Toen ik naar juffrouw Buston ging, vond ik haar in den tuin, bezig
met groentenplukken. Zij was meer verbaasd dan verblijd, toen ik haar
vertelde wat mijn plan was. En ze zei dan ook eerst, dat ze de kleine
Annie niet wilde meegeven.
"Ik zou haar nooit hier gehad hebben, als ik geweten had, dat ze zoo
hulpeloos was. Haar moeder, die reeds op 20-jarigen leeftijd weduwe
was, stierf plotseling, en Annie moest toen in een weeshuis. Maar
mijn man wilde daar niet van weten, en ik eigenlijk ook niet. Zoo
namen we de kleine dan in huis, en sedert is ze er gebleven, totaal
krachteloos, alsof ze geen ruggegraat heeft. Ze doet zoowat niets
anders dan in elkaar gedoken zitten huilen. Loopen kan ze geen stap.
Maar kind, als je er nu bepaald op staat, haar mee te nemen, kom dan
binnen, dan kunnen we haar samen gemakkelijk genoeg in 't karretje
tillen."
[Illustratie]
Ik bond Andy aan den muur vast en ging het huisje binnen. De keuken
was klein en het rook er duf; in een laag stoeltje zat Annie.
Werkelijk, ze zag er uit als een afgeleefd oud vrouwtje; alleen het
haar was nog blond, maar kort geknipt. Toen ik haar meedeelde, wat
mijn plan was, glimlachte ze zoo hartroerend, dat ik bijna begon te
weenen. Ze zag er even bleek als haar schortje uit; ze is pas negen
jaar oud, evenals Lena. Ik had vier kussens en een deken meegebracht
en maakte het haar zoo gemakkelijk mogelijk; haar Grootmoeder
plaatste haar zoo in de kussens, dat ze rechtop zitten kon. Bovendien
zette ze haar nog een katoenen mutsje op, en daarna reden we weg.
Heel langzaam reed ik de laan af, om het schokken te voorkomen. Al
vrij spoedig begon ze te praten. Eerst had ze doodstil liggen staren
in de blauwe lucht, terwijl haar mond open en dicht ging als die van
een visch. Toen ik haar vroeg, waarom ze zoo deed, zei ze: "De lucht,
juffrouw. Sinds ik bij grootmoe ben, krijg ik haast geen frissche
lucht. Voordat moeder stierf, zat ik altoos aan 't open venster, maar
grootmoe doet haar ramen nooit open."
Zij vertelde mij verder, dat zij veel van Hanna hield, en al meer
begon ze los te komen, er blijkbaar schik in krijgende, allerlei
prettigs te vertellen.
"Kijk, daar zijn heelemaal geen huizen, wat een leege plek. Dit is nu
echt buiten zijn. Nooit ben ik hier geweest, voordat ik bij grootmoe
kwam, en sedert ik er ben, kom ik er nooit uit.
Moeder zei altijd, dat God ook buiten leeft, niet in de stad. Moeder
hield niets van Londen; zij vond het zoo'n vuile stad; de lucht zie
je in Londen maar heel zelden en dan nog maar een klein stukje er
van. O, juffrouw, wat is het hier heerlijk! Die velden, en die boomen
en die bloemen! Ik heb wel schilderijen gezien, maar die waren niet
zoo levend als dit alles."
Bij een landhek hield ik stil, om haar konijnen te laten zien, die
daar aan 't spelen waren, en toen een vlinder op den rand van 't
karretje kwam zitten, schreeuwde ze 't uit van pleizier.
[Illustratie]
Maar ze werd al spoedig weer vermoeid van al die ongewone opwinding
en toen begon ik maar eens te praten. Ik vertelde haar, hoe we aan
Andy waren gekomen, en toen ik dat verhaal ten einde had, zei ze:
"Luistert God naar alle menschen, juffrouw, of alleen naar rijke lui?
Ik heb nog niets van Hem gehoord, sinds ik bij grootmoe ben. Moeder
kreeg altijd bezoek van een wijkzuster, maar daar hield ik niet van;
ze had altoos zoo'n haast om weer weg te komen, en ze wilde altijd
maar weer, dat ik naar een gesticht of naar een hospitaal werd
gezonden."
"Natuurlijk luistert God naar ons allemaal," antwoordde ik, verbaasd
over zóóveel onwetendheid; "bidt je niet tot Hem?"
Ze wendde haar hoofd af. "Ik was gewoon het "Onze Vader" op te
zeggen, maar ik ben nu totaal vergeten hoe het is."
"Kun je lezen?" vroeg ik.
Weer schudde ze haar hoofd.
"Ik ben begonnen het te leeren, maar moeder stierf, vóórdat ik
groote woorden kon lezen, en later heeft niemand het mij geleerd."
"Arm klein schaap," sprak ik met diep medelijden; "wat doe je dan
toch wel den ganschen dag?"
"Plaatjes kijken en dan naaien, naaien kan ik wel. Ik maak op 't
oogenblik reepjes voor een lappendeken voor grootmoeder."
"Je moet God gaan bidden," zei ik.
"Waarom?"
"Wel, omdat Hij je liefheeft. Weet je, wie Jezus Christus was?"
"Die aan een kruis is ter dood gebracht? Ja, daar heeft moeder mij
wel van verteld."
"Weet je, waarom Hij is ter dood gebracht?"
Zij schudde haar hoofd, en sprak: "Het is zoo iets van het redden der
zondaars en der wereld. Maar ik ben het vergeten. Ik geloof, dat Hij
zeer vriendelijk en goed was. Het is al eeuwen geleden, dat hij
gedood werd, is 't niet?"
"Hij is heelemaal niet dood," zei ik, als verstomd door zooveel
onkunde. "Lieve kind, jij weet nog niet eens zooveel als de kinderen
uit mijn klas."