Met doffe stem sprak ze: "Er is ook niemand, die me wat leert."

En ik begon maar dadelijk te vertellen, wat Jezus voor haar gedaan

had. Zij had er totaal geen besef van, dat zij ook zondaar was; maar

ik geloof toch wel, dat het haar na eenigen tijd duidelijk werd.

Verwonderd keek ze op, toen ik vertelde, dat Jezus nòg leefde, en

dat Hij nog machtig is om ons te helpen en ons te leiden, al kunnen

we Hem niet zien. Zij wist niet, dat het kruis ook voor haar van

beteekenis was; met open mond en groote oogen hoorde zij alles aan

wat ik vertelde, en ik wenschte soms, dat een wijzere dan ik haar

vertellen kon. Meteen moest ik ook op mijn ezeltje letten; af en toe

hield ik even stil, en plukte wat wilde bloemen en kamperfoelie voor

haar, om mee naar huis te nemen. Toen ik meende, dat we nu lang

genoeg gereden hadden, bracht ik haar weer naar huis terug; maar als

we 't huis naderden, begon ze te schreien en greep mijn hand.

"Zult u terugkomen en mij weer meenemen? Zult u mij niet vergeten?

Toe, beloof mij, dat u me weer spoedig komt halen!"

"Ik zal probeeren, deze week nog één keer te komen, Annie, en in

elk geval zal ik hier komen, om je wat te helpen met lezen; misschien

kan ik dan wel een paar boeken meebrengen." Haar grootmoeder tilde

haar uit het karretje en scheen nogal in haar schik.

"Nu kind, daar heb je goed aan gedaan, hoor, en 't zal Annie ook goed

doen. Arm schaap, wat zou het goed voor haar zijn, als God haar maar

tot Zich nam. Ze zal toch nooit voor iemand ter wereld van nut kunnen

zijn."

Ik werd boos, maar ik wist niet wat te zeggen. Ik zag, hoe Annie

huiverde bij het hooren van die zelfzuchtige woorden, en meende maar

het best te doen, met heen te gaan. Ik nam dus afscheid. "Vaarwel,

Annie! Ik kom spoedig weer bij je terug."

In draf ging het nu naar huis, en nadat ik Andy had uitgespannen,

vertelde ik vader dadelijk mijn wedervaren. "Wat spijt het mij," zei

vader, "dat ik haar niet eerder gevonden heb. Ik ben wel bij juffrouw

Buxton op bezoek geweest, maar die vertelde mij nooit, dat ze een

kleinkind in huis had."

"Zij schaamt zich voor het kind," zei ik. "Hanna vertelde mij, dat

zij denkt, dat een misvormd kind door iedereen wordt gemeden. Is dat

niet wreed gedacht? Vader, denkt u, dat ik haar zou kunnen leeren

lezen?"

"Zeker, kind, zeker. Ga zoo vaak als je kunt naar haar toe, maar denk

er aan om juffrouw Buxton te vragen, of het mag."

Toen ik den jongens en Lena van Annie vertelde, lachten ze niet, en

Lena was er zelfs mee begaan. Zij haalde een paar oude poppen voor

den dag, en vroeg mij, die voor Annie mee te nemen.

Bij de thee zei tante Caroline: "Ik geloof, dat Grietje den mooisten

dag heeft gehad van jullie allemaal!"

"O ja, tante," zei Alex snel, "ik weet wel wat u wilt zeggen: omdat

zij meer aan anderer genoegen dacht dan aan haar eigen vermaak; maar

dat doet ze niet uit haarzelf, daar is ze toe aangezet. U moet haar

niet verwaand maken, ze heeft al genoeg dunk van zichzelf."

[Illustratie]

"Dat is niet waar," zei ik boos.

"Hé, hé, geen getwist nu!"

Zoo komt tante altoos tusschenbeiden en we spraken dus geen woord

meer over de zaak.

Den volgenden morgen kwam er een groot pakket met de post,

geadresseerd aan "de Jongeheeren Daan en Alex Marjoribanks". De

jongens gunden zich geen tijd om het uit te pakken, en scheurden het

eene na het andere papier eraf, niet bemerkend, dat Lena en ik in ons

vuistje lachten (ik had het Lena ook verteld). Eindelijk kwam een

kartonnen doos te voorschijn, en toen ze die openden, vonden ze haar

vol koolstronken; op den bodem lag een klein briefje, waarop de

woorden: "Met vriendelijken dank van Betty en Clara."

