Het is zoo angstig, als je met heel je hart het goede wilt doen, en
je ontdekt dan, dat je toch eigenlijk bezig bent om te doen, wat niet
goed is. Alle mooie dingen schijnen dan verkeerd te zijn. Dat
feestmaal bij de zigeuners b.v. leek mij toch wel een der heerlijkste
zaken, waarvan ik ooit gehoord had. Den volgenden dag na theetijd
wandelde ik in den tuin rond en overdacht deze dingen. Ik wist heel
wel, dat ons niet zou worden toegestaan, er heen te gaan, en in elk
geval ons meisjes niet. Maar wij bleven altoos tot beddegaanstijd in
den tuin, en het zou dus niet moeilijk vallen, in 't duister te
ontsnappen. Zoo'n wandeling in 't donker en zoo'n feestmaal in 't
zigeunerkamp scheen wàt avontuurlijk. En dan de terugtocht bij
maanlicht!
En toen begon ik over mijzelf te denken. Als ik een trouwe
dienstmaagd wilde wezen, mocht ik natuurlijk niet gaan naar een
plaats, waar mijn Meester mij niet wilde hebben en dus moest ik Hem
daar eerst over vragen. En nu hoop ik, dat ge het niet verwaand zult
vinden, als ik vertel, dat 'k naar het struikgewas bij de kerk ging
waar niemand me kon zien. Daar vertelde ik alles aan Jezus, en ik
vroeg hem, om mij thuis te houden, als het verkeerd was er heen te
gaan. Toen ik opstond, gevoelde ik met groote zekerheid dat ik niet
mocht gaan, en ik wist ook, dat ik moest trachten, Lena eraf te
houden.
Ik ging haar dus zoeken. En ik was allesbehalve op m'n gemak, toen ik
zag, dat de jongens al den weg op slopen. Ik vloog ze achterna en
vroeg:
"Gaan jelui?"
"Ja zeker," zei Daan. "Je deedt beter met wat haast te maken, als je
meewilt."
"Ik ga niet mee," zei ik. "Waar is Lena?"
"Die probeert even braaf te worden als jij," zei Alex mopperend. De
tranen kwamen mij in de oogen.
"O, ik wou, ik wou dat ik mee mocht!" riep ik uit, en liep toen naar
huis terug zoo hard als ik kon, want het trof mij, dat ik anders net
zou doen als Bileam, die wilde doen, wat God hem had verboden. Maar
ik was blij, dat Lena ten minste ook niet meegegaan was.
In huis ging ik haar overal zoeken, maar ze was nergens te vinden.
Toen schoot mij te binnen dat ze misschien Andy goedennacht was gaan
zeggen. Ik ging dus den tuin weer door en vroeg aan Baldwin en Emma
en de keukenmeid, of ze haar ook gezien hadden. Niemand had haar
gezien. Terwijl ik nog druk zocht, kwam tante Caroline naar buiten,
zei me dat het bedtijd was en vroeg, waar Lena zat. Ik vertelde haar,
dat ik overal naar Lena gezocht had, maar ze nergens kon vinden.
Tante vond, dat ik dan maar vast naar bed moest gaan, Lena zou dan
wel volgen. Ik zei vader, die in z'n studeerkamer was, dus
goedennacht, en ging de trap op. Ik gevoelde mij verdrietig, en begon
weer te wenschen, dat ik toch nog maar met de jongens was meegegaan.
En ik herinnerde mij nu ook, hoe Lena gezegd had, dat ze toch zou
meegaan, hoe ze er ook later voor gestraft zou worden.
Ik lag juist in bed, toen tante Caroline boven kwam. "Griet, waar is
Lena toch? Emma zegt, dat ze nergens te vinden is, en de jongens,
waar zitten die?"
[Illustratie]
Ik zweeg; het is bij ons niet "in den vorm", te klikken. Dat doen we
nooit. Maar tante wou me aan den praat hebben. Zij dreigde, vader te
zullen halen, als ik niet antwoordde. Ik zei toen: "Ik weet, waar de
jongens zijn, tante, maar ik wil het liever niet zeggen, en ik weet
niet, of Lena ook met hen mee is." "Maar je moèt zeggen, waar ze
heen zijn, Griet; het is heel leelijk van ze, om zoo weg te snappen."
