Ik zag er erg tegen op, om Daan's Zondagsschoolklas te gaan
onderwijzen, maar tante ried mij aan, om den Bijbel te nemen. Ik las
de geschiedenis van Samuel over, totdat ik ze van buiten kende, en
den volgenden morgen ging ik met tante naar het lokaal, mij gelukkig
voelende in het besef, dat het nu eindelijk aan _gaan_ was
toegekomen.
[Illustratie]
Mijn klas bestond uit 4 jongens en 3 meisjes, geen ouder dan 6 jaar.
Zij riekten erg naar zeep en pomade, en hun gezichten glommen van 't
wasschen. Een van de jongens, Freddy Salt, kon of wou niet
stilzitten, en de drie meisjes hadden daar zooveel belangstelling
voor, dat zij niet eens naar mij luisterden. Eerst probeerde Freddy
een vlieg te vangen, en toen ie 'm had, werd het diertje van hand tot
hand doorgegeven. D'r was geen orde in te krijgen, en ik zei
eindelijk boos tegen 'm: "Freddy, als je niet stil kunt zitten, zal
ik je als een popje op mijn schoot nemen."
Hij staarde me angstig aan, eindigde met z'n vliegenjacht, en bleef
verder rustig zitten. Ik vertelde de geschiedenis van Samuel en
merkte op, dat God van ons allen gehoorzame dienstknechten wil maken.
Eensklaps zei een jongen, Bertie geheeten: "Ik hoor God nooit roepen,
als ik in bed lig." "Neen," antwoordde ik, "maar als je iets
verkeerds van plan bent, dan spreekt Hij in je hart, dat je 't niet
doen moogt." Ze schenen dit te begrijpen, en toen zei er een: "God
kan ons niet iets zeggen, Hij is veel te ver weg." Ik vertelde hun
toen, hoe dichtbij Hij was, en hoe lief Hij ons heeft, zoodat we,
niet uit vrees voor straf, maar alleen om Hem te believen, ons best
moeten doen. Maar ik weet niet, of ze 't begrepen; voor hen was de
eenige reden, om gehoorzaam te zijn, gelegen in de vrees voor straf.
Hoofdschuddend zei een der meisjes: "Ik heb Jezus altijd lief. Als ik
zoet ben evengoed als wanneer ik stout ben."
"Je kunt Hem niet liefhebben, als je verkeerd doet," antwoordde ik.
"Je doet Jezus verdriet aan, als je ongehoorzaam bent." Ze herhaalde:
"Dan heb ik Hem evengoed lief." Ik gevoelde, dat ik het haar niet
goed duidelijk had gemaakt.
Toen de les ten einde was, ging ik vermoeid en ook dankbaar, dat ik
er doorheen was gekomen, naar huis. Na kerktijd vertelde ik vader een
en ander, en zei hem, dat het verbazend moeilijk was, om kleine
kinderen te leeren. Hij vroeg mij, wat we besproken hadden, en toen
ik het hem verteld had, zei hij: "Denk eens aan de gelijkenis, Griet;
het uitgezaaide zaad komt na vele dagen op. Vertel den kleintjes van
hun Verlosser, Die voor hen stierf en Die nu zoo dicht nabij hen
leeft, dat Hij ze elk uur van den dag zal helpen. Als je hart vol is
van Hem, kind, zal het je gemakkelijk vallen, anderen van Hem te
vertellen."
"Maar," zei ik, "mijn hart is zoo vol van allerlei andere dingen, en
ik weet niet, wat ik er aan doen moet."
"Heb je den Heere lief?"
"O, ik hoop van wel, en ik geloof ook van wel, maar ik doe zoo vaak,
wat verkeerd is."
"Zie niet altoos op jezelf, maar zie op Hem!"
