Den Maandag daarna plakten we weer een briefje op den mijlpaal,
waarop deze woorden:
"Verloren, verdwaald of gestolen:
Een zwarte ezel. 't Laatst gezien in blauwe jurk, wit-zwarte
broek en witte slaapmuts. Luistert naar den naam van
Andy. Wie hem aan de pastorie te Warlington brengt,
krijgt een flinke belooning."
Vader vond, dat Daan beter gedaan had, met even aan te loopen bij den
veldwachter, om hem een en ander mee te deelen. Na de lessen ging
tante Marie met Lena en mij aan den wandel, terwijl we iedereen, dien
we tegenkwamen vroegen, of hij Andy niet gezien had. Maar niemand
wist er wat van. Teleurgesteld en weinig hoopvol kwamen we weer
thuis, en toen de jongens uit school thuis kwamen, ook al uit hun
humeur, was 't één groote treurpartij.
Nijdig zei Alex: "Als die veldwachter hem niet weet uit te vinden,
dan gaat z'n hoofd eraf."
"Wat wou hij doen?" vroeg ik.
"Moet je hooren, hij praatte eerst, alsof Andy een meneer was. Hij
vroeg of ie een ring droeg, of z'n zakdoek geparfumeerd en wie z'n
barbier was. Toen heeft Daan 'm gezegd, dat dat zijn zaken waren, om
uit te visschen, en dat hij, als hij den ezel niet vond, geen knip
voor z'n neus waard was." "Ik vrees," hernam ik beklemd, "dat Andy
een ongeluk is overkomen; misschien is die jurk wel om z'n nek
geschoven en heeft ie zich geworgd, misschien is ie wel over die
lange broekspijpen gestruikeld en in een gracht getuimeld. Ik geloof
niet meer, dat hij leeft."
"Goed, maar dan is z'n lichaam toch nog ergens te vinden! Zoo klein
was ie toch niet!"
"Ik vermoed," zei Lena half-huilend, "dat ie zich half dood gejaagd
heeft, en toen in de struiken gekropen is, om daar te sterven. Arme
Andy!"
Toen ik een dergelijke veronderstelling maakte, waarbij ik een
soortgelijk gezicht trok, schoten de jongens in den lach. Maar dat
duurde niet lang, en spoedig zaten we allemaal weer in zak en asch.
De dagen gingen treurig voorbij. Op een Dinsdag ontmoette ik kapitein
Rogers, en vertelde hem van onze ellende. "Kom, kom!" riep hij uit,
"ezels en honden komen altijd weer terug."
"Ja," zei ik, "maar morgen is 't al Woensdag, en dan rekent Annie er
op, om met hem uit rijden te gaan. Nog niet één keer heb ik haar
overgeslagen, maar nu weet ik heusch niet, wat ik met haar beginnen
moet. En als Andy voor altoos weg is, zal zij nooit meer met hem
kunnen rijden. O, het is verschrikkelijk!" Ik trachtte mijn tranen in
te houden, maar 't lukte niet.
"Hoor es hier, beste meid," zei kapitein Rogers, "a.s. Maandag
vertrek ik van hier. Hoe zou je er over denken, je kleine patient in
mijn rijstoel mede te nemen? Hij rijdt o zoo licht, je zoudt hem zelf
best kunnen voortduwen. Ik zal hem dan aan jelui huis laten brengen
en dan kun je elken Woensdag het arme kind erin rondrijden."
Ik deed een sprong van blijdschap en bedankte hem driemaal. "Ik was
zoo bang, dat ze nu nooit meer naar buiten zou kunnen, en nu kan ik
haar gaan zeggen, dat ze Maandag weer kan rijden. O, wat vind ik dat
vriendelijk van u, meneer, maar het spijt me zoo, dat u ons verlaten
gaat. Wij houden allemaal zoo van u."
[Illustratie]
"Ja kind, het gaat mij evenzoo," zei hij lachend, "en ik hoop, dat je
mij eens schrijven zult, Grietje, al is 't maar eens in de maand. Of
kun je niet es een mooi boek schrijven en het mij sturen, als 't
klaar is? Een dagboek bijvoorbeeld?"
