HOOFDSTUK X.

Ik zag er erg tegen op, om Daan's Zondagsschoolklas te gaan

onderwijzen, maar tante ried mij aan, om den Bijbel te nemen. Ik las

de geschiedenis van Samuel over, totdat ik ze van buiten kende, en

den volgenden morgen ging ik met tante naar het lokaal, mij gelukkig

voelende in het besef, dat het nu eindelijk aan _gaan_ was

toegekomen.

[Illustratie]

Mijn klas bestond uit 4 jongens en 3 meisjes, geen ouder dan 6 jaar.

Zij riekten erg naar zeep en pomade, en hun gezichten glommen van 't

wasschen. Een van de jongens, Freddy Salt, kon of wou niet

stilzitten, en de drie meisjes hadden daar zooveel belangstelling

voor, dat zij niet eens naar mij luisterden. Eerst probeerde Freddy

een vlieg te vangen, en toen ie 'm had, werd het diertje van hand tot

hand doorgegeven. D'r was geen orde in te krijgen, en ik zei

eindelijk boos tegen 'm: "Freddy, als je niet stil kunt zitten, zal

ik je als een popje op mijn schoot nemen."

Hij staarde me angstig aan, eindigde met z'n vliegenjacht, en bleef

verder rustig zitten. Ik vertelde de geschiedenis van Samuel en

merkte op, dat God van ons allen gehoorzame dienstknechten wil maken.

Eensklaps zei een jongen, Bertie geheeten: "Ik hoor God nooit roepen,

als ik in bed lig." "Neen," antwoordde ik, "maar als je iets

verkeerds van plan bent, dan spreekt Hij in je hart, dat je 't niet

doen moogt." Ze schenen dit te begrijpen, en toen zei er een: "God

kan ons niet iets zeggen, Hij is veel te ver weg." Ik vertelde hun

toen, hoe dichtbij Hij was, en hoe lief Hij ons heeft, zoodat we,

niet uit vrees voor straf, maar alleen om Hem te believen, ons best

moeten doen. Maar ik weet niet, of ze 't begrepen; voor hen was de

eenige reden, om gehoorzaam te zijn, gelegen in de vrees voor straf.

Hoofdschuddend zei een der meisjes: "Ik heb Jezus altijd lief. Als ik

zoet ben evengoed als wanneer ik stout ben."

"Je kunt Hem niet liefhebben, als je verkeerd doet," antwoordde ik.

"Je doet Jezus verdriet aan, als je ongehoorzaam bent." Ze herhaalde:

"Dan heb ik Hem evengoed lief." Ik gevoelde, dat ik het haar niet

goed duidelijk had gemaakt.

Toen de les ten einde was, ging ik vermoeid en ook dankbaar, dat ik

er doorheen was gekomen, naar huis. Na kerktijd vertelde ik vader een

en ander, en zei hem, dat het verbazend moeilijk was, om kleine

kinderen te leeren. Hij vroeg mij, wat we besproken hadden, en toen

ik het hem verteld had, zei hij: "Denk eens aan de gelijkenis, Griet;

het uitgezaaide zaad komt na vele dagen op. Vertel den kleintjes van

hun Verlosser, Die voor hen stierf en Die nu zoo dicht nabij hen

leeft, dat Hij ze elk uur van den dag zal helpen. Als je hart vol is

van Hem, kind, zal het je gemakkelijk vallen, anderen van Hem te

vertellen."

"Maar," zei ik, "mijn hart is zoo vol van allerlei andere dingen, en

ik weet niet, wat ik er aan doen moet."

"Heb je den Heere lief?"

"O, ik hoop van wel, en ik geloof ook van wel, maar ik doe zoo vaak,

wat verkeerd is."

"Zie niet altoos op jezelf, maar zie op Hem!"