"Ze zullen niets geen verkeerds uithalen, maar het zal wel laat
worden, eer ze thuis zijn." "Ik zal dadelijk met vader er over
spreken," zei tante; zij wist wel, dat we nooit van elkaar zouden
klikken; 't speet mij wel voor haar, want ze zag er zoo bezorgd uit.
Na eenigen tijd kwam vader boven, en toen ik hem hoorde komen, stopte
ik m'n hoofd goed onder de dekens en deed alsof ik sliep. Maar dat
lukte niet best, want hij legde zijn hand op mijn hoofd, en dat is
als een kus, en dan gevoel ik, dat ik hem alles kan vertellen. "Wel,
kind, is Lena nog niet boven water? Wat zijn jelui toch lastig. Tante
is er heelemaal van in de war."
"Het spijt mij vader, maar Lena heeft mij niet gezegd, dat en waar ze
heenging, en ik heb haar ook niet zien heengaan."
"Weet je, waar de jongens zijn?"
"Ja, vader."
Hij zweeg even, en zei toen: "Je moet me alles zeggen. Ik kan niet
hebben, dat een van m'n kleintjes zoo laat op den avond de deur uit
is, zonder dat ik weet, waar ie zit."
Ik vertelde hem nu de geschiedenis, en hij zuchtte. "Het is heel
ondeugend van ze, en dat zullen ze weten ook. Daan heeft mij zeer
teleurgesteld."
"Och vader," zei ik, zijn hand grijpende, "als u nog een jongen was,
dan ben ik er zeker van, dat u het ook zoudt gedaan hebben. Denk u
eens in: Zij mogen rond een kampvuur zitten en konijnenvleesch eten,
en dan worden er zigeunerliederen bij gezongen. Wat is daar nu voor
verkeerds in?"
Vader glimlachte. "Wel Grietje, het zal de jongens geen kwaad doen,
maar zigeuners zijn geen goede vriendjes voor mijn volkje, en Daan
had beter moeten weten. En dan, Lena is nog een popje!"
Hij ging naar de deur, knikte mij toe, en zei: "Goed kind." Even
daarna hoorde ik de huisdeur toeslaan, en ik begreep, dat hij hen
ging halen. Ik trachtte wakker te blijven, maar 't lukte mij niet, en
gewoonlijk sliep ik in eens door tot het uur van opstaan. Toen ik
wakker werd, keek ik allereerst naar Lena's bed, en zag, dat ze er
weer was. Toen ze wakker werd, zag ze er nog erg slaperig en hangerig
uit. "Toe, vertel me es gauw," zei ik. "Ben je met de jongens
meegegaan?"
"Natuurlijk, domme meid. Ik heb je toch gezegd, dat ik het zou doen.
Ik ben nog vóór hen weggegaan, in geval je mij hadt willen
tegenhouden; op de stoep bij juffrouw Ribbon wachtte ik ze op." Op
boosaardigen toon vervolgde Lena: "Daan wou me terugsturen, maar ik
zei hem, dat ik niet een van z'n Zondagsschoolkinderen was. Maar hij
vond 't niets prettig, en dreigde, mij niet te zullen helpen, als ik
achter raakte!"
"Vertel me nu van het feestmaal," drong ik nieuwsgierig aan. "Dat was
er niet," zei Lena boos. "We hebben heelemaal tevergeefs geloopen, en
mijn voeten gingen zeer doen. Toen wij er kwamen, was alles donker;
het gansche kamp was verdwenen, en er was geen mensch meer te zien.
Maar aan een boom was een briefje gespijkerd, en daar stond met
vreeselijk slechte letters opgeschreven:
"Zigeuner-feestmaal Eerst den haas vangen, dan braden."
[Illustratie]
Daan vond het een heel knappen zigeuners streek, maar zij waren met
dat al heel boos, en ik niet minder."
Wat was ik blij, dat ik niet was meegegaan! Ik had nu niets gemist.
Maar die blijdschap was weer niet goed, ik had even blij moeten
wezen, als ze een heerlijken maaltijd hadden genoten. "'t Is wat
moois," bromde Lena. "Nu krijgen we allemaal straf voor niets. En we
hebben niet eens den maaltijd gehad." Bij het ontbijt waren de
jongens o zoo kalm. Vader had hun een flinke bestraffing gegeven, en
na theetijd mochten ze, evenmin als Lena, in den tuin. Vader straft
ons heel weinig, maar wij hebben altijd meer verdriet van zijn
boosheid dan van de straf zelf.