"Nu," antwoordde ik, "ik zal hier spoedig een einde aan maken, en dan
aan deel II beginnen. Zoudt u 't werkelijk graag eens lezen?"
"Ja, heusch."
"Maar ik vrees," hernam ik spijtig, "dat het een heel treurig slot
zal worden, want alles gaat tegenwoordig verkeerd. U gaat weg, en
Andy is weg, en de winter komt, en het doet niets dan regenen. Als we
veel thuis moeten zitten, vervelen we ons en dan gaan we verkeerde
dingen bedenken. Zelfs tante Marie speelt tegenwoordig niet zooveel
meer met ons, zij heeft het te druk met ziekenbezoek."
"Nu, in elk geval houd ik je aan je belofte, om mij je boek te
zenden, als 't klaar is."
"Ja, dat zal ik doen. En hoort u es, kapitein, zoudt u 't goed
vinden, als ik uw rijstoel ook nog voor andere doeleinden gebruikte
dan voor Annie? Ziet u, ik breng soms boodschappen van onze
dorpsgenooten naar Cross Glen, ik ben dan zoo'n soort
vrachtrijdster."
"Maar hoe ter wereld kom je dáár nu toch bij?"
"Och, daar houd ik van. Vader zegt, je moet nooit iets beginnen, of
je moet er een nuttige oorzaak voor hebben. En vindt u dat dan geen
nuttige zaak?"
"Wat voor oorzaak hadt je daar dan voor?"
Ik wou het hem eerst niet zeggen, maar dat leek me toch weer laf ook,
en ik antwoordde: "Ik wil graag een dienstmaagd van Jezus Christus
zijn, Die gezegd heeft: Ga en help uw naasten. Dus dan heb ik te
gaan. Dat noem ik mijn _gaan_." Kapitein Rogers lachte niet, moedigde
mij aan, meer ervan te vertellen, en ik vervolgde: "Ik geloof, dat ik
mijn _gaan_ beter waarneem dan mijn _doen_. Thuis moet ik tante Marie
helpen, kousen stoppen, enz., en dat gebeurt haast nooit met graagte.
Heb ik u niet eens verteld van die woorden op de graftombe van den
ridder in onze kerk: Semper fidelis, semper paratus? Hij was een
uitnemend dienstknecht, en ik wenschte te zijn als hij."
"Juist," zei de kapitein, terwijl hij mij ernstig aankeek, "en daar
zul je zeker in slagen. Maar kind, ik moet weg. Vaarwel hoor! Ik zal
je den rijstoel zenden. En Zaterdag moet jelui allemaal bij mij op
een afscheidsfeest komen. Ik zal een deftige uitnoodiging zenden."
Verheugd riep ik uit: "Dat 's heerlijk!" Toen ging ik regelrecht naar
Annie en vertelde haar alles van ons verdwenen ezeltje en van den
rijstoel. Zij had reeds van Andy's vlucht gehoord, en had ook reeds
verwacht, dat het rijden nu wel uit zou zijn; maar ik had haar betere
dingen te beloven. Dien middag bleef ik meteen maar bij haar en gaf
haar les in 't lezen. Op Zaterdagmorgen gingen we allen op pad om nog
eens een onderzoekingstocht naar Andy te doen. Puf ging niet mee, om
niet vermoeid te zijn vóór de partij bij kapitein Rogers. De
kapitein had ons genoodigd om 3 uur.
[Illustratie]
Toen we aan den kruisweg kwamen, stelde Daan voor, dat we ieder een
weg zouden inslaan, en dien zoo ver mogelijk oploopen. Mij leek het
plan niet goed; Lena zou zoo ver toch niet kunnen loopen. Toen haalde
Daan een kaart uit z'n zak. "Kijk hier," zei hij, "al die wegen hier
leiden naar een dorp of stad; als we nu de volgens deze kaart
dichtsbij gelegen plaats nemen, kunnen we daarheen wandelen." Na een
langdurige studie op, en breedvoerig debat over de kaart, werd
besloten, naar de stad Rockwell te loopen, die op 5 mijlen afstands
was gelegen. Aldus geschiedde.