Meer zei vader niet. Met de jongens had ik toen nog een gesprek over

het trouw blijven ... in het ezelkarretje. 't Was gisteravond, toen

we na de thee een ritje gingen maken. Daan stuurde en Puf zat naast

hem op het voorbankje; Lena, Alex en ik waren achterin gekropen.

't Was een heerlijke tocht; overal keken de lui ons na om de nieuwe

équipage van den dominee te zien. Zoodra we buiten de huizen waren,

begon het gesprek, eerst over Andy.

"Ik zou wel es willen weten, of ie ons nu al kent," zei Lena. "Hij

zou wel een ezel moeten zijn, als ie dat nu nog niet wist," vond Alex

en wij lachten dat we schaterden!

"'t Is een ezel," zei ik, "dat is 't 'm juist, als 't een hond was,

zou ie wel slimmer wezen."

"Ja maar alle honden zijn niet slim," zei Daan.

"Maar ze zijn trouw," merkte ik op. "Je hoort altijd van trouwe

honden, nooit van trouwe ezels."

"Wat beteekent dat eigenlijk, trouw?" vroeg Lena.

"Ik denk," antwoordde ik, "dat trouw beteekent: altoos dezelfde zijn

en nimmer veranderen. Houdt je eenmaal van iemand, dan ook voorgoed."

"Een trouw ridder," zei Daan, "is iemand, die nooit z'n vrouw in den

steek laat, zij is altijd zeker van hem."

"En wat is dan een trouwe dienstknecht?" vroeg Lena. "Iemand, die

nooit z'n werk in den steek laat," antwoordde Daan.

"Ik geloof niet, dat je trouw kunt zijn zonder lief te hebben,"

merkte ik op.

"Juist, dat is de zaak," zei Alex. "Als een hond z'n baas niet

liefheeft, kan hij ook niet trouw zijn. Evenmin kan een dienstbode

trouw zijn, als ze niet van haar meesteres houdt. Dat moet altoos

samengaan."

"Semper fidelis," fluisterde ik.

"Doe nou niet, alsof je Latijn kent, Griet; je hebt dat gelezen op de

graftombe in de kerk."

"Ja, dat is ook zoo. Maar wat is het ook moeilijk, om zóó trouw te

zijn, en altoos zóó lief te hebben, als die ridder."

"Och," zei Daan, "ik geloof, dat als je werkelijk iemand lief hebt,

dan doe je dat zonder erbij te denken, net als een hond."

Hier brak Puf eensklaps de debatten af, door met uitgelatenheid af te

kondigen, dat ie een heerlijken verjaardag tegemoet zag, en dan een

completen ezel zou krijgen. Want -- zei hij -- van dezen heb ik maar

een stukje. Waaraan Daan toevoegde:

"Hij heeft er een vijfde van. Maar vertel ons es, Puf Dikkert, wie

zal je d'r een geven?"

"De Heer," zei Puf, terwijl hij hoogst ernstig keek. "Het zal geheel

m'n eigen ezel zijn en ik zal 'm zóó voeden, dat ie dikker wordt

dan ons huis." Op dit oogenblik reden we een oude vrouw voorbij, die

een bos takken op haar rug meevoerde.

[Illustratie]

"Hé!" riep Daan, "moet je nog ver? Willen wij je vrachtje

overnemen?"

Zij wou dat wàt graag, en overlaadde ons met dankbetuigingen. Ze

zei, dat haar hut nog een heel eind verder stond; zij had hout

gesprokkeld. Daan beloofde haar, dat we den bos bij haar voor de deur

zouden neerleggen, en toen reden we door.

"Toen ik dien dag, dat jelui naar het schoolfeest waren, naar Relton

reed," vertelde Daan, "bood ik iedereen, dien ik voorbijreed, een

plaatsje in de kar aan, en zoo had ik twee oude vrouwen en een jongen

aan boord, toen ik in 't dorp kwam."

"Dat zullen we nu weer zoo doen," riep Alex geestdriftig uit.

