HOOFDSTUK IX.

Het is zoo angstig, als je met heel je hart het goede wilt doen, en

je ontdekt dan, dat je toch eigenlijk bezig bent om te doen, wat niet

goed is. Alle mooie dingen schijnen dan verkeerd te zijn. Dat

feestmaal bij de zigeuners b.v. leek mij toch wel een der heerlijkste

zaken, waarvan ik ooit gehoord had. Den volgenden dag na theetijd

wandelde ik in den tuin rond en overdacht deze dingen. Ik wist heel

wel, dat ons niet zou worden toegestaan, er heen te gaan, en in elk

geval ons meisjes niet. Maar wij bleven altoos tot beddegaanstijd in

den tuin, en het zou dus niet moeilijk vallen, in 't duister te

ontsnappen. Zoo'n wandeling in 't donker en zoo'n feestmaal in 't

zigeunerkamp scheen wàt avontuurlijk. En dan de terugtocht bij

maanlicht!

En toen begon ik over mijzelf te denken. Als ik een trouwe

dienstmaagd wilde wezen, mocht ik natuurlijk niet gaan naar een

plaats, waar mijn Meester mij niet wilde hebben en dus moest ik Hem

daar eerst over vragen. En nu hoop ik, dat ge het niet verwaand zult

vinden, als ik vertel, dat 'k naar het struikgewas bij de kerk ging

waar niemand me kon zien. Daar vertelde ik alles aan Jezus, en ik

vroeg hem, om mij thuis te houden, als het verkeerd was er heen te

gaan. Toen ik opstond, gevoelde ik met groote zekerheid dat ik niet

mocht gaan, en ik wist ook, dat ik moest trachten, Lena eraf te

houden.

Ik ging haar dus zoeken. En ik was allesbehalve op m'n gemak, toen ik

zag, dat de jongens al den weg op slopen. Ik vloog ze achterna en

vroeg:

"Gaan jelui?"

"Ja zeker," zei Daan. "Je deedt beter met wat haast te maken, als je

meewilt."

"Ik ga niet mee," zei ik. "Waar is Lena?"

"Die probeert even braaf te worden als jij," zei Alex mopperend. De

tranen kwamen mij in de oogen.

"O, ik wou, ik wou dat ik mee mocht!" riep ik uit, en liep toen naar

huis terug zoo hard als ik kon, want het trof mij, dat ik anders net

zou doen als Bileam, die wilde doen, wat God hem had verboden. Maar

ik was blij, dat Lena ten minste ook niet meegegaan was.

In huis ging ik haar overal zoeken, maar ze was nergens te vinden.

Toen schoot mij te binnen dat ze misschien Andy goedennacht was gaan

zeggen. Ik ging dus den tuin weer door en vroeg aan Baldwin en Emma

en de keukenmeid, of ze haar ook gezien hadden. Niemand had haar

gezien. Terwijl ik nog druk zocht, kwam tante Caroline naar buiten,

zei me dat het bedtijd was en vroeg, waar Lena zat. Ik vertelde haar,

dat ik overal naar Lena gezocht had, maar ze nergens kon vinden.

Tante vond, dat ik dan maar vast naar bed moest gaan, Lena zou dan

wel volgen. Ik zei vader, die in z'n studeerkamer was, dus

goedennacht, en ging de trap op. Ik gevoelde mij verdrietig, en begon

weer te wenschen, dat ik toch nog maar met de jongens was meegegaan.

En ik herinnerde mij nu ook, hoe Lena gezegd had, dat ze toch zou

meegaan, hoe ze er ook later voor gestraft zou worden.

Ik lag juist in bed, toen tante Caroline boven kwam. "Griet, waar is

Lena toch? Emma zegt, dat ze nergens te vinden is, en de jongens,

waar zitten die?"

[Illustratie]

Ik zweeg; het is bij ons niet "in den vorm", te klikken. Dat doen we

nooit. Maar tante wou me aan den praat hebben. Zij dreigde, vader te

zullen halen, als ik niet antwoordde. Ik zei toen: "Ik weet, waar de

jongens zijn, tante, maar ik wil het liever niet zeggen, en ik weet

niet, of Lena ook met hen mee is." "Maar je moèt zeggen, waar ze

heen zijn, Griet; het is heel leelijk van ze, om zoo weg te snappen."

