HOOFDSTUK XI.

We zijn deze week begonnen met het op beurten rijden met Andy.

Afgesproken is, dat we, als het onze beurt is, niet bepaald alleen

behoeven te gaan, we mogen ook wel anderen meenemen; maar wiens beurt

het is, die stuurt, daar gaat niets van af.

Maandagmorgen vóór 't ontbijt nog bevestigde ik mijn briefje aan

den mijlpaal. De jongens wisten er niets van, en bemerkten het pas 's

middags, toen er enkele menschen naar stonden te kijken; ze kwamen

naar huis en vroegen mij lachend: "Wou je de menschen op je rug

dragen, Griet? Dat lijkt wel zoo, want er staat op dat briefje niets

van Andy."

"Dat is mijn zaak," gaf ik ze terug, "als ze d'r verstand gebruiken,

zullen ze dat wel snappen." Het hinderde mij, dat ze me alweer

uitlachten, want ik was zoo echt in m'n schik met het plan van

personenvervoer per open équipage. Ook vader had mijn briefje

gelezen, en zei tot me: "Dat vind ik best, Grietje, je lijkt in dat

opzicht op je moeder. Ik ben er blij om, dat je er iets voor voelt,

om je genoegens te deelen met hen, die minder gelukkig zijn dan jij."

Daan bleef den heelen dag met Alex weg; zij hadden hun boterhammen

meegenomen, en kwamen laat thuis. Alex scheen zich bij dien rijtoer

door de omliggende dorpen zóó ingespannen te hebben, dat hij den

volgenden dag niet in staat was, zelf goed te sturen. Maar 's middags

knapte hij op en reed met Lena weg; ik merkte, dat zij wat in 't

schild voerden. Voor den armen Andy was 't een zware dag. Er stond

veel wind, en Alex nam twee groote vliegers mee, die Daan en hij den

vorigen winter gemaakt hadden.

[Illustratie]

Hij en Lena lieten de touwen geheel vieren en bonden de uiteinden elk

aan een kant van 't karretje. Zij reden het dorp uit, en trokken de

vliegers mee, die door den flinken gang mooi hoog stonden. Zoodra ze

echter een hoek omreden, rukten de vliegers een anderen kant op, dan

Andy trok. Lena vertelde mij later, dat ze gehoopt had, dat de

vliegers hen hadden voortgetrokken. Andy deed z'n best ze mee te

trekken, maar spoedig gaf hij het op, en bleef ineens koppig staan.

Een half uur lang trachtten ze hem vooruit te krijgen; Alex liet hem

keeren, en sleurde hem een eindje mee. Toen brak een vliegertouw en

een vlieger verdween als de wind; de ander kwam in een boom terecht

en bleef daar vast zitten; Alex klom in den boom, en kreeg hem zoo

terug. Vrij tijdig kwamen ze weer thuis. Daan vroeg Alex

belangstellend, waarom of ie zoo dom gedaan had. Hij had gedacht, dat

Alex de vliegers had willen gebruiken als zeilen op het karretje, dan

hadden ze dubbel zoo snel gereden. Maar Alex was boos op Andy en

mopperde: "Ik vind 'm niet half zoo aardig meer als eerst."

"Och kom," zei ik tot hem, "je moet er eerst eens gewoon mee gaan

rijden. Jij en Daan hebben zoo graag een ezel willen hebben, om je

naar school te brengen, maar daarvoor heb je hem nog niet één keer

gebruikt."

Alex keek zuur en zei: "Weet je waarom niet? Dat is het begin van

Daan's ruzie met Sausaye geweest. Toen Sausaye hoorde, dat wij een

ezel hadden, ging hij staan dansen en zong een spotliedje op vader.

Daan liep dadelijk op hem toe; hij hield niet op en kreeg toen een

opstopper van Daan. En als Daan 't niet had gedurfd, had ik het wel

even opgeknapt."