"Ja maar, we hebben geen plaats meer," merkte ik op. "We zitten hier

als haring in een ton."

"Dan moeten jelui d'r maar uitgaan, en loopen," vond Daan. "Hè, als

we es een rijtuig tegenkwamen, dat niet meer voort kon, of een

verongelukte auto met een dame er in, die de handen wrong om redding,

dàt zou nog es "in den vorm" zijn."

Maar zulke ontmoetingen hadden we niet, en we kwamen zonder eenig

avontuur thuis. Daar ging ik over denken. Het was heel leuk, om uit

rijden te gaan in een ezelkarretje, maar daar deed je toch nog maar

weinig goeds mee. Toen we langs den mijlpaal reden, waaraan we onze

advertenties geplakt hadden, zei ik: "Hoor es! Als onze vacantie

begint, moeten we om beurten den ezel sturen. Ik kan dat evengoed als

jij, Daan. Ik zou zeggen, minstens één keer per week moest ik 'm

hebben."

"Wel," zei Daan, "d'r zijn zes dagen in een week, den Zondag erbuiten

gerekend. Als wij nu ieder een dag nemen, blijven er nog twee voor

vader en tante en Puf." Dat was heel aardig berekend van Daan. En

Alex voegde erbij: "En dan zullen we de beurten naar ouderdom

regelen. Daan op Maandag, ik op Dinsdag, Griet op Woensdag en Lena op

Donderdag."

Het plan werd algemeen toegejuicht.

Inmiddels had ik een plannetje bedacht, dat de jongens niet weten

mogen. Het is dit. Ik heb een briefje geschreven, en dat wil ik aan

den mijlpaal plakken; er staat op:

"Iedereen, die zelf of voor anderen vrij vervoer wenscht, vervoege

zich bij Grietje Marjoribanks, elken Woensdagmorgen aan de pastorie."

Aan Lena vertelde ik het dien avond nog. "Je lijkt wel koetsier te

willen worden," zei ze, "ik heb liever zelf het genot er van."

"Neen," zei ik, "vader zegt, dat z'n tijd en z'n kracht altoos ter

beschikking van de gemeenteleden staan. En dat moet Andy nu ook. Hij

moet een echte gemeente-ezel worden, en dan zal ik 'm zelf besturen."

"Ik zal er eens over denken, wat ik met 'm doen zal," zei Lena. Daar

heb ik geen al te beste verwachtingen van.

Het scheen wel of de vacantie nooit komen zou. En toen ze eindelijk

aanbrak, had Daan al menige oefening met Andy achter den rug; 't

ezeltje was voor 1 Augustus al goed gewend, den weg langs te rennen.

Men vond, dat het dier bovendien nog op diëet moest, om z'n gewicht

te verminderen. Nu is 't waar, Andy wordt erg dik, want hij eet den

ganschen lieven dag maar gras, behalve dan, als ie met ons uit moet.

Maar wat moesten we hem geven? Haver kost veel geld. Lena vond

bouillon heel geschikt, maar bouillon is ook duur, en zoo is ten

slotte alles, wat versterkt. Andy loopt uitstekend en heeft geen

kuren, behalve deze, dat ie zoo nu en dan plotseling stilstaat, om

dan na een of twee minuten weer door te draven. Ik heb gezegd, dat

hij dat doet, om even uit te rusten en op krachten te komen. Daan

meent, dat ie dan even staat te denken. En Alex denkt, dat ie dat

doet, om ons te toonen, dat ie een eigen wil heeft, en dien op z'n

tijd wenscht te gebruiken.

Intusschen waren Lena en ik druk bezig met het vlechten van

laurierkransen en het bijeenzoeken van bloemen om ons karretje te

versieren.