Inmiddels waren Lena en ik een rondedans om de tafel begonnen,

waarbij we hen dapper uitlachten. Ze hadden 't ook verdiend, en ik

vertelde hun, dat hun pakket nooit aan 't Huis bezorgd was. Toen

waren ze woest van boosheid, en scholden ons uit, dat het een lust

was.

Ik zei hun nog, dat zij altijd grapjes hadden ten koste van anderen,

en nooit zichzelf eens vermaken konden. Daan beloofde wraak; maar dat

doet ie wel meer als ie ten einde raad is, en later is ie 't al lang

weer vergeten.

Ik ging nu zooveel belang stellen in Annie Steel, dat ik er bijna

iederen dag heen ging; als ik haar bezocht, had ze een kleur van

blijdschap, en ze begon er werkelijk wat opgewekter uit te zien.

Elken Woensdag nam ik haar mee op een rij toer.

Intusschen waren we allen druk bezig met bijverdienen, om een zadel

voor Andy te kunnen koopen. De jongens verkochten aan kapitein Rogers

enorme partijen visch. Zij kunnen er gewoon niet tegen hengelen, en

hij betaalt best. Zelf zend ik weer groenten en bloemen naar de markt

te Lemworth, waar Bob Tapson ze wel aan den man brengt, en Lena maakt

weer borstplaat zonder eind. Maar het geld komt heel langzaam bij

elkaar. Mevrouw Rogers kwam gistermiddag met haar man bij ons

theedrinken; de kapitein liet ons den spaarpot openen; er was nu

negen gulden in.

We hadden recht veel schik dien middag. De thee werd buiten

gedronken, zoodat het veel had van een pic-nic; kapitein Rogers

spoorde ons aan, het geld wat vlugger te maken, anders zouden we

nooit aan een zadel toekomen. We vroegen hem, of hij soms een middel

wist, en hij zei van ja. Het was dit: Hij en zijn vrouw wilden een

wedstrijd in het boogschieten organiseeren bij hun huis; daarbij

zouden veel volwassen menschen komen, en nu wilde hij ook een

wedstrijd houden voor kinderen; de beste schutter zou een prijs

verdienen van twaalf gulden.

"Jelui hebt dus niet anders te doen, dan dien prijs te winnen,"

voegde hij er aan toe; "en dan weet ik wel een adres, waar je een

flink zadel kunt koopen voor een gulden of twintig."

Met gejuich werd het plan ontvangen, het was een eenig denkbeeld.

Maar wij moesten den kapitein toch vertellen, dat we geen van allen

konden schieten, en dat we niet met boog en pijl konden omgaan. Hij

antwoordde, dat hij ons dat wel even leeren zou, dat ging heel vlug;

we moesten dan maar telkens bij hem komen en oefeningen houden in den

tuin bij de boerderij.

"En we kunnen ook hier een schijf opstellen en er ons op oefenen,"

vond Daan. "Ik zal er wel een maken, maar dan hebben we nog geen boog

en pijlen. Zijn die duur?"

"Dat zullen we aan juffrouw Ribbon vragen," zei Alex. "Maar ik wil

wedden, dat ze die niet heeft."

"Nee, nee," zei kapitein Rogers, "ik zal jelui enkele van de mijne

leenen tot na den wedstrijd. Laat es zien: jelui zult er vier noodig

hebben, is 't niet? Ieder een."

"Ik ook!" riep Puf op dreigenden toon. "Ik wil ook schieten."

Dus beloofde kapitein Rogers vijf bogen te zullen zenden, met een

bundel pijlen. En Daan stelde hem voor, om moeite te besparen, dat

hij dadelijk maar even mee zou gaan, om ze te halen, dan konden wij

zoo spoedig mogelijk beginnen.

"En hoe maakt Andy het tegenwoordig?" vroeg de kapitein.

"Even onberekenbaar als altoos," antwoordde ik. "Soms gaat het heel

goed, maar dan eensklaps krijgt hij weer z'n oude kuur van stilstaan,

en geen van ons kan hem dan weer in beweging krijgen. 't Is geen

trouw dier, en dat zal ie nooit worden ook."

