Dr. Fenning is al oud, hij woont zes mijlen bij ons vandaan.
Glimlachend kwam hij uit de ziekenkamer, hij bemerkte wel, hoe
beangst we allen keken. "'t Zal wel gaan," zei hij, "mits hij met
zorg verpleegd wordt. Maar hij moet volledig rust houden, niemand mag
hem zien dan juffrouw Blatch. Zij zal hem verzorgen naar mijn
aanwijzingen."
[Illustratie]
"Och dokter," smeekte ik, "zou ik hem niet even mogen zien, heel even
maar? Vader is op reis. Is hij erg gewond?" "Het is een geluk, dat
hij juist op het gras terecht kwam, en het is een wonder, dat hij er
nog zoo goed aan toe is, als nu. Gewond? Ja, hij heeft een rib
gebroken en ook een arm is gebroken, verder een leelijke wonde aan
z'n hoofd, maar hij is nog jong en ik zal het wel met hem klaar
spelen. Ga jelui maar gerust naar huis, hij is hier goed verzorgd."
Baldwin en de meid wilden nog weer wat aan Dr. Fenning vragen, maar
hij werd ongeduldig en ging heen, zoodat wij naar huis terugkeerden.
Lena en Alex wisten nog van niets af, die had ik dus al het droeve
nieuws te vertellen. Wij besloten, dat ik dadelijk aan vader zou
schrijven, en hem alles vertellen. Nog vóórdat ik naar bed ging,
geschiedde dat, zoodat de brief den volgenden morgen nog met de
eerste post wegkwam.
En toen naar bed. Voor 't eerst van m'n leven verlangde ik naar bed,
om tot rust te komen na zulk een vreeselijken dag. Van
oververmoeidheid viel ik dadelijk in slaap; toen ik den volgenden
morgen wakker werd, was het mij, als lag er een zwaar gewicht op mijn
hoofd: het was de herinnering aan Daan. Bij het ontbijt kwam er een
brief van vader; hij schreef, dat grootmoe was gestorven, en dat hij
niet eerder dan na de begrafenis kon thuiskomen, dat was Zaterdag.
Lena en ik waren droevig gestemd; we konden maar niet gelooven, dat
grootmoe werkelijk dood was.
Alex had nog veel last van zijn verwonde been, hetgeen niet opwekkend
werkte op z'n humeur. Daar er dus thuis weinig aantrekkelijks te
beleven viel, gingen wij maar weer eens naar juffrouw Blatch, om te
hooren, hoe het met Daan ging. Zij vertelde ons, dat hij sliep, en
niet gestoord mocht worden.
"Heeft hij veel pijn?" vroeg ik. "Spreekt hij ook over wat er gebeurd
is?"
"Hij is niet geheel helder nog, lieve; maar dokter geeft hem wat in,
om rustig te blijven. Hij zal wel voorspoedig genezen, wees daar maar
niet bang voor."
"Vader komt niet vóór Zaterdag thuis," vertelde ik haar, met tranen
in de oogen; "en zonder Daan is het nu thuis zoo eenzaam. Weet u
zeker, dat hij niet sterven zal, juffrouw?"
"Ik heb er alle hoop op, kindlief. Als de goede God ons helpt, zal 't
niet aan mij liggen."
"Toe Lena, laten we dan maar naar huis gaan en voor hem bidden; wat
verkeerd van ons, dat we dat nog niet gedaan hebben!"
Zoo gingen we weer terug. Lena was ongewoon ernstig; thuisgekomen,
gingen we dadelijk naar onze slaapkamer, knielden voor ons bed neer,
en baden, dat Daan spoedig mocht genezen. Toen we gebeden hadden,
gevoelden we ons wel moediger gestemd. We gingen vervolgens naar
Alex, die nog altoos op de tot bed ingerichte sofa lag. Puf was met
Andy aan 't rijden in 't grasveld.
[Illustratie]
Wij vonden Alex erg terneergeslagen. Toen we hem van Daan vertelden,
zei hij: "Maar ik ben er ook leelijk aan toe, mijn been wordt al
erger. Ik denk, dat er koudvuur is bijgekomen, het wordt zwart. En
dan ben ik spoedig evenver heen als Daan, en dan zullen ze mijn been
afzetten, en kan ik de rest van mijn leven op één been rondhinken."