Al wandelend, bespraken we verdere plannen. Daan vond, dat we nu den
volgenden Zaterdag weer een andere plaats in een andere richting
nemen moesten. We zullen zoowat drie mijlen geloopen hebben, toen
Alex in een heg klom, om eenige braambessen te plukken. Terwijl hij
daarmee bezig was, gaf hij eensklaps een schreeuw, die ons allen op
hem deed toeloopen. Daar in de sloot, bijna verborgen onder doode
takken lag een stuk zwart-wit omslagdoek!
[Illustratie]
We haalden den lap er dadelijk onderuit, en jawel, het waren de vier
broekspijpen, nog met mijn garen erin! We keken elkaar verstomd aan,
niet wetend wat we doen moesten: verheugd zijn of huilen! "Nu hebben
we eindelijk z'n spoor!" riep Daan uit.
"Laten we dan es even gaan zitten, en overdenken, wat we nu doen
moeten," stelde ik voor.
"De vraag is: hoe komen die lappen daar," zei Alex.
"Misschien," zei Lena en bibberde van angst, hoewel 't klaarlichte
dag was, "misschien is ie een moordenaar tegengekomen, die z'n
kleeren wou hebben, en heeft die hem vermoord en hier ergens
begraven."
"Ja, en toen zal Andy in z'n laatsten doodstrijd die broekspijpen
hebben losgescheurd," zei Daan, "en toen is de moordenaar, gekleed in
blauwe jurk en slaapmuts, heen-gewandeld. Dat is wel een aannemelijke
voorstelling."
"Ik geloof niet, dat Andy zelf die broekspijpen kon afscheuren,"
merkte ik op, "daar heb ik ze veel te stevig voor vastgenaaid.
Bovendien, kijk hier, ze zijn afgesneden."
Daan bekeek het afgesneden stuk met detective-oogen en zei toen
plechtig: "Ja, dat is ook een verschijnsel, waar we terdege op moeten
letten. Het is inderdaad het werk van een mes, dat we hier voor ons
hebben."
"En als er een mes is," besloot Alex, "dan moet er ook een man in 't
spel zijn."
Waarop ik half-wanhopig uitriep: "Hij is zeker gestolen! Nu moeten we
't spoor van den dief uitvinden!" Ik sprong op en wilde dadelijk maar
weer verder. Doch de jongens hadden er nog geen plan op. Zij
doorzochten nog eens nauwkeurig de sloot, zij klommen weer over de
heg, en zie, eensklaps vonden ze een stuk oranjeschil.
"Zie hier," zei Daan, "nu kunnen we er zeker van zijn, dat hier een
landlooper of zoo geweest is, die Andy heeft meegenomen. Alleen zulke
lui eten oranje-appels."
Ik was het niet met Daan eens, maar Alex wilde voortmaken en zei:
"Toe, laten we nu verder gaan. Wij weten nu in elk geval, dat Andy
hierlangs is gekomen. Ik geloof zeker, als we nu dezen weg volgen
naar Rockwell we hem nog wel zullen vinden."
[Illustratie]
Met nieuwen moed gingen we weer op pad. Toen we te Rockwell
aankwamen, waren we allen vermoeid. Het was een flink dorp, met wel
tien winkels in de hoofdstraat. We gingen een melksalon binnen en
dronken limonade; meteen vroegen we aan de vrouw, die ons bediende,
of er ook iemand in de buurt ezels op na hield. Het scheen een domme
vrouw; eindelijk begreep ze ons en vertelde, dat de dominee er een
had, een heel oude; in de 40 jaren, dat ze daar woonde, had ze nooit
een anderen ezel gezien.
