in weinige woorden deed ik een

belofte gelijk de zijne. Toen stond ik op en ging welgemoed heen; ik

voelde mij als tot alles bekwaam.

[Illustratie]

Inmiddels begonnen de toebereidselen voor het Kerstfeest. Elken dag

nog hoopten wij wat van Andy te zullen hooren, maar er kwam geen

tijding en we bleven hem zeer missen. Vader meende zeker, dat hij was

gestolen. Toen wij op zekeren avond bij elkaar zaten -- Lena en ik

bezig aan kleeren voor Annie, en de jongens met het maken van

Kerstkaarten -- teekende Alex een ezel op een zijner kaarten en zoo

kwam het gesprek al spoedig op Andy.

Alex begon: "Het zou mij niets verwonderen, als die zigeuners weer

hier geweest zijn en hem gestolen hebben. Juffrouw Ribbon vertelde

mij, dat er tegen Kerstmis nog een soort markt te Lemworth is, en als

we daar nu eens heen gingen, wie weet of we Andy er nog niet zouden

vinden."

"Zoo dwaas zijn ze niet," vond Daan. "Ze zullen er dan heusch niet

mee in de buurt komen. Als ze hem gestolen hebben, is ie natuurlijk

allang weer verkocht."

"Weet je, wie ik denk, dat hem gestolen heeft?" vroeg ik. "Niet die

zigeuners, maar die man met de vuile ezels, die zoo vreeselijk

vloekte bij de keuring. Van Bob Tapson heb ik gehoord, dat hij

iederen zomer naar een badplaats gaat, hier niet ver vandaan, en daar

de ezels verhuurt."

De jongens schenen voor deze voorstelling veel oor te hebben. "Dan

moeten we dat heerschap zien te vinden. Waar woont ie?" Ik

antwoordde: "Ergens aan de andere zijde van Lemworth. Vraag maar aan

Bob, die weet het wel."

Er werd een plan gemaakt, hoe we zouden handelen. "Ik vermoed," zei

Daan, "dat, als Andy daar al is, de schurk hem met een andere kleur

zal hebben geverfd, en hoe zullen we hem dan herkennen? Natuurlijk

zal hij volhouden, dat het _zijn_ ezel is."

Wij bedachten, of Andy geen bijzondere kenteekenen had, en

herinnerden ons, dat in zijn eene oor een klein spleetje zat.

"Ik hoop, dat dàt bewijs genoeg zal zijn," hernam Daan. "Anders

zullen we 't nog door een rechter moeten laten uitmaken."

"Andy is zoo dom," voegde Alex er aan toe. "Als hij z'n naam hoort,

zal ie heusch niet opkijken. Hij zal even hard naar den dief als naar

ons loopen, als hij geroepen wordt."

Daan vervolgde: "En misschien moeten we wel een lang proces ervoor

voeren, dat ons hoopen geld kost. Het zal 'De ezel-zaak' heeten, en

de bladen zullen er kolommen vol van hebben."

Bij dat denkbeeld schaterde Lena van 't lachen. En ik trachtte zijn

gedachten wat te kalmeeren: "Als je nu rustig kon uitvinden, waar

Andy is, en je wist dan zeker, dat ie 't was, kun je hem dan niet

terug stelen? Dat zou toch niet verkeerd zijn, wel?"

"Nee, natuurlijk niet. We konden hem 's nachts ontvoeren. Maar als ie

dan maar mee wil!" zei Daan.

"Och kom, dat zal wel lukken. In elk geval, we kunnen 't probeeren!"

moedigde Alex aan.

En zoo dachten we er ten slotte allemaal over.

[1] beteekenis, strekking ten goede.

------

Wij en ons ezeltje · 第 25 / 29 题