We zijn deze week begonnen met het op beurten rijden met Andy.
Afgesproken is, dat we, als het onze beurt is, niet bepaald alleen
behoeven te gaan, we mogen ook wel anderen meenemen; maar wiens beurt
het is, die stuurt, daar gaat niets van af.
Maandagmorgen vóór 't ontbijt nog bevestigde ik mijn briefje aan
den mijlpaal. De jongens wisten er niets van, en bemerkten het pas 's
middags, toen er enkele menschen naar stonden te kijken; ze kwamen
naar huis en vroegen mij lachend: "Wou je de menschen op je rug
dragen, Griet? Dat lijkt wel zoo, want er staat op dat briefje niets
van Andy."
"Dat is mijn zaak," gaf ik ze terug, "als ze d'r verstand gebruiken,
zullen ze dat wel snappen." Het hinderde mij, dat ze me alweer
uitlachten, want ik was zoo echt in m'n schik met het plan van
personenvervoer per open équipage. Ook vader had mijn briefje
gelezen, en zei tot me: "Dat vind ik best, Grietje, je lijkt in dat
opzicht op je moeder. Ik ben er blij om, dat je er iets voor voelt,
om je genoegens te deelen met hen, die minder gelukkig zijn dan jij."
Daan bleef den heelen dag met Alex weg; zij hadden hun boterhammen
meegenomen, en kwamen laat thuis. Alex scheen zich bij dien rijtoer
door de omliggende dorpen zóó ingespannen te hebben, dat hij den
volgenden dag niet in staat was, zelf goed te sturen. Maar 's middags
knapte hij op en reed met Lena weg; ik merkte, dat zij wat in 't
schild voerden. Voor den armen Andy was 't een zware dag. Er stond
veel wind, en Alex nam twee groote vliegers mee, die Daan en hij den
vorigen winter gemaakt hadden.
[Illustratie]
Hij en Lena lieten de touwen geheel vieren en bonden de uiteinden elk
aan een kant van 't karretje. Zij reden het dorp uit, en trokken de
vliegers mee, die door den flinken gang mooi hoog stonden. Zoodra ze
echter een hoek omreden, rukten de vliegers een anderen kant op, dan
Andy trok. Lena vertelde mij later, dat ze gehoopt had, dat de
vliegers hen hadden voortgetrokken. Andy deed z'n best ze mee te
trekken, maar spoedig gaf hij het op, en bleef ineens koppig staan.
Een half uur lang trachtten ze hem vooruit te krijgen; Alex liet hem
keeren, en sleurde hem een eindje mee. Toen brak een vliegertouw en
een vlieger verdween als de wind; de ander kwam in een boom terecht
en bleef daar vast zitten; Alex klom in den boom, en kreeg hem zoo
terug. Vrij tijdig kwamen ze weer thuis. Daan vroeg Alex
belangstellend, waarom of ie zoo dom gedaan had. Hij had gedacht, dat
Alex de vliegers had willen gebruiken als zeilen op het karretje, dan
hadden ze dubbel zoo snel gereden. Maar Alex was boos op Andy en
mopperde: "Ik vind 'm niet half zoo aardig meer als eerst."
"Och kom," zei ik tot hem, "je moet er eerst eens gewoon mee gaan
rijden. Jij en Daan hebben zoo graag een ezel willen hebben, om je
naar school te brengen, maar daarvoor heb je hem nog niet één keer
gebruikt."
Alex keek zuur en zei: "Weet je waarom niet? Dat is het begin van
Daan's ruzie met Sausaye geweest. Toen Sausaye hoorde, dat wij een
ezel hadden, ging hij staan dansen en zong een spotliedje op vader.
Daan liep dadelijk op hem toe; hij hield niet op en kreeg toen een
opstopper van Daan. En als Daan 't niet had gedurfd, had ik het wel
even opgeknapt."