Ik keek hem aan en zei: "Was het wel goed om zoo te doen? Sausaye mag

z'n spotlust botvieren, maar de kinderen van iemand als vader moesten

dat niet zóó beantwoorden."

"Sta toch niet zoo mal te preeken," zei Alex, en toen ik nog wat

zeggen wou, stopte hij z'n vingers in z'n ooren en rende weg. Nu

begrijp ik, waarom de jongens niet met Andy naar school willen

rijden: ze zijn bang, dat ze uitgelachen zullen worden. Ik denk, dat

jongens daar banger voor zijn dan meisjes.

De dag van Lena's beurt eindigde niet best. Pas na den middag reed ze

uit, want we hadden tante Caroline geholpen met pruimen plukken voor

jam. Zij wil altoos de jam zelf maken. Wij wilden haar allen eerst

helpen, maar werden vrij moe; Lena werd stekelig, omdat zij niet

vóór 't middageten met Andy kon wegrijden. "Ik zal zien, dat ik Puf

mee krijg; ik heb het 'm ook beloofd."

"Zal ik ook meegaan?" vroeg ik.

"Neen, dank je, jij speelt toch maar den baas over mij. Hè, laten

we die akelige jam toch laten zitten, waarom doet de meid het niet?

Vader heeft tante geroepen, die zal dus zoo gauw wel niet terug

zijn."

"Je behoeft niet te wachten," zei ik; "ik zal tante wel helpen; de

meid moet de provisiekasten schoonmaken."

"Maar 't is veel te laat, om Andy nu nog te halen, 't is wat moois!"

Zij vloog de keuken uit; toen tante terugkwam, was het juist

etenstijd.

"Ik hoop, dat er nu maar niet meer jam behoeft gemaakt te worden,"

zei ik. "Ik heb er zoo 'n hekel aan, en het is hier zoo heet."

"Het is heel goed voor kinderen, om te doen, wat ze niet graag doen,"

zei tante ernstig. "Het leven is je niet alleen gegeven, Grietje, om

het voor jezelf te hebben."

Ik voelde mij beschaamd, ook omdat wij een groote vacantie hebben, en

Lena en ik juist deze eerste twee weken niets aan de lessen doen.

Maar tante ging voort: "Ik vind het ook zoo pleizierig niet, Griet,

om in een heete keuken jam te maken, maar ik doe het, omdat het

gedaan moet worden."

Ik antwoordde: "Ik dacht, dat volwassen menschen alles prettig

vonden. Als zij niet willen, dan doen ze 't niet, niemand, die hen

beveelt."

"Het plichtsgevoel beveelt hen," zei tante. "Als je grooter wordt,

zul je soms bemerken, dat je gansche leven bestaat uit dingen,

waarvan je niet houdt, en die toch gedaan moeten worden."

Dat was wat nieuws voor me. Ik dacht altijd, dat volwassen menschen

alleen doen, wat ze prettig vinden. Misschien vindt tante Caroline 't

ook wel niet prettig, om altijd op ons te passen; wellicht zou ze

veel liever thuis zijn. Ik geloof, dat ik goed zou doen, haar beter

te helpen. Ik loop altoos weg, om te spelen, als zij wat van mij

verlangt. Ik denk, dat het bij het _doen_ behoort, om haar beter te

gaan helpen, en ik zal het ernstig gaan beproeven.

Den ganschen middag speelde ik cricket met de jongens. Zoowat 4 uur

verscheen Lena, met loshangend haar en angstige blikken. Zij riep

Daan toe: "Kom gauw, Andy is gewoon woest en ik vrees, dat Puf

verdrinken zal."

[Illustratie]

Wij vlogen allemaal met haar mee, terwijl zij, geheel buiten adem,

haar wedervaren vertelde.