Den dag voor 1 Augustus waren we van 's morgens vroeg tot 's avonds

laat in de weer; wij hadden rosetten van fel-roode geraniums gemaakt,

om die aan Andy's oogkleppen te hechten; dan hadden we varenkruid en

madeliefjes langs de buitenzijde van het karretje gehangen en verder

nog slingers van madeliefjes om den disselboom gestrengeld. Baldwin

wilde niet toestaan, dat we de mooiste bloemen plukten, maar we

hebben toch, toen hij even weg was, eenige fijne bloempjes om de

zweep weten te vlechten. Ik heb al zoo vaak mee helpen versieren in

de kerk, dat ik de goede soorten wel wist te kiezen, tot groote

tevredenheid dan ook van de jongens, die op dit gebied toch maar

weinig te vertellen hebben.

[Illustratie]

Om half één zaten we al aan ons middageten. We kleedden ons allen

op z'n Zondagsch, en wisten Baldwin nog enkele mooie rozen af te

bedelen, die we om onze hoeden vlochten. Toen we uitreden, liep het

halve dorp uit, om ons bloemenrijtuig te zien; ze vonden het allemaal

even prachtig. Ik hoorde nog, dat een vrouw tegen haar buurvrouw zei:

"Wat beleven we toch wondere tijden, mensch! Wie had dat nou ooit

kunnen denken, hè? Altijd bedenken ze maar weer wat nieuws."

Met groot gejuich reden we het dorp door, en toen het veld in, een

prachtig ruim en effen veld, terzijde waarvan onder een boom Kapitein

Rogers in z'n mandewagentje al zat te wachten. Toen hij en zijn vrouw

ons zagen naderen, herkenden ze ons nauwelijks, zóó was ons

karretje veranderd door de bloemen.

Na vijf minuten kwamen ook Betty en Clara aangereden, en toen zaten

we al voor de eerste moeilijkheid. Zij dachten er niet aan, Alex als

koetsier bij zich te nemen, wilden bepaald zelf sturen. Alex was er

leelijk door in z'n wiek geschoten; gelukkig had kapitein Rogers een

goeden inval. Hij rees moeilijk uit z'n wagentje op, en liet zich met

behulp van Mevr. Rogers in z'n badstoel neer; toen zei hij tegen

Alex, dat hij op de boerderij den pony mocht gaan halen, dien voor

het wagentje spannen, en dan daarmee deelnemen aan den wedstrijd. Wij

juichten van blijdschap, want nu hadden we drie mededingers. Er werd

nu afgesproken, dat Daan en ik in ons karretje zouden plaats nemen,

Alex en Lena in het mandewagentje van den kapitein -- er was net

genoeg plaats voor twee -- en Puf wezen we een plaats aan als

controleur bij het eindpunt. Dat beviel 'm slecht; hij begon hard te

huilen, en jammerde, dat hij het ezeltje had gekregen, en dat hij er

mee wilde rijden. Daan zeide hem, dat hij de gansche onderneming in

de war bracht, maar Puf bleef te keer gaan, en we konden zoo niet

beginnen. Ik stelde hem ten slotte voor, met Daan te gaan, inplaats

van mij, want het was toch ook wel hard, hem alleen te laten staan.

En Daan was dat voorstel al heel welkom, want hij had liever het

lichte gewicht van Puf, dan mijn gewichtigheid. Mevr. Rogers vroeg

mij nog, of ik het niet akelig vond, maar ik zei haar van niet, want

ik kreeg nu de gelegenheid, de drie mededingers bij den eindpaal te

zien aankomen.

[Illustratie]

"Ik ben niet zoo kinderachtig, om te gaan huilen, als ik niet mee mag

rijden," zei ik, terwijl ik Pufs tranen van z'n bolle wangen veegde.

Hij was spoedig weer in z'n hum en klom zoo vlug als ie kon, in ons

karretje. Betty vond ons wagentje heel lief. Zuchtend zei ze: "Ik

wou, dat Clara en ik ook zulke aardige ideetjes hadden. Maar als

jelui d'r niet bij zijn, voelen we ons lang niet zoo pleizierig."