Daar schoten we dus weinig mee op, en we gingen weer verder. Daan
ontdekte het bureau van politie, waar hij lange onderhandelingen
voerde met een agent. Deze schreef alles op, wij gaven onze namen en
adres op en toen ging 't weer verder. Nog niet tevreden, gingen we
alle vier in verschillende richtingen nog even het dorp door, en
kwamen na een kwartier weer in den melksalon bijeen. Iedere man,
vrouw, jongen of meisje, die we tegenkwamen, werd gevraagd, of ze ook
een zwarten ezel gezien hadden. Ik was eerst wel wat verlegen, om
iedereen zoo maar aan te spreken, maar ik deed het ten slotte zoo
beleefd mogelijk: "Och, neem u me niet kwalijk, hebt u soms kort
geleden een zwarten ezel gezien? Een week geleden hebben we hem
verloren, en hij is hierlangs gekomen."
Soms keken de lui ons verbaasd aan, soms ook lachten ze hartelijk.
Eén keer zei een ruwe jongen: "Ja, als je naar huis gaat, en je
kijkt in den spiegel, dan zul je een zwarten ezel met rood haar
zien." Dat sloeg op mij, want ik draag na grootmoe's overlijden
zwarte kleeren. Maar geen onzer kreeg een bevredigend antwoord.
En zoo werd de terugreis weer ondernomen, in een ver van prettige
stemming. Toen we thuis kwamen en de vier broekspijpen op de tafel
uitlegden, schoot tante Marie erg in den lach, hetgeen Daan zeer
verstoord deed opmerken: "Het moge voor u, tante, een blijspel wezen,
voor ons is het een treurspel." Toen vroeg ze ons vergiffenis voor
haar lachbui.
Werkelijk, het wàs een treurspel; hoewel we niettemin naar het
thee-partijtje van kapitein Rogers gingen en er volop pret hadden,
hing het verlies van Andy ons als een donkere wolk boven het hoofd.
Of, zooals Alex het uitdrukte: "Het is erger dan de dood, want het is
een niet-eindige onzekerheid." Bovendien was het verlies dubbel hard,
omdat we het onszelf te wijten hadden. De arme Andy was altoos
geduldig en lijdzaam geweest, zoolang we hem hadden. Of wij al elken
dag met hem reden, hij klaagde nooit. Maar toen we hem gingen
uitdossen met een slaapmuts en een blauwe jurk, en toen we hem wilden
doen opzitten en pootjes geven, toen had hij er genoeg van en ging er
vandoor; ik geloof heusch, dat hij bepaald bedoeld heeft, ons te
verlaten en nooit terug te keeren.
En nu kwam nog de treurigheid van het vertrek van kapitein en Mevrouw
Rogers. Van andere groote menschen dan hen hielden we niet. Ik ben
beslist van plan, den kapitein dit boek te sturen, als het af is; hij
heeft gezegd, dat hij probeeren wil, het voor mij te laten drukken.
Maar nu moet ik zien, dat het boek wat vroolijker eindigt, dat hoort
bij een goed boek. Boeken met een treurig einde vind ik
verschrikkelijk; als er verteld wordt van kinderen, dan gaat
gewoonlijk de liefste van hen dood.
En dat is vreemd, want de Bijbel zegt ons, dat het niet zoo
vreeselijk is om te sterven; het is "verre te verkiezen". En de hemel
is een heerlijke plaats, onze kerkliederen zingen daarvan. Maar mij
maakt een verhaal over 't sterven van kinderen altoos verdrietig, tot
schreiens toe. Ik weet dat nog best uit de dagen, dat Daan ziek was;
o, als er toen een van ons gestorven was, zelfs al waren we er bereid
voor geweest, ik had het niet uitgehouden. Ik geloof wel, dat moeder
blij zou wezen, als ze ons weerzag. Voor hen, die heengaan is het ook
zoo erg niet, maar voor hen, die achterblijven, is het zoo
vreeselijk.
