HOOFDSTUK XIII

En nu heb ik te schrijven over een vreeslijken dag. Onze vacantie was

bijna om; het zadel voor Andy was juist ontvangen, en allen reden wij

druk met hem. Hij bleef ons over 't algemeen goed voldoen, en

galoppeerde soms, dat 't een lust was.

Terwijl wij bezig waren, aan 't ontbijt onze plannen voor den dag te

bespreken, kwam Emma binnen met een telegram voor vader. Vader krijgt

vaak telegrammen over spreekbeurten, zoodat wij er weinig notitie van

namen. Maar eensklaps hoorden we hem een onderdrukten snik geven,

terwijl hij het telegram aan tante Caroline overgaf. Toen die het

las, begon ze te weenen, en wij begrepen nu, dat er slechte tijding

was gekomen. En zoo was het: Grootmoeder was gevaarlijk ziek, en

vader moest onmiddellijk overkomen.

Tante Caroline riep in haar droefheid: "Zij is stervende, Jan, ik ga

met je mee."

"Er is geen trein vóór 10.30, dien moeten we hebben." Tante verliet

haastig de kamer, en vader richtte zich tot ons: "Kinderen, kan ik

jelui met vertrouwen alleen laten? Het zou voor tante een bittere

teleurstelling wezen, als ze niet met mij mee kon gaan. Wil jelui je

best doen, om je goed te gedragen? Daan, jij wordt al een groote

jongen, en je kent het onderscheid tusschen goed en kwaad. Op jou

reken ik, terwijl ik weg ben. Grietje, neem jij Lena onder je hoede,

en laat haar geen verkeerde dingen uithalen. Ik zal even met de

keukenmeid een en ander bespreken. We moeten geen tijd verliezen."

Wij beloofden, ons goed te zullen gedragen. We waren wel bedroefd om

grootmoeder, maar we konden ons toch ook niet ontveinzen, dat we wel

een klein beetje vermaak erin hadden, nu eens alleen te zijn, zonder

eenig toezicht. Dat was nooit tevoren geschied, en vooral in de

vacantie is het een heerlijk gevoel, es echt alleen te wezen, en baas

over jezelf te zijn.

[Illustratie]

Intusschen ging ik naar boven, om tante te helpen bij het inpakken

van haar koffertje. Tante was erg in de war; ook de keukenmeid en

Emma waren zenuwachtig, zoodat ze tante met allerlei vragen en

opmerkingen nog meer opwonden. Toen alles gereed was, reed Daan de

bagage in ons ezelkarretje naar het station.

Daar het nu Dinsdag was, beloofde vader, zeker nog vóór Zondag weer

thuis te zijn. Tante Caroline kuste mij hartelijk bij 't afscheid, en

zei, dat ze wist, dat ik mijn best zou doen, en ook den anderen tot

voorbeeld zou wezen, omdat zij mij kende als haar vertrouwde hulp in

't huiselijk werk. Ik was zoo blijde met deze lofspraak, dat ik bijna

schreide, maar ik hield mij goed, sloeg mijn armen om haar hals, en

kuste haar hartelijk ten afscheid.

Toen Daan van 't station terug was, gingen wij allen naar het priëel

in den tuin, om te praten over de onverwachte verandering.

"Twee dagen geleden was grootmoe nog zoo best," zei ik; "zij schreef

nog aan tante Caroline, dat zij pas een rijtoertje gemaakt had. Ik

wist niet, dat de menschen konden sterven, zonder eerst ziek te

zijn."

"Maar zij is ziek," merkte Alex op.

"Jawel, maar ze kan toch niet ineens zoo verschrikkelijk ziek zijn,

wel?"

"Och, zeker wel; dat zie je telkens."

"En wij dan ook?" vroeg Lena angstig. "Daar zou ik heel bang voor

wezen. Tante zei nog wel, dat ze zeker wist, dat grootmoe al dood

was."

"In elk geval," zei ik, "zal grootmoe nog heelemaal niet graag willen

sterven. Maar zij is, evenals de ridder: semper paratus. En dat

behoor jij ook te wezen, Lena."

"Dat ben ik niet," zei ze. "Ben jij het?"

"O, hou toch op met dien onzin!" riep Alex eensklaps uit. "En wat

zullen we nu gaan doen met onszelf?"

"Een pic-nic zou heerlijk zijn," stelde ik voor. "In het gras bij de

rivier."

