HOOFDSTUK XIV.

Dr. Fenning is al oud, hij woont zes mijlen bij ons vandaan.

Glimlachend kwam hij uit de ziekenkamer, hij bemerkte wel, hoe

beangst we allen keken. "'t Zal wel gaan," zei hij, "mits hij met

zorg verpleegd wordt. Maar hij moet volledig rust houden, niemand mag

hem zien dan juffrouw Blatch. Zij zal hem verzorgen naar mijn

aanwijzingen."

[Illustratie]

"Och dokter," smeekte ik, "zou ik hem niet even mogen zien, heel even

maar? Vader is op reis. Is hij erg gewond?" "Het is een geluk, dat

hij juist op het gras terecht kwam, en het is een wonder, dat hij er

nog zoo goed aan toe is, als nu. Gewond? Ja, hij heeft een rib

gebroken en ook een arm is gebroken, verder een leelijke wonde aan

z'n hoofd, maar hij is nog jong en ik zal het wel met hem klaar

spelen. Ga jelui maar gerust naar huis, hij is hier goed verzorgd."

Baldwin en de meid wilden nog weer wat aan Dr. Fenning vragen, maar

hij werd ongeduldig en ging heen, zoodat wij naar huis terugkeerden.

Lena en Alex wisten nog van niets af, die had ik dus al het droeve

nieuws te vertellen. Wij besloten, dat ik dadelijk aan vader zou

schrijven, en hem alles vertellen. Nog vóórdat ik naar bed ging,

geschiedde dat, zoodat de brief den volgenden morgen nog met de

eerste post wegkwam.

En toen naar bed. Voor 't eerst van m'n leven verlangde ik naar bed,

om tot rust te komen na zulk een vreeselijken dag. Van

oververmoeidheid viel ik dadelijk in slaap; toen ik den volgenden

morgen wakker werd, was het mij, als lag er een zwaar gewicht op mijn

hoofd: het was de herinnering aan Daan. Bij het ontbijt kwam er een

brief van vader; hij schreef, dat grootmoe was gestorven, en dat hij

niet eerder dan na de begrafenis kon thuiskomen, dat was Zaterdag.

Lena en ik waren droevig gestemd; we konden maar niet gelooven, dat

grootmoe werkelijk dood was.

Alex had nog veel last van zijn verwonde been, hetgeen niet opwekkend

werkte op z'n humeur. Daar er dus thuis weinig aantrekkelijks te

beleven viel, gingen wij maar weer eens naar juffrouw Blatch, om te

hooren, hoe het met Daan ging. Zij vertelde ons, dat hij sliep, en

niet gestoord mocht worden.

"Heeft hij veel pijn?" vroeg ik. "Spreekt hij ook over wat er gebeurd

is?"

"Hij is niet geheel helder nog, lieve; maar dokter geeft hem wat in,

om rustig te blijven. Hij zal wel voorspoedig genezen, wees daar maar

niet bang voor."

"Vader komt niet vóór Zaterdag thuis," vertelde ik haar, met tranen

in de oogen; "en zonder Daan is het nu thuis zoo eenzaam. Weet u

zeker, dat hij niet sterven zal, juffrouw?"

"Ik heb er alle hoop op, kindlief. Als de goede God ons helpt, zal 't

niet aan mij liggen."

"Toe Lena, laten we dan maar naar huis gaan en voor hem bidden; wat

verkeerd van ons, dat we dat nog niet gedaan hebben!"

Zoo gingen we weer terug. Lena was ongewoon ernstig; thuisgekomen,

gingen we dadelijk naar onze slaapkamer, knielden voor ons bed neer,

en baden, dat Daan spoedig mocht genezen. Toen we gebeden hadden,

gevoelden we ons wel moediger gestemd. We gingen vervolgens naar

Alex, die nog altoos op de tot bed ingerichte sofa lag. Puf was met

Andy aan 't rijden in 't grasveld.

[Illustratie]

Wij vonden Alex erg terneergeslagen. Toen we hem van Daan vertelden,

zei hij: "Maar ik ben er ook leelijk aan toe, mijn been wordt al

erger. Ik denk, dat er koudvuur is bijgekomen, het wordt zwart. En

dan ben ik spoedig evenver heen als Daan, en dan zullen ze mijn been

afzetten, en kan ik de rest van mijn leven op één been rondhinken."