Wij werden beangst door zijn spreken en vroegen hem, zijn verband
eens af te doen, dat we zijn been bezien konden. Toen ik het zag,
riep ik verlicht uit. "O, dat zijn de ontvellingen, dat ziet er
altoos veel erger uit, dan 't is. Die heb ik ook gehad, op mijn
armen."
"Ja," riep Lena, "en ik ook, kijk maar op m'n voorhoofd."
"Puh!" zei Alex. "Wat zou nu jelui gebeuzel over die ontvellinkjes
te maken hebben met mijn been! Had ik den dokter maar laten roepen!
Die meid denkt, dat ze heel knap is, maar zij maakt nog gehakt van
me."
Wij konden niet helpen, dat we in den lach schoten, want dat zegt
Mary altijd tegen tante, als ze niets weet voor 't middagmaal. "We
zullen d'r maar gehakt van maken, juffrouw." Ze zou ons op die manier
wel dag aan dag gehakt willen geven, als ze er ten minste vleesch
voor krijgen kon.
"Het zal mij benieuwen, wat voor pijn Daan heeft," merkte ik op. "Wat
een verschrikkelijke dag gisteren!"
"En daar was Andy de schuld van," mompelde Alex. "Als hij niet was
weggeloopen, zou ik mijn been niet bezeerd hebben, en dan was ik met
jelui naar den brand gegaan."
"En wat dan?" vroeg ik.
"Dan zou ik Daan hebben weerhouden van zijn dwaasheid, om een
brandend huis binnen te rennen."
"Hij heeft den hond gered," zei ik. "Ik geloof, dat hij daarmee een
goede en dappere daad verrichtte. Ik zou niet graag in zijn plaats
zijn geweest, toen hij daar gereed stond, om van boven af te
springen. O, wat was dat vreeselijk, om te zien. En dan die angst, om
toch vooral op de matras te springen! En toch stond hij er zoo dapper
en kalm bij. De lui uit 't dorp noemden hem een echten held!"
Alex zei niets meer. Wij droegen hem naar den tuin, waar hij in 't
gras kon liggen, en wat met ons babbelen. Wat duurde die dag lang!
Mary en Emma waren naar juffrouw Blatch gegaan, om naar Daan's
toestand te informeeren; ze waren vreeselijk lang onder weg, omdat ze
in 't dorp met iedereen gingen praten over de vreeselijke
gebeurtenis. Juffrouw Ribbon vond, dat wij vader hadden moeten
telegrafeeren over Daan; maar later zei ze weer, dat 't toch maar
beter was, zooals we gedaan hadden want in een telegram kan je niet
alles goed duidelijk maken.
Tegen den avond kregen we bezoek van Mevr. Rogers. Wat waren we blij,
dat zij eens kwam kijken. Ik verbeeldde mij zelfs, dat ik er behoefte
aan had, nu ook eens met groote menschen te praten. Zij wilde ook
Daan gaarne zien, en bleef wachten, totdat dokter kwam. Ook wilde ze
aan vader schrijven.
"Jelui moeten allemaal maar eens een heelen dag op de boerderij
komen," zei ze, "dan kun je mijn man meteen weer eens wat
opmonteren."
"Maar," merkte ik op, "wij hebben de laatste dagen niet anders gehad
dan ongelukken; brand en dood en ziekte, zoodat we ons niet erg
opgewekt gevoelen."
"Jawel kinderen, dat weet ik wel, maar we moeten nu niet alles van
den zwarten kant bezien. Andy is weer terecht en niemand van jelui is
levensgevaarlijk gewond bij den tuimel in de droge sloot. En Daan
wordt alweer beter, en Zaterdag komt je vader weer thuis. Kom, kom!"
"O ik wou, dat u hier kondt komen en blijven, totdat vader weer thuis
is!" riep ik zuchtend uit.
Maar Mevrouw zei, dat ze den kapitein niet alleen kon laten. We waren
echt bedroefd, toen ze weer vertrok, maar wij beloofden haar toch,
den volgenden dag op de boerderij te komen doorbrengen. Zoo
geschiedde, en we hebben ons best vermaakt.