Den volgenden Maandag ging ik naar Annie en reed haar in den
rijstoel. Wij brachten meteen een paar pakjes voor juffrouw Ribbon
weg, omdat Tom met een zeeren voet te bed lag. Ik kreeg steeds meer
te doen met Annie; zij scheen veel last van de kou te hebben en ik
ben er zeker van, dat ze geen kleeren genoeg had; haar grootouders
zijn ook zoo arm. Ik sprak er met tante Marie over en die opperde het
denkbeeld, dat Lena en ik een wollen jurk en een dikken rok voor haar
zouden maken, om die dan als kerstgeschenk te geven. Ik voelde er
niet heel veel voor, omdat ik niet van zulk werk houd, maar bij de
gedachte aan Annie joeg ik die leelijke luiheid op de vlucht en
beloofde tante, er onverwijld aan te zullen beginnen. Tante vond 't
best, dat we er 's avonds na de thee aan werkten, dan zou ze ons
komen helpen, en tegelijk geschiedenissen vertellen. Nu, dat leek
mij, en gelukkig Lena ook; gisteravond zijn we eraan begonnen. Ook de
jongens zaten erbij; terwijl ze bezig waren met het roosteren van
kastanjes. "Ik zie niet in, waarom jongens ook niet zouden kunnen
naaien," zei Lena. "Als ik jongens had, dan liet ik ze hun eigen
kleeren maken. Waarom moeten dat altijd hun moeders en zusters en
tantes doen?"
"Als ik meisjes had," zei Alex, die bijzonder van redetwisten houdt,
"dan zou ik ze de deur uit sturen, om hun eigen brood te verdienen.
Waarom moeten hun vaders en broeders en ooms ze altijd thuis houden
voor een oortje?"
"Wel," zei tante, "de wereld is tegenwoordig erg aan 't veranderen.
Tegenwoordig verdienen meisjes ook al buitenshuis. Maar ik denk, dat
jelui vader nog van de ouderwetsche leer is, dat wij vrouwen thuis
behooren te blijven en naaien, terwijl de jongens zich moeten
bekwamen, om later geld voor ons te verdienen. Maar wat zal ik jelui
nu eens vertellen?"
"Iets over tooverpaleizen!" vroeg Puf.
"Gevechten en ontvluchtingen," stelden Daan en Alex voor.
"Een prinses in de gevangenis," vroeg Lena.
"Zoudt u ons niet eens kunnen vertellen van dien ridder in onze
kerk?" vroeg ik.
"Semper fidelis, semper paratus," zei tante Marie nadenkend. "Jawel,
dat kan wel."
Wij wilden allemaal die geschiedenis wel graag eens hooren. Maar
tante Marie wilde eerst vijf minuten hebben, om zich te bedenken;
terwijl rustten Lena en ik even uit van ons naaiwerk. Even liepen we
naar de kachel, en aten wat van de kastanjes. Heerlijk brandde het
vuur, en wij gevoelden ons allen zóó prettig en gezellig thuis, dat
we onwillekeurig weer aan Andy moesten denken, die daar buiten in
regen en wind liep te dolen, of afgejakkerd werd door een dronken
landlooper.
[Illustratie]
"Was hij maar weer hier!" zuchtte Lena. "Dat kan niet," zei Alex.
"Hè, wat is het toch een ellendige zaak. Daar hebben we nu een kar,
en een zadel, en mooi tuig, en niet eens een ezel, om ze te
gebruiken."
"God weet, waar ie is," riep Puf eensklaps uit. "Ik verwacht hem
spoedig hier. God heeft mij vanmorgen gezegd, dat Hij hem de volgende
week thuis zou sturen, als ik goed oppaste."
Wij lachten niet om Puf. Waarom zou God ook zijn gebedje niet
verhooren? Ik geloof, dat hij grooter geloof heeft dan wij.
Nadat het kastanje-maal was verorberd, verklaarde tante zich gereed
om te beginnen. Terwijl ze bezig was met het stoppen van Daan's
kousen, begon ze het verhaal, dat ik in het volgende hoofdstuk heb
oververteld.
------