Ik keek naar haar keurig rijtuigje met de blauwe kussens, naar het

nikkelen beslag van het paardetuig, naar den prachtigen pony, en

schudde het hoofd. "Jawel," zei ik, "maar wij moeten onze armoede

achter bloemen verbergen, en dat behoeven jelui niet." Ze lachten

luid en vonden ook, dat dàt het wel zou wezen.

Kapitein Rogers had den weg bepaald; een boerenknecht had hij hier en

daar steenen laten opstellen, en toen onze kibbelpartij was

beëindigd, stelde hij ons op een rij naast elkaar op. Hij had ook

een echt pistool bij zich, om het vertreksein te geven. 't Was eenig!

Tweemaal moest het veld worden rondgereden, en toen ik bij het

eindpunt gereed stond, leek het mij nog wel zoo aardig buiten dan in

de wagentjes. Eerst scheen het, of Betty en Clara 't zouden winnen,

maar langzamerhand begon Daan ze in te halen, en toen Andy ze achter

zich liet, gaf ik een schreeuw van vreugde. In de tweede rondte begon

de pony met het mandewagentje, die eerst een heel eind achter was

geweest, steeds harder te rennen, en haalde eindelijk Daan in. Maar

Daan begon Andy zóó onbarmhartig te slaan, dat zij een tijdlang

gelijkop reden.

[Illustratie]

Zelfs haalde hij den pony weer in, en ik dacht werkelijk, dat hij 't

nog zou winnen, toen Andy, dicht bij het eindpunt plotseling

stilhield, en zóó hardnekkig, dat er geen beweging meer in te

krijgen was.

Daan schreeuwde en sloeg er op los, maar Andy bleef staan, koppig en

tot geen toegeven geneigd. 't Was verschrikkelijk, ik schreide haast.

Al spoedig kwamen Alex en Lena aanrijden, en precies gelijk met Clara

en Betty reden ze het eindpunt binnen. Zij wonnen dus beiden, en niet

zoodra hoorde Andy hen hoerah! roepen, of hij zette eensklaps weer

aan, en draafde naar het eindpunt, maar natuurlijk te laat nu.

Wat waren we boos op 'm! Behalve natuurlijk Alex en Lena, die 't nu

gewonnen hadden; zij schenen wel heelemaal te vergeten, dat het ook

hun ezel was, die verloren had. Mevr. Rogers wist niet, wie ze nu den

lauwerkrans moest geven, en dus stelde de kapitein voor, dat de twee

pony's nog eens tegen elkaar moesten draven; ditmaal echter maar een

kleineren afstand. De pony van de boerderij won het nu gemakkelijk.

En zoo kreeg Lena den lauwerkrans. Ze was er zóó verheerlijkt mee,

dat ze haar hoed afwierp en den krans op haar hoofd zette.

Na afloop van den wedstrijd zochten we allen een rustig plekje aan de

rivier, en bepraatten daar nog eens druk de gebeurtenissen van den

heerlijken middag. Er werd een vuurtje gemaakt, en thee gezet, en

rondom 't vuurtje gezeten, konden we ons heel wel verbeelden, in een

zigeunerkamp te zijn aangeland.

Vervolgens werden allerlei spelletjes gedaan, vooral ook die, waarbij

we konden blijven zitten, omdat Betty nog niet vlug loopen kon. 't

Speet ons, toen we naar huis moesten. Naast elkaar reden wij, te

weten Clara en Betty in haar, en wij allen in ons wagentje, naar

huis.

Eigenlijk waren we allemaal ook nog 'n klein beetje uit ons humeur;

Clara en Betty, omdat ze 't niet gewonnen hadden; Daan en ik, omdat

Andy ons door z'n malle kuren had doen verliezen. Kapitein Rogers

zei, dat je zooiets nu eenmaal van een ezel moet verwachten, daar

zijn 't ezels voor.

------

Wij en ons ezeltje · 第 15 / 29 题