Meer zei vader niet. Met de jongens had ik toen nog een gesprek over
het trouw blijven ... in het ezelkarretje. 't Was gisteravond, toen
we na de thee een ritje gingen maken. Daan stuurde en Puf zat naast
hem op het voorbankje; Lena, Alex en ik waren achterin gekropen.
't Was een heerlijke tocht; overal keken de lui ons na om de nieuwe
équipage van den dominee te zien. Zoodra we buiten de huizen waren,
begon het gesprek, eerst over Andy.
"Ik zou wel es willen weten, of ie ons nu al kent," zei Lena. "Hij
zou wel een ezel moeten zijn, als ie dat nu nog niet wist," vond Alex
en wij lachten dat we schaterden!
"'t Is een ezel," zei ik, "dat is 't 'm juist, als 't een hond was,
zou ie wel slimmer wezen."
"Ja maar alle honden zijn niet slim," zei Daan.
"Maar ze zijn trouw," merkte ik op. "Je hoort altijd van trouwe
honden, nooit van trouwe ezels."
"Wat beteekent dat eigenlijk, trouw?" vroeg Lena.
"Ik denk," antwoordde ik, "dat trouw beteekent: altoos dezelfde zijn
en nimmer veranderen. Houdt je eenmaal van iemand, dan ook voorgoed."
"Een trouw ridder," zei Daan, "is iemand, die nooit z'n vrouw in den
steek laat, zij is altijd zeker van hem."
"En wat is dan een trouwe dienstknecht?" vroeg Lena. "Iemand, die
nooit z'n werk in den steek laat," antwoordde Daan.
"Ik geloof niet, dat je trouw kunt zijn zonder lief te hebben,"
merkte ik op.
"Juist, dat is de zaak," zei Alex. "Als een hond z'n baas niet
liefheeft, kan hij ook niet trouw zijn. Evenmin kan een dienstbode
trouw zijn, als ze niet van haar meesteres houdt. Dat moet altoos
samengaan."
"Semper fidelis," fluisterde ik.
"Doe nou niet, alsof je Latijn kent, Griet; je hebt dat gelezen op de
graftombe in de kerk."
"Ja, dat is ook zoo. Maar wat is het ook moeilijk, om zóó trouw te
zijn, en altoos zóó lief te hebben, als die ridder."
"Och," zei Daan, "ik geloof, dat als je werkelijk iemand lief hebt,
dan doe je dat zonder erbij te denken, net als een hond."
Hier brak Puf eensklaps de debatten af, door met uitgelatenheid af te
kondigen, dat ie een heerlijken verjaardag tegemoet zag, en dan een
completen ezel zou krijgen. Want -- zei hij -- van dezen heb ik maar
een stukje. Waaraan Daan toevoegde:
"Hij heeft er een vijfde van. Maar vertel ons es, Puf Dikkert, wie
zal je d'r een geven?"
"De Heer," zei Puf, terwijl hij hoogst ernstig keek. "Het zal geheel
m'n eigen ezel zijn en ik zal 'm zóó voeden, dat ie dikker wordt
dan ons huis." Op dit oogenblik reden we een oude vrouw voorbij, die
een bos takken op haar rug meevoerde.
[Illustratie]
"Hé!" riep Daan, "moet je nog ver? Willen wij je vrachtje
overnemen?"
Zij wou dat wàt graag, en overlaadde ons met dankbetuigingen. Ze
zei, dat haar hut nog een heel eind verder stond; zij had hout
gesprokkeld. Daan beloofde haar, dat we den bos bij haar voor de deur
zouden neerleggen, en toen reden we door.
"Toen ik dien dag, dat jelui naar het schoolfeest waren, naar Relton
reed," vertelde Daan, "bood ik iedereen, dien ik voorbijreed, een
plaatsje in de kar aan, en zoo had ik twee oude vrouwen en een jongen
aan boord, toen ik in 't dorp kwam."
"Dat zullen we nu weer zoo doen," riep Alex geestdriftig uit.