"En dan moesten we Andy meenemen, dan kan hij eens een flink bad

krijgen. Hij ziet er zoo verschrikkelijk vuil uit, omdat ie nooit een

bad krijgt."

Zoo sprak Lena. Als er één ding is, waar die verzot op blijft, dan

is het water en wasschen.

"En dan zullen we een ketel water koken, dan lijken we net

zigeuners," vond Alex.

"Goed zoo. Laten we eerst naar de keukenmeid gaan, en zien, of die

wat rauw vleesch voor ons heeft, dan kunnen we 't zelf braden."

Daan en ik gingen dus naar de keuken en de meid vond het maar wàt

heerlijk, ons een ganschen dag kwijt te wezen. Zij gaf ons wat

saucijzen en een braadpan met wat vet erin om ze te braden, verder

een stukje konijnenvleesch, wat koude aardappelen, appelen, een stuk

brood, een flesch melk, een beetje suiker, een zakje met zout en een

zakje met thee. Dan holden we naar de leskamer en haalden er kopjes

en schoteltjes weg, zoomede een ketel. Vervolgens werd alles in het

ezelkarretje geladen, en reden we weg, allen zóó opgewonden blij

met ons mooie pic-nic-plan, dat we al spoedig vergeten waren, dat

grootmoe stervende was. Zoo nu en dan, als het iemand te binnen

schoot en ervan sprak, keken we wat sip. Maar dat begon Daan te

vervelen en hij zei:

"Kijk es hier lui, dat gaat zoo niet langer. Wij willen hopen, dat ze

nog weer beter zal worden. Dat gebeurt met zoovelen en de dokters

zeggen altijd: Zoolang er leven is, is er hoop. En daarom moeten we

zooveel pleizier hebben als we maar kunnen, alsof grootmoe al beter

werd."

Dat woord deed ons allen weer opleven. Het was ook zooveel prettiger,

vroolijke gedachten over grootmoeder te hebben, dan sombere. En ik

vrees, dat wel niemand onzer veel meer aan haar zal gedacht hebben,

want we waren bij de rivier gekomen, en ons plan nam alle gedachten

in beslag. Daan zei tegen Lena:

"Hoor eens, als jij wasschen wilt, dan moet je jezelf maar gaan

wasschen; je handjes staan er goed voor, en dan kun je ook de borden

en kopjes wasschen. Maar probeer het niet met Andy, want dan zal ik

je met je hoofd in 't water duwen. Ezels zijn er niet voor, om

gewasschen te worden."

Lena keek erg knorrig, maar ze is bang voor Daan. De toebereiding van

onzen maaltijd gaf heel wat pret. Eerst werd er een vuurtje gemaakt,

daarna de ketel erop gezet, want we moesten allemaal theedrinken.

Vervolgens werd de braadpan opgezet, gevuld met de saucijzen, de

koude aardappelen en het stuk konijnenvleesch. Het rook heerlijk!

Daan en ik waren om beurten de kok; Alex wilde zóó vaak proeven, of

't eten al goed was, dat wij bevreesd werden, dat er niet genoeg voor

ons allen zou wezen. En Lena kwam er telkens zóó dicht bij staan,

dat ze haar gezicht verschroeide.

Ik geloof niet, dat grooten menschen ons baksel zou gesmaakt hebben,

omdat het nog al sterk rook; eenmaal zelfs helde de pan zóóver

over, dat eenige aardappels er uit rolden, maar ze werden niettemin

met graagte opgegeten. Na het "diner" werd de thee gebruikt, zooals

we dat nu eenmaal gewoon waren. Vervolgens beproefden wij de appels

te roosteren, maar dat ging heel lastig en bovendien waren we van 't

koken al erg vermoeid, zoodat we ze maar rauw hebben opgegeten.

Lena en Puf en ik gingen nu de borden omwasschen en spoelen; ze

werden weer ingepakt en in 't karretje gelegd, waarna we

verstoppertje gingen spelen. Vlak bij was een klein bosch, zoodat we

er heel wat pret mee hadden. Maar toen begon ook de eerste ellende.

Wij hadden Andy afgetuigd en lieten hem gras eten, maar toen we

spelen gingen, vergaten we hem geheel, en eensklaps ontdekten we, dat

ie er vandoor gegaan was.