Wij werden beangst door zijn spreken en vroegen hem, zijn verband

eens af te doen, dat we zijn been bezien konden. Toen ik het zag,

riep ik verlicht uit. "O, dat zijn de ontvellingen, dat ziet er

altoos veel erger uit, dan 't is. Die heb ik ook gehad, op mijn

armen."

"Ja," riep Lena, "en ik ook, kijk maar op m'n voorhoofd."

"Puh!" zei Alex. "Wat zou nu jelui gebeuzel over die ontvellinkjes

te maken hebben met mijn been! Had ik den dokter maar laten roepen!

Die meid denkt, dat ze heel knap is, maar zij maakt nog gehakt van

me."

Wij konden niet helpen, dat we in den lach schoten, want dat zegt

Mary altijd tegen tante, als ze niets weet voor 't middagmaal. "We

zullen d'r maar gehakt van maken, juffrouw." Ze zou ons op die manier

wel dag aan dag gehakt willen geven, als ze er ten minste vleesch

voor krijgen kon.

"Het zal mij benieuwen, wat voor pijn Daan heeft," merkte ik op. "Wat

een verschrikkelijke dag gisteren!"

"En daar was Andy de schuld van," mompelde Alex. "Als hij niet was

weggeloopen, zou ik mijn been niet bezeerd hebben, en dan was ik met

jelui naar den brand gegaan."

"En wat dan?" vroeg ik.

"Dan zou ik Daan hebben weerhouden van zijn dwaasheid, om een

brandend huis binnen te rennen."

"Hij heeft den hond gered," zei ik. "Ik geloof, dat hij daarmee een

goede en dappere daad verrichtte. Ik zou niet graag in zijn plaats

zijn geweest, toen hij daar gereed stond, om van boven af te

springen. O, wat was dat vreeselijk, om te zien. En dan die angst, om

toch vooral op de matras te springen! En toch stond hij er zoo dapper

en kalm bij. De lui uit 't dorp noemden hem een echten held!"

Alex zei niets meer. Wij droegen hem naar den tuin, waar hij in 't

gras kon liggen, en wat met ons babbelen. Wat duurde die dag lang!

Mary en Emma waren naar juffrouw Blatch gegaan, om naar Daan's

toestand te informeeren; ze waren vreeselijk lang onder weg, omdat ze

in 't dorp met iedereen gingen praten over de vreeselijke

gebeurtenis. Juffrouw Ribbon vond, dat wij vader hadden moeten

telegrafeeren over Daan; maar later zei ze weer, dat 't toch maar

beter was, zooals we gedaan hadden want in een telegram kan je niet

alles goed duidelijk maken.

Tegen den avond kregen we bezoek van Mevr. Rogers. Wat waren we blij,

dat zij eens kwam kijken. Ik verbeeldde mij zelfs, dat ik er behoefte

aan had, nu ook eens met groote menschen te praten. Zij wilde ook

Daan gaarne zien, en bleef wachten, totdat dokter kwam. Ook wilde ze

aan vader schrijven.

"Jelui moeten allemaal maar eens een heelen dag op de boerderij

komen," zei ze, "dan kun je mijn man meteen weer eens wat

opmonteren."

"Maar," merkte ik op, "wij hebben de laatste dagen niet anders gehad

dan ongelukken; brand en dood en ziekte, zoodat we ons niet erg

opgewekt gevoelen."

"Jawel kinderen, dat weet ik wel, maar we moeten nu niet alles van

den zwarten kant bezien. Andy is weer terecht en niemand van jelui is

levensgevaarlijk gewond bij den tuimel in de droge sloot. En Daan

wordt alweer beter, en Zaterdag komt je vader weer thuis. Kom, kom!"

"O ik wou, dat u hier kondt komen en blijven, totdat vader weer thuis

is!" riep ik zuchtend uit.

Maar Mevrouw zei, dat ze den kapitein niet alleen kon laten. We waren

echt bedroefd, toen ze weer vertrok, maar wij beloofden haar toch,

den volgenden dag op de boerderij te komen doorbrengen. Zoo

geschiedde, en we hebben ons best vermaakt.