"Ja maar, we hebben geen plaats meer," merkte ik op. "We zitten hier
als haring in een ton."
"Dan moeten jelui d'r maar uitgaan, en loopen," vond Daan. "Hè, als
we es een rijtuig tegenkwamen, dat niet meer voort kon, of een
verongelukte auto met een dame er in, die de handen wrong om redding,
dàt zou nog es "in den vorm" zijn."
Maar zulke ontmoetingen hadden we niet, en we kwamen zonder eenig
avontuur thuis. Daar ging ik over denken. Het was heel leuk, om uit
rijden te gaan in een ezelkarretje, maar daar deed je toch nog maar
weinig goeds mee. Toen we langs den mijlpaal reden, waaraan we onze
advertenties geplakt hadden, zei ik: "Hoor es! Als onze vacantie
begint, moeten we om beurten den ezel sturen. Ik kan dat evengoed als
jij, Daan. Ik zou zeggen, minstens één keer per week moest ik 'm
hebben."
"Wel," zei Daan, "d'r zijn zes dagen in een week, den Zondag erbuiten
gerekend. Als wij nu ieder een dag nemen, blijven er nog twee voor
vader en tante en Puf." Dat was heel aardig berekend van Daan. En
Alex voegde erbij: "En dan zullen we de beurten naar ouderdom
regelen. Daan op Maandag, ik op Dinsdag, Griet op Woensdag en Lena op
Donderdag."
Het plan werd algemeen toegejuicht.
Inmiddels had ik een plannetje bedacht, dat de jongens niet weten
mogen. Het is dit. Ik heb een briefje geschreven, en dat wil ik aan
den mijlpaal plakken; er staat op:
"Iedereen, die zelf of voor anderen vrij vervoer wenscht, vervoege
zich bij Grietje Marjoribanks, elken Woensdagmorgen aan de pastorie."
Aan Lena vertelde ik het dien avond nog. "Je lijkt wel koetsier te
willen worden," zei ze, "ik heb liever zelf het genot er van."
"Neen," zei ik, "vader zegt, dat z'n tijd en z'n kracht altoos ter
beschikking van de gemeenteleden staan. En dat moet Andy nu ook. Hij
moet een echte gemeente-ezel worden, en dan zal ik 'm zelf besturen."
"Ik zal er eens over denken, wat ik met 'm doen zal," zei Lena. Daar
heb ik geen al te beste verwachtingen van.
Het scheen wel of de vacantie nooit komen zou. En toen ze eindelijk
aanbrak, had Daan al menige oefening met Andy achter den rug; 't
ezeltje was voor 1 Augustus al goed gewend, den weg langs te rennen.
Men vond, dat het dier bovendien nog op diëet moest, om z'n gewicht
te verminderen. Nu is 't waar, Andy wordt erg dik, want hij eet den
ganschen lieven dag maar gras, behalve dan, als ie met ons uit moet.
Maar wat moesten we hem geven? Haver kost veel geld. Lena vond
bouillon heel geschikt, maar bouillon is ook duur, en zoo is ten
slotte alles, wat versterkt. Andy loopt uitstekend en heeft geen
kuren, behalve deze, dat ie zoo nu en dan plotseling stilstaat, om
dan na een of twee minuten weer door te draven. Ik heb gezegd, dat
hij dat doet, om even uit te rusten en op krachten te komen. Daan
meent, dat ie dan even staat te denken. En Alex denkt, dat ie dat
doet, om ons te toonen, dat ie een eigen wil heeft, en dien op z'n
tijd wenscht te gebruiken.
Intusschen waren Lena en ik druk bezig met het vlechten van
laurierkransen en het bijeenzoeken van bloemen om ons karretje te
versieren.