Hortend en stootend kwam het er uit: "Ik wou met hem de sloot

doorrijden, juist bij de doorwaadbare plaats. Ik stuurde hem het

water in, maar toen, in plaats van recht door te stappen begon hij

rond te draaien, zoodat de kar ten slotte tegen een steen terecht

kwam. Toen was er geen beweging meer in te krijgen; uren lang heb ik

er mee getobd, en eindelijk ben ik uit de kar geklommen en ben door

het water gewaad. Ik trok mijn kousen en schoenen uit en beval Puf,

stil te blijven zitten, totdat ik terug kwam, en nu moeten we gauw

doorloopen en zien, hem eruit te krijgen."

Verschrikt riep ik uit: "Heb je Puf midden in de sloot laten staan?"

En Daan vroeg: "Waarom heb je niet dadelijk den eersten den besten

man, dien je tegenkwam, om hulp gevraagd?" "Ik kwam niemand tegen,"

zei Lena, "en bovendien was ik veel te bang, dat ze 't aan vader

zouden zeggen, daarom ben ik dadelijk hierheen gekomen."

[Illustratie]

Gelukkig was het niet ver weg, maar hoe Lena op 't idee was gekomen,

om de sloot door te gaan, daar begreep ik niets van. Ik zou het nooit

gewaagd hebben; had Daan nog pas niet verteld van een man, die daar

met z'n wagen verdronken was? Toen wij bij de rivier kwamen, was er

geen spoor van Puf meer te zien. Lena ging vreeselijk te keer en

jammerde: "Ze zijn allebei verdronken, en ik zal vermoord worden,

omdat het mijn schuld was!"

Wij gingen een beetje verderop een brug over; Daan begon te gelooven,

dat Andy weer was doorgeloopen en hier of daar heen gedraafd. Alex en

hij gingen toen plat op den grond liggen, net als detectives of

Indianen, om eenig spoor te ontdekken. "De wielen waren natuurlijk

nat, en moeten dus in het gras een spoor hebben gemaakt," zei Alex en

keek er heel geleerd bij. "Kijk, hier bij m'n hand is een heel nat

spoor!"

"Ja, en de grassprietjes zijn plat gereden," voegde Daan eraan toe;

"nu moeten we dat spoor volgen. Hadden we maar een bloedhond!"

Lena fleurde wat op. Wij volgden het spoor, maar het grasveld was

niet lang, en we waren spoedig bij een weg aangeland. We begonnen nu

een soort springpas te maken, dat is een manier van loopen, waarbij

je nooit moe wordt, omdat het je nooit buiten adem brengt. Maar wij

zagen, hoe nauwkeurig we ook tuurden, geen wielsporen. We kwamen nu

aan een hoogen weg, en wisten niet, wat nu te doen, verder of terug.

Maar daar stond een huisje vlak bij; fluks daarheen gerend, vroegen

we aan de vrouw, of ze ook een ezelkarretje gezien had met een

jongetje erin. Zij opende haar huisdeur, en daar zagen we Puf aan

tafel zitten, kalm aan 't oppeuzelen van een appel! Wat waren wij

blij! Andy had een plekje op haar grasveld gekregen. Zij vertelde

ons, dat zij het karretje had zien aankomen, en dat Puf zoo hard als

ie kon had geschreeuwd: Ho! Ho! Zij was naar buiten gevlogen, had de

zaak tot staan gebracht, Andy vastgebonden, en Puf, die huilde van

angst, in huis gehaald en tot bedaren gebracht. Natuurlijk was Andy,

zoodra Lena verdwenen was, er vandoor gegaan; het was maar een geluk,

dat Puf stil was blijven zitten.

Wij bedankten de vrouw vriendelijk, haalden Andy uit het grasveld en

reden tezamen naar huis terug. Vader bromde erg op Lena, dat zij zulk

een gevaarlijke poging had gewaagd. Zij zal zulke fratsen nu

voorloopig wel uit haar hoofd laten. Puf deed natuurlijk net, of ie

het heerlijk had gevonden. "Ik stuurde zelf, en we reden als een

sneltrein!" "Ja," zei Alex, "en je huilde van geweld!"