Ik keek hem aan en zei: "Was het wel goed om zoo te doen? Sausaye mag
z'n spotlust botvieren, maar de kinderen van iemand als vader moesten
dat niet zóó beantwoorden."
"Sta toch niet zoo mal te preeken," zei Alex, en toen ik nog wat
zeggen wou, stopte hij z'n vingers in z'n ooren en rende weg. Nu
begrijp ik, waarom de jongens niet met Andy naar school willen
rijden: ze zijn bang, dat ze uitgelachen zullen worden. Ik denk, dat
jongens daar banger voor zijn dan meisjes.
De dag van Lena's beurt eindigde niet best. Pas na den middag reed ze
uit, want we hadden tante Caroline geholpen met pruimen plukken voor
jam. Zij wil altoos de jam zelf maken. Wij wilden haar allen eerst
helpen, maar werden vrij moe; Lena werd stekelig, omdat zij niet
vóór 't middageten met Andy kon wegrijden. "Ik zal zien, dat ik Puf
mee krijg; ik heb het 'm ook beloofd."
"Zal ik ook meegaan?" vroeg ik.
"Neen, dank je, jij speelt toch maar den baas over mij. Hè, laten
we die akelige jam toch laten zitten, waarom doet de meid het niet?
Vader heeft tante geroepen, die zal dus zoo gauw wel niet terug
zijn."
"Je behoeft niet te wachten," zei ik; "ik zal tante wel helpen; de
meid moet de provisiekasten schoonmaken."
"Maar 't is veel te laat, om Andy nu nog te halen, 't is wat moois!"
Zij vloog de keuken uit; toen tante terugkwam, was het juist
etenstijd.
"Ik hoop, dat er nu maar niet meer jam behoeft gemaakt te worden,"
zei ik. "Ik heb er zoo 'n hekel aan, en het is hier zoo heet."
"Het is heel goed voor kinderen, om te doen, wat ze niet graag doen,"
zei tante ernstig. "Het leven is je niet alleen gegeven, Grietje, om
het voor jezelf te hebben."
Ik voelde mij beschaamd, ook omdat wij een groote vacantie hebben, en
Lena en ik juist deze eerste twee weken niets aan de lessen doen.
Maar tante ging voort: "Ik vind het ook zoo pleizierig niet, Griet,
om in een heete keuken jam te maken, maar ik doe het, omdat het
gedaan moet worden."
Ik antwoordde: "Ik dacht, dat volwassen menschen alles prettig
vonden. Als zij niet willen, dan doen ze 't niet, niemand, die hen
beveelt."
"Het plichtsgevoel beveelt hen," zei tante. "Als je grooter wordt,
zul je soms bemerken, dat je gansche leven bestaat uit dingen,
waarvan je niet houdt, en die toch gedaan moeten worden."
Dat was wat nieuws voor me. Ik dacht altijd, dat volwassen menschen
alleen doen, wat ze prettig vinden. Misschien vindt tante Caroline 't
ook wel niet prettig, om altijd op ons te passen; wellicht zou ze
veel liever thuis zijn. Ik geloof, dat ik goed zou doen, haar beter
te helpen. Ik loop altoos weg, om te spelen, als zij wat van mij
verlangt. Ik denk, dat het bij het _doen_ behoort, om haar beter te
gaan helpen, en ik zal het ernstig gaan beproeven.
Den ganschen middag speelde ik cricket met de jongens. Zoowat 4 uur
verscheen Lena, met loshangend haar en angstige blikken. Zij riep
Daan toe: "Kom gauw, Andy is gewoon woest en ik vrees, dat Puf
verdrinken zal."
[Illustratie]
Wij vlogen allemaal met haar mee, terwijl zij, geheel buiten adem,
haar wedervaren vertelde.