Intusschen kreeg ik een tweeden brief van vader, en Mary kreeg er ook

een. Hij schreef, dat hij onmiddellijk naar huis had willen

terugkeeren, doch dat hij eerst aan den dokter getelegrafeerd had,

die hem berichtte, dat het niet noodig was, omdat Daan goed

vooruitging. Verder schreef hij nog, dat hij zoo moeilijk vóór

grootmoe's begrafenis kon wegkomen, omdat er nog zooveel te bespreken

en te regelen was. En dan deelde vader ons mee, dat in plaats van

tante Caroline, tante Marie Zaterdag met hem mee kwam. Dat was een

blijde tijding voor ons! Tante Marie kan 't best geschiedenissen

vertellen, beter dan wie ook. Als wij in den winter om 't gezellige

haardvuur in 't schemerdonker zijn neergezeten, dan begint zij te

vertellen van den burgeroorlog, die eeuwen geleden werd gevoerd. Zij

vertelt ons van jongens en meisjes, die hun vaders in donkere kerkers

opsloten, en waaruit ze dan weer door geheime gangen ontvluchtten. En

ons hart beeft, en we houden onzen adem in, als ze vertelt van die

ontvluchtingen, dat de menschen bijna weer werden gegrepen. De tijd

vliegt om, en eer we 't weten, is 't bedtijd. Het is heerlijk, naar

tante Marie te luisteren!

Langzaam herstelde Daan; toen vader en tante Marie thuis kwamen, kon

hij nòg niet vervoerd worden; dat gebeurde pas drie weken later.

Toen hij thuis kwam, zag hij er nog erg bleek en smalletjes uit; zijn

arm droeg hij nog in een verband, en hij moest steeds nog in bed

blijven.

[Illustratie]

Overdag gingen we veel bij zijn bed zitten, om hem op de een of

andere manier gezellig bezig te houden. Den eenen keer deden wij

spelletjes met hem, den anderen keer haalden wij acrobatische toeren

voor hem uit. Alex beproefde, over een stok te loopen, dien hij

tusschen twee stoelen gelegd had, of balanceerde een glas op z'n

neus. De stok brak, en hij maakte een flinken smak. Gewoonlijk was

Daan bij al deze uitvoeringen best in z'n schik, doch toen ik op een

Zondagmiddag bij hem kwam zitten, vond ik hem heel ernstig.

Hij had het over mijn Zondagsschoolklas en zei: "Vader had toch wel

gelijk, Griet, ik was er niet voor geschikt, die kleintjes te leeren.

Ik had de taak van een dienstknecht op mij genomen, terwijl ik het

nog niet eens was. Weet je wat ik dacht, toen ik daar in het venster

stond te wachten op de ladder, en de vlammen reeds om mij heen

lekten?"

"Neen," antwoordde ik, "ik wist wel, dat je aan iets dacht, je keek

zoo ernstig en kalm. Hè, laten we daar maar niet meer over praten,

't was vreeselijk!"

"Maar ik wou er nu juist zoo graag eens over praten. Het waren de

woorden van den ridder, die mij door het hoofd vlogen: Semper

fidelis, semper paratus. En ik gevoelde, toen ik den dood voor mij

had, dat ik niet paratus, niet bereid was. En bovendien, ik was niet

fidelis, niet getrouw geweest."

"Maar je keek toch niets bevreesd," merkte ik op. "Ik dacht juist,

dat je niet zag, hoe dicht het vuur al bij je was."

"Het staat niet dapper, om bang te zijn," zei Daan met z'n oude

deftigheid; "het is niet in den vorm, om je gevoelens aan iedereen te

openbaren." En hij vervolgde:

"Maar met dat al zat ik leelijk in de benauwdheid, en daar was reden

voor, want ik was niet bereid om te sterven. Wat zou jij hebben

gedaan, Griet?"

"Ik denk, dat ik het uitgegild zou hebben van angst," antwoordde ik.

"Maar niet voor het sterven zou ik zoo bevreesd zijn geweest, doch

voor 't vuur. Ik geloof, dat ik -- ik aarzelde even verder te gaan,

want ik vind het altijd moeilijk over mezelf te spreken -- dat ik

niet bang voor den dood zou geweest zijn, omdat alles daarna wel weer

in orde zou gekomen zijn."