"Ik heb alleen gehuild, toen ik die vrouw zag," zei Puf, die nooit

verlegen is met een antwoord; "ik wist, dat ze ons zou tegenhouden,

daarom huilde ik."

"Jij mag niet liegen, Puf," kwam ik tusschenbeiden, "dat is niet "in

den vorm", behalve als je een boosdoener bent."

"Ik was zoo bang met Andy, en als ik bang ben dan huil ik altijd!"

verdedigde zich Puf. Hij moet altijd 't laatste woord hebben, en ik

zweeg dus maar.

Toen het mijn dag was, ben ik 's morgens om 10 uur al op rit gegaan.

Vlak bij ons hek vond ik een heel groot pak, waarop geschreven was:

"Wil zoo goed zijn, dit te bezorgen bij Mejuffrouw C. Londesburg te

Cross Clen." Het was heel leelijk en fout geschreven, en ik dacht

dus, het zal wel van een der dorpsbewoners zijn. Het was een

verbazend zwaar pak, en ik kon het haast niet in de kar tillen. Maar

ik was wat blij weer eens op 't Huis te mogen komen, want ik was er

sinds onzen wedstrijd niet weer geweest. Langzaam reed ik het dorp

door met mijn zware vracht. Toen juffrouw Ribbon mij zag, kwam ze

even aan het hek en zei:

"Beste Griet, wil je heusch vrachtrijdster worden? Kijk es, lieve, ik

heb aan de oude Suze Combe beloofd een zak steenkolen te sturen. Aan

het station zul je 't vinden; Tom moest al vroeg naar Lincoln en ik

heb het ook zoo druk, het goeje mensch heeft geen brand meer om haar

middagmaal gereed te maken."

"Goed, ik zal 't doen, ik zal 't dadelijk gaan halen."

Wat was vrouw Combe blij, toen ze me zag komen. Maar we konden geen

van beiden de zak uit het karretje krijgen; ze haalde de steenkolen

er dus bij beetjes uit, en dat kostte heel wat tijd. Terwijl wij nog

bezig waren, kwamen juist Clara en Betty in haar ponykarretje

voorbijrijden. Ze keken gek op, toen ik haar vertelde, waaraan ik

bezig was. "Ik ben vandaag vrachtrijdster," vertelde ik, "en ik heb

ook een vrachtje voor jelui!"

Dat vonden ze heerlijk. "Voor ons? O, zeg, laat es gauw kijken! Wat

eenig!" Zoodra vrouw Combe al haar steenkolen eruit had, klommen ze

op ons karretje en bekeken het pak van alle kanten. Wij maakten het

open in de kar, want het was ons te zwaar, om het er uit te lichten.

Toen het papier er af was, vonden we .... een ouden emmer vol

steenen! Clara was heel boos. En ik begreep dadelijk, dat het een

grap van de jongens was. Ik trachtte Clara dat aan 't verstand te

brengen, maar zij zei: "'t Zijn ruwe, leelijke jongens, ik zal 't

moeder eens vertellen."

Zij sprong weer van de kar af en ging naar Betty, om het haar te

vertellen. Deze lachte; zij kan beter tegen een grapje dan Clara, en

ik stelde haar voor, dat ze den jongens ook weer een pak moesten

zenden. Dat vonden ze beiden best, en beloofden, het per post te

zullen sturen. Wij haalden de steenen en den emmer uit de kar en

gooiden ze in een sloot. Ik reed fluks naar ons dorp terug,

nieuwsgierig of er nog iemand een boodschap voor me zou hebben. En

zie, daar zag ik kreupele Hanna, die onze kleeren verstelt en ook in

't koor zingt; zij stond bij haar hek, en keek naar mij, alsof ze mij

wat zeggen wou.

[Illustratie]

Wij en ons ezeltje · 第 16 / 29 题