Hortend en stootend kwam het er uit: "Ik wou met hem de sloot
doorrijden, juist bij de doorwaadbare plaats. Ik stuurde hem het
water in, maar toen, in plaats van recht door te stappen begon hij
rond te draaien, zoodat de kar ten slotte tegen een steen terecht
kwam. Toen was er geen beweging meer in te krijgen; uren lang heb ik
er mee getobd, en eindelijk ben ik uit de kar geklommen en ben door
het water gewaad. Ik trok mijn kousen en schoenen uit en beval Puf,
stil te blijven zitten, totdat ik terug kwam, en nu moeten we gauw
doorloopen en zien, hem eruit te krijgen."
Verschrikt riep ik uit: "Heb je Puf midden in de sloot laten staan?"
En Daan vroeg: "Waarom heb je niet dadelijk den eersten den besten
man, dien je tegenkwam, om hulp gevraagd?" "Ik kwam niemand tegen,"
zei Lena, "en bovendien was ik veel te bang, dat ze 't aan vader
zouden zeggen, daarom ben ik dadelijk hierheen gekomen."
[Illustratie]
Gelukkig was het niet ver weg, maar hoe Lena op 't idee was gekomen,
om de sloot door te gaan, daar begreep ik niets van. Ik zou het nooit
gewaagd hebben; had Daan nog pas niet verteld van een man, die daar
met z'n wagen verdronken was? Toen wij bij de rivier kwamen, was er
geen spoor van Puf meer te zien. Lena ging vreeselijk te keer en
jammerde: "Ze zijn allebei verdronken, en ik zal vermoord worden,
omdat het mijn schuld was!"
Wij gingen een beetje verderop een brug over; Daan begon te gelooven,
dat Andy weer was doorgeloopen en hier of daar heen gedraafd. Alex en
hij gingen toen plat op den grond liggen, net als detectives of
Indianen, om eenig spoor te ontdekken. "De wielen waren natuurlijk
nat, en moeten dus in het gras een spoor hebben gemaakt," zei Alex en
keek er heel geleerd bij. "Kijk, hier bij m'n hand is een heel nat
spoor!"
"Ja, en de grassprietjes zijn plat gereden," voegde Daan eraan toe;
"nu moeten we dat spoor volgen. Hadden we maar een bloedhond!"
Lena fleurde wat op. Wij volgden het spoor, maar het grasveld was
niet lang, en we waren spoedig bij een weg aangeland. We begonnen nu
een soort springpas te maken, dat is een manier van loopen, waarbij
je nooit moe wordt, omdat het je nooit buiten adem brengt. Maar wij
zagen, hoe nauwkeurig we ook tuurden, geen wielsporen. We kwamen nu
aan een hoogen weg, en wisten niet, wat nu te doen, verder of terug.
Maar daar stond een huisje vlak bij; fluks daarheen gerend, vroegen
we aan de vrouw, of ze ook een ezelkarretje gezien had met een
jongetje erin. Zij opende haar huisdeur, en daar zagen we Puf aan
tafel zitten, kalm aan 't oppeuzelen van een appel! Wat waren wij
blij! Andy had een plekje op haar grasveld gekregen. Zij vertelde
ons, dat zij het karretje had zien aankomen, en dat Puf zoo hard als
ie kon had geschreeuwd: Ho! Ho! Zij was naar buiten gevlogen, had de
zaak tot staan gebracht, Andy vastgebonden, en Puf, die huilde van
angst, in huis gehaald en tot bedaren gebracht. Natuurlijk was Andy,
zoodra Lena verdwenen was, er vandoor gegaan; het was maar een geluk,
dat Puf stil was blijven zitten.
Wij bedankten de vrouw vriendelijk, haalden Andy uit het grasveld en
reden tezamen naar huis terug. Vader bromde erg op Lena, dat zij zulk
een gevaarlijke poging had gewaagd. Zij zal zulke fratsen nu
voorloopig wel uit haar hoofd laten. Puf deed natuurlijk net, of ie
het heerlijk had gevonden. "Ik stuurde zelf, en we reden als een
sneltrein!" "Ja," zei Alex, "en je huilde van geweld!"