Voordat de jongens naar school gingen, zei Daan tegen me: "Ik
verwonder me er niet over, dat wel-opgevoede lui zeggen, dat de
wereld steeds slechter wordt. Dat heb ik nu weer aan de zigeuners
gezien!" Dat was alles, wat hij ooit nog weer over het mislukte
zigeuner-feestmaal zei.
[Illustratie]
De volgende dagen werden besteed aan het schilderen van het karretje;
de jongens vonden helgroen de beste kleur. Vervolgens werd
onderhandeld over den aankoop van een zadel voor Andy. Ook hiervoor
gingen we weer, ieder op z'n vroegere manier, aan 't verdienen; Daan
werd weer vischboer, Alex voor ditmaal ook, Lena ging weer borstplaat
verkoopen, en ik gaf Bob Tapson weer wat groenten en bloemen mee voor
de markt.
[Illustratie]
Te midden van al deze bezigheden kwam ons jaarlijksch schoolfeest,
dat hier meest op een der landerijen of in het park van Mevrouw Laura
wordt gehouden. Ditmaal ontving Mevrouw Laura de kinderen in haar
park; wij marcheerden er, allen met vlaggen gewapend heen, en
onderweg voegden zich ook de kinderen van het naaste dorp er bij,
zoodat het een groote optocht werd.
Den dag vóór het schoolfeest kwam Daan thuis met een blauw oog en
een snede er boven. Hij vertelde me, dat hij aan 't vechten was
geweest met den "wilde", dat is die vuile jongen met z'n dikke
beenen. Vader ondervroeg Daan terstond, en deze vertelde: "Ik heb hem
al te lang gespaard, vader. Hij meende alles maar tegen mij te kunnen
zeggen.
Hij zei b.v., dat in de gevangenis haast allemaal domineeszoontjes
zitten, omdat hun vaders allen huichelaars zijn. Ik eischte van hem,
dat ie z'n woorden zou terugnemen, maar hij keek me brutaal aan en
zei: Jou lieve papa mag de lui van den preekstoel de les lezen, maar
zijn brave zoon heeft mij niets te vertellen, begrepen? En toen vloog
ik op 'm los, hij rende weg, pakte een steen op en slingerde dien
naar mij toe. Dat ie me z'n vuist onder de oogen zou geduwd hebben,
alla, maar een steen! Wij vlogen allen op 'm aan, en hij vluchtte in
een der schoollokalen, maar spoedig hadden we hem daar weer uit;
terwijl de jongens hem stevig vast hielden, heb ik hem een flinke
aframmeling gegeven. Het was goed, dat ik het deed, en niet een van
de andere jongens, want ik weet, wanneer ik moet ophouden; als de
jonge Gray hem te pakken had gekregen, wel ik geloof, dat ie 'm half
dood had geslagen."
[Illustratie]
"Ja," voegde Alex er bij. "En toen ging ie huilend naar meester, maar
die zei 'm, dat ie gekregen had, wat ie verdiende."
Vader zei niet veel. Hij verstaat jongens zoo goed. Net voor we naar
bed gingen, kwam Daan naar me toe, en zei: "Hoor es, Griet, ik wil je
de kleine Zondagsschoolklas overdoen. Ik kan het niet meer doen. Ik
kan die kinderen niet verbieden te vechten, als ik het zelf doe.
Gisteren heb ik in 't dorp nog twee vechtende jongens gescheiden. Het
was eigenlijk verkeerd zoo op te treden, maar ik dacht aan het
_gaan_, dat ons geleerd is. En dan dat geval met Lena. Neen, ik kan
die klas niet meer houden."
"Goed," zei ik, "maar ik vrees, dat ik 't niet veel beter zal maken.
Mag je nooit iets verkeerds doen, als je aan de Zondagsschool bent?"
"Ik wil geen huichelaar wezen," zei Daan en ging weer weg. Toen vader
te hooren kwam, dat de klas aan mij was overgedaan, riep vader Daan
bij zich. "M'n jongen, weet je wel, waarin je verkeerd hebt gedaan?
Je hebt het paard achter den wagen gespannen; je begon al te gaan nog
vóór je was gekomen."