Den dag voor 1 Augustus waren we van 's morgens vroeg tot 's avonds
laat in de weer; wij hadden rosetten van fel-roode geraniums gemaakt,
om die aan Andy's oogkleppen te hechten; dan hadden we varenkruid en
madeliefjes langs de buitenzijde van het karretje gehangen en verder
nog slingers van madeliefjes om den disselboom gestrengeld. Baldwin
wilde niet toestaan, dat we de mooiste bloemen plukten, maar we
hebben toch, toen hij even weg was, eenige fijne bloempjes om de
zweep weten te vlechten. Ik heb al zoo vaak mee helpen versieren in
de kerk, dat ik de goede soorten wel wist te kiezen, tot groote
tevredenheid dan ook van de jongens, die op dit gebied toch maar
weinig te vertellen hebben.
[Illustratie]
Om half één zaten we al aan ons middageten. We kleedden ons allen
op z'n Zondagsch, en wisten Baldwin nog enkele mooie rozen af te
bedelen, die we om onze hoeden vlochten. Toen we uitreden, liep het
halve dorp uit, om ons bloemenrijtuig te zien; ze vonden het allemaal
even prachtig. Ik hoorde nog, dat een vrouw tegen haar buurvrouw zei:
"Wat beleven we toch wondere tijden, mensch! Wie had dat nou ooit
kunnen denken, hè? Altijd bedenken ze maar weer wat nieuws."
Met groot gejuich reden we het dorp door, en toen het veld in, een
prachtig ruim en effen veld, terzijde waarvan onder een boom Kapitein
Rogers in z'n mandewagentje al zat te wachten. Toen hij en zijn vrouw
ons zagen naderen, herkenden ze ons nauwelijks, zóó was ons
karretje veranderd door de bloemen.
Na vijf minuten kwamen ook Betty en Clara aangereden, en toen zaten
we al voor de eerste moeilijkheid. Zij dachten er niet aan, Alex als
koetsier bij zich te nemen, wilden bepaald zelf sturen. Alex was er
leelijk door in z'n wiek geschoten; gelukkig had kapitein Rogers een
goeden inval. Hij rees moeilijk uit z'n wagentje op, en liet zich met
behulp van Mevr. Rogers in z'n badstoel neer; toen zei hij tegen
Alex, dat hij op de boerderij den pony mocht gaan halen, dien voor
het wagentje spannen, en dan daarmee deelnemen aan den wedstrijd. Wij
juichten van blijdschap, want nu hadden we drie mededingers. Er werd
nu afgesproken, dat Daan en ik in ons karretje zouden plaats nemen,
Alex en Lena in het mandewagentje van den kapitein -- er was net
genoeg plaats voor twee -- en Puf wezen we een plaats aan als
controleur bij het eindpunt. Dat beviel 'm slecht; hij begon hard te
huilen, en jammerde, dat hij het ezeltje had gekregen, en dat hij er
mee wilde rijden. Daan zeide hem, dat hij de gansche onderneming in
de war bracht, maar Puf bleef te keer gaan, en we konden zoo niet
beginnen. Ik stelde hem ten slotte voor, met Daan te gaan, inplaats
van mij, want het was toch ook wel hard, hem alleen te laten staan.
En Daan was dat voorstel al heel welkom, want hij had liever het
lichte gewicht van Puf, dan mijn gewichtigheid. Mevr. Rogers vroeg
mij nog, of ik het niet akelig vond, maar ik zei haar van niet, want
ik kreeg nu de gelegenheid, de drie mededingers bij den eindpaal te
zien aankomen.
[Illustratie]
"Ik ben niet zoo kinderachtig, om te gaan huilen, als ik niet mee mag
rijden," zei ik, terwijl ik Pufs tranen van z'n bolle wangen veegde.
Hij was spoedig weer in z'n hum en klom zoo vlug als ie kon, in ons
karretje. Betty vond ons wagentje heel lief. Zuchtend zei ze: "Ik
wou, dat Clara en ik ook zulke aardige ideetjes hadden. Maar als
jelui d'r niet bij zijn, voelen we ons lang niet zoo pleizierig."