Intusschen kreeg ik een tweeden brief van vader, en Mary kreeg er ook
een. Hij schreef, dat hij onmiddellijk naar huis had willen
terugkeeren, doch dat hij eerst aan den dokter getelegrafeerd had,
die hem berichtte, dat het niet noodig was, omdat Daan goed
vooruitging. Verder schreef hij nog, dat hij zoo moeilijk vóór
grootmoe's begrafenis kon wegkomen, omdat er nog zooveel te bespreken
en te regelen was. En dan deelde vader ons mee, dat in plaats van
tante Caroline, tante Marie Zaterdag met hem mee kwam. Dat was een
blijde tijding voor ons! Tante Marie kan 't best geschiedenissen
vertellen, beter dan wie ook. Als wij in den winter om 't gezellige
haardvuur in 't schemerdonker zijn neergezeten, dan begint zij te
vertellen van den burgeroorlog, die eeuwen geleden werd gevoerd. Zij
vertelt ons van jongens en meisjes, die hun vaders in donkere kerkers
opsloten, en waaruit ze dan weer door geheime gangen ontvluchtten. En
ons hart beeft, en we houden onzen adem in, als ze vertelt van die
ontvluchtingen, dat de menschen bijna weer werden gegrepen. De tijd
vliegt om, en eer we 't weten, is 't bedtijd. Het is heerlijk, naar
tante Marie te luisteren!
Langzaam herstelde Daan; toen vader en tante Marie thuis kwamen, kon
hij nòg niet vervoerd worden; dat gebeurde pas drie weken later.
Toen hij thuis kwam, zag hij er nog erg bleek en smalletjes uit; zijn
arm droeg hij nog in een verband, en hij moest steeds nog in bed
blijven.
[Illustratie]
Overdag gingen we veel bij zijn bed zitten, om hem op de een of
andere manier gezellig bezig te houden. Den eenen keer deden wij
spelletjes met hem, den anderen keer haalden wij acrobatische toeren
voor hem uit. Alex beproefde, over een stok te loopen, dien hij
tusschen twee stoelen gelegd had, of balanceerde een glas op z'n
neus. De stok brak, en hij maakte een flinken smak. Gewoonlijk was
Daan bij al deze uitvoeringen best in z'n schik, doch toen ik op een
Zondagmiddag bij hem kwam zitten, vond ik hem heel ernstig.
Hij had het over mijn Zondagsschoolklas en zei: "Vader had toch wel
gelijk, Griet, ik was er niet voor geschikt, die kleintjes te leeren.
Ik had de taak van een dienstknecht op mij genomen, terwijl ik het
nog niet eens was. Weet je wat ik dacht, toen ik daar in het venster
stond te wachten op de ladder, en de vlammen reeds om mij heen
lekten?"
"Neen," antwoordde ik, "ik wist wel, dat je aan iets dacht, je keek
zoo ernstig en kalm. Hè, laten we daar maar niet meer over praten,
't was vreeselijk!"
"Maar ik wou er nu juist zoo graag eens over praten. Het waren de
woorden van den ridder, die mij door het hoofd vlogen: Semper
fidelis, semper paratus. En ik gevoelde, toen ik den dood voor mij
had, dat ik niet paratus, niet bereid was. En bovendien, ik was niet
fidelis, niet getrouw geweest."
"Maar je keek toch niets bevreesd," merkte ik op. "Ik dacht juist,
dat je niet zag, hoe dicht het vuur al bij je was."
"Het staat niet dapper, om bang te zijn," zei Daan met z'n oude
deftigheid; "het is niet in den vorm, om je gevoelens aan iedereen te
openbaren." En hij vervolgde:
"Maar met dat al zat ik leelijk in de benauwdheid, en daar was reden
voor, want ik was niet bereid om te sterven. Wat zou jij hebben
gedaan, Griet?"
"Ik denk, dat ik het uitgegild zou hebben van angst," antwoordde ik.
"Maar niet voor het sterven zou ik zoo bevreesd zijn geweest, doch
voor 't vuur. Ik geloof, dat ik -- ik aarzelde even verder te gaan,
want ik vind het altijd moeilijk over mezelf te spreken -- dat ik
niet bang voor den dood zou geweest zijn, omdat alles daarna wel weer
in orde zou gekomen zijn."