"Ze zullen niets geen verkeerds uithalen, maar het zal wel laat

worden, eer ze thuis zijn." "Ik zal dadelijk met vader er over

spreken," zei tante; zij wist wel, dat we nooit van elkaar zouden

klikken; 't speet mij wel voor haar, want ze zag er zoo bezorgd uit.

Na eenigen tijd kwam vader boven, en toen ik hem hoorde komen, stopte

ik m'n hoofd goed onder de dekens en deed alsof ik sliep. Maar dat

lukte niet best, want hij legde zijn hand op mijn hoofd, en dat is

als een kus, en dan gevoel ik, dat ik hem alles kan vertellen. "Wel,

kind, is Lena nog niet boven water? Wat zijn jelui toch lastig. Tante

is er heelemaal van in de war."

"Het spijt mij vader, maar Lena heeft mij niet gezegd, dat en waar ze

heenging, en ik heb haar ook niet zien heengaan."

"Weet je, waar de jongens zijn?"

"Ja, vader."

Hij zweeg even, en zei toen: "Je moet me alles zeggen. Ik kan niet

hebben, dat een van m'n kleintjes zoo laat op den avond de deur uit

is, zonder dat ik weet, waar ie zit."

Ik vertelde hem nu de geschiedenis, en hij zuchtte. "Het is heel

ondeugend van ze, en dat zullen ze weten ook. Daan heeft mij zeer

teleurgesteld."

"Och vader," zei ik, zijn hand grijpende, "als u nog een jongen was,

dan ben ik er zeker van, dat u het ook zoudt gedaan hebben. Denk u

eens in: Zij mogen rond een kampvuur zitten en konijnenvleesch eten,

en dan worden er zigeunerliederen bij gezongen. Wat is daar nu voor

verkeerds in?"

Vader glimlachte. "Wel Grietje, het zal de jongens geen kwaad doen,

maar zigeuners zijn geen goede vriendjes voor mijn volkje, en Daan

had beter moeten weten. En dan, Lena is nog een popje!"

Hij ging naar de deur, knikte mij toe, en zei: "Goed kind." Even

daarna hoorde ik de huisdeur toeslaan, en ik begreep, dat hij hen

ging halen. Ik trachtte wakker te blijven, maar 't lukte mij niet, en

gewoonlijk sliep ik in eens door tot het uur van opstaan. Toen ik

wakker werd, keek ik allereerst naar Lena's bed, en zag, dat ze er

weer was. Toen ze wakker werd, zag ze er nog erg slaperig en hangerig

uit. "Toe, vertel me es gauw," zei ik. "Ben je met de jongens

meegegaan?"

"Natuurlijk, domme meid. Ik heb je toch gezegd, dat ik het zou doen.

Ik ben nog vóór hen weggegaan, in geval je mij hadt willen

tegenhouden; op de stoep bij juffrouw Ribbon wachtte ik ze op." Op

boosaardigen toon vervolgde Lena: "Daan wou me terugsturen, maar ik

zei hem, dat ik niet een van z'n Zondagsschoolkinderen was. Maar hij

vond 't niets prettig, en dreigde, mij niet te zullen helpen, als ik

achter raakte!"

"Vertel me nu van het feestmaal," drong ik nieuwsgierig aan. "Dat was

er niet," zei Lena boos. "We hebben heelemaal tevergeefs geloopen, en

mijn voeten gingen zeer doen. Toen wij er kwamen, was alles donker;

het gansche kamp was verdwenen, en er was geen mensch meer te zien.

Maar aan een boom was een briefje gespijkerd, en daar stond met

vreeselijk slechte letters opgeschreven:

"Zigeuner-feestmaal Eerst den haas vangen, dan braden."

[Illustratie]

Daan vond het een heel knappen zigeuners streek, maar zij waren met

dat al heel boos, en ik niet minder."

Wat was ik blij, dat ik niet was meegegaan! Ik had nu niets gemist.

Maar die blijdschap was weer niet goed, ik had even blij moeten

wezen, als ze een heerlijken maaltijd hadden genoten. "'t Is wat

moois," bromde Lena. "Nu krijgen we allemaal straf voor niets. En we

hebben niet eens den maaltijd gehad." Bij het ontbijt waren de

jongens o zoo kalm. Vader had hun een flinke bestraffing gegeven, en

na theetijd mochten ze, evenmin als Lena, in den tuin. Vader straft

ons heel weinig, maar wij hebben altijd meer verdriet van zijn

boosheid dan van de straf zelf.