Ik keek naar haar keurig rijtuigje met de blauwe kussens, naar het
nikkelen beslag van het paardetuig, naar den prachtigen pony, en
schudde het hoofd. "Jawel," zei ik, "maar wij moeten onze armoede
achter bloemen verbergen, en dat behoeven jelui niet." Ze lachten
luid en vonden ook, dat dàt het wel zou wezen.
Kapitein Rogers had den weg bepaald; een boerenknecht had hij hier en
daar steenen laten opstellen, en toen onze kibbelpartij was
beëindigd, stelde hij ons op een rij naast elkaar op. Hij had ook
een echt pistool bij zich, om het vertreksein te geven. 't Was eenig!
Tweemaal moest het veld worden rondgereden, en toen ik bij het
eindpunt gereed stond, leek het mij nog wel zoo aardig buiten dan in
de wagentjes. Eerst scheen het, of Betty en Clara 't zouden winnen,
maar langzamerhand begon Daan ze in te halen, en toen Andy ze achter
zich liet, gaf ik een schreeuw van vreugde. In de tweede rondte begon
de pony met het mandewagentje, die eerst een heel eind achter was
geweest, steeds harder te rennen, en haalde eindelijk Daan in. Maar
Daan begon Andy zóó onbarmhartig te slaan, dat zij een tijdlang
gelijkop reden.
[Illustratie]
Zelfs haalde hij den pony weer in, en ik dacht werkelijk, dat hij 't
nog zou winnen, toen Andy, dicht bij het eindpunt plotseling
stilhield, en zóó hardnekkig, dat er geen beweging meer in te
krijgen was.
Daan schreeuwde en sloeg er op los, maar Andy bleef staan, koppig en
tot geen toegeven geneigd. 't Was verschrikkelijk, ik schreide haast.
Al spoedig kwamen Alex en Lena aanrijden, en precies gelijk met Clara
en Betty reden ze het eindpunt binnen. Zij wonnen dus beiden, en niet
zoodra hoorde Andy hen hoerah! roepen, of hij zette eensklaps weer
aan, en draafde naar het eindpunt, maar natuurlijk te laat nu.
Wat waren we boos op 'm! Behalve natuurlijk Alex en Lena, die 't nu
gewonnen hadden; zij schenen wel heelemaal te vergeten, dat het ook
hun ezel was, die verloren had. Mevr. Rogers wist niet, wie ze nu den
lauwerkrans moest geven, en dus stelde de kapitein voor, dat de twee
pony's nog eens tegen elkaar moesten draven; ditmaal echter maar een
kleineren afstand. De pony van de boerderij won het nu gemakkelijk.
En zoo kreeg Lena den lauwerkrans. Ze was er zóó verheerlijkt mee,
dat ze haar hoed afwierp en den krans op haar hoofd zette.
Na afloop van den wedstrijd zochten we allen een rustig plekje aan de
rivier, en bepraatten daar nog eens druk de gebeurtenissen van den
heerlijken middag. Er werd een vuurtje gemaakt, en thee gezet, en
rondom 't vuurtje gezeten, konden we ons heel wel verbeelden, in een
zigeunerkamp te zijn aangeland.
Vervolgens werden allerlei spelletjes gedaan, vooral ook die, waarbij
we konden blijven zitten, omdat Betty nog niet vlug loopen kon. 't
Speet ons, toen we naar huis moesten. Naast elkaar reden wij, te
weten Clara en Betty in haar, en wij allen in ons wagentje, naar
huis.
Eigenlijk waren we allemaal ook nog 'n klein beetje uit ons humeur;
Clara en Betty, omdat ze 't niet gewonnen hadden; Daan en ik, omdat
Andy ons door z'n malle kuren had doen verliezen. Kapitein Rogers
zei, dat je zooiets nu eenmaal van een ezel moet verwachten, daar
zijn 't ezels voor.
------