"Ik heb alleen gehuild, toen ik die vrouw zag," zei Puf, die nooit
verlegen is met een antwoord; "ik wist, dat ze ons zou tegenhouden,
daarom huilde ik."
"Jij mag niet liegen, Puf," kwam ik tusschenbeiden, "dat is niet "in
den vorm", behalve als je een boosdoener bent."
"Ik was zoo bang met Andy, en als ik bang ben dan huil ik altijd!"
verdedigde zich Puf. Hij moet altijd 't laatste woord hebben, en ik
zweeg dus maar.
Toen het mijn dag was, ben ik 's morgens om 10 uur al op rit gegaan.
Vlak bij ons hek vond ik een heel groot pak, waarop geschreven was:
"Wil zoo goed zijn, dit te bezorgen bij Mejuffrouw C. Londesburg te
Cross Clen." Het was heel leelijk en fout geschreven, en ik dacht
dus, het zal wel van een der dorpsbewoners zijn. Het was een
verbazend zwaar pak, en ik kon het haast niet in de kar tillen. Maar
ik was wat blij weer eens op 't Huis te mogen komen, want ik was er
sinds onzen wedstrijd niet weer geweest. Langzaam reed ik het dorp
door met mijn zware vracht. Toen juffrouw Ribbon mij zag, kwam ze
even aan het hek en zei:
"Beste Griet, wil je heusch vrachtrijdster worden? Kijk es, lieve, ik
heb aan de oude Suze Combe beloofd een zak steenkolen te sturen. Aan
het station zul je 't vinden; Tom moest al vroeg naar Lincoln en ik
heb het ook zoo druk, het goeje mensch heeft geen brand meer om haar
middagmaal gereed te maken."
"Goed, ik zal 't doen, ik zal 't dadelijk gaan halen."
Wat was vrouw Combe blij, toen ze me zag komen. Maar we konden geen
van beiden de zak uit het karretje krijgen; ze haalde de steenkolen
er dus bij beetjes uit, en dat kostte heel wat tijd. Terwijl wij nog
bezig waren, kwamen juist Clara en Betty in haar ponykarretje
voorbijrijden. Ze keken gek op, toen ik haar vertelde, waaraan ik
bezig was. "Ik ben vandaag vrachtrijdster," vertelde ik, "en ik heb
ook een vrachtje voor jelui!"
Dat vonden ze heerlijk. "Voor ons? O, zeg, laat es gauw kijken! Wat
eenig!" Zoodra vrouw Combe al haar steenkolen eruit had, klommen ze
op ons karretje en bekeken het pak van alle kanten. Wij maakten het
open in de kar, want het was ons te zwaar, om het er uit te lichten.
Toen het papier er af was, vonden we .... een ouden emmer vol
steenen! Clara was heel boos. En ik begreep dadelijk, dat het een
grap van de jongens was. Ik trachtte Clara dat aan 't verstand te
brengen, maar zij zei: "'t Zijn ruwe, leelijke jongens, ik zal 't
moeder eens vertellen."
Zij sprong weer van de kar af en ging naar Betty, om het haar te
vertellen. Deze lachte; zij kan beter tegen een grapje dan Clara, en
ik stelde haar voor, dat ze den jongens ook weer een pak moesten
zenden. Dat vonden ze beiden best, en beloofden, het per post te
zullen sturen. Wij haalden de steenen en den emmer uit de kar en
gooiden ze in een sloot. Ik reed fluks naar ons dorp terug,
nieuwsgierig of er nog iemand een boodschap voor me zou hebben. En
zie, daar zag ik kreupele Hanna, die onze kleeren verstelt en ook in
't koor zingt; zij stond bij haar hek, en keek naar mij, alsof ze mij
wat zeggen wou.
[Illustratie]