[Illustratie]

Dadelijk gingen we allen op zoek, schreeuwden en klapten in onze

handen, maar er was geen spoor van hem te ontdekken. Toen werden we

boos op 'm. Lena vond, dat hij zich den dag had moeten herinneren,

waarop hij met Puf was weggereden. En Alex zei pruttelend: "We zullen

de rest van den dag wel moeten besteden aan 't zoeken naar dat oude

beest! Laten we maar naar huis gaan, hij zal zelf wel den weg naar

huis vinden!"

"Maar we kunnen toch het karretje niet hier laten," zei Daan.

"Span Alex dan maar in, dan zal ik hem wel sturen," zei Lena, terwijl

ze danste van pret om het plannetje.

De jongens echter hadden er geen ooren naar. Nog een uur lang zochten

we naar Andy. We waren al drie mijlen van huis, en we wisten niet,

wat te beginnen. Ten slotte vonden de jongens 't toch maar 't beste,

om met vereende krachten het karretje naar huis te brengen. Wij

juichten van pleizier, want dat leek ons bijzonder. Er werd nog lang

en breed over gepraat, voordat het aan 't vertrek toe was. Op

voorstel van Daan werd eindelijk besloten, dat Puf in 't karretje zou

zitten (hij was erg vermoeid), en dat de anderen als vierspan er voor

zouden trekken. Lena en ik vormden het eerste tweespan, Daan en Alex

het tweede. Gelukkig hadden we touw bij ons; na nog eens weer

overlegd en geregeld te hebben, waren we eindelijk gereed, en zette

de stoet zich in beweging.

"Laten we nu zeggen, dat Puf juist gekozen is als afgevaardigde voor

het graafschap, en nu hebben we de paarden voor z'n rijtuig

afgespannen, en trekken nu met hem de stad rond," stelde Daan voor.

Dat viel in den smaak, luidjuichend riepen we allen: "Leve Puf, de

vriend der arbeiders!"

Wij wisten wel, hoe dat toeging bij die verkiezingen.

Maar, o wee, wat was dat zwaar trekken met het ezelen-karretje!

Doodop waren we, toen we het ding eindelijk weer op den weg hadden

gekregen, en we rustten dan ook al dadelijk even uit. Puf vond het

natuurlijk heerlijk; voor alle zekerheid hadden we hem de zweep maar

afgenomen, toen hij, vol verrukking over zijn zegetocht, de zweep ter

hand had genomen, als waren wij een heusch vierspan. En zie, terwijl

we even wachtten, daar kwam Mevrouw Laura aan in haar rijtuig met

twee paarden, vergezeld van Betty en Clara.

"Wij hebben ons ezeltje verloren!" riepen we haar toe. Wij trachtten

in galop haar voorbij te rijden, want de weg was daar heuvelachtig,

doch Mevrouw Laura hield ons staande. "O jelui dwaze kinderen," zei

ze, "wat ben ik blij, dat ik niet op jelui heb te passen."

Wij vonden dat niet erg aardig van haar, omdat wij het heusch niet

zoo prettig vonden om zoo met ons karretje heuvel op heuvel af te

moeten sjouwen; maar het moest wel. Daan groette haar nu beleefd,

door z'n pet af te nemen, en legde haar uit, waarom we zoo deden. Hij

vroeg haar, of ze Andy ook ergens gezien had; zij beloofde, ons

dadelijk te zullen boodschappen, als zij hem ergens zag. Betty en

Clara vonden het zoo leuk, dat ze wilden uitstappen, om met ons samen

een zesspan te vormen, doch ze hadden hun beste kleeren aan, en daar

kon dus niet van komen.

[Illustratie]

Na deze afwisseling gingen we weer welgemoed verder, totdat wij,

dicht bij ons dorp, aan een vrij steilen heuvel kwamen. Wij stelden

ons voor, er in een prachtigen galop af te draven en zoo in volle

vaart ons dorp binnen te rijden. Ik vermoed, dat we het wat al te

haastig aanlegden, want juist voor dat we weer op gelijken grond

kwamen, scheen het karretje over te hellen, Daan en Alex konden het

niet meer houden, Lena struikelde, en voor dat ik goed zien kon, wat

er gebeurde, lagen wij allen door elkaar in een droge sloot, waarbij

Puf tekeer ging, alsof ie vermoord werd. De mand tuimelde uit de kar,

en alle borden, kopjes en schoteltjes waren aan scherven.