"Hoe weet je dat?"
"Dat staat in den Bijbel. Ik denk aan dat hoofdstuk over de schapen,
en hoe Jezus daarvan zei: Ik geef hun het eeuwige leven, en nimmer
zullen ze omkomen, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken."
"Jawel, maar hoe weet je nu, dat jij een van die schapen bent?"
Aarzelend antwoordde ik: "Hij stierf voor mij, Hij riep mij en ik
ging tot Hem. Anders kan ik er niet van zeggen." Daan was even stil,
en sprak toen:
"Ik wil ook zekerheid van mijzelf hebben, voor dat ik dit bed
verlaat. Ik wil er zekerheid van hebben, dat, als ik plotseling den
dood ontmoet, ik zoo gerust zal zijn, als kon het mij niets hinderen.
Een mensch moet geen enkele oorzaak _in_ zich hebben, om bevreesd te
zijn. Ik zal paratus, bereid zijn om te sterven. Daar wil ik ernstig
naar streven."
"Vader kan je daarin helpen," zei ik.
Verder spraken we niet over deze zaken, en enkele dagen daarna zei
Daan tegen me: "Ik heb zekerheid nu. Of beter gezegd, God heeft mij
die zekerheid gegeven. Ik heb er alle hoop op, dat ik nu nimmer meer
bevreesd zal zijn voor den dood. En ik hoop ook, dat als ik paratus,
bereid ben, ik dan ook in staat zal wezen, fidelis, getrouw te zijn."
Ik knikte even, en wij spraken er verder niet meer over. Toen Alex
weer naar school ging, was Daan nog niet geheel hersteld. Lena en ik
kregen nu les van tante Marie. Langzaam aan begon het buiten koud en
nat te worden: de winter naderde, en onze kachels werden weer te
voorschijn gehaald.
Als we niet buiten konden spelen, speelden we thuis veel
verstoppertje en dan deed tante Marie ook mee. Ook ging zij wel met
ons uit rijden in 't ezelkarretje, terwijl ook vader er af en toe al
eens gebruik van maakte voor huisbezoek. Zoo begon Andy meer en meer
nuttig te worden; hij bracht pakjes naar 't station, reed iedere week
met mij en Annie Steel, en deed boodschappen in 't dorp. En eindelijk
kon ook Daan z'n eersten rijtoer weer maken, waarna hij spoedig ook
weer naar school ging.
Tante Marie veranderde de kooroefeningen van Zaterdag op Vrijdag, en
dat vonden we heerlijk. Dan konden we den ganschen Zaterdag uitgaan.
Regende het op Zaterdag, dan was het een allervervelendste dag. Den
ganschen dag verveelden we ons dan, en meermalen werd hij besloten
met een vechtpartij.
Verleden Zaterdag regende het den ganschen dag. Wij sloten ons 's
morgens op in de leskamer, en bedachten allerlei raars. Alex vond,
dat Andy nu toch wel eens wat kunstjes mocht leeren; 't moest zoo'n
soort circusezel worden. Opzitten b.v., en aan een tafel eten, dansen
op de maat der muziek, pianospelen met z'n hoeven, en meer van dat
moois.
Wij staken de hoofden bijeen, bespraken fluisterend een plannetje, en
Alex rende weg. Hij ging kijken of Andy in den stal was gebracht.
Lena en ik gingen naar boven, naar onze "lorrendoos", dat was een
doos, waar tante Caroline afgedragen kleeren in bewaarde. Wij vonden
er een oude slaapmuts in, een lange blauwe jurk en een witten
omslagdoek. We namen naald en draad, spelden en lint, en gingen weer
naar beneden, nu naar de eetkamer; de leskamer was te hoog voor den
ezel.
Tante Marie was uitgegaan, om met vader een zieke vrouw te bezoeken.
Daan zette de staldeur open, en Lena en ik legden kranten op den
grond, ingeval Andy vuil zou wezen. Maar Alex had vooraf zijn hoeven
al geboend, zoodat Andy, met den halster om, in bijzonder goed humeur
kwam aangestapt. Zoodra hij binnen was, sloten we de deur, om
ongewenschte bezoekers buiten te laten.
