HOOFDSTUK XII.

Toen ik naar juffrouw Buston ging, vond ik haar in den tuin, bezig

met groentenplukken. Zij was meer verbaasd dan verblijd, toen ik haar

vertelde wat mijn plan was. En ze zei dan ook eerst, dat ze de kleine

Annie niet wilde meegeven.

"Ik zou haar nooit hier gehad hebben, als ik geweten had, dat ze zoo

hulpeloos was. Haar moeder, die reeds op 20-jarigen leeftijd weduwe

was, stierf plotseling, en Annie moest toen in een weeshuis. Maar

mijn man wilde daar niet van weten, en ik eigenlijk ook niet. Zoo

namen we de kleine dan in huis, en sedert is ze er gebleven, totaal

krachteloos, alsof ze geen ruggegraat heeft. Ze doet zoowat niets

anders dan in elkaar gedoken zitten huilen. Loopen kan ze geen stap.

Maar kind, als je er nu bepaald op staat, haar mee te nemen, kom dan

binnen, dan kunnen we haar samen gemakkelijk genoeg in 't karretje

tillen."

[Illustratie]

Ik bond Andy aan den muur vast en ging het huisje binnen. De keuken

was klein en het rook er duf; in een laag stoeltje zat Annie.

Werkelijk, ze zag er uit als een afgeleefd oud vrouwtje; alleen het

haar was nog blond, maar kort geknipt. Toen ik haar meedeelde, wat

mijn plan was, glimlachte ze zoo hartroerend, dat ik bijna begon te

weenen. Ze zag er even bleek als haar schortje uit; ze is pas negen

jaar oud, evenals Lena. Ik had vier kussens en een deken meegebracht

en maakte het haar zoo gemakkelijk mogelijk; haar Grootmoeder

plaatste haar zoo in de kussens, dat ze rechtop zitten kon. Bovendien

zette ze haar nog een katoenen mutsje op, en daarna reden we weg.

Heel langzaam reed ik de laan af, om het schokken te voorkomen. Al

vrij spoedig begon ze te praten. Eerst had ze doodstil liggen staren

in de blauwe lucht, terwijl haar mond open en dicht ging als die van

een visch. Toen ik haar vroeg, waarom ze zoo deed, zei ze: "De lucht,

juffrouw. Sinds ik bij grootmoe ben, krijg ik haast geen frissche

lucht. Voordat moeder stierf, zat ik altoos aan 't open venster, maar

grootmoe doet haar ramen nooit open."

Zij vertelde mij verder, dat zij veel van Hanna hield, en al meer

begon ze los te komen, er blijkbaar schik in krijgende, allerlei

prettigs te vertellen.

"Kijk, daar zijn heelemaal geen huizen, wat een leege plek. Dit is nu

echt buiten zijn. Nooit ben ik hier geweest, voordat ik bij grootmoe

kwam, en sedert ik er ben, kom ik er nooit uit.

Moeder zei altijd, dat God ook buiten leeft, niet in de stad. Moeder

hield niets van Londen; zij vond het zoo'n vuile stad; de lucht zie

je in Londen maar heel zelden en dan nog maar een klein stukje er

van. O, juffrouw, wat is het hier heerlijk! Die velden, en die boomen

en die bloemen! Ik heb wel schilderijen gezien, maar die waren niet

zoo levend als dit alles."

Bij een landhek hield ik stil, om haar konijnen te laten zien, die

daar aan 't spelen waren, en toen een vlinder op den rand van 't

karretje kwam zitten, schreeuwde ze 't uit van pleizier.

[Illustratie]

Maar ze werd al spoedig weer vermoeid van al die ongewone opwinding

en toen begon ik maar eens te praten. Ik vertelde haar, hoe we aan

Andy waren gekomen, en toen ik dat verhaal ten einde had, zei ze:

"Luistert God naar alle menschen, juffrouw, of alleen naar rijke lui?

Ik heb nog niets van Hem gehoord, sinds ik bij grootmoe ben. Moeder

kreeg altijd bezoek van een wijkzuster, maar daar hield ik niet van;

ze had altoos zoo'n haast om weer weg te komen, en ze wilde altijd

maar weer, dat ik naar een gesticht of naar een hospitaal werd

gezonden."

"Natuurlijk luistert God naar ons allemaal," antwoordde ik, verbaasd

over zóóveel onwetendheid; "bidt je niet tot Hem?"

Ze wendde haar hoofd af. "Ik was gewoon het "Onze Vader" op te

zeggen, maar ik ben nu totaal vergeten hoe het is."

"Kun je lezen?" vroeg ik.

Weer schudde ze haar hoofd.

"Ik ben begonnen het te leeren, maar moeder stierf, vóórdat ik

groote woorden kon lezen, en later heeft niemand het mij geleerd."

"Arm klein schaap," sprak ik met diep medelijden; "wat doe je dan

toch wel den ganschen dag?"

"Plaatjes kijken en dan naaien, naaien kan ik wel. Ik maak op 't

oogenblik reepjes voor een lappendeken voor grootmoeder."

"Je moet God gaan bidden," zei ik.

"Waarom?"

"Wel, omdat Hij je liefheeft. Weet je, wie Jezus Christus was?"

"Die aan een kruis is ter dood gebracht? Ja, daar heeft moeder mij

wel van verteld."

"Weet je, waarom Hij is ter dood gebracht?"

Zij schudde haar hoofd, en sprak: "Het is zoo iets van het redden der

zondaars en der wereld. Maar ik ben het vergeten. Ik geloof, dat Hij

zeer vriendelijk en goed was. Het is al eeuwen geleden, dat hij

gedood werd, is 't niet?"

"Hij is heelemaal niet dood," zei ik, als verstomd door zooveel

onkunde. "Lieve kind, jij weet nog niet eens zooveel als de kinderen

uit mijn klas."

Wij en ons ezeltje · 第 18 / 29 题