Daan was de eerste, die overeind scharrelde. Hij scheen er goed aan

toe te wezen, was alleen een beetje gekneusd, zooals hij zei. Lena

had een groote buil op haar voorhoofd, zoo groot wel als een

kievitsei. Alex had een zijner beenen leelijk bezeerd en zei, dat het

zeker gebroken was, maar Daan betastte het eens en besliste van niet,

omdat er nergens een beentje van z'n plaats was. Puf had alleen z'n

knieën bezeerd, de eene bloedde vrij erg, en ik bond er mijn zakdoek

om. Ik zelf had mijn elleboog aan een steen gestooten, het deed erg

zeer, maar anders ook niet.

Nadat we al deze akeligheden overzien hadden, gingen we een oogenblik

in een haag uitrusten. Maar wijl er niemand kwam opdagen om ons te

helpen, lieten we ons karretje liggen, nam Daan, Alex op z'n rug en

zoo marcheerden we als een verslagen vijand ons dorp binnen; Lena's

jurk was erg gescheurd, en mijn hoed zag zwart van modder. Toen wij

zoo thuis kwamen, gaf Emma een gil van schrik. Ze was echter spoedig

weer bekomen, en zei Baldwin, de kar te gaan halen. Alex ging binnen

op de sofa liggen, waar de keukenmeid z'n been onderzocht. Zij

meende, dat het wel voldoende zou zijn, als er een koud-waterverband

werd omgelegd. Het been was wel wat gezwollen, maar er was geen

sprake van gebroken.

Dat we allemaal weinig opgeruimd waren, laat zich denken, maar het

was natuurlijk Andy's schuld en niet de onze. Nadat we thee hadden

gedronken, kwam er een jongen aan de pastorie; hij had Andy gevonden

in een grasveld, waar ie met een paar veulens aan 't hollen was. Hoe

hij daar terecht was gekomen, daar begrepen we niets van; hij moèst

over een heg zijn gesprongen. Wij waren heel blij, dat we 'm weer

hadden, maar Daan gaf 'm een flink pak slaag. Emma vond, dat het hier

nu wel een hospitaal geleek, met zooveel gewonden en gekneusden.

En nu wou ik maar, dat ik hier de beschrijving van onze ellende kon

eindigen, maar het ergste moet nog komen.

Ik zat in den tuin een boek te lezen; Puf was al naar bed, en Lena

speelde binnen halma met Alex. Plotseling kwam Daan opgewonden naar

mij toe en riep:

"Zeg, d'r staat een boerderij in brand, een halve mijl van hier! Het

is de boerderij van Gaythorpe! Ik ga er heen!" "Ik ga mee!" riep ik.

't Is wel treurig voor wie 't treft, maar we houden allen van brand;

dag of nacht, altijd gingen we er heen.

Vlug zette ik m'n hoed op, en rende met Daan weg. Al spoedig zagen we

dikke rookwolken in de verte. Daan vermoedde, dat er hooibergen in

brand stonden.

Wij holden zoo hard als wij konden door, en toen we er kwamen, bleek

inderdaad een hooiberg in brand te staan, doch de vlammen waren al

overgeslagen op de stallen, die vlak aan het huis grensden. Daar er

geen brandspuit dichterbij te vinden was dan te Lemworth, waren er

vele menschen bezig met emmers water in de vuurzee te gooien, maar

dat hielp weinig, en 't stond er dus niet best voor. Daan begon

dadelijk te helpen bij het redden van de meubelen uit het woonhuis;

het had een rieten dak, en er was dus weinig kans, dat het gespaard

zou blijven.

Gelukkig waren de kinderen van den boer al uit het huis, en ook de

paarden waren al losgesneden, zoodat er geen levende ziel meer in

huis was. De boer deed al z'n best, om nog te redden, wat er te

redden was.

Intusschen had een der mannen een ladder tegen het woonhuis gezet, en

begon nu het riet van het dak weg te snijden; doch de ladder vatte

plotseling vuur, zoodat de man z'n werk moest opgeven; zóó snel

schoten de vlammen toe, dat hij z'n handen er nog bij brandde. Ik

wilde Daan nog helpen met het sjouwen der meubelen, maar hij stond

het niet toe; dat is geen werk voor dames, vond ie.