Voordat de jongens naar school gingen, zei Daan tegen me: "Ik

verwonder me er niet over, dat wel-opgevoede lui zeggen, dat de

wereld steeds slechter wordt. Dat heb ik nu weer aan de zigeuners

gezien!" Dat was alles, wat hij ooit nog weer over het mislukte

zigeuner-feestmaal zei.

[Illustratie]

De volgende dagen werden besteed aan het schilderen van het karretje;

de jongens vonden helgroen de beste kleur. Vervolgens werd

onderhandeld over den aankoop van een zadel voor Andy. Ook hiervoor

gingen we weer, ieder op z'n vroegere manier, aan 't verdienen; Daan

werd weer vischboer, Alex voor ditmaal ook, Lena ging weer borstplaat

verkoopen, en ik gaf Bob Tapson weer wat groenten en bloemen mee voor

de markt.

[Illustratie]

Te midden van al deze bezigheden kwam ons jaarlijksch schoolfeest,

dat hier meest op een der landerijen of in het park van Mevrouw Laura

wordt gehouden. Ditmaal ontving Mevrouw Laura de kinderen in haar

park; wij marcheerden er, allen met vlaggen gewapend heen, en

onderweg voegden zich ook de kinderen van het naaste dorp er bij,

zoodat het een groote optocht werd.

Den dag vóór het schoolfeest kwam Daan thuis met een blauw oog en

een snede er boven. Hij vertelde me, dat hij aan 't vechten was

geweest met den "wilde", dat is die vuile jongen met z'n dikke

beenen. Vader ondervroeg Daan terstond, en deze vertelde: "Ik heb hem

al te lang gespaard, vader. Hij meende alles maar tegen mij te kunnen

zeggen.

Hij zei b.v., dat in de gevangenis haast allemaal domineeszoontjes

zitten, omdat hun vaders allen huichelaars zijn. Ik eischte van hem,

dat ie z'n woorden zou terugnemen, maar hij keek me brutaal aan en

zei: Jou lieve papa mag de lui van den preekstoel de les lezen, maar

zijn brave zoon heeft mij niets te vertellen, begrepen? En toen vloog

ik op 'm los, hij rende weg, pakte een steen op en slingerde dien

naar mij toe. Dat ie me z'n vuist onder de oogen zou geduwd hebben,

alla, maar een steen! Wij vlogen allen op 'm aan, en hij vluchtte in

een der schoollokalen, maar spoedig hadden we hem daar weer uit;

terwijl de jongens hem stevig vast hielden, heb ik hem een flinke

aframmeling gegeven. Het was goed, dat ik het deed, en niet een van

de andere jongens, want ik weet, wanneer ik moet ophouden; als de

jonge Gray hem te pakken had gekregen, wel ik geloof, dat ie 'm half

dood had geslagen."

[Illustratie]

"Ja," voegde Alex er bij. "En toen ging ie huilend naar meester, maar

die zei 'm, dat ie gekregen had, wat ie verdiende."

Vader zei niet veel. Hij verstaat jongens zoo goed. Net voor we naar

bed gingen, kwam Daan naar me toe, en zei: "Hoor es, Griet, ik wil je

de kleine Zondagsschoolklas overdoen. Ik kan het niet meer doen. Ik

kan die kinderen niet verbieden te vechten, als ik het zelf doe.

Gisteren heb ik in 't dorp nog twee vechtende jongens gescheiden. Het

was eigenlijk verkeerd zoo op te treden, maar ik dacht aan het

_gaan_, dat ons geleerd is. En dan dat geval met Lena. Neen, ik kan

die klas niet meer houden."

"Goed," zei ik, "maar ik vrees, dat ik 't niet veel beter zal maken.

Mag je nooit iets verkeerds doen, als je aan de Zondagsschool bent?"

"Ik wil geen huichelaar wezen," zei Daan en ging weer weg. Toen vader

te hooren kwam, dat de klas aan mij was overgedaan, riep vader Daan

bij zich. "M'n jongen, weet je wel, waarin je verkeerd hebt gedaan?

Je hebt het paard achter den wagen gespannen; je begon al te gaan nog

vóór je was gekomen."

Wij en ons ezeltje · 第 13 / 29 题