"Hoe weet je dat?"

"Dat staat in den Bijbel. Ik denk aan dat hoofdstuk over de schapen,

en hoe Jezus daarvan zei: Ik geef hun het eeuwige leven, en nimmer

zullen ze omkomen, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken."

"Jawel, maar hoe weet je nu, dat jij een van die schapen bent?"

Aarzelend antwoordde ik: "Hij stierf voor mij, Hij riep mij en ik

ging tot Hem. Anders kan ik er niet van zeggen." Daan was even stil,

en sprak toen:

"Ik wil ook zekerheid van mijzelf hebben, voor dat ik dit bed

verlaat. Ik wil er zekerheid van hebben, dat, als ik plotseling den

dood ontmoet, ik zoo gerust zal zijn, als kon het mij niets hinderen.

Een mensch moet geen enkele oorzaak _in_ zich hebben, om bevreesd te

zijn. Ik zal paratus, bereid zijn om te sterven. Daar wil ik ernstig

naar streven."

"Vader kan je daarin helpen," zei ik.

Verder spraken we niet over deze zaken, en enkele dagen daarna zei

Daan tegen me: "Ik heb zekerheid nu. Of beter gezegd, God heeft mij

die zekerheid gegeven. Ik heb er alle hoop op, dat ik nu nimmer meer

bevreesd zal zijn voor den dood. En ik hoop ook, dat als ik paratus,

bereid ben, ik dan ook in staat zal wezen, fidelis, getrouw te zijn."

Ik knikte even, en wij spraken er verder niet meer over. Toen Alex

weer naar school ging, was Daan nog niet geheel hersteld. Lena en ik

kregen nu les van tante Marie. Langzaam aan begon het buiten koud en

nat te worden: de winter naderde, en onze kachels werden weer te

voorschijn gehaald.

Als we niet buiten konden spelen, speelden we thuis veel

verstoppertje en dan deed tante Marie ook mee. Ook ging zij wel met

ons uit rijden in 't ezelkarretje, terwijl ook vader er af en toe al

eens gebruik van maakte voor huisbezoek. Zoo begon Andy meer en meer

nuttig te worden; hij bracht pakjes naar 't station, reed iedere week

met mij en Annie Steel, en deed boodschappen in 't dorp. En eindelijk

kon ook Daan z'n eersten rijtoer weer maken, waarna hij spoedig ook

weer naar school ging.

Tante Marie veranderde de kooroefeningen van Zaterdag op Vrijdag, en

dat vonden we heerlijk. Dan konden we den ganschen Zaterdag uitgaan.

Regende het op Zaterdag, dan was het een allervervelendste dag. Den

ganschen dag verveelden we ons dan, en meermalen werd hij besloten

met een vechtpartij.

Verleden Zaterdag regende het den ganschen dag. Wij sloten ons 's

morgens op in de leskamer, en bedachten allerlei raars. Alex vond,

dat Andy nu toch wel eens wat kunstjes mocht leeren; 't moest zoo'n

soort circusezel worden. Opzitten b.v., en aan een tafel eten, dansen

op de maat der muziek, pianospelen met z'n hoeven, en meer van dat

moois.

Wij staken de hoofden bijeen, bespraken fluisterend een plannetje, en

Alex rende weg. Hij ging kijken of Andy in den stal was gebracht.

Lena en ik gingen naar boven, naar onze "lorrendoos", dat was een

doos, waar tante Caroline afgedragen kleeren in bewaarde. Wij vonden

er een oude slaapmuts in, een lange blauwe jurk en een witten

omslagdoek. We namen naald en draad, spelden en lint, en gingen weer

naar beneden, nu naar de eetkamer; de leskamer was te hoog voor den

ezel.

Tante Marie was uitgegaan, om met vader een zieke vrouw te bezoeken.

Daan zette de staldeur open, en Lena en ik legden kranten op den

grond, ingeval Andy vuil zou wezen. Maar Alex had vooraf zijn hoeven

al geboend, zoodat Andy, met den halster om, in bijzonder goed humeur

kwam aangestapt. Zoodra hij binnen was, sloten we de deur, om

ongewenschte bezoekers buiten te laten.