Eensklaps hoorde ik een gejank in een schuurtje, wij liepen toe, en

daar zagen we boven een der vensters een lief klein hondje staan op

den hooizolder!

"O, het is Fox!" jammerde juffrouw Gaythorpe "ik heb hem opgesloten,

toen ik de kinderen uitliet!"

"Ik zal hem eruit halen!" riep Daan, en hij vloog het huis binnen en

de trap op. Nog geen minuut was hij weg, of daar sloeg een vreeslijke

vlam uit de schuur. Juffrouw Gaythorpe zei, dat zou van een vat

petroleum zijn. Tegelijkertijd zagen we Daan, die den hond voor zich

uithield boven het venster.

"Zal ik hem eruit werpen?" riep Daan.

"Kom zelf er gauw uit!" riep de boer. "Het vat met petroleum is

gesprongen!"

Daan verdween weer. Maar spoedig verscheen hij aan het venster en

riep: "De trap staat in brand! Ik kan niet naar beneden!"

[Illustratie]

Ik stond te trillen op mijn beenen van angst. "Houdt een deken

gespannen!" schreeuwde Daan. "Ik zal Fox erin gooien. Twee mannen

spreidden een deken uit, en Fox werd er in opgevangen. Intusschen was

Gaythorpe de ladder gaan halen, maar die was gebroken en nu te kort,

om Daan te bereiken. Een andere werd gehaald, die was ook te kort.

Toen werden ze aan elkaar gebonden. Ik stond doodsangsten uit, maar

Daan bleef kalm.

"Schiet wat op!" riep hij; "het vuur komt hier al in de kamer!" En

geen seconde daarna stond hij al in een rookwolk gehuld; het huis

brandde als papier weg.

"O Daan, Daan!" jammerde ik. "Is er niemand, die hem redden kan?" En

meteen hoorde ik, dat de ladders al zóó verkoold waren, dat ze niet

meer te gebruiken waren. En nog verloor Daan den moed niet.

"Werpt me een touw toe!" riep hij nu weer. "Ik moèt hieruit, de

vloer begint al onder mij te branden." Hij stond nu in de

vensterbank; men haalde een matras, en vier mannen hielden haar

gestrekt.

[Illustratie]

"Spring!" riepen ze. "'t Is je eenige kans!"

Een oogenblik aarzelde Daan .... hij keek omlaag .... hij was zoo

hoog .... nog even gekeken .... daar sprong hij omlaag .... ik deed

m'n oogen dicht....

Ik vrees, dat hij te wild gesprongen heeft, want ik hoorde een

vreeslijk gekraak. Nooit zal ik dit ontzettend oogenblik vergeten. De

menschen gilden van schrik, en toen was het ineens doodstil. Ik vloog

er heen, maar boer Gaythorpe greep me bij den arm.

"Hier blijven, kind, dat is niet voor je om te zien. Arme, arme

jongen!" Wat mij nog nooit overkomen was: ik viel in zwijm. En toen

ik weer bijkwam, was ik in een huisje gebracht, waar een vrouw bezig

was in mijn neus met verbrande veeren te kietelen. Dadelijk

herinnerde ik mij alles, en vroeg verschrikt: "Waar is Daan?"

"De dokter is bij hem, lieve. Gelukkig was die net onderweg naar boer

Turt, waar hij den brand zag en dadelijk naar hier kwam."

"Is hij dood?" vroeg ik schreiend. "O toe, hij kan niet dood wezen!"

"Kom, kind, we willen er 't beste van hopen!"

Ik stond op, en liep zoo snel als ik kon naar buiten, waar ik Baldwin

vond. Ook de keukenmeid was hier gekomen, en stond handenwringend te

schreien. Ik ging het huis binnen. Daar kwam de vrouw, die daar

woonde, op mij af, en op mijn geroep van "Is hij dood?" antwoordde

ze:

"Och lieve, houd moed, hij heeft gebroken beenen, maar jonge beenen

genezen spoedig, zeggen de dokters! Kom, binnen twee dagen lacht ie

alweer! Maar hij mag niet vervoerd worden. Ik ben verpleegster te

Lemworth geweest, en ik zal hem zoo best verzorgen, als ik kan. Dat

beloof ik je!"

We bleven nu in de kamer naast die waar Daan lag, op den dokter

wachten.

------

Wij en ons ezeltje · 第 21 / 29 题