[Illustratie]
Intusschen had Daan een bos wortels, dien hij van Baldwin had
gekregen, gereed gelegd voor "de dressuur". De eetkamer leende zich
daar heel goed voor, want als Andy lastig werd, konden we gauw de
tuindeuren openen, en dan kon ie daardoor weer z'n stal bereiken.
"Zie zoo," zei Daan, "laten we nu maar es beginnen!"
Andy kreeg de slaapmuts op z'n kop, de bandjes werden om z'n hals
vastgebonden en hij keek zoo grappig, dat we 't allen uitbarstten van
lachen. Vervolgens werd de blauwe jurk om z'n lijf geslagen en flink
met touwen vastgesjord, en toen kwam 't moeilijkste nog aan. De witte
omslagdoek werd in vieren geknipt, elk stuk om een zijner pooten
gewonden en daarna aan de blauwe jurk vastgenaaid zoodat de
vierpijpige broek niet kon afzakken. Alles ging goed; Andy keek wel
wat vreemd om zich heen, maar hij bleef rustig.
[Illustratie]
Totdat Daan wilde beproeven hem te laten opzitten en pootjes geven.
Daan had een wortel aan een stok gebonden, en hield hem nu heel hoog
den ezel voor. Maar terwijl wij met alle moeite bezig waren, hem op
z'n achterpooten te doen zitten, rukte hij zich plotseling los en
begon de kamer rond te rennen. Onmiddellijk gooiden we de tuindeuren
open, en hij vloog er uit. Het regende hard, maar Daan en Alex holden
hem na. En nu had die domme Baldwin het hek open laten staan!
Natuurlijk rende Andy er door, en holde het dorp in! Daan zei later,
dat hij haast niet meer had kunnen loopen van 't lachen, zoo koddig
als Andy er uit zag in z'n galakleed. Enkele menschen, die van hun
werk kwamen, konden van 't lachen ook al geen hand uitsteken, en zoo
rende ons ezeltje maar voort.
Toen vader en tante thuis kwamen, vroegen zij ons, waar de jongens
waren; wij vertelden hun alles, en vader was erg boos. Als Andy weer
thuis kwam zou hij hem onmiddellijk wegsturen. Tante schudde van 't
lachen. Kort na 't middageten kwamen de jongens terug; ze waren Andy
weer kwijt, ze hadden hem niet kunnen vinden. Maar vader zei ernstig:
"Jelui moet dan maar weer op pad gaan, en net zoo lang zoeken, tot je
hem vindt. Jelui verdiende, dat ie nooit terugkwam."
Nu, dat leek den jongens wel, om er weer opuit te gaan. Ze bleven nu
weg tot theetijd, maar .... hadden Andy nog niet ontdekt! Vader zond
Daan regelrecht naar bed, en vroeg tante, hem wat warms te drinken te
geven, want hij was na dien brand nog niet geheel de oude.
Het werd nacht en het werd Zondag en het werd Maandag: geen Andy te
zien. Dien Zondagmorgen was Mevrouw Rogers in de kerk, en wij
vertelden haar alles. En zij vertelde ons, dat zij spoedig de
boerderij zouden verlaten, om naar Londen terug te keeren. Wat speet
ons dat! Wij hielden allen zoo van den kapitein, en gingen zoo vaak
op de boerderij spelen.
"Heusch, ik weet niet wat wij moeten aanvangen zonder jelui," zei
Mevrouw. "Wij houden zoo van jelui en van dien armen Andy."
En ik pruilde: "Altijd moet ons wat naars overkomen. Nauwelijks
hebben we een week, dat er niet wat droevigs geschiedt."
Zij lachte en sprak: "Ik zou er alles voor over hebben, om jelui
narigheid te besparen."
Toen zij was vertrokken, voelde ik mij droef te moede. Het leelijke
is, dat de dingen die wij doen, pas verkeerd lijken als ze gedaan
zijn; ik dacht niet dat het verkeerd was, Andy te dresseeren, maar nu
blijkt het, want wij hebben hem verloren, door dat te doen.
------