[Illustratie]

Intusschen had Daan een bos wortels, dien hij van Baldwin had

gekregen, gereed gelegd voor "de dressuur". De eetkamer leende zich

daar heel goed voor, want als Andy lastig werd, konden we gauw de

tuindeuren openen, en dan kon ie daardoor weer z'n stal bereiken.

"Zie zoo," zei Daan, "laten we nu maar es beginnen!"

Andy kreeg de slaapmuts op z'n kop, de bandjes werden om z'n hals

vastgebonden en hij keek zoo grappig, dat we 't allen uitbarstten van

lachen. Vervolgens werd de blauwe jurk om z'n lijf geslagen en flink

met touwen vastgesjord, en toen kwam 't moeilijkste nog aan. De witte

omslagdoek werd in vieren geknipt, elk stuk om een zijner pooten

gewonden en daarna aan de blauwe jurk vastgenaaid zoodat de

vierpijpige broek niet kon afzakken. Alles ging goed; Andy keek wel

wat vreemd om zich heen, maar hij bleef rustig.

[Illustratie]

Totdat Daan wilde beproeven hem te laten opzitten en pootjes geven.

Daan had een wortel aan een stok gebonden, en hield hem nu heel hoog

den ezel voor. Maar terwijl wij met alle moeite bezig waren, hem op

z'n achterpooten te doen zitten, rukte hij zich plotseling los en

begon de kamer rond te rennen. Onmiddellijk gooiden we de tuindeuren

open, en hij vloog er uit. Het regende hard, maar Daan en Alex holden

hem na. En nu had die domme Baldwin het hek open laten staan!

Natuurlijk rende Andy er door, en holde het dorp in! Daan zei later,

dat hij haast niet meer had kunnen loopen van 't lachen, zoo koddig

als Andy er uit zag in z'n galakleed. Enkele menschen, die van hun

werk kwamen, konden van 't lachen ook al geen hand uitsteken, en zoo

rende ons ezeltje maar voort.

Toen vader en tante thuis kwamen, vroegen zij ons, waar de jongens

waren; wij vertelden hun alles, en vader was erg boos. Als Andy weer

thuis kwam zou hij hem onmiddellijk wegsturen. Tante schudde van 't

lachen. Kort na 't middageten kwamen de jongens terug; ze waren Andy

weer kwijt, ze hadden hem niet kunnen vinden. Maar vader zei ernstig:

"Jelui moet dan maar weer op pad gaan, en net zoo lang zoeken, tot je

hem vindt. Jelui verdiende, dat ie nooit terugkwam."

Nu, dat leek den jongens wel, om er weer opuit te gaan. Ze bleven nu

weg tot theetijd, maar .... hadden Andy nog niet ontdekt! Vader zond

Daan regelrecht naar bed, en vroeg tante, hem wat warms te drinken te

geven, want hij was na dien brand nog niet geheel de oude.

Het werd nacht en het werd Zondag en het werd Maandag: geen Andy te

zien. Dien Zondagmorgen was Mevrouw Rogers in de kerk, en wij

vertelden haar alles. En zij vertelde ons, dat zij spoedig de

boerderij zouden verlaten, om naar Londen terug te keeren. Wat speet

ons dat! Wij hielden allen zoo van den kapitein, en gingen zoo vaak

op de boerderij spelen.

"Heusch, ik weet niet wat wij moeten aanvangen zonder jelui," zei

Mevrouw. "Wij houden zoo van jelui en van dien armen Andy."

En ik pruilde: "Altijd moet ons wat naars overkomen. Nauwelijks

hebben we een week, dat er niet wat droevigs geschiedt."

Zij lachte en sprak: "Ik zou er alles voor over hebben, om jelui

narigheid te besparen."

Toen zij was vertrokken, voelde ik mij droef te moede. Het leelijke

is, dat de dingen die wij doen, pas verkeerd lijken als ze gedaan

zijn; ik dacht niet dat het verkeerd was, Andy te dresseeren, maar nu

blijkt het, want wij hebben hem verloren, door dat te doen.

------

Wij en ons ezeltje · 第 22 / 29 题