De kapitein lachte hartelijk en trok mij aan een haarlok. "Kom hier,

oud vrouwtje, en vertel mij es, wat een trouw dier is."

"Dat is er een, waarop je rekenen kunt," hervatte ik; "een dier, dat

altoos hetzelfde is en waar je op aan kunt. Dat is toch de beteekenis

van trouw? Gisteren hebben we 't er nog over gehad."

"Ja," zei hij, "dat is een heel juiste omschrijving van trouw. Ik

denk, dat jij dan ook wel heel trouw zult wezen, Grietje."

"O, ik wou dat ik het was. Maar ik ben het niet. Men is niet volkomen

trouw, als men het niet altijd en overal is, zooals onze ridder:

semper fidelis. Ik tracht een trouwe dienstmaagd te wezen, maar

steeds weer vergeet ik het."

"Wiens dienstmaagd? Ik zou zoo zeggen, Grietje, je bent een trouw

vriendinnetje."

"Christus' dienstmaagd," was mijn fluisterend antwoord. "Hij is in

alles de eerste, zooals u weet. Maar daarom zou ik dan ook evengoed

uw trouw vriendinnetje willen wezen, kapitein."

"Wij zullen een verbond sluiten. Als ik in moeite of verdriet kom, en

hulp noodig heb, dan weet ik, op wie ik kan rekenen."

De beide jongens gingen met den kapitein mee naar de boerderij, en

kwamen al spoedig weer thuis, o zoo verheugd met hun pijlen en bogen.

Reeds hebben we een schijf gemaakt van wit calico, gespannen over een

met stroo gevulde platte doos. En nu hoop ik maar dat wij den prijs

zullen halen; wij hebben goede kans, omdat we met z'n vieren zijn.

Betty en Clara zullen ook gevraagd worden, en nog heel wat kinderen

meer. Ik geloof, dat kapitein Rogers eigenlijk hoopt, dat wij het

maar zullen winnen.

* *

*

Het is eenigen tijd geleden, dat ik in dit boek heb geschreven, want

ik heb het verschrikkelijk druk gehad. Allereerst dien ik te

vertellen van onzen hand-boogwedstrijd.

[Illustratie]

Vanaf het oogenblik, dat de schijf gereed was, hebben we ons druk

geoefend. Aan het einde van de laan hadden we haar opgehangen, en

gingen er dan zoo ver mogelijk van af staan, om goed te leeren

mikken. Die oefeningen waren wel inspannend, maar toch ook verbazend

prettig. Ik zelf had er zooveel schik in dat ik boos werd, als ik er

telkens weer werd afgeroepen. Dat kwam zoo.

Emma had haar voet verstuikt, en moest dagen achtereen in bed liggen,

en toen ze eruit mocht, kon ze nog heel moeilijk loopen. Tante

Caroline droeg nu aan Lena en mij op, de bedden op te maken, de

kamers te doen, en zooveel mogelijk in huis te helpen. Het scheen ons

een uitdaging, want wij wilden zoo graag vóór alles goede schutters

worden. Ik kàn niet hebben, dat we zulke dingen maar half goed doen.

Lena ging er vandoor, maar dàt kon ik ook niet doen, en ik hielp dus

zooveel als ik kon, maar veelal met een nijdig hoofd. Ik geloof, dat

ik die gansche week niet in m'n humeur ben geweest. Toen het Woensdag

werd, had ik er niet eens zin in, om Annie te halen voor een rijtoer;

Betty en Clara kwamen 's middags om met ons te oefenen in 't

schijfschieten. Toch reed ik met Andy uit, inwendig wenschend, dat ik

haar maar nooit beloofd had, iedere week te zullen rijden. Maar toen

ik haar bleek gelaat zag, dat opvroolijkte toen ik aankwam, was ik

beschaamd. Ik was een half uur te laat, en ze zei:

"Grootmoe heeft al gezegd, dat u niet zoudt komen. Maar ik wist zeker

dat u komen zoudt. U zult mij nooit alleen laten, wel juffrouw?"

Wij en ons ezeltje · 第 19 / 29 题